Achtergronden - Utilities

De Tweede Kamer organiseerde zeven rondetafelgesprekken met een doorsnee van de partijen die bij de samenstelling van het ontwerp Klimaatakkoord betrokken waren. Gijsbrecht Gunter van Yara Sluiskil en Ingrid Caluwé van Tata Steel vertegenwoordigden de sectortafel Industrie en gaven een overzicht van de energiebesparingsmaatregelen die de bedrijven de afgelopen jaren hebben genomen. Een extra CO2-belasting is wat hen betreft niet wenselijk.

Het ontwerp Klimaatakkoord was nog niet gepresenteerd of er ontstond alweer roering. De milieuorganisaties vonden de afspraken te vrijblijvend en wilden liever een generieke CO2-heffing. Bovendien hadden ze principiële bezwaren tegen carbon capture and storage (CCS). Tegelijkertijd vond de industrie dat de besparingsopdracht zonder CCS niet lukt en dat een generieke heffing tot onaanvaardbare weglekeffecten zou leiden, en hoogstwaarschijnlijk niet tot de CO2– emissiereductie doelen. Onderzoeken van PWC en CE Delft onderstreepten dat. Toen het Centraal Planbureau en het Planbureau voor de Leefomgeving de doorrekening van het conceptakkoord presenteerden, brak opnieuw onrust uit omdat in de voorstellen van de industrie teveel onzekerheden zaten. Minister Wiebes van Economische zaken kondigde bijna tegelijkertijd aan de industrie een groter deel van de lasten te laten dragen die gepaard gaan met de energietransitie. De minister zou onderzoeken of een CO2-taks tot de gewenste CO2-besparingsprikkel zou leiden, waarbij hij aangaf dat de heffing verstandig moet zijn, zonder weglekken van CO2, het verdwijnen van banen en met behoud van level playing field.

De Tweede Kamer was inmiddels het spoor bijster over de stappen die moeten worden genomen om de CO2– uitstoot in 2030 met 49 procent terug te dringen. Men besloot dan ook maar liefst zeven rondetafelgesprekken te organiseren waarin een doorsnee van de partijen die bij de samenstelling van het ontwerp Klimaatakkoord betrokken waren hun standpunt konden toelichten.

11 april was de sectortafel Industrie aan de beurt. Vertegenwoordigers van de industrie zoals de VNCI, de VNPI, NGO’s als Greenpeace en Milieudefensie en een keur aan wetenschappers mochten de Kamer inzicht geven in hun standpunt.

Onder de genodigden waren ook Yara Sluiskil en Tata Steel, twee partijen die in de lijst staan van de tien bedrijven die gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor vijftig procent van de Nederlandse industriële CO2-uitstoot. Beide bedrijven ontkennen ook niet dat hun uitstoot fors is, maar geven tegelijkertijd aan dat hun fabrieken binnen de internationale benchmarks het hoogste scoren wat betreft efficiency en energieverbruik. Yara Sluiskil is bovendien de grootste kunstmestfabriek van Noordwest Europa. De rode draad in de betogen tegen een platte CO2-belasting is dat een lokale CO2-belasting vooral duurzame investeringen zullen tegenhouden en carbon leakage in de hand werken.

Yara

Public affairs manager en lid van het Management Gijsbrecht Gunter hield namens Yara zijn betoog voor de Tweede Kamercommissie. Gunter: ‘Kunstmest is wereldwijd verantwoordelijk voor één procent van de broeikasgasemissies. Zonder kunstmest zou vijftig procent minder voedsel zijn op aarde. De uitvinder ervan ontving ooit de Nobelprijs en kunstmestproductie werd vorig jaar uitgeroepen tot de beste chemische uitvinding van de eeuw. De wereldwijde vraag naar kunstmest stijgt dan ook gemiddeld 1,5 tot twee procent per jaar.

Dankzij voortdurende innovatie behoren de fabrieken in Sluiskil tot de veiligste, betrouwbaarste en energiezuinigste ter wereld. De fabrieken presteren beter dan de Europese benchmark, maar lopen wel tegen een keiharde asymptoot aan. Namelijk de minimale hoeveelheid energie die natuurkundig nodig is om een ton ammoniak te maken in een fabriek. Een nationale CO2 heffing kan de asymptoot die de natuurwet bepaalt niet verleggen en werkt juist contraproductief voor bedrijven die vanwege grote inspanning op energiebesparing in de achterliggende tijd tegen deze asymptoot aanschurken.

Er is meer nodig, namelijk nieuwe technologie, en die ontwikkel je niet verder door op nationaal niveau platte boetes op te leggen aan bedrijven die tot de best presterende ter wereld behoren. Sterker, daarmee katalyseert de boete de wereldwijde klimaatproblematiek via verschuiving van de productie naar buitenlandse, meer emitterende concurrenten. Sinds 1990 heeft Yara Sluiskil haar broeikasgasemissie maar liefst met 55 procent gereduceerd, ondanks dat de productie met twee miljoen ton toenam in dezelfde periode.

Meer dan negentig procent van de kunstmestfabrieken wereldwijd heeft een aanzienlijk hogere broeikasgasemissie, tot wel driemaal hoger in landen als China, Rusland, Oekraïne en de VS. Bovendien rekent de NeA alle emissies van Yara Sluiskil mee die optellen tot 3,8 megaton (2017), terwijl momenteel 1,4 megaton middels Carbon Capture & Usage wordt verwerkt in producten zoals meststoffen, AdBlue en bubbels voor de frisdrankindustrie en die niet kunnen worden gereduceerd. In werkelijkheid komt er dus nog ‘slechts’ 2,4 megaton CO2-equivalenten vrij in Sluiskil.’

Groene waterstof

Gunter meldt verder dat Yara al vele experimenten uitvoerde met groene waterstof, maar steeds aanloopt tegen het feit dat daarmee de prijs twee tot vier keer hoger wordt dan grijze waterstof. En de markt kiest nog steeds vooral voor de laagste prijs. Toch geeft Yara niet op en ook in Nederland doet het bedrijf actief mee in initiatieven zoals de Waterstofcoalitie, de één gigawatt-studie van ISPT en het Battolyser project. Tot 1991 bedreef Yara een 150 megawatt electrolyser op waterkrachtenergie in Glomfjord, maar die werd gestopt omdat het niet rendabel was.

Toch bleek dat het moederbedrijf de beslissing nam om samen met Engie een honderd megawatt solar based electrolyser in Australië te gaan ontwikkelen en niet in Nederland. Sterker, Yara Sluiskil liep het achterliggende jaar twee grote investeringen mis, voor een belangrijk deel te wijten aan de onduidelijkheid rondom (klimaat)wetgeving in Nederland.

Investeringen

Hoewel de reacties van de Kamerleden uiteraard nog niets zeggen over de koers van het Kabinet, waren de reacties volgens Gunter toch redelijk hoopgevend. ‘Zowel links als rechts was het ermee eens dat het weglekken van CO2 zoveel mogelijk moet worden voorkomen. Ook voor de werkgelegenheid is het niet wenselijk als grote bedrijven op den duur naar het buitenland vertrekken. De discussie ging dan ook met name over hoe het beleid zo kon worden ingericht dat de industrie voldoende werd geprikkeld verdere stappen te nemen en we samen de weg naar bijvoorbeeld groene waterstof inslaan. Ik heb ze geprobeerd duidelijk te maken dat een platte CO2-taks daar niet bij helpt. Hoewel Wiebes beloofde de extra uitgaven terug te geven in de vorm van subsidie op CO2-besparende technologie, zullen we dergelijke projecten toch moeten voorfinancieren en bovendien is het vooruit betalen van een taks qua liquiditeit een onmogelijke opgave. Behalve dat dat tot liquiditeitsproblemen leidt, is het bovendien niet eens zeker of we de subsidie vervolgens ook daadwerkelijk toegewezen krijgen en je ziet nu al gebeuren dat bepaalde partijen aangeven uit de pot te willen plukken voor andere beleidsterreinen waar geld nodig is.’

Het feit dat het moederbedrijf van Yara voor Australië koos voor de bouw van een electrolyser wil Gunter niet gebruiken om de discussie naar zijn hand te zetten. ‘Er zijn meerdere overwegingen voor Yara voor dit soort investeringen. Australië heeft een duidelijke keuze voor waterstof gemaakt, heeft veel ruimte en veel zonne-energie. Maar aan de andere kant: Nederland heeft weer veel windenergie, een goede gasinfrastructuur, fabrieken die je gefaseerd kunt ombouwen en logistiek zitten we goed. Het zou dan ook jammer zijn als het politieke klimaat investeringen juist tegenhoudt. Daar zullen we de komende jaren misschien nog niet veel van merken, maar over 10 jaar zullen we de rem die nu op investeringen gezet wordt wel degelijk voelen, want ook in de industrie geldt: stilstand achteruitgang.’

Tata Steel

Ook Tata Steel kreeg de gelegenheid zijn positie binnen de mondiale staalindustrie te schetsen. Ingrid de Caluwé, Public Affairs Manager van het staalbedrijf, gaf een overzicht van de inspanningen die het bedrijf al heeft genomen zijn energieverbruik te verlagen en CO2-emissies te beperken.

De Caluwé: ‘Tata Steel behoort tot de wereldwijde top van staalbedrijven met de laagste CO2-uitstoot per ton staal. Voor een verdere, drastische verlaging van de CO2-uitstoot zullen baanbrekende nieuwe technieken nodig zijn, een complete herinrichting van de processen én de inzet van duurzame brandstoffen, zoals groene elektriciteit en waterstof.

Dit is alleen mogelijk met investeringen die onvoldoende rendabel zijn en daarmee de concurrentiepositie op de internationale markt verzwakken. Het is daarom van groot belang dat de overheid maatregelen neemt die zowel de CO2-uitstoot reduceren, als ook de bedrijven die zich hiervoor inzetten steunen. ‘

Innovatie

Tata Steel ontwikkelde een CO2-reductieplan met nieuwe doorbraaktechnologieën zoals de doorbraaktechnologie HIsarna die het mogelijk maakt twintig tot tachtig procent minder CO2 uit te stoten.  De staalreus start met Dow Chemical cross-sectorale samenwerking waarbij koolmonoxide uit de hoogovengassen wordt afgevangen en in een fabriek omgezet in grondstoffen voor de chemische industrie.

Verder werkt Tata samen met Nouryon aan de ontwikkeling van een waterstoffabriek op het terrein in IJmuiden. Ook verkocht het bedrijf een stuk terrein aan Tennet voor het opzetten van een aanlandpunt voor groene stroom van windmolens op zee.

CO2-heffing

Over de CO2-heffing is De Caluwé duidelijk: ‘Bovenop de omvangrijke investeringen zou deze heffing een zeer grote financiële aderlating betekenen, die investeringen in duurzame innovaties en CO2-reductie onmogelijk maken. De staal gerelateerde uitstoot van Tata Steel is 12,5 miljoen ton CO2. Iedere heffing over de uitstoot maakt het moeilijk om nog in innovatie te investeren.

De Caluwé heeft een politieke loopbaan achter de rug en de open opstelling van de Kamerleden verbaasde de zegsvrouw van Tata Steel. ‘Ik heb nog nooit meegemaakt dat de   gasten tijdens een hoorzitting met elkaar in debat gingen, deels aangemoedigd door Kamerleden. Vaak is zo’n hoorzitting een formaliteit waar de standpunten al bekend zijn. Ik merk dat het onderwerp echt leeft en de Kamer op zoek is naar goede instrumenten om de CO2-uitstoot terug te dringen.’

Dat instrument had de industrie overigens al aangereikt met de bonus/malus regeling waarin slecht presterende bedrijven extra moesten betalen ten gunste van de goed presterende bedrijven. De Caluwé: ‘Het PBL gaf aan het besparingspotentieel niet voldoende door te kunnen rekenen omdat er nog veel onzekerheden bestonden over bijvoorbeeld de overheidsinvesteringen in de noodzakelijke infrastructuur. Naar onze mening zou een ontwerp Klimaatakkoord juist dit soort vragen moeten blootleggen om daar naar een definitief akkoord toe besluiten over te kunnen maken. Helaas werd ons voorstel al snel ingehaald door de CO2-heffing, wat gezien de naderende verkiezingen wellicht meer publiek begrip opleverde.’

Ook Tata Steel ziet het terugsluizen van de extra belasting via subsidie niet zitten. De Caluwé: ‘Dat de goed presterende bedrijven juist profiteren via extra subsidies is iets te simpel gedacht. Dat soort subsidies wordt via RVO jaarlijks openbaar getenderd, de subsidies zijn veelal een stuk lager dan wat je aan heffing moet betalen en de bedragen moeten vaak ook in dat subsidiejaar worden uitgegeven. De projecten waar wij in investeren hebben doorgaans een looptijd van tien jaar of langer. Om investeringsbeslissingen te kunnen maken, heb je zekerheid voor meerdere jaren nodig. Vergeet niet dat de industrie bereid is zelf miljarden te investeren, de subsidie ontvangen we alleen voor de onrendabele top. Als de overheid daadwerkelijk verder wil gaan dan Europa, dan zal ze hier ook geld voor moeten uittrekken.’

