Afsplitsing oude winningsvergunningen koolwaterstoffen en retributies - Utilities
blog

Afsplitsing oude winningsvergunningen koolwaterstoffen en retributies

Publicatie

20 feb 2017

Categorie

Utilities

Soort

blog

Tags

Bird&Bird, Energiewet, saldering

Recentelijk trad een aantal wijzigingen van de mijnbouwwet- en regelgeving in werking, waaronder de wetswijziging in het kader van “versterking veiligheidsbelang mijnbouw en regie opsporings-, winnings-, en opslagvergunningen” en het bijbehorende besluit tot wijziging van het Mijnbouwbesluit. Genoemde wijzigingen beogen een veilige opsporing en winning van gas en andere delfstoffen, en bevatten daarnaast nieuwe regels over onder meer de afsplitsing van specifieke winningsvergunningen voor koolwaterstoffen en de mogelijkheid om kosten in verband met het verlenen van mijnbouwvergunningen alsmede bepaalde kosten van toezicht door te berekenen aan mijnbouwexploitanten en gasnetbeheerders.

Deborah Nizamoeddin (Bird & Bird)

Sinds 1 januari 2017 kent de Mijnbouwwet – naast de al eerder in de wet geregelde figuren ‘splitsing’ (waarbij een mijnbouwvergunning wordt gesplitst in twee of meer vergunningen voor twee of meer gebieden) en ‘samenvoeging’ (waarbij mijnbouwvergunningen worden samengevoegd waardoor één vergunning ontstaat voor het gehele gebied) – ook de nieuwe figuur ‘afsplitsing’. De regels voor afsplitsing komen vrijwel overeen met wat in de wet rondom splitsing is geregeld, maar bij afsplitsing zal het altijd moeten gaan om een zogenaamde ‘oude’ (vóór 1965 verleende) winningsvergunning voor koolwaterstoffen. Feitelijk gaat het om mijnconcessies die op grond van de oude Mijnwet 1810 zijn verleend voor Schoonebeek, Tubbergen, Rijswijk, Rossum-De Lutte en Groningen.

Een ander verschil is dat bij afsplitsing de oorspronkelijke winningsvergunning niet komt te vervallen, maar ongewijzigd in stand blijft en voor een kleiner gebiedsdeel gaat gelden. Bij splitsing komt de oorspronkelijke vergunning echter te vervallen. De onzekerheid over de gevolgen van splitsing voor de oorspronkelijke winningsvergunning en het (mogelijk) ook vervallen van de daaraan verbonden specifieke afdrachtverplichtingen aan de staat werden in de praktijk dan ook als grote belemmeringen gezien bij de overdracht op geïnteresseerde derden van niet-benutte delen van oude winningsvergunningen door middel van splitsing. Door de mogelijkheid tot afsplitsing in de wet op te nemen heeft de wetgever deze belemmeringen willen wegnemen, in de hoop dat dit uiteindelijk een doelmatige exploratie en exploitatie van de Nederlandse olie- en gasvoorraden ten goede zal komen.

Indien de houder van een dergelijke oude winningsvergunning een deel daarvan wil doen overgaan op een ander, dient hij – naast een verzoek tot schriftelijke toestemming van de Minister van Economische Zaken (de ‘Minister’) – tevens een aanvraag in te dienen tot afsplitsing van dat deel van de winningsvergunning. De Mijnbouwregeling regelt de wijze waarop een aanvraag om afsplitsing dient te worden ingediend.

Indien de Minister de aanvraag om afsplitsing inwilligt, wijzigt de Minister de winningsvergunning door het gebiedsdeel dat de vergunninghouder wil doen overgaan op een ander af te splitsen van het gebied waarop die vergunning betrekking heeft. Er ontstaan dan twee afzonderlijke vergunningen: 1. de oorspronkelijke winningsvergunning die ongewijzigd in stand blijft maar voor een kleiner gebied geldt en 2. een ‘nieuwe’ winningsvergunning voor het afgesplitste gebiedsdeel (waarop – behoudens een paar overgangsrechtelijke bepalingen – het overgangsrecht van de Mijnbouwwet niet van toepassing is).

De afgesplitste winningsvergunning is qua duur en karakter gelijk aan de oorspronkelijke winningsvergunning. Alleen eventuele afspraken en overeenkomsten tussen de staat en de vergunninghouder omtrent financiële afdrachten aan de staat die samenhangen met de oorspronkelijke winningsvergunning komen voor de afgesplitste winningsvergunning te vervallen. Op de afgesplitste winningsvergunning zal dan het generieke afdrachtenregime van afdeling 5.1.1 van de Mijnbouwwet van toepassing zijn. Staatsdeelneming ten aanzien van de afgesplitste winningsvergunning zal slechts van toepassing zijn (tevens onder dezelfde voorwaarden), indien staatsdeelneming ook uit de oorspronkelijke winningsvergunning blijkt.

In beginsel worden aan de afgesplitste winningsvergunning dezelfde beperkingen en voorschriften verbonden als die zijn verbonden aan de oorspronkelijke winningsvergunning, tenzij dit niet verenigbaar is met het bij en krachtens de wet bepaalde.

De afsplitsing treedt pas in werking op het moment dat de vergunning voor het afgesplitste gebiedsdeel onherroepelijk is overgegaan op een ander.

Retributies

Voorheen werden er aan mijnbouwondernemingen geen kosten in rekening gebracht in verband met het aanvragen van een vergunning, ontheffing of instemming. Onder de huidige mijnbouwwet- en regelgeving is dat nu anders. Mijnbouwexploitanten en gasnetbeheerders dienen momenteel rekening te houden met een nieuwe kostenpost in de vorm van retributies. Kosten van de Minister in verband met het verlenen van mijnbouwvergunningen alsmede bepaalde kosten (van toezicht) van Staatstoezicht op de mijnen worden namelijk sinds kort doorberekend aan mijnbouwexploitanten en gasnetbeheerders. Wel worden alleen die activiteiten in rekening gebracht, die individualiseerbaar zijn, oftewel duidelijk zijn te herleiden naar de activiteiten van de mijnbouwonderneming. De verschuldigde bedragen (het betreft vaste bedragen, vastgesteld bij ministeriële regeling) zullen bij beschikking van de Minister in rekening worden gebracht, maar komen toe aan de staat.

Bron: Bird&Bird