CBS Archieven - Utilities

De broeikasgasemissies daalden ten opzichte van 2019 met 8 procent naar 166 megaton CO2-equivalent in 2020. Dat is 24,5 procent lager dan in 1990 en benadert de Urgenda-doelstelling, een broeikasgasreductie van minimaal 25 procent (1990–2020). Dit blijkt uit een eerste raming van het CBS en de RIVM/Emissieregistratie over de broeikasgasuitstoot in 2020.

De grootste daling van de broeikasgasuitstoot in het afgelopen jaar was te zien in de elektriciteitssector, namelijk 21 procent ten opzichte van 2019. Deze daling hangt samen met het afgenomen steenkoolverbruik. Dit heeft diverse oorzaken. Ten eerste is de Hemwegcentrale in Amsterdam eind 2019 gesloten en lag de Riverstone-centrale op de Maasvlakte bijna heel 2020 stil vanwege storingen.

Ten tweede hadden de kolencentrales te maken met hogere kolen- en CO2-prijzen. Die leverden een concurrentienadeel op ten opzichte van aardgascentrales die juist profiteerden van lagere gasprijzen en die schoner kunnen produceren.

Ten derde werd de vraag naar elektriciteit in toenemende mate opgevangen door hernieuwbare bronnen, zoals wind en zon. Ten slotte nam vanwege de coronacrisis de totale vraag naar elektriciteit af, in Nederland en de buurlanden.

Industrie

In de industrie bleven de emissies op ongeveer hetzelfde niveau als in 2019. De olieraffinaderijen produceerden minder dan in 2019, als gevolg van de verminderde vraag naar olieproducten in binnen- en buitenland. Bij andere CO2-intensieve bedrijfstakken binnen de industrie was de daling minder sterk of bleven de emissies gelijk. Dat hier geen emissiedaling ten opzichte van 2019 is te zien vanwege de lagere productie, komt onder meer doordat de petrochemie in 2019 al een relatief lagere uitstoot had vanwege veel groot onderhoud in dat jaar.

Overige sectoren

In de sectoren landbouw en gebouwde omgeving daalde de broeikasgasuitstoot licht. De winter van 2020 was zacht, maar ongeveer vergelijkbaar met die van 2019. De emissies in de gebouwde omgeving zijn daardoor maar iets gedaald. Bij de landbouw bestaat een groot deel van de CO2-emissies uit de inzet van aardgas in warmtekrachtinstallaties in de glastuinbouw voor de productie van warmte, elektriciteit en ook CO2-bemesting voor planten in de kas. Deze installaties verbruikten ongeveer evenveel aardgas als in 2019. Het overgrote deel van de uitstoot door de landbouw bestaat echter uit de overige broeikasgassen methaan en lachgas. Ook hier is niet veel veranderd ten opzichte van 2019.

Sterke daling CO2-emissies in vierde kwartaal 2020

De CO2-emissies conform IPCC-richtlijnen daalden in het vierde kwartaal van 2020 met 9 procent ten opzichte van het vierde kwartaal van 2019. Daarmee zet de daling in de eerste twee kwartalen van 2020 door, nadat de emissies in het derde kwartaal vrijwel gelijk waren gebleven.

De daling in het vierde kwartaal komt voor een belangrijk deel door het lagere steenkoolverbruik in de elektriciteitssector en het geringere aantal vervoersbewegingen vanwege de coronacrisis. De CO2-emissies door de industrie bleven ongeveer gelijk ten opzichte van het vierde kwartaal in 2019.

De CO2-uitstoot als gevolg van alle Nederlandse economische activiteiten, waarbij ook rekening wordt gehouden met de emissies van de zeevaart, luchtvaart en de emissies van biomassa, was in het vierde kwartaal zelfs 10 procent lager dan in hetzelfde kwartaal van 2019. De emissies daalden veel sterker dan het bruto binnenlands product (bbp), dat afnam met 2,9 procent.

De impact van de coronacrisis op de CO2-uitstoot van alle Nederlandse activiteiten is met name zichtbaar in de transportsector. Deze sector heeft in het vierde kwartaal 25 procent minder CO2 uitgestoten dan in hetzelfde kwartaal een jaar eerder. De CO2-uitstoot van de luchtvaart was zelfs 45 procent lager. Het aantal luchtvaartpassagiers was dan ook fors lager dan een jaar eerder. De emissies van huishoudens lagen 9 procent lager dan in hetzelfde kwartaal een jaar eerder, met name door een sterke afname van het autogebruik.