ETS

Zowel Gunter als De Caluwé menen dat het voor de Nederlandse industrie verstandiger zou zijn om de Europese maatregelen te volgen en ETS als uitgangspunt te nemen. ‘ETS uitbreiden is beter dan een eigen systeem optuigen dat Nederland isoleert van de rest van Europa’, zegt De Caluwé. ‘Daarmee creëren we in ieder geval op Europees vlak een level playing field. Wereldwijd hebben we nog steeds concurrentie van bedrijven zonder CO2-heffingen, of bedrijven die binnen een nationaal systeem zijn vrijgesteld. Wellicht dat een CO2-importheffing aan de Europese grenzen hier een oplossing kan bieden.’

De energietransitie van fossiele brandstoffen naar emissieloze varianten, noodzaakt de industrie naar andere vormen van energie te kijken. Waterstof is in die plannen een kansrijk alternatief voor de productie van hogetemperatuurwarmte en als grondstof voor de chemie. Groene waterstof is daarbij het einddoel. Maar voordat echt emissie loos kan worden geproduceerd, zijn er talloze tussenvarianten mogelijk. Via grijze waterstof, naar blauwe, turquoise zal uiteindelijk de weg worden vrijgemaakt voor groene waterstof.

In bijna alle transitiescenario’s speelt waterstof een rol. Het lichtste molecuul uit het universum is namelijk een schone energiedrager die ook nog eens redelijk eenvoudig kan worden opgeslagen en getransporteerd. Nu is waterstof op zichzelf kleurloos, maar aan de weg ernaartoe wordt wel degelijk een kleur toegekend. Zo is grijze waterstof de aanduiding voor waterstof dat uit fossiele bronnen wordt gehaald. Dezelfde waterstof wordt als blauw aangeduid als de bij de splitsing overgebleven waterstof wordt afgevangen en ondergronds opgeslagen. Groene waterstof is een product van het op elektrolytische wijze splitsen van water in waterstof en zuurstof. Hoe groen dit daadwerkelijk is, is met name afhankelijk van de elektriciteitsbron voor de elektrochemische reactie. Stroom uit gas- of kolencentrales heeft nog steeds een fossiele voetafdruk, terwijl idealiter alleen stroom uit wind- of zonne-energie wordt ingezet voor dit proces.

Een bijzondere vorm van waterstofproductie is die van chloorelektrolyse. Een aantal chemische bedrijven gebruikt zout als basis voor de productie van chloor. Chloor is een grondstof voor tal van chemische producten en kunststoffen. Bij de elektrolytische splitsing van keukenzout, natriumchloride, ontstaat aan de pluspool chloor en aan de minpool waterstof. Producenten zoals Nouryon verkopen dit waterstof vaak weer aan bedrijven in de buurt. De energie voor dit proces komt tot nog toe voornamelijk van fossiele centrales, maar Nouryon investeert inmiddels wel in verduurzaming van zijn elektrisch vermogen. De chloorindustrie zou zelfs een bijdrage kunnen leveren aan het balanceren van volatiele windstroom.

En dan zijn er ook nog hybride vormen waarbij de bij de productie van blauwe waterstof gesplitste kooldioxide als grondstof wordt gebruikt. Deze zogenoemde turquoise waterstof, een combinatie van groen en blauw, biedt een duurzamer alternatief voor CCS.

Toepassingen

Om de verschillen nog eens duidelijker te maken, moet ook onderscheid worden gemaakt in toepassing. Waterstof is aan de ene kant een energiedrager die zowel kan worden verbrand om er (hogetemperatuur) warmte uit te winnen of dat weer in stroom kan worden ongezet via een brandstofcel. Waterstof is tevens een grond of hulpstof voor veel chemische processen. Zo gebruiken kunstmestproducenten OCI Nitrogen en Yara grijze waterstof als basis voor de productie van ammoniak. Daarvoor bindt men het waterstofgas met stikstof. De raffinagesector gebruikt waterstof om lange koolstofketens te breken en brandstoffen te ontzwavelen.

Belangstelling

De hernieuwde belangstelling voor waterstof heeft vooral te maken met de transitie van een op fossiele energie gebaseerd energiesysteem naar een systeem zonder CO2-emissies. De meest duurzame bronnen, tenminste wat emissies betreft, windturbines en fotovoltaïsche systemen produceren stroom. Het nadeel van stroom is echter dat deze direct moet worden gebruikt. Stroom is wel op te slaan in batterijen, maar deze zijn nog doorgaans relatief duur of kunnen de energie voor kortere tijd vasthouden. Waterstof is een gas dat lang kan worden opgeslagen en via pijpleidingen kan worden getransporteerd. Gasunie liet onlangs nog onderzoeken of zijn bestaande infrastructuur geschikt kon worden gemaakt voor het transport van waterstof, wat met een aantal aanpassingen inderdaad mogelijk zou zijn. Waterstof wordt dan ook gepositioneerd als ideale transitiebrandstof en aanvullend op een elektrische energievoorziening.

Temperen

Toch moet er wel een kanttekening worden gemaakt bij de verwachtingen voor groene waterstof. In de meeste overzichten voor industriële decarbonisatie zijn er goedkopere alternatieven voor hogetemperatuurwarmte. In de transitiescenario’s begint groene waterstof dan ook pas rond 2035 pas echt interessant te worden. Dat wil echter niet zeggen dat er voor die tijd niets zal gebeuren. Om de waterstofeconomie naar volwassenheid te leiden, zullen er stappen moeten worden gezet naar productie-units met megawatt capaciteit. Inmiddels heeft het eerste Nederlandse consortium zich gemeld dat streeft naar een megawatt electrolyser.  Hoewel de weg ernaartoe belangrijker is dan de werkelijke realisatie, denken de partijen wel degelijk dat Nederland uitstekend geschikt is voor dergelijke installaties, zeker in industriële gebieden.

Grijze waterstof

Waterstof is een veelgebruikte grondstof in de industrie. De grootste huidige markten voor waterstof zijn als feedstock voor ammoniak kunstmest. Kunstmestproducenten Yara Sluiskil en OCI Nitrogen gebruiken momenteel zo’n zestig procent van de huidige grijze waterstof. De raffinagesector gebruikt de overige veertig procent in kraakprocessen en voor hydrotreatment in de biobrandstof-industrie. In totaal produceren de bedrijven jaarlijks 9,2 miljard kuub waterstof, ofwel 828 kiloton. Het grootste deel, tachtig procent, wordt geproduceerd via steamreforming van aardgas. De overige twintig procent komt van de eerder genoemde chloorchemieprocessen. Bij productie van een ton waterstof komt maar liefst negen ton CO2 vrij.

Tot nog toe gebruikt de raffinagesector alleen het waterstof, de kooldioxide dat na scheiding overblijft, verdwijnt de lucht in. De kunstmestindustrie gebruikt een deel van de CO2 onder andere voor de productie van kunstmest, additieven en levert het koolzuurgas ook aan de frisdrankindustrie. Bij gebruik van de producten komt de CO2 wel weer vrij.

Blauwe waterstof

Het steamreforming proces levert een zeer zuivere kooldioxidebron op. Het is dan ook redelijk eenvoudig om dit koolzuurgas af te voeren en ondergronds op te slaan. De VNPI rekende uit dat de raffinagesector op deze manier in 2030 4,1 megaton CO2 ondergronds zou kunnen opslaan. Ook Nuon heeft plannen om blauwe waterstof in te zetten als alternatieve voeding voor een van de ketels van de Magnum-centrale. In het project zitten ook Gasunie en Statoil. Gasunie wil graag ervaring opdoen met het transport van waterstof. Statoil heeft al ervaring met het afvangen en ondergronds opslaan van CO2 in het Sleipner (sinds 1996) en Snøhvit (sinds 2008) gasveld. Toen Nuon het project in 2017 aankondigde moest men nog onderzoeken of ze aardgas wilden importeren, reformen en de CO2 terugsturen of direct waterstof zouden importeren. Inmiddels denkt het bedrijf ook na over de opslag van het gas, wat wellicht in de vorm van ammoniak eenvoudiger is.

Het van tevoren afvangen van CO2 (pre-combustion) in plaats van aan de schoorsteen (post-combustion) wordt in de scenario’s als goedkopere optie gezien. Als de CO2 ook nog eens nuttig kan worden ingezet, carbon capture and utilisation (CCU), biedt een zuivere CO2-stroom, zoals bij post-combustion het geval is, ook meer toegevoegde waarde.

Turquoise waterstof

Een relatief onderbelicht alternatieve methode voor de productie van waterstofgas is methaanpyrolyse. Met een beetje fantasie zou je dit de turquoise route kunnen noemen, een menging van blauw en groen.

Internationaal doen veel partijen vooral in de luwte onderzoek naar deze route. De kern van de technologie is bij de verschillende onderzoeksteams hetzelfde. Gesmolten metaal vormt de basis van de reactor. Dat wordt gebruikt als katalysator. Het metaal wordt opgelost in een metaal dat katalytisch inert is en een lager smeltpunt heeft. Over het algemeen heeft zo’n combinatie een nog lager smeltpunt dan de losse componenten. Voer je methaan hier doorheen, dan komt de waterstof er vanzelf bovenuit. Koolstof is lichter dan de meeste metaallegeringen en komt daardoor bovendrijven, waarna je het er min of meer vanaf kunt scheppen.

In dit proces ontstaat dus geen kooldioxide maar koolstof, wat weer een waardevol additief is in staal, een vulmiddel in autobanden, de grondstof voor de productie van grafiet, een kleurstof en bodemveredelaar.

Chemiereus BASF maakte onlangs bekend dat ze serieus de optie met methaanpyrolyse onderzoekt, samen met onder andere gassenproducent Linde, staalbedrijf Thyssenkrupp en verschillende Duitse onderzoeksinstellingen. Over enkele jaren moeten de eerste proeffabrieken worden gebouwd. Commerciële toepassing wordt in de jaren na 2025 verwacht.

Ook Shell lijkt zeer geïnteresseerd in de blauw-groene waterstofroute. Het concern werkt daarbij nauw samen met onderzoekers van de University of California Santa Barbara. Een ruim jaar geleden kwam deze universiteit met een optimistische boodschap naar buiten. Onderzoeker Eric McFarland stelde dat de toevoeging van een katalysator het haalbaar maakt om op prijs te kunnen concurreren met steam methane reforming.

Dichterbij huis is ook TNO sinds begin vorig jaar bezig met de doorontwikkeling van methaanpyrolyse.

De TNO-onderzoekers hebben boven het gesmolten metaal een extra zoutlaag aangebracht, zwaarder dan koolstof maar lichter dan het metaal. Als een filter. Boven de zoutlaag ontstaat zodoende de koolstof. Dat is er gemakkelijk van af te scheppen en extra te filteren.

Groene waterstof

De meeste hoop wordt gevestigd op groene waterstof, al is de route daar naartoe wel de langste. Door groene stroom te gebruiken om water elektrolytisch te splitsen in waterstof en zuurstof ontstaat een duurzame variant van waterstofgas. Als de zuurstof ook nog nuttig kan worden ingezet, neemt de waarde alleen nog maar toe. Grootste struikelblok tot nog toe zijn de electrolysers die het water moeten splitsen. Elektrolysers zullen concurrerend moeten worden met waterstofproductie uit aardgas. Op dit moment zijn de systeemkosten echter te hoog. Bij veel processen nemen die kosten af naarmate de schaalgrootte toeneemt, maar de elektrolyse-processen hebben een fysische grens die de omvang van de elektrolyseplaten beperkt. De fysische grens ligt rond de één vierkante meter en als je hem groter maakt, neemt de efficiency juist af. Nu kun je wel modulaire systemen bouwen, maar die zijn weer relatief duur. Dat neemt niet weg dat grote bedrijven en consortia de plannen hebben klaarliggen voor systemen tot op gigawatt-niveau.

De meest recente aankondiging is van een consortium onder leiding van het Institute for Sustainable Process Technology (ISPT) dat denkt in 2025-2030 een één gigawatt fabriek te kunnen bouwen. Het Gigawatt Elektrolyser project brengt de technologische knelpunten in kaart bij het opschalen van grote aantallen stacks in een geïntegreerde fabriek. Bij deze opschaling is het van belang dat de fabriek dynamisch operationeel kan zijn. De fabriek zal immers veel elektriciteit van wind- of zonneparken afnemen, en daardoor afhankelijk zijn van variaties in de levering van elektriciteit. Bij afnemende of juist toenemende wind zal de fabriek mee moeten kunnen regelen.

Een ander belangrijk aspect van de gigawattfabriek betreft de productie van warmte en zuurstof als mogelijk waardevolle ‘nevenproducten’ van de elektrolyse van water. Bij het technisch ontwerp van de fabriek is het van belang dat deze producten goed zijn af te voeren en te leveren, op een manier die hand in hand gaat met de operationele strategie die bij deze opschaling van belang is.

Met de huidige stand der technologie en de huidige marktprijzen zou de investering voor een gigawatt elektrolysefabriek ongeveer een miljard euro bedragen. De partners in het Gigawatt Elektrolyser project streven er met hun ontwerp naar om dat bedrag met een factor drie à vier te kunnen reduceren. Wanneer een totale fabriek zo’n 350 miljoen euro zou kosten, is er een concurrerend alternatief voor de conventionele ‘fossiele’ waterstoftechnologie.

Noord-Nederland

Ook BP, Nouryon en Havenbedrijf Rotterdam maakten plannen bekend voor een elektrolyse-installatie. Deze zou slechts een vermogen hebben van 250 megawatt, goed voor de productie van maximaal 45.000 ton groene waterstof per jaar met hernieuwbare energie.

