Archief Blogs - Utilities

Momentum. Daar draait het bij kansen en veranderingen vaak om. Zo lijkt 2022 zomaar een belangrijk jaar voor waterstof. De eerste belangrijke vergunningen worden afgegeven en er staan verschillende investeringsbeslissingen gepland voor de bouw van groene waterstoffabrieken.

Ook in de media draait het om momentum. Al jarenlang is innovatie een belangrijk vehikel om te overleven. Papier krijgt een andere rol, digitaal verkennen we steeds meer mogelijkheden en evenementen worden steeds meer tv-shows.

De coronatijd heeft alles versneld. Voor 2020 werd me regelmatig gevraagd wat Industrielinqs met webinars ging doen. Het antwoord bleef ik schuldig. Maar nadat we vanaf 17 maart 2020 met ons allen op Teams, Zoom en meer stortten, was er ineens een veel groter bereik. Een momentum voor online talkshows. Inmiddels hebben we er meer dan twintig edities van Industrielinqs LIVE op zitten en er staan verschillende op de rol.

Het is nu het moment om weer naar onze papieren magazines te kijken. Medio 2020 hebben we iMaintain en Utilities samengevoegd tot het magazine Industrielinqs. Vanaf 2022 verschijnen onze twee magazines Industrielinqs en Petrochem om en om. Abonnees van het ene blad krijgen ook het andere. Minimaal tien edities en de Industrielinqs catalogus.

De inhoud van beide bladen groeide al naar elkaar toe. Haast synchroon aan de industrie en de energiesector. Staal, chemie, food, papier, energie worden steeds meer onderdeel van een geïntegreerd systeem. Onderwerpen als transitie, veiligheid, werkgelegenheid, investeringsklimaat zijn steeds meer cross-sectoraal.

Natuurlijk zal de nadruk van Petrochem op de chemische keten liggen en in Industrielinqs zal iets meer nadruk liggen op onderhoud en transitie. Maar samen kleuren ze een geïntegreerd industrieel palet in.

Uiteindelijk draait het bij Industrielinqs om wat zestien jaar geleden al in de naam is ingegeven: linken leggen in de industrie. In welke vorm en met welk medium dan ook, willen we dat blijven doen. We grijpen elk momentum aan om dat nog beter te kunnen doen. Hopelijk doet u ook mee in deze transitie.

 

Wim Raaijen, hoofdredacteur Industrielinqs

Iedere keer als er weer een klimaattop is, lijkt het erop dat het internationale overleg alleen maar tot teleurstellingen leidt. Natuurlijk, er zijn zeker pluspunten te noemen. Zo zijn bijna alle landen overeengekomen steenkool uit te faseren. Helaas spreekt China liever over afschalen. Ook wat betreft de uitstoot van methaan, verantwoordelijk voor een derde van de opwarming, beloofden de grootste vervuilers zoals China, India en Rusland maatregelen te nemen. En, misschien wel de belangrijkste afspraak, verschillende landen zijn overeengekomen te stoppen met subsidies voor fossiele brandstoffen.

Toch zijn de beloften en afspraken in veel gevallen niet veel meer dan dat. Want steeds weer zien we berekeningen terugkomen over de geschatte effecten van de afspraken. En dan blijkt dat de verwachte temperatuurstijging in 2100 momenteel op 2,4 graden Celsius staat.

Nu is het misschien te eenvoudig om alleen naar de politieke leiders te kijken. Uiteindelijk zijn die in veel gevallen democratisch gekozen en vertegenwoordigen ze de wil van het volk. En die vindt het in het algemeen maar wat gemakkelijk om met het vingertje te wijzen naar de vervuilende industrie. Terwijl ze wel de producten van diezelfde industrie afnemen, met het vliegtuig op vakantie gaan en het liefste een stukje vlees eten.