 

In het tweede kwartaal van 2020 lag de omzet van de industrie, mede door de effecten van de coronacrisis, 16,6 procent lager dan een jaar eerder. De negatieve omzetontwikkeling was het grootst voor aardolieproducenten. Zij boekten dertig procent minder omzet vergeleken met het eerste kwartaal van 2019. Dit meldt het CBS op basis van nieuwe cijfers over de industrie.

De omzet nam in het tweede kwartaal zowel in het binnenland als in het buitenland af met 16,6 procent. Halverwege maart zijn door de Nederlandse overheid maatregelen getroffen om het coronavirus te bestrijden. Vooral in de maanden april en mei van het tweede kwartaal hebben industriële producenten minder omzet gegenereerd dan een jaar eerder. De afzetprijzen lagen in het tweede kwartaal 7,1 procent lager dan een jaar eerder.

Klappen raffinage en chemie

De voornaamste negatieve omzetontwikkelingen in het tweede kwartaal van 2020 zijn te zien in de transportmiddelenindustrie (-38,6 procent vergeleken met een jaar eerder), de raffinaderijen en chemie (-30,1 procent) en de textiel-, kleding- en lederindustrie (-27,4 procent).

In de raffinaderijen en chemie hebben de producenten van aardolie, van chemische producten en van rubber- en kunststofproducten minder omzet geboekt dan een jaar eerder. De grootste min was te zien bij de producenten van aardolie die 53,6 procent minder omzet genereerden dan een jaar eerder. De prijzen van aardolieproducten zijn in het tweede kwartaal gedaald met 46,4 procent.

Transport

In de transportmiddelenindustrie heeft een aantal bedrijven hun fabrieken op 19 maart volledig gesloten. De omzet lag ten opzichte van een jaar eerder voornamelijk lager in april en mei, toen de omzet respectievelijk 50,7 en 49,5 procent lager was. Producenten van auto’s en aanhangwagens zetten 51,0 procent minder om in het tweede kwartaal van 2020. Van alle producenten in de maakindustrie lieten deze producenten de grootste omzetafnames zien in april en mei. In deze twee maanden lag de omzet respectievelijk 72,4 procent en 61,6 procent lager dan in dezelfde periode een jaar eerder.

Farma stijgt

Er waren industriële branches die meer omzet genereerden dan een jaar eerder. Binnen de voedings- en genotsmiddelenindustrie sprongen de tabaksproducenten eruit met een positieve omzetontwikkeling van 10,7 procent. Ook de producenten van farmaceutische producten en de producenten van machines noteerden een hogere omzet dan een jaar eerder.

 

Niet geheel verrassend gebruikte de industrie minder gas in het tweede kwartaal van 2020 dan een jaar eerder. Het CBS meldt een afname van negen procent. Met name de chemische industrie verbruikte dankzij de coronacrisis minder gas (min veertien procent).

In de periode van week 14 tot en met week 24 van 2020 was het aardgasverbruik van de Nederlandse industrie gemiddeld 9 procent lager dan het gasgebruik in diezelfde periode in 2019. Bij elkaar is er bijna een volle week aan industrieel gasverbruik minder dan een jaar eerder. Vanaf week 14, drie weken na het sluiten van de scholen en de oproep om thuis te werken, ligt het gasverbruik van de industriële sector lager dan in dezelfde periode in het voorgaande jaar. Dit blijkt uit de meest recente cijfers van het CBS, gebaseerd op het gasverbruik van industriële verbruikers van het landelijk gasnetwerkbedrijf GTS.

Grootverbruikers

De ontwikkeling van het aardgasverbruik van de industrie geeft een beeld van de activiteit van industriële bedrijven die veel energie verbruiken. Een goed beeld hiervan wordt verkregen aan de hand van het gasverbruik van industriële grootverbruikers die op het hoofdnet van het landelijk gasnetwerkbedrijf GTS zijn aangesloten.

In 2019 was de industrie verantwoordelijk voor ongeveer 30 procent van het totale Nederlandse gasverbruik. 300 grootverbruikers die waarneembaar zijn via het netwerk van GTS zijn goed voor ongeveer 75 procent van het industriële gasverbruik. Deze 300 verbruikers zijn door het CBS geclassificeerd en vormen de basis van de analyse in dit bericht.

