Blog: corona als springplank voor broodnodig industriebeleid? - Utilities
blog

Blog: corona als springplank voor broodnodig industriebeleid?

Publicatie

16 mei 2020

Categorie

Petrochem

Soort

blog

Tags

corona, energietransitie, innovatie, Klimaatakkoord, waterstof

Eindelijk lijkt er een aanzetje voor een duidelijk industriebeleid in Nederland. ‘Nederland heeft de ambitie en de kans om de (Europese) vestigingsplaats te zijn voor duurzame (basis)industrie,’ stelt minister Wiebes van EZK 15 mei in een brief aan de Tweede Kamer. Een kabinetsvisie als aanzet voor industriebeleid?

Decennialang leken Nederlandse regeringen meer oog te hebben voor de dienstensector, dan voor de “vieze en gevaarlijke” industrie. Dat terwijl de Nederlandse economie ook voor een groot deel dreef op de industrie in en rond Rotterdam, Zuid Limburg, Zeeuws-Vlaanderen, het Noordzee-kanaal, de Eemsdelta en meer clusters. Als dat al werd onderkend, dan werd de industrie vooral gezien als noodzakelijk kwaad. Hooguit een moetje.

De afgelopen jaren zag ik regelmatig optredens van minister Wiebes, die daarover gelukkig net iets anders lijkt te denken. Dat bleek telkens weer als hij sprak voor een industrieel publiek, zoals bij het Deltalinqs Diner, de opening van nieuwe fabrieken of tijdens ons eigen congres Eemsdeltavisie 2019. Hij ziet wel een belangrijke rol voor de industrie, met name ook bij de energietransitie en het realiseren van de klimaatambities.

Mondjesmaat

Ook voor hem is dat regelmatig zwemmen tegen de maatschappelijke stroom in. Het imago liep de afgelopen jaren extra deuken op. De discussies over het klimaatakkoord, de plastic soup, mogelijke afschaffing van dividendbelasting, hoge salarissen in de top en meer deden het – toch al niet geweldige – imago van de industrie geen goed. Soms terecht, soms ook niet. Natuurlijk deed de industrie zelf pogingen om het imago wat op te vijzelen. Door te laten zien dat ze aan veel mooie producten bijdraagt. Dat auto’s lichter en dus zuiniger worden door kunststoffen en dat windmolens en zonnepanelen niet zonder composieten kunnen. Maar de boodschap kwam vaak niet aan.

En industriële bedrijven blinken doorgaans niet uit in transparantie. Ze werken vaak achter gesloten deuren aan energiezuinige processen en verschillende innovaties die fabrieken minder “vies en gevaarlijk”  maken. Dat komt maar mondjesmaat naar buiten. Veel te voorzichtig, of bang voor wat dan ook. De communicatie-afdelingen zitten vaak op dezelfde gang als legal. En meer dan eens zit het hoofdkantoor vast in de houdgreep van de aandelenbeurs of private equity. Open en enthousiaste vertegenwoordigers van bedrijven worden al gauw de mond gesnoerd. Dat is allemaal niet best voor het imago… Onbekend maakt onbemind.

Nieuwe realiteit

Je mag het misschien niet zeggen, maar de huidige coronacrisis is haast een reddende engel voor de industrie. Of op zijn minst een blessing in disguise. Het laat zien dat plastic veel meer is dan alleen het afval in de oceanen. Het materiaal kan ook levens redden en de basisindustrie blijkt vitaler voor de samenleving is dan vaak lijkt. Of zoals de minister het in zijn brief verwoordt: ‘De COVID-19-uitbraak heeft ons laten zien dat de basisindustrie ook tal van producten levert die noodzakelijk zijn voor het voorkomen en bestrijden van besmetting en het behandelen van patiënten. Gezien de belangrijke functie in de keten behoren de beroepen in de basisindustrie tot de cruciale beroepsgroepen ten tijde van de COVID-19-uitbraak.’ De minister is alvast wakker.

Tegelijkertijd grijpt hij dit momentum handig aan om de vitale industrie te koppelen aan de uitdagingen op het gebied van het klimaat. ‘De Nederlandse basisindustrie heeft nu een goede positie op wereldwijde markten. De wereldwijde spelregels veranderen echter sterk door de invoering van klimaatbeleid. Uiteindelijk worden alle landen hierdoor geraakt; de toekomst van deze industrieën zal in belangrijke mate bepaald worden door de snelheid waarmee landen zich kunnen aanpassen aan deze nieuwe realiteit.’

Experts

Uiteraard gaan we nog heel wat discussies krijgen over de richtingen die de minister kiest. Met enige nuance kiest de minister wel een duidelijke lijn, waarbij hij oplossingen niet op voorhand uitsluit. In de discussie over CO2-opslag bijvoorbeeld: ‘Het kabinet zet in op grootschalige opwekking en omzetting van groene energiedragers (waterstof, groene elektriciteit) en verwerking van CO2 in nieuwe producten (CCU) of zolang dat niet kan CCS in lege gasvelden op zee.’

Voor het eerst sinds lange tijd laat een minister zien dat hij ook op de hoogte is van belangrijke nieuwe technologieën. Waterstof, groen gas, CCUS kon hij natuurlijk niet missen. Maar dat hij ook uitgebreide aandacht besteedt aan elektrificatie, elektrochemische conversie en chemische recycling geeft aan dat hij niet over één nacht ijs gaat, of in ieder geval aandachtig heeft geluisterd naar experts in de industrie.

Veertig tot vijftig miljard

Ook lijkt de minister het advies van Taskforce Industrie Klimaatakkoord Infrastructuur serieus te nemen. Dat presenteerde daags voor de brief van de minister een uitgebreid rapport. Daarin raadt ze aan om een centrale energie-infrastructuur te ontwikkelen en een gezamenlijk CCUS-netwerk aan te leggen. Daarnaast zou Nederland moeten investeren in een grensoverschrijdend waterstofnet. Het gaat bij deze investeringen in de infrastructuur al gauw om veertig tot vijftig miljard euro.

Of dat geld zo maar op de plank ligt, is natuurlijk zeer de vraag in deze bijzondere periode. Vast staat wel dat vitale sectoren in de huidige crisis veel zichtbaarder zijn geworden. De zorg, het onderwijs, de voedselvoorziening, maar ook de procesindustrie. En dat een stevig beleid en ook ondersteuning nodig is om deze sectoren te versterken en waar nodig ook richting te geven, moge ook duidelijk zijn.

Fotocredit: Laura van der Linde