Onlangs hoorde ik nog een interview met hoogleraar Bert Weckhuysen, die ook op de European Industry & Energy Summit begin december spreekt, over de belofte van een groene chemie. Goed om te horen dat de onderzoeksgroep van Weckhuysen onderzoekt hoe diezelfde producten waar we als samenleving van profiteren op duurzame wijze kunnen worden geproduceerd. Maar ook confronterend om te horen dat de gemiddelde westerse mens jaarlijks elf ton CO2 uitstoot. Een groot deel van die uitstoot gaat overigens naar de heilige koe: de auto. Natuurlijk hakt een vliegreis er ook goed in. Gedragsverandering heeft dus wel degelijk impact.

Weckhuysen weigerde ook om mee te gaan met de politici die beweerden dat de technologie om de klimaatcrisis af te wenden al klaar ligt. Er zijn natuurlijk al alternatieven voor fossiele brand- en grondstoffen. Maar er is nog heel veel geld en onderzoek nodig om die technologie tot wasdom te laten komen. Het is dan ook te simpel om te denken dat politici, wetenschappers of zelfs de industrie het klimaatprobleem gaan oplossen. Uiteindelijk moet iedereen zijn steentje bijdragen en zijn CO2-uitstoot terugdringen. Je adem inhouden schijnt ook te helpen, maar de trein nemen lijkt me een stuk eenvoudiger.

David van Baarle, hoofdredacteur

Al die partijen die de industrie aanwijzen als grote vervuiler die maar beter uit Nederland kan verdwijnen, krijgen een lange neus van de klimaat- en energieverkenning 2021. Want wie denk je dat van de grote CO2-uitstoters de grootste sprongen maakte het afgelopen jaar? Juist, trek de champagne maar open, liefst eentje met veel koolzuur. Natuurlijk worden de energiegrootverbruikers daarbij wel geholpen door de stok die CO2-heffing heet en de SDE++ wortel, maar dat is eigenlijk alleen maar een bewijs dat overheidssturing wel degelijk effect heeft.

De Klimaatwet schrijft voor dat onderzoekers van onder andere CBS, PBL en TNO jaarlijks de tussenstand opmaken van het klimaat- en energiebeleid. Zoals het er nu naar uitziet, is het kabinetsdoel om in 2030 49 procent minder uit te stoten dan in 1990 nog niet in zicht. Als het tegenzit komt men maar tot 38 procent en met alle wind in de rug zou 48 procent nog haalbaar zijn. Dat is niet erg hoopgevend, nu de Europese Unie zint op hogere besparingsdoelen met het ‘Fit for 55’-programma. Nederland mag zich dan zeker ook nog niet op de borst kloppen. Andere landen doen het echt beter.

Ook opvallend: het grootste deel van de industriële CO2-besparing komt op het conto van de afvang en opslag van CO2. Een optie die het Planbureau voor de Leefomgeving in alle publicaties als snelste en goedkoopste oplossing presenteert, maar die politiek nog niet veel bijval krijgt. Volgens de opstellers van het rapport is de reductiepotentie het grootst bij bedrijven die investeren in CCS, gevolgd door elektrificatie, energiebesparing en de reductie van de uitstoot van lachgas. Maar nu komt het addertje: het slagen van die ingrepen gaat gepaard met grote onzekerheden. Voor zowel CCS en elektrificatie zijn forse investeringen nodig in complexe infrastructuur met lange vergunningstrajecten. Daar zal de politiek bij moeten springen. U ziet de patstelling al opdoemen. En dan is het ook nog de vraag wie de CO2-rechten krijgt toebedeeld als CO2 wordt opgeslagen of als bijvoorbeeld warmte wordt uitgewisseld.

Dinsdag 7 en woensdag 8 december brengen we de industrie, energiesector, politiek en wetenschap samen voor de European Industry & Energy Summit. De industrie en energiesector heeft twee dagen lang de tijd om te laten zien hoe ze nog grotere sprongen kan maken. Misschien wel net zo belangrijk is om in de discussies tijdens de summit of in de pauzes de patstellingen om te zetten in een remise. Aan alle oplossingen kleven bezwaren, maar laten we samen kiezen waar we wél mee kunnen leven.