De opzet is dat Nouryon de installatie gaat bouwen en exploiteren. Havenbedrijf Rotterdam gaat de lokale infrastructuur faciliteren en onderzoekt opties voor verdere ontwikkeling van een groene waterstof hub in het gebied. De partners zijn van plan om in 2022 een definitieve investeringsbeslissing over het project nemen.

Noord-Nederland had zich al eerder geprofileerd als waterstofregio en de bedrijven en overheden kondigden onlangs nog aan de komende  twaalf jaar 2,8 miljard euro investeren in emissievrije waterstof. Naast deze aankondiging meldde BioMCN al dat het hernieuwbare methanol wil gaan maken uit groen waterstof en CO2. De waterstof moet komen van een nog te bouwen twintig megawatt waterelektrolysefabriek in Delfzijl.

Door plannen en projecten te bundelen wil Noord-Nederland een grote stap zetten naar een toekomstbestendige groene industrie. Doel is om installaties te ontwikkelen voor de productie van groene waterstof met een vermogen van minstens honderd megawatt. Daarnaast willen de partijen de infrastructuur voor transport en opslag van waterstof realiseren en de processen in de industrie en elektriciteitsproductie herinrichten om het gebruik van waterstof mogelijk te maken.

 

Een goed voorbeeld waar technologie de transitie kan ondersteunen is de door Fokko Mulder in Delft ontwikkelde Battolyser. Deze nikkel-ijzer batterij slaat eerst stroom doordat de elektrodes van de batterij nikkel oxide hydroxide en gereduceerd ijzer vormen. De twee elektrolyten zijn tevens een goede katalysator voor de chemische reactie die zuurstof en waterstof oplevert, een neveneffect dat voorheen als nadelig werd gezien. De batterij slaat dus eerst stroom op en produceert waterstof zodra de elektrische opslaggrens is bereikt. Daarmee kan hij zowel stroompieken en -dalen afvlakken voor de korte termijn, als backup capaciteit leveren op de wat langere termijn.

 

Minister Wiebes broedt op een extra CO2-belasting. Bij de aankondiging ervan, deelde hij verder mee dat hij dit geld wel weer in een schone industrie wilde investeren. Hoewel nog niet zeker is of de belasting er daadwerkelijk komt, wilden we toch weten in welke technologie die minister het geld zou moeten steken. We vroegen het een aantal experts, die met verrassend veel voorstellen kwamen.

De meest voor de hand liggende partij om te vragen welke technologie het meest binnen de doelen van de SDE++ regeling valt is Navigant. De consultants kregen namelijk van de minister de opdracht uit te zoeken in hoeverre het mogelijk is industriële technologieën toe te voegen aan de SDE++ regeling. Navigant heeft dit voor een selectie van veertien technologieën in kaart gebracht. Managing consultant Paul Noothout van Navigant wil direct benadrukken dat het onderzoek niet direct was bedoeld om alle kosten en baten tot op de komma door te rekenen. ‘We kregen de opdracht voor een eerste marktverkenning naar mogelijke technologieën die voor de SDE++ in aanmerking zouden komen. Het idee was een inschatting te maken van de basisbedragen die voor een dergelijke subsidie nodig zijn. Voor een aantal technologieën zijn de kosten case-specifiek. Het is niet gelukt om voor alle technologieën een volledig representatieve marktconsultatie uit te voeren, waardoor kosteninschattingen te laag of te hoog kunnen uitvallen. Daarom moeten de kosten als indicatief worden gezien.’

Daarnaast werd de studie gebruikt om obstakels/knelpunten te detecteren die invloed kunnen hebben op het opnemen van de technologieën in een technologieneutraal subsidiesysteem. De overheid wil tenslotte geen technologie voortrekken, maar technologie stimuleren die het meeste bijdraagt aan CO2-emissiebeperking tegen de laagste kosten. Omdat de SDE++ een exploitatiesubsidie is, ligt de focus op technologieën die voldoende volwassen zijn om te implementeren en die een redelijk CO2-besparingspotentieel hebben.’

Een winnaar is niet zozeer uit het onderzoek naar voren gekomen, alhoewel wel duidelijk wordt dat een aantal CO2-besparende maatregelen onder het subsidiebedrag voor waterkracht uitkomt, één van de duurste technologieën in de huidige SDE+. Noothout: ‘Een SDE++ subsidie gebaseerd op CO2-emissie is een stuk complexer dan de SDE+ subsidie. Die laatste wordt gebaseerd op de opgewekte kilowattuur, die relatief eenvoudig en onafhankelijk kan worden vastgesteld. Het vaststellen van CO2-emissiereductie is veel complexer omdat het vaak lastig te meten is, zeker wanneer het geïntegreerde processen betreft. Daarom worden in de SDE++ CO2-referentietechnologieën gebruikt om de CO2-reductie in te kunnen schatten. Het vaststellen daarvan is een belangrijk onderdeel van de SDE++. De complexiteit is dat het niet altijd mogelijk is per technologie een eenduidige CO2-referentietechnologie vast te stellen: een warmtepomp kan namelijk zowel een standalone gasgestookte boiler vervangen, als worden gebruikt in een geïntegreerd proces. De CO2-emissiereductie kan daarom per toepassing verschillen. EZK streeft naar een uniform systeem met uniforme beoordeling, maar daarmee loop je het risico dat je zaken platslaat en de nuance mist van integratiemogelijkheden binnen het energiesysteem.’

Ook een punt van discussie is welke scope wordt aangehouden in de berekeningen. De uitkoppeling van warmte voorkomt met name emissies bij kwekers of huishoudens en niet bij de bedrijven die de warmte leveren. Hetzelfde geldt voor groene waterstof. Als deze alleen als aanvulling dient, heeft deze geen effect op de eigen emissie, maar wel op die van derden. Alleen: hoe meet je die vermeden emissies?’

Noothout en zijn medeonderzoekers keken bewust alleen naar de beschikbare technologie en de kosten voor aansluiting, maar niet naar de bijbehorende infrastructuur. ‘We willen appels met appels vergelijken, maar de infrastructuur zal zeker bij de discussie betrokken moeten worden. Sommige CO2-besparende ingrepen kunnen standalone werken, maar warmtelevering, waterstof, CCS en elektrificatie hebben ook een belangrijke infrastructuurcomponent.’

 

 

FME

Ondernemersorganisatie voor de technologische industrie FME zegt de industrie te kunnen ondersteunen in het terugdringen van zijn CO2-emissies. Onlangs lanceerde het cluster Energy het project 6-25 waarin de ambitie wordt uitgesproken om in 2025 zes miljoen ton industriële CO2-uitstoot te verminderen. Hoewel de rekenmeesters nog bezig zijn de besparingspotentie te kwantificeren, publiceerde FME al een leaflet met een aantal veelbelovende technieken.

Clustermanager Hans van der Spek: ‘De industrie heeft een behoorlijke opgave voor 14,3 megaton extra CO2-reductie in 2030. In het Klimaatakkoord zijn dan ook een aantal routes aangegeven om dit te bereiken. De aanloop naar de daadwerkelijke besparing is echter best lang bij oplossingen als groene waterstof, elektrificatie met windenergie en CCS. Er zijn gelukkig genoeg procesefficiency maatregelen die nu al behoorlijke besparingen kunnen opleveren. In project 6-25 werken technologiebedrijven samen met adviseurs, installateurs engineering contractors, financiers en overheden samen om bestaande besparende technologie te implementeren. We willen met dit project vooral de industrie ontzorgen om de beschikbare besparingsoplossingen ook daadwerkelijk te gebruiken.’

Ook FME heeft nog wel wat wensen op het gebied van de SDE++ en de manier waarop emissiereductie wordt gehonoreerd. ‘De lijst met oplossingen van onze leden zou wat ons betreft in de SDE++ regeling moeten worden opgenomen. Daarbij is het ook belangrijk dat scope 2 emissies meetellen. Veel van de besparing zal namelijk niet direct bij de industrie worden bereikt, maar verder in de keten.’

 

DNVGL

Volgens Jillis Raadschelders van DNVGL biedt het Klimaatakkoord voldoende kansen voor de Nederlandse industrie om zich wereldwijd te onderscheiden. ‘De teneur rondom het Klimaatakkoord is bij de industrie momenteel wat negatief vanwege de aangekondigde CO2-belasting. De aanvulling dat de belasting terugvloeit naar de industrie in verduurzamingsprogramma’s zet de belasting in een ander perspectief.

De Nederlandse industrie scoort doorgaans in de internationale benchmarks erg hoog vanwege de specifieke omstandigheden in Nederland. De industriële sectoren zullen zich dan ook moeten afvragen hoe ze zich internationaal willen profileren. Tata Steel in IJmuiden is een goed voorbeeld van een bedrijf dat zich blijft ontwikkelen. Toen Corus destijds werd overgenomen, was men bang dat het bedrijf de koers zou veranderen, maar dat is niet gebeurd. Nu de volgende overname rond is, staat het bedrijf opnieuw voor de keuze voorop te blijven lopen.

Ook de petrochemie en maakindustrie zullen zich duidelijk moeten onderscheiden in de wereldmarkt als meest efficiënt en duurzaam. We kunnen ons wel blijven focussen op operational excellence, maar in een zeer efficiënte industrie zitten er snel grenzen aan de optimalisatie van bestaande processen. We zullen naar product leadership toe moeten en het hele energiesysteem kantelen om echt slagen te kunnen maken in CO2-emissiereductie.

Op het gebied van elektrificatie van de industrie zou Nederland een voortrekkersrol kunnen spelen. Dat kost geld en moeite, maar eerlijk gezegd hebben we geen keus omdat het huidige fossiele energiesysteem niet lang meer houdbaar is. Je moet daarin wel verstandige keuzes maken. Er zitten namelijk nogal wat paradoxen in de energietransitie. Zo is het uitkoppelen van warmte op dit moment een rendabele keuze, maar als de industrie efficiënter met zijn warmte omgaat en kolen- en gascentrales plaatsmaken voor zonnepanelen en windenergie, valt die warmte weg. De kans op stranded assets wordt daarmee groter. Hetzelfde geldt voor CCS, dat een behoorlijke investering in infrastructuur vergt. Dat wil niet zeggen dat je dan maar niets moet doen, maar je kunt er wel rekening mee houden in de keuzes.

Het is in mijn ogen dan ook verstandig meer naar energiesystemen te kijken dan naar individuele technologieën. Integratie van de huidige elektriciteits- en gassystemen is daar een voorbeeld van. Power to heat kan interessant zijn in een volatiel systeem waar elektriciteit zo nu en dan overtollig is. In een keer overschakelen is echter een te grote systeemsprong. Met hybride ketels of parallelle systemen kunnen bedrijven gemakkelijker meeveren met de markt en langzaamaan het zwaartepunt verschuiven richting schone energiebronnen. Op den duur zou daar ook groene waterstof nog een rol kunnen spelen. Dat betekent wel dat bedrijven dubbele investeringen moeten doen. Daar zou een SDE++ of andere subsidie dan ook met name op gericht moeten zijn.’

TNO

Wetenschappelijk directeur bij ECN part of TNO en hoogleraar energiesysteemanalyse aan de RUG André Faaij geeft aan dat een belasting op CO2 niet automatisch tot de noodzakelijke implementatie van innovatieve, CO2-neutrale industriële processen leidt. Hij waarschuwt ervoor dat de prikkel die de overheid wil bereiken om CO2-emissies te beperken kan omslaan in een verzwakking van de industrie. ‘De tien bedrijven die verantwoordelijk zijn voor vijftig procent van de industriële emissies zijn allemaal grote internationale bedrijven. Het omvormen van die bedrijven kost jaren waarin ze moeten investeren in innovatieve technologieën en het bouwen van compleet nieuwe fabrieken. Dan moet ook nog de energie-infrastructuur worden aangepast op die nieuwe processen. Het kost al snel vijftien tot twintig jaar om zo’n systeemverandering voor elkaar te krijgen. Het goede nieuws is dat als je dit traject volgt, de energietransitie geld kan opleveren. Terwijl rigoureuze doelstellingen op de korte termijn vaak veel geld zullen kosten. Een hoge CO2 belasting kan voor Tata Steel bijvoorbeeld betekenen dat ze niet meer kunnen concurreren en staalproductie naar elders vertrekt. En dat terwijl het bedrijf investeerde in de Hisarna technologie die dertig procent zuiniger is en CO2 afvang tegen lage kosten mogelijk maakt Wanneer bijvoorbeeld de Hoogovens over vijftien jaar zijn afgeschreven en daar komt een fabriek van het nieuwe type met CCS voor terug met negentig procent lagere emissies, levert dat meer op en hoeft staalproductie niet duurder te worden dan nu. Belasten van CO2 koppelen aan innovatie is daarmee het devies.

De opgave is zo groot dat we alle opties moeten gebruiken. Dat is de koele wetenschappelijke boodschap die we moeten verkondigen als tegengewicht voor de emoties die gepaard gaan met de energietransitie. Het is te gemakkelijk te zeggen dat we geen CCS, geen biomassa en geen wind op land wensen. Terwijl een biomassacentrale mét CCS zelfs voor negatieve emissies kan zorgen. Door slimme combinaties te maken tussen industrie en energiesector, bijvoorbeeld door processen te elektrificeren met groene stroom, inzet van groene waterstof en ook circulair te produceren wat indirect weer veel energie en grondstoffen bespaart.