Zes branches

Zes branches domineren het gasverbruik door de Nederlandse industrie. Deze waren in 2019 gezamenlijk goed voor ruim 90 procent van het totale industriële gasverbruik. De chemische industrie neemt ruim de helft van het gasverbruik in de industrie voor haar rekening. Dit wordt op ruime afstand gevolgd door de voedingsmiddelenindustrie.

Sterkste afname gasverbruik in chemische industrie

In de chemische industrie was de daling van het gasverbruik het grootst. In de geanalyseerde periode was het verbruik 14 procent lager dan het jaar ervoor. Opvallend is de stijging in de aardolie-industrie. De stijging is, zoals in het dashboard te zien is, voor een groot deel te verklaren door groot onderhoud in 2019.

Dankzij de extreem droge zomer in 2018 nam dat jaar het drinkwatergebruik van huishoudens met zeven procent toe ten opzichte van een jaar eerder. Ook de landbouw gebruikte fors meer water dan het jaar daarvoor (150 procent). Het zoetwaterverbruik van de industrie daalde juist de afgelopen jaren. Dit komt met name omdat industriële grootverbruikers steeds vaker zoutwater als koelwater inzetten. Dit meldt het CBS op basis van nieuwe cijfers.

De onttrekking van oppervlaktewater voor drinkwatervoorziening, landbouw, energievoorziening en industrie, daalde vanaf 2003 met 6,8 procent. De industrie en energiesector gebruikt ruim 95 procent van het onttrokken oppervlaktewater als koelwater. Ze lozen dit water direct na het koelproces. De industriële daling komt volledig op het conto van zoet oppervlaktewater. Daarvan nam het gebruik met ruim een kwart af. Daartegenover onttrekt de industrie steeds meer zoutwater voor koelwater. In de periode van 2012 tot 2018 nam het gebruik hiervan toe met 45 procent.

Landbouw

Bij de landbouw is het watergebruik sterk afhankelijk van het weer. In 2018 viel er landelijk gemiddeld slechts 675 millimeter neerslag. Daarvan viel 304 millimeter in april tot en met september. Het langjarig gemiddelde is 847 millimeter per jaar, waarvan 438 millimeter in april-september.

Door het neerslagtekort irrigeerden landbouwers en veehouders hun akkers en graslanden in 2018 meer dan in eerdere jaren. In totaal gebruikte de landbouw 302 miljoen kubieke meter water, ruim 150 procent meer dan een jaar eerder, en ruim 50 procent meer dan in 2003, een vergelijkbaar droog jaar. De akkerbouw gebruikte bijna vier keer zo veel oppervlakte- en grondwater als het jaar daarvoor.

Veehouderij

De veehouderij gebruikte ruim de helft van het oppervlakte- en grondwater in de landbouw in 2018. Dit water gebruikten ze voornamelijk voor de beregening (78 procent) van grasland (veevoer), en een klein deel (22 procent) voor drinkwater voor het vee.

Het oppervlakte- en grondwatergebruik in de veehouderij verdubbelde in 2018 ruim ten opzichte van een jaar eerder.

Drinkwater

Door de droogte en warmte in 2018 steeg het drinkwatergebruik van huishoudens tot 837 miljoen kubieke meter op jaarbasis. In de periode tussen 2003 en 2017 daalde het huishoudelijk drinkwatergebruik nog met vier procent, tot 782 miljoen kubieke meter.

Het drinkwatergebruik omgerekend per hoofd van de bevolking liet in 2018 vergeleken met een jaar eerder een stijging zien van 6,5 procent naar 133 liter per persoon per dag. Van 2003 tot en met 2017 was het huishoudelijk drinkwatergebruik per inwoner met ruim negen procent gedaald tot 125 liter per persoon per dag.

De daling van het huishoudelijk watergebruik hangt vooral samen met het zuiniger worden van huishoudelijke apparaten: zo gebruiken wasmachines en vaatwassers steeds minder water, en worden waterbesparende spoelonderbrekers vaker toegepast in wc’s.

De elektriciteitsproductie met steenkool is sterk gedaald van ruim 27 miljard kilowattuur in 2018, naar ruim 17 miljard kilowattuur in 2019. Tegelijkertijd is de elektriciteitsproductie met aardgas gestegen van bijna 58 miljard kilowattuur naar 71 miljard kilowattuur. Zowel een lage aardgasprijs als een hoge CO2-prijs droegen bij aan deze ontwikkeling.