De gemeente waarin ik woon vroeg burgers mee te denken over hoe een aantal wijken van het aardgas zouden kunnen. Nu hebben de ambtenaren goed nagedacht over welke wijken ze als eerste willen aanpakken: een wijk met veel huurwoningen in de lagere prijsklasse, een middenklasse wijk en eentje waar een gemiddeld huis niet onder de zeven ton van de hand gaat. Opvallend is dat de gemeente naast elektrificatie, stadsverwarming en zonneboilers ook hybride warmtepompen en duurzame gassen overweegt. Helemaal van het gas af wil men dus niet.De keuze voor deze drie wijken legt de grootste pijnpunten van de energietransitie bloot: de lastenverdeling. Want waar de duurdere huizen waarschijnlijk een absoluut hogere energierekening hebben, ervaren de huurders hun relatief lagere kosten als zwaardere last. En dus gaat de discussie niet alleen over efficiency en inpasbaarheid, maar ook over sociale gelijkheid.

Je kunt gemakkelijk parallellen trekken tussen de energietransitie op woonwijkniveau en de industriële transitie. Ook de industrie kent partijen met zulke kapitaalsintensieve assets dat hogere energiekosten niet direct het sein voor sluiten of verhuizen zijn. Terwijl er ook genoeg partijen zijn die nu al in de marges werken en waar de hoge gasprijs net de druppel kan zijn. In dat licht lijkt van het gas af de meest voor de hand liggende keuze, ware het niet dat alternatieven nog een stukje duurder zijn. Elektrificatie vraagt om miljardeninvesteringen in duurzame opwekcapaciteit en infrastructuur en ook biobased is niet altijd goedkoper en onomstreden.

De harde realiteit is dat het leeuwendeel van de elektriciteit nog steeds van gascentrales komt, en die rekenen hoge gasprijzen gewoon door in de stroomprijs. De drie kolencentrales zijn momenteel de enige energiebronnen die echt een goed rendement draaien, maar dat is wat betreft emissies ook niet wenselijk.

De roep om politiek leiderschap wordt dan ook steeds groter. Het eindpunt van de energietransitie is bekend, de route er naartoe is echter nog onzeker. Van het gas afgaan kan een verstandige keuze zijn, maar breng dan ook in beeld wie buiten de boot valt. Want welke keuze de nieuwe leiders ook maken: ze moeten draagvlak houden. Anders kan het nog een hele vervelende reis worden richting een CO2-neutrale samenleving.

Als het in Rotterdam tegenwoordig een uurtje zo stinkt als dertig jaar geleden continu, dan regent het telefoontjes bij de milieudienst. Hiermee zeg ik eigenlijk twee dingen. De industrie in Nederland is de afgelopen decennia echt schoner geworden. Tegelijkertijd accepteert de samenleving steeds minder verstoring door de industrie. Dat kan een dubbel gevoel opleveren bij de mensen die in de industrie werken. Hun prestaties zijn steeds beter, maar de eisen worden nog sneller strenger.

Precies op de dag dat het RIVM onlangs het alarmerende rapport over Tata IJmuiden naar buiten bracht, had ik een interview met Mark Denys, directeur kwaliteit bij het staalconcern. Het was een inspirerend gesprek over digitalisering. De afgelopen vijf jaar heeft Tata in IJmuiden tal van verbeteringen aangebracht in de processen. Te danken aan de analyse van data. Door de duizelingwekkende ontwikkelingen op het gebied van rekencapaciteit, geheugen en snelheid van computers zijn analyses veel sneller uit te voeren. Dat levert meer bruikbare informatie op. Op het gebied van kwaliteit, efficiëntie, maar ook op het gebied van uitstoot.

Op het gebied van advanced analytics loopt Tata IJmuiden voorop in Nederland, Europa en misschien wel de wereld. Trots vertelt Denys dat gerenommeerde bedrijven in IJmuiden op bezoek komen om te kijken hoe Tata dat doet. Ze zijn van harte welkom. Behalve dan de concurrenten. Maar dat is logisch. Inmiddels lopen in IJmuiden meer dan tweehonderd data-analisten rond, die continu bezig zijn om de processen te verbeteren.