De weg der geleidelijkheid is misschien lastig om politiek de handen voor op elkaar te krijgen, maar wel de manier om de transitie betaalbaar te houden. De doelen voor 2050 zijn duidelijk, maar het helpt niet om daar vrij rigide tussendoelen  bij te halen. De overheid kan zich beter richten op een infrastructuurvisie om de energietransitie te ondersteunen. Gemeenten worstelen met het aansluiten van duurzame initiatieven en missen het overzicht om slimme koppelingen te maken met bestaande en nieuwe infrastructuur of andere projecten. Het is jammer dat het Klimaatakkoord niet is ingegaan op een masterplan voor de energie-infrastructuur. Want dat is zowel voor Nederland als Europa een voorwaarde voor een pijnloze transitie. En daar stel je niets mee uit. Er zijn al voldoende no regret-opties voorhanden waar nu al volop in kan worden geïnvesteerd: renovatie van de gebouwde omgeving, duurzame stroomproductie. Tegelijk moet er komende jaren volop worden geïnnoveerd om kosten te reduceren van opties die later een grote rol gaan spelen, zoals nieuwe industriële processen. Maar ook een CCS-infrastructuur bouw je voor deze eeuw. Een warmtenet in een stedelijke omgeving kan nog heel lang toegevoegde waarde hebben. En als de warmteproductie van industrie en energiebedrijven wegvalt, zouden de netten met geothermie kunnen worden gevoed. Maar ook hier geldt weer dat er een vorm van regie nodig is om dit in goede banen te leiden.’

CO2-reductie moet volgens Faaij dan ook niet als losse doelstelling worden gezien. ‘Ook energiebesparing en materiaalbesparing leiden tot reductie. Industriële ecologie staat nog in de kinderschoenen en kan nog veel bijdragen aan zowel versteviging van de positie van de industrie als de klimaatdoelen.

Nederland moet ook niet denken dat ze alleen staat in deze opgave. De landen rondom de Noordzee kijken al steeds meer naar mogelijkheden voor samenwerking op het gebied van duurzame energie. Wij werken ook veel samen met het Duitse Frauenhofer Instituut. Het Klimaatakkoord mag dan een Nederlandse aangelegenheid zijn, om echt slagen te maken zullen we allianties in Europa verder moeten uitbouwen.’

 

De consultatie van minister Wiebes voor de invoering van een minimum CO2-prijs kan volgens twee experts naar de prullenbak worden verwezen. Ten eerste omdat Nederland zich daarmee afzondert van de rest van Europa en problemen verplaatst. Maar nog belangrijker is het feit dat de CO2-prijs van het Europese emissiehandelssysteem ruim boven de minimumprijs staat die Wiebes wil voorstellen.

Minister Eric Wiebes gebruikte afgelopen zomerperiode voor een consultatie van belanghebbenden over een CO2-minimumprijs. Dit had het kabinet Rutte III immers afgesproken in het regeerakkoord 2017-2021: Vertrouwen in de toekomst. Inmiddels is de consultatieronde gesloten en zijn de eerste reacties uit de markt bekend. En die zijn niet echt bemoedigend voor de EZ-minister. Zowel de industrie als de energiebranche zien meer kwaad dan goed in een eenzijdige actie van de Nederlandse regering in een energiesysteem dat steeds meer internationale verbindingen kent. Maar wat de actie van Wiebes misschien nog meer overbodig maakt, is het feit dat de ingrepen van Europese Commissie in het Europese emissiehandelssysteem ETS zijn vruchten beginnen af te werpen. De voorgestelde ondergrens van de minister van achttien Euro per kiloton CO2 ligt fors onder de prijs per kiloton die ETS-plichtige bedrijven nu betalen voor hun uitstoot. Tijdens het schrijven van dit artikel staat de prijs op ruim 25 euro per megaton. Hoewel die prijs wellicht in de toekomst nog wel kan zakken, denkt een drietal experts dat de maatregel het milieu niet zal dienen, terwijl het de Nederlandse industrie en energiesector in een lastig parket brengt.

Achterhaald

Senior energie econoom Hans van Cleef van ABN AMRO Bank denkt dan ook dat de minister niet veel handen op elkaar zal krijgen voor een CO2-minimumprijs. ‘Het klopt dat het Europese emissiehandelssysteem lange tijd niet de gewenste prikkels uitlokte voor energiebesparing en CO2-emissievermijding. Dat had echter meer te maken met het ruime aantal emissierechten dat werd weggegeven dan met de werking van het systeem zelf. Zodra de Europese Commissie aankondigde rechten uit de markt te halen, zag je al een prijscorrectie ontstaan. Dit alleen al laat zien dat ETS wel kan werken. Nog belangrijker is het feit dat die prijs voor geheel Europa geldt. Een onderzoek van Frontier Economics liet al zien dat als Nederland eenzijdig dit soort maatregelen neemt, dit direct doorwerkt op de import van elektriciteit. Daarmee wordt niet alleen het emissieprobleem groter omdat de goedkoopste stroom dan vaak van steen- of bruinkoolcentrales komt. Het geeft bovendien problemen in de leveringszekerheid als de Nederlandse gascentrales noodgedwongen moeten sluiten omdat de businesscase voor flexvermogen wel heel dun wordt als het goedkoper is om stroom uit Duitsland te importeren. Het kabinet zou dan ook meer vertrouwen moeten tonen in de Europese energiepolitiek, zelfs al zou de prijs ineens onder die achttien euro per kiloton duiken. En zelfs als een aantal landen dwars blijft liggen. Het is een publiek geheim dat met name Polen zeer afhankelijk is van steenkoolcentrales. Niet alleen omdat het land eigen voorraden heeft en steenkool goedkoper is dan de alternatieven, maar vooral ook omdat het land voor zijn energievoorziening niet afhankelijk wil zijn van Rusland. Ik denk dat een aantal Oost-Europese landen zelfs bij hoge CO2-emissieprijzen doorgaan met waar ze mee bezig zijn. Dat wil echter niet zeggen dat het systeem elders niet zou werken.

Terugkopen

Natuurlijk moeten we ervoor waken dat er weer teveel ruimte komt in de emissierechten. Wiebes zou dan ook al na moeten denken wat er straks gebeurt met de extra emissierechten die vrijkomen zodra de Nederlandse kolencentrales moeten sluiten. Bovendien krijgt Nederland een nog sterkere positie als het aandeel duurzame energie, met name offshore wind, nog eens toeneemt. De minister moet zich goed beseffen wat het einddoel is. Dat is niet een hoge CO2-prijs, maar een lage CO2-uitstoot. Wil hij daarvoor draagvlak krijgen bij zijn achterban, dan is het verstandiger aan te sluiten op het Europese beleid. Anders kan het wel eens een heel dure kunstmatige ingreep worden.

Gelijke tred

Ook de vertegenwoordiger van de energiegrootverbruikers VEMW ziet bij monde van Hans Grünfeld niets in een minimum CO2-prijs. ‘Er is in het verleden veel kritiek geweest op het Europese emissiehandelssysteem’, zegt Grünfeld. ‘De EU heeft zich de kritiek aangetrokken en het systeem hervormd. Nu de uitgifte van rechten meer in balans komt met daadwerkelijke productie van bedrijven, ontstaat een CO2-prijs die als een effectieve reductieprikkel werkt. Dat Nederland hogere ambities heeft gesteld dan de Europese Unie is een politieke keuze die de overheid met versterkend beleid zou moeten ondersteunen. In onze ogen zou dat eerder financiële ondersteuning zijn dan een ingreep in het ETS. Helemaal nu de CO2-prijs ruim boven de voorgestelde minimumprijs ligt, dringt zich de vraag op of Nederland een eigen koers moet gaan varen in de ETS-discussie. Het ETS-systeem werkt alleen doelmatig als alle lidstaten gelijke tred houden.’

Maatwerk

Onderzoeksbureau Carbon Tracker meldde onlangs nog dat het verwacht dat de CO2-prijs tussen 2019 en 2023 gemiddeld zou kunnen schommelen tussen de 35 en veertig euro per ton. Het potentieel dat bij die prijzen aan CO2 uit de markt kan worden gehaald schatte het bureau op zo’n vierhonderd miljoen ton. Grünfeld: ‘Met dergelijke prijzen ontstaan er voldoende prikkels voor CO2-arme initiatieven. Dat dit wellicht onvoldoende is voor carbon capture and sequestration mag geen reden zijn om een minimumprijs voor elektriciteitsproductie in te voeren. Zeker niet omdat in een open Europese markt, dit de elektriciteitsproductie in Nederland nadelig beïnvloed met alle gevolgen voor de leveringszekerheid van dien. De minister zal andere oplossingen moeten vinden om CCS van de grond te krijgen.’

Grünfeld merkt tegelijkertijd op dat mocht de Nederlandse regering toch tot invoering van een minimumprijs voor elektriciteitsproductie besluiten, dat dan voor de industrie in sommige gevallen maatwerk nodig is. ‘Voorkomen moet worden dat de regels averechts werken voor duurzame ontwikkelingen in de industrie. De staalindustrie zet restgassen bijvoorbeeld nuttig in door er elektriciteit van te maken. Dit proces is minder efficiënt dan aardgas en zou onrendabel worden als daar een minimum CO2-prijs aan de schoorsteen voor moet worden betaald. Ook voor WKK-installaties die zijn uitgelegd op de warmtevraag zou de invoering van een minimum CO2-prijs wel eens averechtse gevolgen kunnen hebben. Het zou goed zijn als dit soort voor het energiesysteem gunstige oplossingen niet in gevaar komen door starre systemen die vooral naar de CO2-uitstoot per kilowattuur elektrisch kijken.’

 

In september gaven LyondellBasel en Covestro het officiële startsein voor de bouw van een circulaire stoominstallatie waarbij de bedrijven gebruik maken van hun eigen afvalwaterstromen. Daarmee vermijden de bedrijven niet alleen forse hoeveelheid CO2-uitstoot, maar ook de lozing van zoutwater op het oppervlaktewater.

Hoewel de circulaire economie vol in de belangstelling staat van de Rijksoverheid, valt het aantal projecten dat daadwerkelijk wordt uitgevoerd nog een beetje tegen. De investering die LyondellBasell en Covestro doen op hun terrein op de Rotterdamse Maasvlakte is in dit opzicht redelijk uniek te noemen en krijgt daarbij de nodige ondersteuning vanuit het Rijk. Senior Vice President Manufacturing Europe, Asia & International Jean Gadbois, van LyondellBasell bedankte tijdens de start van het project de overheid dan ook voor zijn steun. Dat neemt niet weg dat het bedrijf zelf ook behoorlijk zijn nek uitsteekt voor dit project dat potentieel 140 duizend ton CO2 en 0,9 Petajoules energie per jaar kan besparen en voorkomt dat elf miljoen kilo zout in het oppervlaktewater terechtkomt.

Het bedrijf investeert 150 miljoen euro in het zogenaamde Circulair Steam Project (CSP) waar nog een nog niet eerder gebruikte combinatie van technologie wordt ingezet voor de productie van stoom, dat daarna in het proces wordt gebruikt voor de productie van chemische halffabricaten.

Verbranden

Op de site op de Maasvlakte wordt via een speciale technologie onder meer propyleen oxide en styreen monomeer (POSM) geproduceerd. Het is in zijn soort een van de grootste fabrieken ter wereld. De op de Maasvlakte geproduceerde chemicaliën zijn de bouwstenen voor producten als kleding, meubels, huishoudelijke producten en bouwmaterialen.

Uit het POSM-proces ontstaan twee soorten afvalstromen die tot nog toe worden afgevoerd naar de thermische behandelinstallatie van AVR. De eerste is een mengsel van verschillende looghoudende waterige stromen – een som van vijf interne afstromen uit de fabriek. Deze stroom wordt naar de eigen afvalwaterbehandeling gestuurd waar de in het water aanwezige peroxide in een caustic waste reactor wordt verwijderd. Daarna gaat de afvalstroom naar AVR. De tweede stroom betreft een tweetal brandbare afvalstromen, afkomstig van de Maasvlakte en afkomstig van de Botlek fabriek.

Aangezien het contract met AVR in 2019 afloopt, beraadden de twee eigenaren van de fabriek, LyondellBasell en Covestro, zich op het idee om de afvalstromen nuttig in te zetten in de eigen processen. Men startte een onderzoek naar de mogelijkheid om de twee deelstromen zelf te verbranden en de daarbij vrijgekomen energie nuttig in te zetten voor de productie van hogedrukstoom, die een energiebron is voor de Maasvlakte-fabriek.

Afvalwaterbehandeling

Twee van de vijf waterige afvalstromen uit de fabriek, wat ongeveer veertig procent is van de totale stroom, worden direct naar een nieuw te bouwen afvalwaterzuivering geleid. Om dit mogelijk maken, zullen Bilfinger en Veolia, een anaerobe en aerobe biologische voorzuivering bouwen die aansluit op de bestaande biologische zuivering van LyondellBasell en Covestro. Hiermee krijgt de bestaande biologische zuivering een aanzienlijk grotere verwerkingscapaciteit. In de anaerobe bio-reactor wordt het biogas geproduceerd dat later wordt gebruikt voor de stoomproductie. Het water gaat daarna naar een Moving Bed Bio-Reactor (MBBR), gevolgd door een dissolved air flotation stap. Daarna is het water schoon genoeg om naar de bestaande bioreactor te worden gestuurd om vervolgens in de haven te kunnen worden geloosd.