De productie van elektriciteit met aardgas gaat met naar verhouding minder CO2 uitstoot gepaard per geproduceerde hoeveelheid kilowattuur elektriciteit dan bij elektriciteitsproductie met steenkool. Vorig jaar werden al steenkoolcentrales uitgefaseerd. En ook dit jaar zal het aandeel kolenstroom dalen vanwege de sluiting van Hemweg 8.

Hernieuwbare bronnen

De totale elektriciteitsproductie uit hernieuwbare bronnen nam toe van bijna 19 miljard kilowattuur in 2018, naar bijna 22 miljard kilowattuur in 2019. Hiermee was voor het eerst de productie van hernieuwbare elektriciteit groter dan de uit steenkool opgewekte hoeveelheid elektriciteit.

Importdaling Duitsland

De invoer van elektriciteit uit Duitsland daalde van 21 miljard kilowattuur in 2018, naar 12 miljard kilowattuur in 2019. Tegelijkertijd verzesvoudigde de uitvoer van Nederlandse stroom naar Duitsland.

Exportdaling België

Met België was het beeld precies omgekeerd. In 2019 is 2,8 miljard kilowattuur meer elektriciteit uit België ingevoerd, terwijl 3,8 miljard kilowattuur minder werd uitgevoerd.

In 2019 is in Nederland 18 procent meer groene elektriciteit uit hernieuwbare bronnen opgewekt dan een jaar eerder. In 2018 bedroeg de toename 11 procent. Vooral de elektriciteitsproductie uit zonne-energie nam in 2019 toe. Dit blijkt uit nieuwe, voorlopige cijfers van het CBS over hernieuwbare elektriciteit.

In 2019 bedroeg de elektriciteitsproductie uit hernieuwbare bronnen 21,8 miljard kilowattuur (kilowattuur), in 2018 was dit nog 18,5 miljard kilowattuur. Windmolens hadden hierin met 49 procent het grootste aandeel, maar dit is gedaald ten opzichte van 2018 (54 procent). Biomassa was goed voor 26 procent, zonnestroom voor 24 procent van de hernieuwbare stroomproductie.

De productie van hernieuwbare elektriciteit was in 2019 goed voor 18 procent van het elektriciteitsverbruik in Nederland, tegen 15 procent in 2018.

Meer zonnepanelen

De productie van stroom met zonnepanelen nam toe, van 3,7 miljard kilowattuur in 2018 naar 5,2 miljard kilowattuur in 2019. Dat is een stijging van ruim veertig procent, die direct verband houdt met de toename van de opgestelde capaciteit van zonnepanelen. Het totale vermogen van zonnepanelen is in 2019 met ongeveer 2 400 megawatt gegroeid, en wordt geraamd op 6 900 megawatt. Het grootste deel van deze toename (zeventig procent, ofwel 1.700 megawatt) is toe te schrijven aan nieuwe, grote installaties op daken van gebouwen, en op de grond.

Beperkte groei windenergie

De productie van elektriciteit uit windenergie steeg in 2019 met zeven procent, van 10,0 miljard kilowattuur naar 10,7 miljard kilowattuur. Net als in de twee voorgaande jaren groeide het windmolenpark in Nederland nauwelijks. Per saldo nam de capaciteit van windturbines op land toe met zeventig megawatt naar 3.500 megawatt. Op zee kwamen er geen turbines bij en bleef de capaciteit staan op bijna 1.000 megawatt.

De afzetprijzen van de Nederlandse industrie waren in december gemiddeld 2,6 procent hoger dan in december 2018, meldt het CBS. Een maand eerder waren de producten van de industrie vrijwel even duur als een jaar eerder.

In december 2019 kostte een vat ruwe North Sea Brent olie bijna 59 euro. Dat is ongeveer 15 procent meer dan een jaar eerder. In november 2019 was de prijs voor een vat ruwe olie bijna 57 euro, ruim 2 procent lager dan in november 2018.

De ontwikkeling van de afzetprijzen in de industrie hangt sterk samen met de prijsontwikkeling van ruwe aardolie. Producten van de aardolie-industrie waren in december 12,2 procent duurder dan in december 2018. In november lagen de prijzen 5,4 procent lager dan in november 2018.