Ik probeer me voor te stellen hoe die mensen zich voelen als Tata negatief in het nieuws komt. Overdag hebben ze het idee dat ze met positieve ontwikkelingen bezig zijn. ’s Avonds zien ze op het journaal dat het allemaal niet genoeg is. En als burger begrijpen ze dat ook nog.

Het is uiteraard goed dat we – als samenleving – steeds minder verstoring accepteren van onze omgeving en met name onze gezondheid. Tegelijkertijd moet niet het beeld ontstaan dat er in de industrie mensen werken die met een kwade inborst alleen maar op eigen gewin uit zijn. Dat is namelijk niet zo. Bovendien maakt de industrie waardevolle producten die we allemaal in ons dagelijks leven gebruiken. Er is hier geen oorlog tussen goed en kwaad. Iedere consument is onderdeel van het systeem.

Politici moeten ook niet hun eigen straatje schoonvegen met dreigementen over sluiting van Tata in IJmuiden. Gemakkelijke spierballentaal. Want, wat dan? Het is veel beter om naar echte oplossingen te zoeken. Hoe kan de uitstoot van schadelijke stoffen zo snel mogelijk worden gereduceerd? Samen. En dan komt het juist goed uit dat Tata IJmuiden een heel bataljon aan data-analisten ter beschikking heeft.

Het is niet voor niets dat we een hele editie van Industrielinqs kunnen wijden aan waterstof. In de transitie van fossiele energie en grondstoffen naar emissieloze vervangers speelt het gas een sleutelpositie. Als energiedrager kan waterstof een rol spelen in de tijdoverbrugging tussen productie en gebruik van duurzame energie van windturbines en zonneparken. Gas is nu eenmaal eenvoudiger op te slaan dan elektriciteit. Bovendien kan waterstof een oplossing bieden voor congestieproblemen op het elektriciteitsnet. Zeker als het bestaande gasnet als transportmiddel wordt ingezet.

De hele column lees je in de speciale (digitale) editie van Industrielinqs, Dossier Waterstof

‘Na mijn studie ging ik op zoek naar een bedrijf waar ik wilde werken. Een bedrijf dat mijn visie en drive deelt en bewust en actief bezig is met verduurzaming. Daar wil ik bij horen, daar hoor ik thuis. Met een open sollicitatie koos ik voor Neste. Maar misschien koos Neste, met haar missie en visie, al wel eerder voor mensen zoals ik’, stelde young professional Tes Apeldoorn onlangs in haar talk bij ons jaarevenement Deltavisie 2021. Het klinkt haast mystiek, maar eigenlijk is het heel logisch…

De hele column van Wim Raaijen lees je in de digitale editie van Industrielinqs magazine!

Ik ben zeer voor diversiteit. Het doet me dan ook een deugd dat we bij onze evenementen en in onze bladen bijvoorbeeld steeds meer deskundige vrouwen aan het woord krijgen. Bij ons Watervisiecongres hadden we in het hoofdprogramma evenveel vrouwen als mannen aan tafel, mijzelf als witte man meegerekend. Hopelijk krijgen we daarnaast ook steeds meer kleur in de industrie en we hebben ons voorgenomen om nog meer op zoek te gaan naar jonge wijze mensen, om te interviewen.

Inclusiviteit en diversiteit heeft echter niet alleen met gender, kleur, leeftijd en afkomst te maken. Maar ook met variatie in kennis en inzichten. Standpunten worden immers ook bepaald door de positie die mensen innemen. Sta je buiten een gebouw, dan zie je wat anders dan wanneer je binnen loopt. Dat is zeer van invloed.

De industrie bestaat vooral uit – meestal witte, mannelijke – technici, die elkaar wel vinden in hoe de wereld is opgebouwd. Daar mag best wel wat meer verscheidenheid in komen. En misschien is dat ook al een tijdje gaande. Gezien ook de toenemende variatie in onze kolommen en bij onze evenementen.