Stoomproductie

De overige waterige stroom, zo’n zestig procent van de afvalstroom, bevat het caustische water en de brandbare afvalstoffen. Deze stroom gaat naar een innovatieve droge verbrandingsoven waar samen met de brandbare afvalstromen, stoom wordt geproduceerd. Doordat de temperatuur in de verbrandingshaard boven de negenhonderd graden Celsius is, smelten de zouten of blijven als kleine, vaste druppeltjes in de rookgassen aanwezig. Het gesmolten zout stroomt via de wand naar beneden en wordt opgevangen. De zouten in de rookgassen worden afgevangen in een filter, na afgifte van energie voor stoomproductie in de boiler. Dit zout kan vervolgens, na behandeling, worden ingezet in bijvoorbeeld de beton- of glasindustrie.

Hoewel de details niet bekend worden gemaakt, is wel bekend dat het Duitse Oschatz de verbrandingsoven zal bouwen. Volgens LyondellBasell zal de oven in ieder geval zeer efficiënt zijn werk doen.

Planning

Inmiddels is de bouw van de installaties begonnen. De komende twee jaar zullen op het hoogtepunt ongeveer 350 mensen voltijd bezig zijn met de bouw om ze in 2020 te kunnen opleveren. Verwacht wordt dat de onderhoudsstop van de site volgend jaar kan worden gebruikt om de nieuwe installaties aan te sluiten op de bestaande installaties. De nieuwe installaties zullen uiteindelijk elf fulltime arbeidsplaatsen creëren.

Industriële bedrijven hebben moeite met het implementeren van maatregelen in hun utilities die de energie-efficiency van het productieproces verhogen. Energy service companies (Esco’s) kunnen hier een helpende hand bieden. Esco-experts Paul Stroomer (ENGIE Ventures & Integrated Solutions) en Giovanni Bartucci (Alperia Bartucci) vertellen over de kansen en over de uitdagingen.

Institutionele investeerders zijn altijd op zoek naar geschikte investeringsprojecten die financiering behoeven. Tegelijkertijd heeft de industrie volop mogelijkheden om op een financieel aantrekkelijke manier energie efficiency te vergroten. Het lukt deze partijen echter niet goed om elkaar te vinden. Esco’s hebben voeten in beide werelden en zijn daarom een aangewezen partij om de twee te verbinden, zo blijkt uit de recente studie ‘A model approach to finance industrial energy efficiency projects’, die werd uitgevoerd door onderzoeksbureau CO2-Net in opdracht van Topsector Energie, TKI Energie & Industrie en de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland in samenwerking met Deltalinqs, FME, NLII, Energie Nederland en de Universiteit van Utrecht. ‘Fabrikanten focussen op hun core business, en dat is het maken van hun product’, zegt Erica Dioguardi, die namens CO2-Net betrokken was bij de studie. ‘Esco’s ontdekken mogelijkheden die fabrikanten over het hoofd zien. Juist door hun expertise en core-business in energie efficiency.’

Die conclusie wordt gedeeld door Giovanni Bartucci. ‘Om de verbinding tussen die twee werelden te bewerkstelligen heb je kennis nodig op veel verschillende terreinen’, zegt hij. ‘Kennis van wetgeving en lokale regels, financiële en technische knowhow en je moet kunnen engineeren, en je moet ook sterk zijn in het maken van risicoanalyses. Dat maakt het behoorlijk complex.’

Giovanni Bartucci is Executive Vice president in de raad van bestuur van Alperia Bartucci, een Esco-bedrijf met het operationele hoofdkantoor in het Noord Italiaanse Soave, bij Verona. Het bedrijf is opgericht in 2005 en er werken nu ongeveer vijftig man. Alperia Bartucci sloot in de dertien jaar van zijn bestaan tientallen Esco-contracten af, waarvan twee bekroond werden met prijzen voor het beste energy efficiency project.

White certificates

In 2005 besloot de Italiaanse politiek om energie efficiency af te dwingen door een systeem op te tuigen waarin white certificates een belangrijke rol spelen. Energiedistributiebedrijven moeten elk jaar een hoeveelheid energie besparen, door zelf maatregelen te initiëren bij bedrijven. Als ze dat niet lukt, kunnen ze white certificates kopen op een speciale marktplaats, waarbij elk certificaat garant staat voor een energiedreductie van ongeveer één ton olie equivalent. Die markt wordt bevoorraad door bedrijven die energie efficiency maatregelen ontwikkelen. Als zij energie besparen, dan verkrijgen ze white certificates, die ze aan de energiedistributiebedrijven kunnen verkopen. De prijs van deze certificaten was jaren lang rond de 100 euro per stuk. In de laatste twee jaar is de prijs verhoogd door wijzigingen in regelgeving.

Ook Esco’s kunnen deze certificaten verdienen en dat maakt dat er een dubbele geldstroom is: van de bespaarde energie en de verkochte certificaten. De industrie is veranwoordelijk voor dertig procent van de totale energie efficiency investeringen. Van die dertig procent wordt weer dertig procent gerealiseerd via ESCO’s en utilities.

‘Dit systeem heeft de ontwikkeling van Esco’s in Italië in het begin een flinke boost gegeven’, zegt Bartucci. ‘Het hielp bij het bouwen van een solide business case.’ De laatste jaren, zegt hij, zijn er veranderingen doorgevoerd in het systeem van witte certificaten en is het complexer om ze te krijgen. ‘Sinds een jaar of drie gebruiken we witte certificaten niet meer om onze business case door te rekenen.’

Vertrouwen

Bartucci heeft het zwaartepunt van zijn activiteiten in Italië liggen, maar opereert inmiddels ook in andere landen als Zwitserland en Frankrijk. ‘Bedrijven met wie je een Esco-contract afsluit, worden partners. We zien ze niet meer als klant. Het is een lang proces van elkaar goed leren kennen, elkaar vertrouwen. En voor iedereen een handtekening onder een contract heeft gezet, ben je zo een jaar verder. Dat is logisch, het is allemaal delicaat. Je komt in het hart van het productieproces.’

Het identificeren van potentiële besparingen begint doorgaans met een energy audit, het doorlichten van alle energiestromen binnen het productieproces. Het voordeel voor een bedrijf als Bartucci is dat ze de processen voor energie audits en structureren van contracten redelijk goed kennen. Dat maakt het identificeren van mogelijkheden wat eenvoudiger. Bartucci: ‘Maar vergis je niet, het blijft altijd maatwerk. Je zal versteld staan van de verschillen die je tegenkomt tussen bedrijven die hetzelfde produceren.’

Het soort maatregelen dat Alperia Bartucci voorstelt is divers. Soms bestaat een investering vooral uit het aanbrengen van sensoren, het installeren van software en wat engineering. Andere keren investeert het bedrijf in grote machines. Giovanni Bartucci geeft wat voorbeelden. ‘Bij een staalbedrijf worden stalen staven verhit, zodat ze makkelijker platgewalst kunnen worden. Soms kwamen die net uit de vorige oven en waren ze dus nog erg heet. Andere keren waren de staven al behoorlijk afgekoeld. De oven hield hier echter geen rekening mee. Die behandelde elke staaf hetzelfde. Nu hebben we een real time multivariable controle technologie geïmplementeerd die de oven afstemt op elke staaf die langs komt. We hebben die technologie opgepikt uit de olie- en gassector.’

Deze economisch zeer aantrekkelijke maatregel levert een energiebesparing op van ‘vijf tot zeven procent in sommige van onze installaties, oftewel jaarlijks tien miljoen kuub gas’. Een voorbeeld waarbij de investering wel in machines zit: ‘De staalpannen, die vloeibaar staal door de fabrieken heen transporteren, moeten zelf eerst worden voorverwarmd. Als je dat niet doet, is het temperatuurverschil te groot en gaan ze kapot. De ovens die dat doen hebben wij vervangen door veel efficiëntere exemplaren.’

 Lastige rekensom

De contracten van Bartucci lopen vaak vijf jaar en in die tijd delen klant en ESCO de bespaarde energiekosten. Bartucci: ‘Het is een lastige rekensom. Je moet het risico dat je loopt goed inschatten. Om verschillende redenen vallen de besparingen bij projecten soms tegen. Maar het gaat om het risisco dat je loopt op het hele portfolio van je projecten. Dat moet in een goede verhouding staan tot de inkomsten. En dan zit je goed.’

Italië was in 2005 het eerste land dat een dergelijk systeem ontwikkelde met een flinke dosis verplichting er in. In Nederland is men nog niet zo ver dat energie efficiency verplicht gesteld is. Uiteraard zitten aan het ETS en aan deelname aan de MJA-afspraken wel verplichtende kenmerken, maar zoals in Italië is het hier nog niet. ‘Drie manieren zijn er. De preek, de stok en de wortel’, zegt Paul Stroomer van ENGIE Ventures & Integrated Solutions. ‘Preken doe ik tot ik een ons weeg. Dat het goed is voor de spin off en voor je public relations. Maar erg veel effect heeft het niet.’ De maatregelen zoals die in Italië zijn toegepast, daar ziet Stroomer wel wat in.

‘Naast de druk vanuit de overheid, de brancheorganisaties en de publieke opinie kan men de vorming van esco’s in de industrie economisch aantrekkelijk maken. Innovatieve financiering kan samen met een CO2-belasting en stijgende prijzen voor fossiele brandstoffen een enorme boost geven aan voorbereiding van energieprojecten. Optimaliseren van warmte- en koudestromen en de alternatieve opwekking ervan in de industrie, daar zijn we met ENGIE volop mee bezig. En de landelijke ambitie om afscheid te nemen van laagcalorisch aardgas helpt hierbij natuurlijk zeker.’

 Verfijnd productieproces

Het probleem is, zegt Stroomer, dat energiebesparingen voor een fabrikant vaak niet veel prioriteit hebben. ‘Een gemiddeld product in de industrie heeft een energiekostenpost van tussen de vijf en zeven procent. Voor energieintensieve industrie, die zeer sterk vertegenwoordigd is in Nederland, kan dat oplopen van twintig tot veertig procent. Veel bedrijven zijn al tientallen jaren bezig om hun productieproces te verfijnen. Je kan daar niet zomaar tussenkomen. Laten we zeggen dat je twintig procent van het verbruik kan beïnvloeden. En als je heel erg je best doet, dat je daar dan twintig procent van bespaart, dan verlaag je de energiekosten dus met vier procent. Dat is twaalf procent meer inkomsten bij een productiemarge van tien procent en een dertig procents aandeel energiekosten in variabele productiekosten..’

Dat gezegd hebbende, vindt Stroomer wel degelijk dat er het nodige is te doen. ‘Ik zie veel bedrijven die stoom gebruiken, voor processen die eigenlijk heet water nodig hebben. Ze hebben een stoomketel staan en voor tien procent van de processen hebben ze ook echt stoom nodig. En dan gebruiken ze voor de overige negentig procent voor het gemak ook maar stoom, terwijl dat eigenlijk niet nodig is.’

‘Als je daar heet water van bijvoorbeeld negentig graden voor gaat gebruiken, dan komen andere technieken om de hoek kijken, zoals warmtepompen. Dan moet je wel wat doen aan je verwarmd oppervlak. Dat kan best ingrijpend zijn hoor, met behoorlijke investeringen. Je kunt je voorstellen dat als je stoom van 160 graden gaat vervangen door heet water van negentig graden, dat je dan je leidingen moet vergroten, net als je warmtewisselaars. Het is een behoorlijke stap terug in energieinhoud. Je moet kijken of je daar fysieke ruimte voor hebt op de site én of je er het geld voor hebt.’

Andere drivers

Wat Stroomer heeft gemerkt, is dat zuivere Esco’s, die puur gebaseerd zijn op energiebesparing, lastig te maken zijn. Hij heeft wel een oplossing. ‘Je hebt andere drivers nodig naast energiebesparing. Vaak krijg je bijkomende voordelen op het gebied van bijvoorbeeld kwaliteit of veiligheid. Als je daar een concrete waarde aan weet te hangen, kan je dat meenemen in het model en levert het je net die extra opbrengsten op waardoor het een haalbare businesscase wordt.’ Daar staat tegenover dat zo’n contract wel weer wat complexer wordt, omdat er andere afdelingen bij betrokken zijn dan alleen energie-inkoop. ‘En ze moeten die waarde erkennen; wat is een stukje extra kwaliteit of veiligheid waard?’

‘Het product dat een bedrijf maakt en het bijbehorende primaire proces bepalen vooral de ruimte die er is voor verduurzaming en alternatieve bronnen. Grote investeringen hangen bijna altijd samen met een vervangingsmoment. Dan zie je dat de installatie al die jaren niet is meegegroeid met de behoefte van het primaire proces en kun je de kwaliteit ervan verbeteren. En over veiligheid zegt hij: ‘Stel dat er sprake is van een brandstofopslag van waaruit de opwekking plaats vindt, en dat je die kan wegnemen door het toepassen van warmteterugwinning of elektrificatie. Dan is het dus die oplossingdie een stuk explosiegevaar wegneemt.’

Het rapport A model approach to finance industrial energy efficiency projects is ingebracht aan de klimaattafel voor elektriciteit en zal ook worden besproken met de vertegenwoordigers van o.a. klimaattafel industrie.

Meer informatie over energiebesparen in de industrie, het genoemde rapport en een overzicht van energiedienstverleners ESCO’s is te vinden op de site van RVO.

Waar de industrie lang over spreekt, voeren twee afvalenergiecentrales nu uit. AVR en HVC investeren in CO2-afvanginstallaties en leveren hun kooldioxide aan de glastuinbouw. Daarmee voorkomen ze niet alleen CO2-uitstoot, maar doen ze ook ervaring op voor grootschalige afvang in de industrie en energiesector.