Ook in de chemische industrie hangt de afzetprijs over het algemeen samen met de olieprijs. De afzetprijzen van de chemische industrie waren in december 4,2 procent lager dan een jaar eerder. In november was de prijsdaling 7,3 procent. In de meeste overige bedrijfsklassen van de industrie lagen de prijzen in december 2019 hoger dan een jaar eerder.

Afzetprijzen industrie stijgen in december

Vergeleken met november zijn de afzetprijzen van de industrie in december met 0,3 procent gestegen. De prijzen op de binnenlandse markt namen met 0,6 procent toe, die op de buitenlandse markt stegen met 0,1 procent.

Het CBS meldt dat de broeikasgasuitstoot in 2018 vijftien procent lager was dan in 1990. En dat terwijl de Nederlandse economie sindsdien met tachtig procent is gegroeid. De industrie stootte vorig jaar dertig miljard CO2-equivalenten minder uit dan in het referentiejaar.

In 2018 bedroeg de uitstoot van broeikasgassen in Nederland 189,3 miljard CO2-equivalenten. Dit is twee procent lager dan in 2017 en vijftien procent lager dan in 1990. In 2018 was de Nederlandse economie bijna tachtig procent groter dan in 1990. Sindsdien nam de bevolking met vijftien procent toe.

Om de afspraken in het Klimaatakkoord te halen, is in 2030 een reductie nodig van 49 procent ten opzichte van 1990. De grootste reductieopgave ligt bij de elektriciteitsbedrijven en de industrie. Dat meldt het CBS op basis van nieuwe emissiecijfers van het RIVM/Emissieregistratie.

CO2-reductie

In 2018 stootte de industrie dertig miljard CO2-equivalenten minder uit dan in 1990. De sectoren gebouwde omgeving en landbouw realiseerden allebei een reductie van zes miljard CO2-equivalenten. Bij de elektriciteitsbedrijven en in de sector mobiliteit was er een toename van zes miljard en drie miljard CO2-equivalenten. Alle vijf sectoren zijn omvangrijker geworden.

Elektriciteitsbedrijven en industrie

Als de sectordoelen gehaald worden, dan zal in 2030 de uitstoot 78,7 miljard CO2-equivalenten lager zijn dan in 2018. Van deze reductie nemen de elektriciteitsbedrijven 42 procent voor hun rekening, de industrie 27 procent, verkeer en vervoer dertien procent, de gebouwde omgeving twaalf procent en de landbouw zes procent. De vervanging van fossiele brandstoffen verkleint de uitstoot in alle sectoren, maar zorgt ook voor een grotere vraag naar elektriciteit. Dit vergroot de opgave voor de elektriciteitsbedrijven om aan de klimaatdoelen te voldoen.

Broeikasgassen

In 2030 dient de broeikasgasuitstoot door de industrie 51 miljard CO2-equivalenten kleiner te zijn dan in 1990. In 2018 is al een reductie van dertig miljard CO2-equivalenten bereikt. Slechts zestien procent van deze reductie komt door een kleinere CO2-uitstoot. De andere 84 procent komt voor de helft door een steeds kleinere methaanuitstoot door afvalstortplaatsen, voor een kwart door het uitbannen van fluorhoudende gassen (eind jaren negentig), en voor een kwart door een kleinere lachgasuitstoot bij de salpeterzuurproductie (in 2008). Hierdoor is het aandeel van CO2 in de industriële broeikasgasuitstoot toegenomen van 63 procent in 1990 naar 87 procent in 2018.

De uitstoot van broeikasgassen in Nederland is in 2018 met twee procent gedaald. De daling hangt samen met de afname van het steenkoolgebruik voor de productie van elektriciteit.Ook de emissie-intensiteit van de Nederlandse economie neemt af. Dat meldt het CBS samen met RIVM/Emissieregistratie op basis van voorlopige cijfers.

In 2018 bedroeg de uitstoot van broeikasgassen in Nederland 189,5 miljard CO2-equivalenten, 4,2 miljard CO2-equivalenten (twee procent) minder dan in 2017. Het grootste deel van deze daling (75 procent) hangt samen met een lagere CO2-uitstoot door energiebedrijven. Het overige deel is toe te schrijven aan een krimp van de rundveestapel (minder methaanuitstoot), die samenhangt met de invoering van het fosfaatrechtenstelsel, en aan een kleinere industriële CO2-uitstoot.