Echter de wereld van alpha’s mag daarentegen wel een extra snufje logica van de bèta’s gebruiken. Neem bijvoorbeeld de politiek. Op de kieslijsten van de parlementsverkiezingen staan misschien twaalf mensen met een technische achtergrond die straks op het pluche terecht kunnen komen. Maximaal, want meer dan de helft staat op een net-wel-net-niet-positie op een lijst. Dus maximaal acht procent van de volksvertegenwoordigers straks is bèta. Zes procent is waarschijnlijker.

Het lijkt me sterk dat dat een goede afspiegeling is van de samenleving. Sowieso heeft meer dan een zesde van de werkende Nederlanders een technisch beroep, ongeveer 17 procent. Dus daar zit al een factor twee tot drie. Maar wat nog belangrijker is; klimaat en energietransitie staan hoog op de agenda. Een beetje meer bèta-inzicht kan dan geen kwaad. Dus mijn pleidooi: meer vrouwen in de industrie en meer bèta’s in de politiek. Lijkt me een prima deal!

Ondanks de coronacrisis is de noodzaak tot verduurzaming onverminderd groot. Sterker nog, naar verwachting zal strenger dan ooit worden gehandhaafd. Er moet dus actie genomen worden, en snel. 31 december 2020 is namelijk een belangrijke deadline voor grote ondernemingen: dan moeten zij een EED-audit hebben voltooid in het kader van de Europese Energie-Efficiency Richtlijn. Gebeurt dit niet, dan dreigen boetes. Maar doe je dit wél, dan heb je een handige lijst met concrete besparingsmaatregelen.

Tekst: Niels Lubbinge, Productexpert ENGIE Energie.

Vanwege een door corona veroorzaakte economische tegenslag zit nu niemand te wachten op audits en rapporten. Het is begrijpelijk dat ondernemingen de milieuwetgeving even opzij hebben gezet. Voor bedrijven die het totaalbeeld wellicht niet helemaal helder hebben, is het belangrijk te weten waar nu op gehandeld kan – en moet – worden.

Wat is een EED-audit?

De EED-audit is onderdeel van de European Energy Directive (EED), Europese wetgeving die sinds 2012 van kracht is. Deze wet is erop gericht de energie-efficiëntie in Europa met 20% te verbeteren. Eén onderdeel van de EED is een audit die om de vier jaar moet worden ingediend. Dit is kortgezegd een verslag met een verklaring van waar alle ingekochte energie van een bedrijf naartoe gaat én een lijst met alle mogelijke energiebesparende maatregelen en de te verwachten effecten daarvan. Een EED is verplicht voor grote ondernemingen: organisaties met meer dan 250 FTE in dienst en/of meer dan 50 miljoen euro jaaromzet. Behoor je tot deze groep, dan is de deadline voor deze audit 31 december 2020.

Gebouwde omgeving

Wanneer je daarnaast gevestigd bent op het terrein van de gebouwde omgeving, is sinds 20 maart 2020 ook de EPBD III-richtlijn van toepassing op je organisatie. Deze richtlijn bevat niet alleen bepalingen over het vastleggen van de energieprestaties van bouwsystemen, maar ook keuringsverplichtingen voor verwarmings- en aircosystemen, en verplichtingen omtrent de laadinfrastructuur voor elektrische voertuigen.

Uitstel

Het kán tenslotte ook zo zijn dat je onderneming tevens voldoet aan de Nederlandse criteria voor de energiesparings– en informatieplichten in de Wet milieubeheer. Gebruik je op een locatie per jaar meer dan 50.000 kWh aan stroom of 25.000 m3 aan aardgas(equivalent)? Dan ben je verplicht energiebesparende maatregelen te nemen die je binnen vijf jaar kunt terugverdienen (de zogenoemde Erkende Maatregelen) én een verslag in te dienen van reeds genoemde maatregelen. De meest recente deadline voor dit rapport was 1 juli 2019. Maar omdat de informatieplicht zo nauw verbonden is aan de benodigde informatie voor een EED-audit, kregen auditplichtigen uitstel tot 5 december 2019.