De nieuwe Klimaatwet luidt een tijdperk in waarin de gehele maatschappij zijn uiterste best zal moeten doen om de CO2-uitstoot in te perken. Het afvangen, ondergronds opslaan of nuttig inzetten van CO2 is daarbij onvermijdelijk. Tot op heden is in Nederland echter nog niet heel veel ervaring opgedaan met post combustion CO2-afvang. Nuon voerde in zijn Bugggenum centrale wat testen uit met kleinschalige afvang en ook het Rotterdams opslag en afvangdemonstratieproject (ROAD) had dergelijke plannen, maar is tot nog toe niet in bedrijf geweest. Het is dan ook bewonderenswaardig dat de twee afvalverwerkers HVC en AVR aankondigden te investeren in een demonstratieafvanginstallatie met een capaciteit van vier kiloton (HVC) en een grootschaligere installatie die jaarlijks zestig kiloton CO2 afvangt (AVR).

Ook Afval Energie Bedrijf (AEB Amsterdam) en de Twentse afvalverwerker Twence tekenden het convenant tussen de Vereniging Afvalbedrijven en LTO Glaskracht. Die bedrijven zullen waarschijnlijk binnen twee jaar eenzelfde investering doen om de kooldioxide uit de installaties te wassen en naar de glastuinbouw te transporteren.

Zomerseizoen

Volgens AVR-directeur Michiel Timmerije is de keuze voor CO2-afvang voor een afvalenergiecentrale iets eenvoudiger dan voor bijvoorbeeld een kolencentrale. ‘Omdat kolen- en gascentrales zijn afgestemd op de hoogste elektriciteits-output, werkt de toevoeging van een afvanginstallatie verstorend voor het totale proces waardoor het rendement afneemt. Een afvalverbrandingsinstallatie combineert de opwekking van stroom en warmte met de verwerking van niet recyclebare afvalstoffen. Uiteindelijk moeten we aan het einde van het proces zo weinig mogelijk afvalproducten overhouden en het rookgasreinigingsproces met filters en wasinstallaties is dan ook een belangrijk onderdeel van het proces. We voegen daar nu een CO2-afvanginstallatie aan toe, waardoor de prestatie van de installatie dus toeneemt.’

Een bestemming voor de koolstofdioxide is ook al gevonden. Air Liquide zal de vloeibare, zuivere kooldioxide vervoeren naar glastuinbouwbedrijven in de nabije omgeving. Timmerije: ‘De tuinders gebruiken normaal gesproken een aardgas gestookte warmte-kracht-installatie om warmte, elektriciteit en CO2 te produceren. De komende jaren willen steeds meer partijen overstappen op diepe aardwarmte. Het enige probleem daarbij is dat ze daarmee geen eigen CO2-bron meer hebben. De CO2 die wij aanleveren helpt de planten vooral groeien en zal slechts gedeeltelijk worden vastgelegd. De echte CO2-besparing zit dan ook meer in het feit dat de aardgas gestookte installaties niet meer nodig zijn. In die toepassing zit ook gelijk een beperking omdat tuinders alleen tijdens het groeiseizoen kooldioxide nodig hebben. Dat seizoen loopt van begin maart tot medio november. Nu alterneert dat mooi met het de warmtelevering, die juist in dat seizoen minder wordt. Maar als er partijen zijn die -onze CO2 gedurende het hele jaar willen gebruiken, houden we ons aanbevolen. Toepassing in de betonindustrie en mineralisatie zijn veelbelovend. Daarmee zouden we de CO2 lang gaan vastleggen. We zijn uiteraard bereid om met dit soort partijen het gesprek aan te gaan.’

Pilot

De beweegredenen van HVC liggen in lijn met die van AVR, al wil het bedrijf liever eerst ervaring opdoen met carbon capture and utilization (CCU) voordat het gaat opschalen. ‘De bio-energiecentrale van HVC verbrandt sloophout in een wervelbedinstallatie en gebruikt de warmte voor het verwarmen van de regio’, zegt Jan Peter Born van HVC. ‘Bij dat proces komt redelijk veel lachgas vrij, een sterk broeikasgas dat fysisch op koolstofdioxide lijkt. Dat gas halen we al grotendeels uit de rookgassen en CO2-wassing is dan ook niet zo’n heel grote uitbreiding van ons systeem. We kunnen gebruik maken van een bestaande installatie van Cato Engineering die bij een biomassacentrale van een tuinder in Friesland stond en niet meer werd gebruikt.

Wij willen vooral weten hoe zo’n installatie zich gedraagt als hij twaalf jaar lang en duizenden uren per jaar achter elkaar draait. Zo weten we uit eerdere ervaringen dat de amines die worden gebruikt voor het wassen van de rookgassen deels verdampen. Ook hopen de afbraakproducten die ontstaan bij het wasproces zich op tot stoffen die de werking van de installatie uiteindelijk negatief beïnvloeden. Ervaring leert dat de amines deels met het nog aanwezige SO2 en NOx reageren. Nu is dat laatste wel op te lossen door het gas extra goed te polishen, maar dat soort dingen willen we graag eerst onder de knie hebben voordat we in grootschalige afvang investeren.’

Halvering

Net als AVR stuurt ook HVC het vloeibare gas via tankwagens naar de glastuinbouw. Born: ‘CCS zou nog een optie kunnen zijn als een hoefijzervormige pijpleiding vanaf de Botlek, via IJmuiden de zee op gaat. Maar voorlopig sluit de levering aan tuinders beter aan op de seizoensproductie waaraan we nu eenmaal vastzitten. Bovendien is CCS echt stukken duurder dan CCU. Het heeft voor ons geen zin om ook in de winter CO2 af te vangen omdat we de warmte die we daarvoor nodig hebben beter aan onze klanten kunnen leveren. In potentie kunnen de afvalverbranders samen twee miljoen ton per jaar CO2 leveren, maar die seizoensbeperkingen blijven bestaan.’

Het feit dat twee afvalenergiecentrales investeren in CO2-afvang is op zijn minst bewonderenswaardig. Zeker omdat de businesscase nog behoorlijk onzeker is. ‘We zijn als afvalbranche vrijgesteld van ETS’, zegt Born. ‘Bovendien zal de CO2 die wij afvangen niet direct verdwijnen. Hoewel de planten, bloemen en groenten er goed op groeien, leggen ze maar één achtste deel van de aangeboden CO2 vast. En als de groenten worden gegeten zal ook dat deel weer de lucht ingaan.’ Desondanks berekende HVC dat één ton BIO-CO2 een halve ton fossiele CO2 uit aardgas bespaart.

Born: ‘Het feit dat de daadwerkelijke CO2-besparing elders in de keten wordt gehaald, maakt de businesscase voor de overheid moeilijk te subsidiëren. De glastuinbouw profiteert tenslotte van onze investeringen. Het zou mooi zijn als er een bodemprijs voor CO2 komt, zodat we in ieder geval onze investeringen kunnen terugverdienen. Ook daarvoor is het goed om gewoon te beginnen met een redelijk controleerbare pilot. We hebben nu redelijk weinig investeringen hoeven doen, dus zijn we minder afhankelijk van de ontwikkelingen rondom de CO2-prijs. Een grootschaliger installatie heeft echter bepaalde garanties nodig. Nu blinkt het Nederlandse subsidiebeleid niet uit in consistentie. Zo was de CO2-afvanginstallatie uit biomassa van de Friese kweker ooit aangeschaft op basis van MEP-subsidie voor elektriciteit. De SDE-subsidie die de MEP opvolgde subsidieert vooral warmte, waardoor de biomassacentrale in de zomer vooral stilstaat, en dat is juist de periode van CO2-vraag.’

Klimaatakkoord

Met het Klimaatakkoord dat in juli is gepresenteerd en waarschijnlijk eind dit jaar wordt vastgelegd in het regeringsbeleid, zal er veel veranderen voor de glastuinbouw. Zo is afgesproken dat het aantal aardwarmtebronnen wordt uitgebreid van zeventien naar vijftig stuks, inclusief warmtenetten voor rest- en aardwarmte. Branchevereniging LTO Glaskracht meldt verder dat de sector voornemens is om jaarlijks driehonderd hectare extra energiezuinige kassen te bouwen. De glastuinbouwsector streeft naar een extra CO2-reductie van 1,8 megaton. Ten opzichte van de huidige CO2-uitstoot levert dit een totale reductie van 3,4 megaton op. De levering van externe CO2 is een belangrijk onderdeel van de plannen omdat fossiele CO2 zoveel mogelijk wordt uitgefaseerd. Timmerije: ‘LTO Glaskracht berekende dat de externe CO2-behoefte van de glastuinbouwsector rond 2030 rond de twee miljoen ton ligt. We hebben dus nog wel even een afzetmogelijkheid. De installatie die we binnenkort bouwen, krijgt een capaciteit van zestigduizend ton. Dat is zo’n vijftien procent van onze totale CO2-uitstoot in Duiven. Die capaciteit kunnen we nog opschroeven, maar er zijn wel beperkingen doordat we alleen in de zomer leveren.

Onrendabele top

Ook de industrie presenteerde zijn voorstellen voor CO2-beperking en een forse zeven megaton zou de grond in moeten verdwijnen via CCS. De vraag is echter hoe groot de bereidheid van de industrie is om de forse investeringen te doen die nodig zijn om CCS mogelijk te maken. Timmerije: ‘Ook voor ons geldt dat CO2-afvang een onrendabele top kent die via subsidie zal moeten worden afgevlakt. Voor dit project kunnen we gebruikmaken van bestaande innovatiesubsidies, maar een maatwerksubsidie op de investering en/of de exploitatie maakt de businesscase minder risicovol en zal zeker leiden tot meer investeringen op dit vlak. AVR is in handen van een private partij, we zijn niet ETS-plichtig en toch nemen we onze maatschappelijke verantwoordelijkheid om in ieder geval ervaring op te doen met CCU. Net als ieder bedrijf streven we naar winstoptimalisatie, maar tegelijkertijd moet je strategische investeringen durven doenom daarmee ook in de toekomst een schone en veilige oplossing voor de verwerking van restafval te borgen. . Een van de voorwaarden die aan innovatiesubsidie is verbonden, is de verplichting om de opgedane kennis te delen. Dat willen we dan ook graag doen, al was het maar om de industrie te inspireren ons voorbeeld te volgen. Als de pilot gunstig uitpakt, zouden we ook bij onze afvalverwerkingsinstallatie in Rozenburg kunnen uitbreiden met CO2-afvang. Daar kunnen we eenvoudig aanhaken op de OCAP-leiding die de CO2 direct naar het Westland transporteert.’

CO2 wassen bij AVR

AVR verwijdert het in de rookgassen aanwezige kooldioxide in vijf stappen. Eerst vangt men de gereinigde rookgassen af via een aansluiting op de bestaande rookgaskanalen. Het CO2-gehalte van de rookgassen is bij deze eerste stap ongeveer tien procent. Het CO2 wordt vervolgens geabsorbeerd door een oplossing van mono ethanolamine (MEA). Voordat dit gebeurt, moeten de rookgassen echter eerst worden gekoeld en gewassen via een natte snelkoeler of quench.

Na de quench worden de rookgassen door een absorber geleid waar de MEA-oplossing de CO2 opneemt. De niet-geabsorbeerde, CO2-vrije rookgassen voeren door een nageschakelde zure wasser om de emissie van basische stoffen (MEA en NH3) omlaag te brengen die tijdens het absorptieproces worden gevormd door verdamping van MEA. Vervolgens worden de CO2-vrije rookgassen naar de schoorsteen geleid.

De met CO2 verzadigde MEA wordt voorverwarmd als eerste stap om de geabsorbeerde CO2 vrij te maken. De oplossing wordt naar een desorber, of stripper, gebracht onder kookcondities. De CO2 komt hierbij, 98 procent zuiver, vrij. De natte CO2 wordt gekoeld om water terug te winnen en vervolgens geleverd aan de CO2 vervloeiingsunit. De CO2-arme MEA-oplossing wordt teruggeleid naar de absorptiekolom.

Bij de vervloeiingsunit wordt CO2 gecomprimeerd naar vijftien bar overdruk met interkoeling en verwijdering van water. De gecomprimeerde CO2 wordt vervolgens verder gezuiverd en gedroogd in een zogeheten Temperature Swing Adsorption (TSA)-pakket. De TSA bestaat uit een dubbele vulling van silica alumina gel (sorbead) en actief kool of vergelijkbaar en gebruikt enige zuivere CO2 om het adsorptiepakket te regenereren. Vervolgens wordt de CO2 gekoeld tot min dertig graden Celsius in een CO2-condenser. Niet-condenseerbare gassen worden afgescheiden, de vloeibare CO2 is nu meer dan 99,9 procent zuiver.

De vloeibare CO2 in de condenser wordt naar de opslagtanks verpompt en is klaar voor levering aan de tankwagen. In de opslagtanks zal CO2, die verdampt wordt om de cryogene (condities te behouden, worden teruggevoerd naar de condenser om opnieuw te worden vervloeid. Bij het tanken is elke tankwagen verbonden met twee slangen aan de opslagtank. De tankwagen wordt gevuld terwijl de verdampte CO2 wordt geretourneerd en teruggewonnen via de opslagtank.

