Column: Trans-Europese energienetwerken deel II - Utilities
blog

Column: Trans-Europese energienetwerken deel II

Publicatie

20 mrt 2012

Categorie

Utilities

Soort

blog

Tags

In mijn vorige bijdrage stond ik stil bij de conceptverordening ‘Richtlijnen voor de trans-Europese energie-infrastructuur’, die voor het trans-Europese energienetwerk een aantal gebieden en projecten identificeert die prioriteit moeten krijgen bij de verdere ontwikkeling van energie-infrastructuur. 

Inmiddels is vanuit diverse hoeken een reactie gegeven op dit concept. Hierbij lopen zoals gebruikelijk de standpunten en suggesties van de verschillende stakeholders uiteen, maar ze vertonen ook overeenkomsten op bepaalde gebieden.

Vooral de zorg om het verregaande karakter van de verordening wordt door de lidstaten breed gedeeld. Het subsidiariteitsbeginsel schrijft namelijk kort gezegd voor dat besluiten zo dicht mogelijk bij de Europese burgers genomen moeten worden. Onder de verordening worden echter verregaande bevoegdheden geschapen voor landsgrensoverschrijdende instanties. Dit zal, zeker als het gaat om bijvoorbeeld hoogspanningskabels of gasinfrastructuur, de nodige weerstand oproepen van lokale burgers waar nationale regeringen aandacht aan moeten besteden, maar waar ze onder de nieuwe regels verder relatief weinig invloed op kunnen uitoefenen.

Daarnaast is er vanuit de lidstaten vooral de zorg om de strikte deadlines van vergunningverlening voor landsgrensoverschrijdende infrastructuur. In eerdere studies is dit punt geïdentificeerd als een van de hoofdoorzaken van langdurige vertraging voor deze projecten. Met een doorlooptijd van gemiddeld tien jaar en uitschieters tot soms 25 of 35 jaar wordt het belang van snelle procedures wel onderkend, maar is drie jaar maximale doorlooptijd voor veel lidstaten een stap te ver. Dit in tegenstelling tot bepaalde belangengroepen die deze doorlooptijd met open armen ontvangen en graag zien dat men nog een stap verder gaat.

De manier waarop de projecten van gemeenschappelijk belang worden geselecteerd, heeft van de verschillende belanghebbenden ook de nodige kritiek gekregen. De criteria voor dit soort projecten zoals uiteengezet in de conceptverordening zijn te vaag, de interactie en verantwoordelijkheden van de verschillende betrokken instanties en andere belanghebbenden is niet duidelijk en de verhouding tot het Ten Year Network Development Plan (TYNDP) is verwarrend en niet constructief, aldus sommige kritieken.

Vooral dit laatste zou te veel onzekerheid opleveren voor projectontwikkelaars omdat nieuwe projecten pas in aanmerking komen voor behandeling als project van gemeenschappelijk belang als deze daadwerkelijk in een TYNDP zijn opgenomen, dat één keer in de twee jaar wordt opgesteld. Ook zou de status van gemeenschappelijk project niet meer ingetrokken mogen worden zodra deze eenmaal is toegewezen, om de investeringszekerheid te bevorderen. Voor (inter)nationale toezichthouders, die uiteindelijk relevante projecten moeten gaan beoordelen, spelen vooral de financiële selectiecriteria een rol bij de kritische kanttekening op de verordening. Zij eisen strengere en beter gekwantificeerde richtlijnen voor de kosten-batenanalyse die ten grondslag ligt aan de selectie van deze projecten.

Ook de Connecting Europe Facility, het fonds van 9,1 miljard euro waaruit tot 2020 specifieke projecten worden (mee)gefinancierd, behoeft volgens sommigen nog enige aanpassing. Hoofdpunt van de kritiek namens de (inter)nationale toezichthouders is dat dit fonds uitsluitend beschikbaar gemaakt zou moeten worden voor projecten die niet kostendekkend gerealiseerd kunnen worden, maar die vergeleken bij andere projecten de grootste ‘netto positieve effecten’ teweeg brengen. Deze criteria voor het beschikbaar komen van gelden uit het fonds zouden dan in de plaats moeten komen van het ‘first come, first served’-principe zoals dat nu in de verordening is vastgelegd.

Al met al is het moeilijk in te schatten hoeveel de lidstaten op deze punten willen toegeven. Het blijft dan ook afwachten hoe de definitieve tekst van de verordening zal komen te luiden, en of deze daadwerkelijk de ruggengraat biedt die het behalen van de ambitieuze klimaatdoelstellingen van de EU mogelijk kan maken.

Mr. Matthijs S. van Leeuwen is associate bij Norton Rose LLP

Industrielinqs 02, 2022

15 maart 2022

nieuws

Ørsted en TotalEnergies schrijven in op windpark Hollandse Kust West

Wellicht vindt u deze artikelen ook interessant

Schrijft u in voor onze nieuwsbrief en blijf altijd op de hoogte.