Deadlines gemist

In theorie hebben ondernemingen dus veel verplichtingen: een auditplicht vanuit Europa, maar ook een bespaar- en informatieplicht vanuit de Nederlandse wetgeving. In de praktijk hebben veel bedrijven de deadlines voor deze verplichtingen gemist: in juli 2019 maakte het RVO bekend dat minder dan de helft van de ondernemingen de deadline voor de informatieplicht had gehaald. Tot nu toe heeft dat niet tot problemen geleid. Maar dit gaat veranderen.

Politieke klimaatverandering

Recent gaf een verkennend onderzoek van de Rekenkamercommissie WVOLV aan dat er niet altijd even streng is gehandhaafd op de besparingsplicht. Ook met de EED-audit is tot nu toe zeer coulant omgesprongen. In het verleden hebben veel organisaties daarom een afwachtende houding aangenomen als het aankomt op verduurzaming. Het zal zo’n vaart niet lopen, leek het algemeen sentiment. Maar deze houding is niet meer vol te houden.

De overheid voelt de urgentie om te verduurzamen namelijk groeien. We hebben een klimaatakkoord met ambitieuze doelstellingen, de maatschappelijke druk om te verduurzamen neemt toe (denk aan het Urgenda-vonnis) en ook vanuit de politiek groeit de druk om strikter te handhaven. Minister Wiebes trekt in Nederland de teugels aan in de milieuwetgeving, terwijl in Europa Frans Timmermans stappen blijft zetten met de Green Deal. Zo is er bijvoorbeeld vijf miljoen euro uitgetrokken voor de versterkte uitvoering energiebesparings- en informatieplicht (VUE). Daarnaast is de verantwoordelijkheid voor de beoordeling van energierapporten overgeheveld van de omgevingsdiensten naar de RVO. Al met al kan hierdoor de volgende controleur die bij je op de stoep staat net wat strenger in de leer zijn dan zijn voorganger.

Wat moet ik nu doen?

Ben je auditplichtig en ben je nog niet begonnen met het auditproces? Ga zo snel mogelijk aan de slag. Je moet beseffen dat een EED-audit een arbeidsintensief project is, zowel voor de auditeur als voor de onderneming.

Wil je de audit niet zelf voltooien, zet dan om te beginnen je offerteaanvragen voor een audit uit. Wacht vooral niet tot het laatste moment om contact op te nemen. Wanneer aanvragen zich tegen het einde van het jaar ophopen bij auditeurs, is voor ondernemingen de kans op achterstand groot. Binnen je organisatie is het vervolgens van belang dat je een interne taskforce opzet. Een EED-audit bestrijkt namelijk je hele organisatie, van je afvalverwerking tot je verkeersstromen. Op operationeel niveau betekent dit dat locatiemanagers bijvoorbeeld auditeurs toegang moeten verschaffen tot ketelruimtes, of dat technisch personeel met de auditeur de fabrieksvloer op moeten.

Meerjarenplan

Op strategisch niveau betekent dit dat alle stakeholders een bijdrage moeten leveren aan de verduurzamingsstrategie. Ondernemingen hebben nog lang niet altijd helder wat hun meerjarenplan is op dit gebied, maar de EED-audit vereist wel dat je deze strategie op papier zet. Vergis je niet: voor die strategie is een hoop huiswerk nodig! Zo moet je kijken naar de prestaties van iedere locatie, en of die investeringen in duurzaamheid rechtvaardigt. Lopen ze niet goed, doek je ze dan op? Of misschien ga je verhuizen. Is dat over een jaar? Twee jaar? Of moet je wachten op vastgoedontwikkeling, die wellicht ook vertraging heeft opgelopen door de recessie?