De borgingscommissie van het Energieakkoord stuurde onlangs zijn uitvoeringsagenda naar het kabinet. Met een aantal aanvullende maatregelen denkt de borgingscommissie de doelstellingen van het Energieakkoord te kunnen behalen. Zo worden bedrijven verplicht informatie te verschaffen over energiebesparende maatregelen en kunnen ze een sanctie verwachten als ze daaraan niet kunnen voldoen. Als dan ook nog de doelstellingen voor wind op land en zonne-energie worden gehaald, denkt de borgingscommissie de doelstellingen van het Energieakkoord te kunnen halen.

Sophie Dingenen, Margot Besseling & Sharon van de Kerkhof, Corporate Energy Team, Bird & Bird LLP

De energietransitie is volop in beweging, maar worden er voldoende maatregelen getroffen om de doelstellingen voor 2020 en 2023 te behalen? In oktober 2017 luidde het Energieonderzoek Centrum Nederland nog de noodklok omdat doelstellingen als veertien procent hernieuwbare energie en honderd petajoule extra energiebesparing in 2020 niet langer haalbaar zouden zijn gebleken. De Borgingscommissie is daarentegen positiever gestemd en stelt een aantal aanvullende maatregelen voor in de Uitvoeringsagenda Energieakkoord 2018 om de doelstellingen van het Energieakkoord te kunnen behalen.

Extra energiebesparing

Van de beoogde honderd petajoule extra energiebesparing in 2020 (ten opzichte van 1990) is tot op heden 75 petajoule aan bezuiniging gerealiseerd. De nog 25 petajoule extra besparing kan volgens de Borgingscommissie de komende twee jaren onder meer worden gerealiseerd door het invoeren van een informatieplicht in de Wet Milieubeheer. Artikel 2.15 van het Activiteitenbesluit Milieubeheer verplicht bedrijven op dit moment al om alle energiebesparende maatregelen te nemen die binnen vijf jaar kunnen worden terugverdiend. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan het vervangen van de bestaande verlichting door LED-verlichting. Op basis van het nieuwe artikel 2.15 zijn bedrijven verplicht informatie te verstrekken over de maatregelen die zij hebben genomen en dienen daarbij tevens te motiveren waarom zij voor deze maatregelen hebben gekozen. Deze informatieplicht legt de bewijslast voor het treffen van energiebesparende maatregelen neer bij bedrijven, waardoor deze temeer worden aangespoord om het energieverbruik te reduceren.

Handhaving

Niet enkel de uitvoering, maar tevens de handhaving van de verplichtingen zal naar verwachting verbeteren, aldus de Borgingscommissie. Het is immers niet langer aan de gemeenten om actief de naleving van de Wet Milieubeheer te controleren. Bedrijven dienen de energiebesparende maatregelen nu op eigen initiatief te melden aan lokale overheden. Indien bedrijven niet of niet tijdig aan de op korte termijn in te voeren informatieplicht voldoen, zal er een nader te bepalen sanctie worden opgelegd door het bevoegd gezag. Naar schatting zal de informatieplicht voor 100.000 bedrijven in het MKB gaan gelden. De ambitie is dat de bedrijven eind 2020 voldoen aan de nieuwe energiebesparende verplichting.

Hernieuwbare energie

De realisatie van windprojecten op land is volgens de Borgingscommissie een belangrijke drijfveer voor het behalen van een aandeel van veertien procent hernieuwbare energie. Op dit moment blijft de realisatie van wind op land echter achter ten opzichte van de voorspellingen. Daarnaast is het ook nog maar de vraag of de offshore windparken daadwerkelijk gerealiseerd gaan worden gezien de recentelijke resultaten van de tenders. Investeerders hebben immers in de toekomst te verwachten prijsdalingen ten aanzien van de realisatie van windparken op zee al meegenomen in de subsidieloze tenderbiedingen die zij eind 2017 hebben ingediend. De finale beslissing om te investeren in windparken op zee zal door een afwachtende houding van investeerders in het licht van toekomstige prijsdalingen pas ruim na de subsidie- en vergunningstoekenning worden genomen, zo stelt de Nationale Energieverkenning. Of investeerders daadwerkelijk in staat zijn om windparken op zee geheel zonder subsidie te realiseren, blijft dus nog even de vraag.

Kernteam

Om de realisatie van de overeengekomen zesduizend megawatt voor wind op land in 2020 te bespoedigen, is er een kernteam wind op land samengesteld, bestaande uit onder meer het ministerie van Economische Zaken en Klimaat, het Interprovinciaal Overleg en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. Het kernteam rapporteert iedere drie maanden de voortgang van de te realiseren wind op land projecten aan de voorzitter van de Borgingscommissie. In geval van problemen zal de voorzitter passende maatregelen treffen, wat kan resulteren in het plaatsen van projecten onder de Rijkscoördinatieregeling, om de realisatie van deze projecten te versnellen. Zo kunnen besluiten met betrekking tot vergunningen en ontheffingen op basis van de Rijkscoördinatieregeling tegelijkertijd worden genomen door de verschillende bevoegde instanties, na onderling overleg. Ook andere verplichtingen, zoals het verzorgen van de kennisgeving en terinzagelegging van de besluiten, worden vanuit één orgaan geregeld.

Aanvullende maatregelen

Een aandeel van veertien procent hernieuwbare energie in 2020 komt volgens de Nationale Energieverkenning  2017 overeen met 280 petajoule. Om een aandeel van 280 petajoule hernieuwbare energie te behalen in 2020 zijn volgens de Borgingscommissie aanvullende maatregelen noodzakelijk. Dergelijke aanvullende maatregelen kunnen gestalte krijgen in de vorm van het ter beschikking stellen van rijksgronden voor de realisatie van duurzame energieprojecten, het verbeteren van de huidige SDE+ regeling, onder meer op het gebied van warmteprojecten en biogas, en een hernieuwde aandacht op de bijdrage die lokale energiecoöperaties kunnen bieden aan de ontwikkeling van duurzame energieprojecten.

Met name de focus op de versnelde realisatie van wind op land-projecten zal een flinke bijdrage leveren aan het behalen van de doelstelling van veertien procent hernieuwbare energie in 2020. Naar verwachting levert de versnelde realisatie van wind op land een besparing op van tien petajoule, waarmee de helft van de nog benodigde twintig petajoule wordt gerealiseerd. Het verbeteren van de SDE+ regeling levert een potentiële bijdrage van zes petajoule. De Borgingscommissie stelt in de Uitvoeringsagenda meerdere malen dat de doelen van 2020 nog steeds kunnen worden behaald, mits er per direct maximale inspanningen volgen van alle betrokken partijen.

In het kader van de Uitvoeringsagenda heeft de Rijksoverheid op 28 februari jl. bekend gemaakt dat van start zal worden gegaan met de voorbereiding van zes à zeven pilots ten behoeve van de realisatie van grondgebonden zonneparken. De projecten zullen ieder een gemiddeld vermogen van tachtig tot honderd megawatt opleveren en vóór 2020 worden gerealiseerd.

Tijdsdruk

Het behalen van de doelstellingen voor 2020 en 2023 is eveneens van belang met het oog op het nieuw op te stellen Klimaat- en Energieakkoord. De onderhandelingen over het Klimaat- en Energieakkoord zullen naar verwachting spoedig van start gaan. De meer dan veertig organisaties die zich reeds in 2013 hebben aangesloten bij het huidige Energieakkoord zullen dan ook gezamenlijk de krachten moeten bundelen om de verduurzaming van het energiegebruik in Nederland te kunnen realiseren en de gestelde doelen te behalen. Het is zaak dat de overheid duidelijke regelgeving opstelt met concrete handhavingsmogelijkheden indien deze niet wordt nageleefd.

Er kan gerust worden gesteld dat energiecoöperaties meedoen in de transitie naar een duurzame energievoorziening. Maar wat is het voordeel van energiecoöperaties en wat zijn de risico’s nu eigenlijk?

Sophie Dingenen, Margot Besseling & Sharon van de Kerkhof, Corporate Energy Team, Bird & Bird LLP

Het onderwerp ‘energietransitie’ is inmiddels niet meer weg te denken en investeringen in duurzame projecten door zowel bedrijven als particulieren zijn aan de orde van de dag. Een vorm waarin deze investeringen gedaan kunnen worden is de energiecoöperatie; een samenwerkingsverband dat al jaren aan populariteit wint in Nederland. Uit een analyse van de Lokale Energie Monitor volgt dat het totale aantal energiecoöperaties in Nederland afgelopen jaar van zestig is toegenomen tot 392 energiecoöperaties. Deze energiecoöperaties investeren in diverse duurzame projecten, zoals zon (37 megawattpiek) en wind (118 megawatt), en wekken samen zoveel duurzame elektriciteit op dat zij 85.000 huishoudens van stroom kunnen voorzien. Er kan dus gerust worden gesteld dat energiecoöperaties meedoen in de transitie naar een duurzame energievoorziening. Maar wat is het voordeel van energiecoöperaties en wat zijn de risico’s nu eigenlijk?

Coöperatie

Een energiecoöperatie kan in verschillende vormen gestalte krijgen. Breed bezien is een energiecoöperatie een samenwerkingsverband tussen verschillende partijen, dus burgers, bedrijven of gemeenten, met als doel het bevorderen van de al dan niet duurzame energievoorziening, door collectief te investeren in het opwekken, handelen en/of gebruiken van duurzaam opgewekte elektriciteit. Deze samenwerkingsverbanden kunnen in verschillende juridische rechtsvormen worden gerealiseerd, maar de Lokale Energie Monitor heeft na onderzoek vastgesteld dat een coöperatie, met uitgesloten aansprakelijkheid, de meest voorkomende vorm is gevolgd door de vereniging of stichting. Een coöperatie is een bijzondere vorm van een vereniging en kan in die hoedanigheid overeenkomsten aangaan voor en met haar leden. Daarnaast kan een coöperatie winst uitkeren en de aansprakelijkheid van haar leden voor schulden van de coöperatie bij ontbinding uitsluiten. Daardoor leent deze vorm zich over het algemeen uitstekend voor een meerpartijen samenwerkingsverband voor investeringen in duurzame energieprojecten.

Wanneer een samenwerkingsverband kiest voor de rechtsvorm coöperatie is het sinds 1 januari 2018 van belang om een onderscheid te maken tussen zogenoemde houdstercoöperaties en reële coöperaties. Waar tot 2017 in beginsel alle coöperaties nog waren uitgezonderd van het betalen van dividendbelasting op de winst die zij uitkeert aan haar leden, zijn de hiervoor genoemde houdstercoöperaties nu wél onderworpen aan dividendbelasting. Voor de kwalificatie van houdster- dan wel reële coöperatie wordt naar de activiteiten van de coöperatie gekeken. Indien de opbrengst van een coöperatie hoofdzakelijk (lees: zeventig procent) bestaat uit het houden van deelnemingen of het direct of indirect financieren van verbonden lichamen of natuurlijke personen, kwalificeert een deelneming als houdstercoöperatie en is zij dividendbelasting verschuldigd over datgene wat zij uitkeert aan haar leden.

De diversiteit van de energiecoöperaties in Nederland volgt niet enkel uit de verscheidenheid aan rechtsvormen, maar ook uit de zeer uiteenlopende doelstellingen. Zo kunnen zij zich primair richten op de ontwikkeling van één bepaalde bron, zoals wind of zon, of bijvoorbeeld op één bepaald project of geografisch gebied. Er zijn ook coöperaties die bestaan uit een samenwerkingsverband tussen meerdere (kleine) coöperaties.

Burgerenergiecoöperaties

Energiecoöperaties bestaande uit burgers, burgerenergiecoöperaties, kunnen een belangrijke rol spelen bij het creëren van een draagvlak voor nieuwe energieprojecten en de bewustwording van de noodzaak van de energietransitie. Zo organiseren burgerenergiecoöperaties buurtbijeenkomsten om energiebesparingsmaatregelen te bespreken en leveren zij een bijdrage aan het ontwikkelen van innovatieve nieuwe projecten of investeringsmodellen. Een interessant voorbeeld is Windpark Krammer. Twee burgerenergiecoöperaties, te weten Deltawind en Zeeuwind, hebben samen de aanleg van een windpark bestaande uit 34 turbines met een totaal vermogen van 102 megawatt gerealiseerd. De meer dan vierduizend leden van deze burgerenergiecoöperaties vormen samen de eigenaren en investeerders van Windpark Krammer. Windpark Krammer heeft vervolgens met Akzo Nobel, DSM, Philips en Google een power purchase agreement (PPA) afgesloten voor de afname van de opgewekte stroom. Het bijzondere aan dit project is hierdoor dat burgers duurzaam opgewekte stroom via het net leveren aan vier grote bedrijven zonder inmenging van een energieleverancier, ook wel een consumer-to-business model genoemd.

Postcoderoosregeling

In Nederland bestaan er een aantal financiële stimuleringsregelingen waardoor het voor partijen interessant kan zijn om als energiecoöperatie te investeren in duurzame energie. Een welbekende en veelbesproken maatregel is de stimuleringsregeling voor de opwekking van duurzame energie, ofwel de SDE+ subsidie. De overheid heeft de afgelopen jaren elk half jaar een significant budget beschikbaar gesteld voor het verstrekken van subsidies voor duurzame energieprojecten. De Lokale Energie Monitor signaleert dat er een SDE+ subsidie is aangevraagd voor 71 toekomstige zonneprojecten door energiecoöperaties. Voor de kleinschaligere projecten is de SDE+ subsidie echter een minder interessant vehikel doordat het aanvragen van de SDE+ een relatief dure en uitgebreide procedure is en er bepaalde minimum productie quota gelden.