Nederland heeft als doelstelling om in 2020 een broeikasgasuitstoot te hebben die 25 procent onder het niveau van 1990 ligt. In 2018 was de uitstoot 14,5 procent lager dan in 1990. Volgens de meest recente cijfers op Europees niveau (2017) is de uitstoot van broeikasgas per inwoner in ons land vrij hoog, 11,3 ton CO2-equivalenten. Dat is 34 procent boven het gemiddelde van de Europese Unie.

Niveau 2013

Nederland stootte vorig jaar 161 miljard kilo koolstofdioxide (CO2) uit. Dat is vier miljard kilo (twee procent) minder dan een jaar eerder. De CO2-uitstoot door energiebedrijven daalde van 48 miljard kilo in 2017 naar 45 miljard kilo een jaar later. Daarmee ligt deze uitstoot weer op het niveau van 2013.

De ingebruikname van nieuwe kolencentrales zorgde voor een piek in de CO2-uitstoot in 2015, in de jaren daarna daalde deze uitstoot door het stapsgewijs stilzetten van oude kolencentrales. Het wegvallen van kolenstroom werd in 2018 gecompenseerd door een grotere import van elektriciteit, waarbij de aardgascentrales op hetzelfde niveau bleven doordraaien.

Economie groeit, uitstoot daalt

Vergeleken met drie jaar eerder is de broeikasgasuitstoot in 2018 met drie procent gedaald. Tegelijkertijd groeide de Nederlandse economie met acht procent. De emissie-intensiteit van de Nederlandse economie is daarmee met tien procent afgenomen. De afname hangt deels samen met het sluiten van oude kolencentrales, een toename van het verbruik van hernieuwbare energie, voortdurende energiebesparingen en een groeiend aandeel van de dienstensector in de economie. De emissie-intensiteit van 2018 is hierdoor 44 procent lager dan in 1990.

Oost-Europa

De emissie-intensiteit van Nederland lag in 2017 iets boven (drie procent) het EU-gemiddelde (257 CO2-equivalenten per 1 000 euro bbp). Zeventien EU-landen, vooral in Oost-Europa, hebben een hogere emissie-intensiteit dan Nederland. Bulgarije heeft de hoogste emissie-intensiteit van Europa, vier keer hoger dan het EU-gemiddelde. Hoog scorende landen hebben een industriële sector die relatief groot is.

Landen als Frankrijk, Oostenrijk en Zweden scoren laag, vooral omdat zij relatief weinig fossiele brandstoffen gebruiken bij de elektriciteitsproductie. In Frankrijk staan veel kerncentrales, Oostenrijk heeft meerdere waterkrachtcentrales en Zweden maakt veel gebruik van zowel kernenergie als waterkracht. De laagste emissie-intensiteit van Europa wordt gehaald in Zweden, de helft van het EU-gemiddelde.

De afzetprijzen van de Nederlandse industrie waren in maart 2,5 procent hoger dan in maart 2018, meldt het CBS. De prijsstijging is groter dan een maand eerder. Toen waren de producten van de industrie 2,1 procent duurder dan een jaar eerder.

In maart 2019 kostte een vat ruwe North Sea Brent olie ruim 59 euro. Dat is bijna tien procent meer dan een jaar eerder. In februari 2019 was de prijs voor een vat ruwe olie bijna 57 euro, ruim zeven procent hoger dan in februari 2018.

De ontwikkeling van de afzetprijzen in de industrie hangt sterk samen met de prijsontwikkeling van ruwe aardolie. Producten van de aardolie-industrie waren in maart bijna twaalf procent duurder dan in maart 2018. In februari lagen de prijzen van aardolieproducten bijna zeven procent hoger dan een jaar eerder.

Ook in de chemische industrie hangt de afzetprijs over het algemeen samen met de olieprijs. De afzetprijzen van de chemische industrie waren in maart 0,6 procent lager dan een jaar eerder. In februari was de prijsdaling 1,5 procent.

In de meeste andere bedrijfstakken van de industrie lagen de prijzen in maart 2019 hoger dan een jaar eerder.

Afzetprijzen industrie stijgen in maart

Vergeleken met februari zijn de afzetprijzen van de industrie in maart 0,7 procent gestegen. De prijzen op de binnenlandse markt namen met 0,5 procent toe en die op de buitenlandse markt met 0,8 procent.