Toch is dit niet voor niets. De EED-audit stelt je in staat om keuzes te maken in energiebesparende maatregelen. Omdat de EED-audit je een overzicht geeft van de verwachten effecten van maatregelen, heb je direct helder welke maatregelen de meest positieve economische impact op je onderneming hebben! Houd daarbij natuurlijk wel in je achterhoofd dat je volgens de Nederlandse besparingsplicht verplicht bent alle maatregelen met een terugverdientijd van vijf jaar of minder door te voeren.

Al dit soort overwegingen die meespelen in een EED-audit kunnen juist voor grote ondernemingen gevoelig liggen. Investeringen die zich niet binnen enkele jaren terug laten verdienen, zijn een stuk ingewikkelder om intern te accorderen, maar het zijn precies deze grotere maatregelen die de overheid steeds meer zal willen zien. Het is niet langer voldoende gloeilampen met ledjes te vervangen. De focus zal verschuiven naar zaken zoals isolatie van kantoren en productielocaties, aanpassingen aan machinelijnen, verduurzaming van aanvoerketens – kortom, beslissingen die je niet zo een-twee-drie neemt. Aangezien deze onderwerpen doorgaans niet tot de core business van een onderneming behoren, worden (externe) sparringpartners hierdoor steeds belangrijker.

Besef moet snel indalen

In de afgelopen tien jaar is de druk nog nooit zo groot geweest om serieus aan de slag te gaan met verduurzaming. Toch lijkt ondernemend Nederland hier nog maar beperkt mee bezig te zijn. Deze afwachtende modus is niet meer vol te houden. Dus ben je EED-auditplichtig, dan is het nu tijd om aan de slag te gaan! Heb je nog niet voldaan aan de informatieplicht? Neem die dan alsnog mee. Zo ben je voor het eind van het jaar helemaal up-to-date en kun je overheidscontroleurs met een gerust hart tegemoet treden.

 

Eindelijk lijkt er een aanzetje voor een duidelijk industriebeleid in Nederland. ‘Nederland heeft de ambitie en de kans om de (Europese) vestigingsplaats te zijn voor duurzame (basis)industrie,’ stelt minister Wiebes van EZK 15 mei in een brief aan de Tweede Kamer. Een kabinetsvisie als aanzet voor industriebeleid?

Decennialang leken Nederlandse regeringen meer oog te hebben voor de dienstensector, dan voor de “vieze en gevaarlijke” industrie. Dat terwijl de Nederlandse economie ook voor een groot deel dreef op de industrie in en rond Rotterdam, Zuid Limburg, Zeeuws-Vlaanderen, het Noordzee-kanaal, de Eemsdelta en meer clusters. Als dat al werd onderkend, dan werd de industrie vooral gezien als noodzakelijk kwaad. Hooguit een moetje.

De afgelopen jaren zag ik regelmatig optredens van minister Wiebes, die daarover gelukkig net iets anders lijkt te denken. Dat bleek telkens weer als hij sprak voor een industrieel publiek, zoals bij het Deltalinqs Diner, de opening van nieuwe fabrieken of tijdens ons eigen congres Eemsdeltavisie 2019. Hij ziet wel een belangrijke rol voor de industrie, met name ook bij de energietransitie en het realiseren van de klimaatambities.

Mondjesmaat

Ook voor hem is dat regelmatig zwemmen tegen de maatschappelijke stroom in. Het imago liep de afgelopen jaren extra deuken op. De discussies over het klimaatakkoord, de plastic soup, mogelijke afschaffing van dividendbelasting, hoge salarissen in de top en meer deden het – toch al niet geweldige – imago van de industrie geen goed. Soms terecht, soms ook niet. Natuurlijk deed de industrie zelf pogingen om het imago wat op te vijzelen. Door te laten zien dat ze aan veel mooie producten bijdraagt. Dat auto’s lichter en dus zuiniger worden door kunststoffen en dat windmolens en zonnepanelen niet zonder composieten kunnen. Maar de boodschap kwam vaak niet aan.