Voor deze projecten kan de Regeling Verlaagd Tarief een interessant alternatief zijn. De leden van energiecoöperaties of verenigingen van eigenaren die gebruik maken van deze regeling ontvangen namelijk korting op de energiebelasting voor lokaal en duurzaam opgewekte elektriciteit. Deze regeling wordt in de volksmond ook wel de postcoderoosregeling genoemd. Dit omdat de regeling enkel kan worden gebruikt door leden binnen een afgebakend geografisch gebied in de nabijheid van een wind- of zonnepark. Dit is direct ook één van de grootste nadelen van de postoderoosregeling, naast het feit dat de postcoderoos-coöperaties op grond van de huidige Regeling Verlaagd Tarief geen gebruik kunnen maken van subsidies of andere door de overheid gefinancierde tegemoetkomingen. Desalniettemin heeft de Lokale Energie Monitor geconcludeerd dat de postcoderoosregeling voorzichtig tot bloei komt, nu van de honderd nieuwe collectieve zonneprojecten in 2017, 63 projecten zijn gerealiseerd met deze regeling. Eind 2017 is de postcoderoosregeling geëvalueerd in opdracht van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat. De resultaten van dit onderzoek worden begin 2018 verwacht.

Salderingsregeling

Tot slot kunnen partijen zoals verenigingen voor eigenaren, sportclubs of bedrijven gebruik maken van de salderingsregeling. Saldering vindt plaats op het moment dat een gedeelte van de opgewekte energie niet direct zelf wordt gebruikt maar terug wordt geleverd aan het elektriciteitsnet. De hoeveelheid elektriciteit die aan het net terug wordt geleverd, wordt in mindering gebracht op de hoeveelheid elektriciteit die van het net wordt afgenomen. Door dit systeem hoeft de kleinverbruiker geen leveringskosten en heffingen te betalen over het verrekende gedeelte van de afgenomen elektriciteit. Deze regeling is minder interessant voor de energiecoöperaties nu het salderen gericht is op de kleinverbruiker en betrekking heeft op het verrekenen van zelf opgewekte en afgenomen stroom. Zoals we in een eerdere editie van dit magazine al schreven is de overheid daarnaast van plan de salderingsregeling te herzien om over-stimulering te voorkomen.

Geschil

Met de toenemende interesse in het opzetten van energiecoöperaties, groeit ook het belang om coöperaties goed in te lichten over de juridische en financiële consequenties van bepaalde investeringen. Een belangrijke les kan worden geleerd uit de uitspraak van Rechtbank Noord-Holland van 20 december 2017 over de afwikkeling van het faillissement van Zonnegrond B.V. Zonnegrond B.V. had op een stuk braakliggende grond van de gemeente een grondgebonden zonnepark gebouwd met in totaal 1600 panelen. Coöperatie Zonnegrond UA had 666 van deze zonnepanelen met bijbehorende installatie gekocht. Na faillissement van Zonnegrond B.V. had de curator, op verzoek van de gemeente, deze 666 panelen verkocht. De ontstemde coöperatie had zich daarop tot de rechter gewend om een schadevergoeding van de curator te vorderen. Essentieel in deze zaak is de vraag wie de eigenaar van de zonnepanelen was ten tijde van het faillissement. De coöperatie, Zonnegrond B.V., of toch de gemeente als eigenaar van de grond? Kort gezegd wordt op grond van de Nederlandse wet de eigenaar van onroerend goed ook eigenaar van hetgeen op dat onroerend goed wordt gebouwd indien dat gebouwde ‘duurzaam met de grond is verenigd’. Dit wordt ook wel verticale natrekking genoemd. Of er sprake is van een ‘duurzaam met de grond verenigd’ bouwwerk, wordt beoordeeld aan de hand van een bepaalde stelregel die is gebaseerd op eerdere uitspraken van gerechtelijke instanties. Deze uitspraken bepalen dat van ‘duurzame vereniging met de grond’ sprake is, indien het betreffende bouwwerk naar aard en inrichting bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven. Hierbij dient onder andere rekening te worden gehouden met de bedoeling van de bouwer en niet met de technische mogelijkheid om een bouwwerk te verplaatsen. De rechter heeft in deze zaak geoordeeld dat het zonnepark bedoeld was om duurzaam ter plaatse te blijven aan de hand van de vormgeving van het zonnepark en de aanwezigheid van een frame, betonnen palen en installaties als een transformatiekast. Het zonnepark dient dus te worden beschouwd als één geheel met het onroerend goed waarop het is gebouwd. Als eigenaar van de grond, werd de gemeente via verticale natrekking dus ook eigenaar van de zonnepanelen. Dit geschil had kunnen worden voorkomen indien de partijen een recht van opstal hadden gevestigd. Een recht van opstal voorkomt dat zonnepanelen ten gevolge van verticale natrekking eigendom worden van de eigenaar van de grond. Het recht van opstal brengt een juridische scheiding aan tussen het onroerende goed en hetgeen daarop gebouwd is. Het is voor energiecoöperaties dus belangrijk om bij het aangaan van investeringen in duurzame energieprojecten goed na te gaan of de juiste rechten zijn gevestigd om het eigendom van de aankoop vast te stellen.

Ondersteuning

De toename in het aantal energiecoöperaties geeft blijk van de maatschappelijke interesse om gemeenschappelijk te participeren in duurzame energieprojecten en de aanwezige potentie voor toekomstige groei. De huidige financiële stimuleringsregelingen zoals de SDE+ en de postcoderoosregeling bieden perspectief, maar kennen ook hun beperkingen. Het is dus wenselijk dat er vanuit de overheid meer middelen beschikbaar worden gesteld om deze initiatieven te ondersteunen. Het nieuwe kabinet heeft dit belang erkend in het regeerakkoord, waarin zij aangeeft dat er een aparte regeling dient te komen voor energiecoöperaties, die het mogelijk maakt dat omwonenden makkelijker kunnen participeren in duurzame energieprojecten in hun directe omgeving. Daarnaast is er op 14 december 2017 een motie ingediend door een aantal leden van de Tweede Kamer waarin de regering wordt verzocht te onderzoeken hoe coöperaties met een maatschappelijk doel beter toegang kunnen krijgen tot financiering en hiertoe concrete voorstellen voor aan te leveren. Daarnaast wordt er ook vanuit internationaal verband een oproep gedaan aan de Nederlandse overheid om de energietransitie te ondersteunen middels financiële stimuleringsmaatregelen. Een voorbeeld hiervan is de oproep van de OECD in het recent gepubliceerde Taxation Energy Use 2018 rapport, waarin zij overheden verzoeken meer te ondernemen met de nationale energiebelasting om zo het terugdringen van CO2 uitstoot te verminderen. Wiebes heeft afgelopen januari schriftelijk aangegeven op korte termijn op de motie te zullen reageren en te onderzoeken op welke wijze uitvoering zal worden gegeven aan het bereiken van de duurzame doelstellingen uit het regeerakkoord. Of en op welke wijze energiecoöperaties aanspraak kunnen gaan maken op een aparte, eenvoudigere regeling binnen de SDE+ subsidie of een andere regeling blijft op dit moment nog speculeren.

De Europese emissiebeperkende richtlijn voor middelgrote stookinstallaties is opgenomen in het Activiteitenbesluit milieubeheer. Beheerders van dit soort installaties moeten in de toekomst voldoen aan verscherpte emissie-eisen, meer administratieve verplichtingen en verplichte periodieke metingen uitvoeren. Wie eind dit jaar een nieuwe ketel koopt, zal dan ook al rekening moeten houden met deze nieuwe regels.

Fons Heuven, Senior Adviseur KWA Bedrijfsadviseurs en Marlies Huijbers, Juridisch adviseur KWA Bedrijfsadviseurs

De Europese unie introduceerde Richtlijn (EU) 2015/2193, emissiebeperkingen van verontreinigende stoffen in de lucht door middelgrote stookinstallaties destijds om de emissies van middelgrote stookinstallaties te beperken. Deze richtlijn moest uiterlijk op 19 december 2017 zijn opgenomen in Nederlandse wet- en regelgeving en is nu  te vinden in het Activiteitenbesluit milieubeheer en de Activiteitenregeling milieubeheer. De richtlijn bevat voorschriften om emissies van middelgrote stookinstallaties van gassen als zwaveldioxide (SO2) en stikstofoxiden (NOx) en stof te beheersen.

Het Activiteitenbesluit bevatte al emissie-eisen voor ketels, zuigermotoren en gasturbines. Door genoemde implementatie krijgen nu alle middelgrote, indirect gestookte installaties emissie-eisen opgelegd. Welke consequenties dit heeft voor uw stookinstallatie? Voordat we daarop ingaan, volgt kort de inhoud van de wijzigingen.

Emissie-eisen

In hoofdstuk 3 van het Activiteitenbesluit staan de eisen waaraan de ketels, zuigermotoren en gasturbines moeten voldoen. Met de nieuwe wijziging zijn nu alle indirect gestookte installaties zoals procesfornuizen, drogers en ovens hieraan toegevoegd. Verder gelden de emissie-eisen niet alleen voor standaard brandstoffen, maar ook voor vergunningplichtige brandstoffen.

De bestaande NOx-eisen in hoofdstuk 3 blijven gehandhaafd en zijn strenger dan de eisen van de Richtlijn middelgrote stookinstallaties. De Rijksoverheid geeft aan dat dit nodig is, omdat anders de luchtkwaliteit niet wordt verbeterd. Dit zou in strijd zijn met de verplichting om de best beschikbare technieken (BBT) in te zetten. Bovendien moesten de ketelinstallaties, zuigermotoren en gasturbines al per 1 januari 2017 aan deze eisen voldoen. Bedrijven hebben dan ook fors geïnvesteerd om dit te realiseren.

Verder kan voor bepaalde stookinstallaties maatwerk worden aangevraagd, om af te wijken van de emissiegrenswaarden. De maximale toegestane emissie bij maatwerk is eveneens vastgelegd.

Meten emissies

Onder de voorgaande versie van het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling kon met een éénmalige meting worden aangetoond dat een stookinstallatie voldeed aan de eisen. Door de implementatie van Richtlijn (EU) 2015/2193 moet voortaan periodiek worden gemeten. Vanaf 2025 moeten bestaande stookinstallaties met een ingangsvermogen groter dan twintig megawatt thermisch één keer per jaar de emissies meten. Stookinstallaties tussen de één en twintig megawatt thermisch moeten één keer per drie jaar hun emissies meten. De frequentie voor zuigermotoren en gasturbines is éénmaal per vier jaar.

Bij de periodieke inspectie door de Stichting Certificering Onderhoud en Inspectie van Stookinstallaties (SCIOS), wordt koolmonoxide (CO) gemeten als indicatie van een volledige verbranding. Die meting is nu een verplichting geworden, maar hieraan worden geen verdere eisen gesteld.

Informatie

In navolging van de Europese Richtlijn middelgrote stookinstallaties, moet meer informatie over de stookinstallaties worden geregistreerd. Alle verplichte registraties worden in het SCIOS-afmeldsysteem opgenomen. Deze informatie is, met uitzondering van de emissiegegevens, voortaan openbaar beschikbaar op de website van Infomil.

Het keuringsrapport moet ook meer informatie bevatten. Deze informatie komt eveneens in het afmeldsysteem. Voorbeelden van verplichte informatie zijn het adres van de stookinstallatie, naam en adres van de gebruiker, nominaal thermisch ingangsvermogen, het type stookinstallatie en de datum van de ingebruikname.

Het bevoegd gezag heeft volledig inzicht in alle informatie die beschikbaar is via de SCIOS-database. De keuringsrapporten van de stookinstallatie moeten minimaal zes jaar beschikbaar blijven. Daarnaast moet bij de stookinstallatie een bewijs van onderhoud worden bewaard.

Tijd

De meetverplichting is van toepassing op het moment dat de emissie-eisen van toepassing zijn. Voor bestaande stookinstallaties tussen de één en vijf megawatt thermisch moet per 1 januari 2030 aan de metings- en emissiegrenswaarden worden voldaan. Stookinstallaties tussen de vijf en vijftig megawatt thermisch moeten per 1 januari 2025 aan de metings- en emissiegrenswaarden voldoen.

Nieuwe stookinstallaties, die op of na 20 december 2018 in bedrijf zijn genomen, moeten vanaf de datum van ingebruikname aan de nieuwe emissie-eisen en meetverplichting voldoen.

Praktijk

Voor ketels, zuigermotoren en gasturbines geldt nu een terugkerende meetverplichting, die in 2025 van kracht wordt. Voor indirecte stookinstallaties, zoals fornuizen, luchtverhitters en ovens, moet worden onderzocht of deze voldoen aan de nieuwe emissie-eisen dan wel worden bepaald of maatwerk in de vergunning noodzakelijk is. Het bevoegd gezag kan maatwerk toestaan als de plaatselijke milieuomstandigheden en technische kenmerken dit toelaten.

De nieuwe NOx-emissie-eis voor een indirect gestookte aardgasinstallatie is tachtig milligram per kubieke meter. De verwachting is dat veel bestaande, indirect gestookte installaties hieraan niet voldoen en dus maatwerk moeten aanvragen. Maatwerk zal in een aantal gevallen onvoldoende ruimte bieden, waardoor een DeNOx-installatie moet worden geplaatst. DeNOx-installaties zijn kostbaar en zijn dus zeker belangrijk om rekening mee te houden bij uw toekomstige investeringen. Dus onderzoek welke consequentie deze wetgeving voor u heeft en welke stappen u moet nemen om aan de nieuwe wetgeving te voldoen.