En industriële bedrijven blinken doorgaans niet uit in transparantie. Ze werken vaak achter gesloten deuren aan energiezuinige processen en verschillende innovaties die fabrieken minder “vies en gevaarlijk”  maken. Dat komt maar mondjesmaat naar buiten. Veel te voorzichtig, of bang voor wat dan ook. De communicatie-afdelingen zitten vaak op dezelfde gang als legal. En meer dan eens zit het hoofdkantoor vast in de houdgreep van de aandelenbeurs of private equity. Open en enthousiaste vertegenwoordigers van bedrijven worden al gauw de mond gesnoerd. Dat is allemaal niet best voor het imago… Onbekend maakt onbemind.

Nieuwe realiteit

Je mag het misschien niet zeggen, maar de huidige coronacrisis is haast een reddende engel voor de industrie. Of op zijn minst een blessing in disguise. Het laat zien dat plastic veel meer is dan alleen het afval in de oceanen. Het materiaal kan ook levens redden en de basisindustrie blijkt vitaler voor de samenleving is dan vaak lijkt. Of zoals de minister het in zijn brief verwoordt: ‘De COVID-19-uitbraak heeft ons laten zien dat de basisindustrie ook tal van producten levert die noodzakelijk zijn voor het voorkomen en bestrijden van besmetting en het behandelen van patiënten. Gezien de belangrijke functie in de keten behoren de beroepen in de basisindustrie tot de cruciale beroepsgroepen ten tijde van de COVID-19-uitbraak.’ De minister is alvast wakker.

Tegelijkertijd grijpt hij dit momentum handig aan om de vitale industrie te koppelen aan de uitdagingen op het gebied van het klimaat. ‘De Nederlandse basisindustrie heeft nu een goede positie op wereldwijde markten. De wereldwijde spelregels veranderen echter sterk door de invoering van klimaatbeleid. Uiteindelijk worden alle landen hierdoor geraakt; de toekomst van deze industrieën zal in belangrijke mate bepaald worden door de snelheid waarmee landen zich kunnen aanpassen aan deze nieuwe realiteit.’

Experts

Uiteraard gaan we nog heel wat discussies krijgen over de richtingen die de minister kiest. Met enige nuance kiest de minister wel een duidelijke lijn, waarbij hij oplossingen niet op voorhand uitsluit. In de discussie over CO2-opslag bijvoorbeeld: ‘Het kabinet zet in op grootschalige opwekking en omzetting van groene energiedragers (waterstof, groene elektriciteit) en verwerking van CO2 in nieuwe producten (CCU) of zolang dat niet kan CCS in lege gasvelden op zee.’

Voor het eerst sinds lange tijd laat een minister zien dat hij ook op de hoogte is van belangrijke nieuwe technologieën. Waterstof, groen gas, CCUS kon hij natuurlijk niet missen. Maar dat hij ook uitgebreide aandacht besteedt aan elektrificatie, elektrochemische conversie en chemische recycling geeft aan dat hij niet over één nacht ijs gaat, of in ieder geval aandachtig heeft geluisterd naar experts in de industrie.

Veertig tot vijftig miljard

Ook lijkt de minister het advies van Taskforce Industrie Klimaatakkoord Infrastructuur serieus te nemen. Dat presenteerde daags voor de brief van de minister een uitgebreid rapport. Daarin raadt ze aan om een centrale energie-infrastructuur te ontwikkelen en een gezamenlijk CCUS-netwerk aan te leggen. Daarnaast zou Nederland moeten investeren in een grensoverschrijdend waterstofnet. Het gaat bij deze investeringen in de infrastructuur al gauw om veertig tot vijftig miljard euro.

Of dat geld zo maar op de plank ligt, is natuurlijk zeer de vraag in deze bijzondere periode. Vast staat wel dat vitale sectoren in de huidige crisis veel zichtbaarder zijn geworden. De zorg, het onderwijs, de voedselvoorziening, maar ook de procesindustrie. En dat een stevig beleid en ook ondersteuning nodig is om deze sectoren te versterken en waar nodig ook richting te geven, moge ook duidelijk zijn.