Europees Parlement Archieven - Utilities

Met zonne- en windenergie komen we er niet om de klimaatdoelen van Parijs te halen, stellen de leden van het Europees Parlement vast. Daarom komt er ruim baan voor alternatieven zoals waterstof en thuisopslag van energie. Ook stroomopslag in auto’s hoort daarbij.

Het Europarlement nam vrijdag een resolutie aan over de ontwikkeling van waterstof en energieopslag. Het opwekken van energie uit ‘groene waterstof’ is een serieuze aanvulling op zonnepanelen en windturbines. Daarom roepen Europarlementariërs de Europese Commissie op door te gaan met onderzoek naar waterstof. Ook kan Europese steun helpen om de kosten van groene waterstof te drukken en het economisch aantrekkelijk te maken. Verder zouden gaspijpleidingen kunnen worden gebruikt als vervoerslijnen voor waterstof. Het Europees Parlement wil daar meer onderzoek naar, ook omdat gas op termijn zal worden afgebouwd.

Opslag

Zo langzamerhand is duidelijk dat energie uit zon en wind niet altijd betrouwbaar is. Als er te weinig wind staat, kunnen turbines onvoldoende aan de energievraag voldoen. Hetzelfde geldt voor donkere dagen. In dat geval wordt er te weinig zonnestroom opgewekt. Daarom moeten we groene energie opslaan zodat er genoeg is op energiearme dagen. Thuisbatterijen en opslag in auto’s zijn daarvoor goede middelen, aldus het Europees Parlement. Te denken valt aan nieuwe batterijtechnologieën en warmte- en koudeopslag.

Groene slag

Het Europarlement steunt de Europese Commissie in het ontwikkelen van één Europese standaard voor batterijen, zodat de EU steeds minder afhankelijk zal worden van de import ervan uit niet-EU-landen. Omdat deze landen vaker op een milieuonvriendelijke manier met grondstoffen omgaan, is het ook beter om zelf batterijen te ontwikkelen. Door meer in te zetten op recycling en het kopen duurzame grondstoffen kan de EU een groene slag maken, zo stellen Europarlementariërs.

Soepelere regels

Verder moet de EU-regelgeving rond nieuwe energievormen worden versoepeld zodat het makkelijker wordt om over te stappen op waterstof en andere vormen van energieopslag. Momenteel zijn er teveel dubbele belastingen, zijn de energienetwerken verouderd en schieten de EU-netwerkcodes tekort. Voor ontwikkelaars van faciliteiten voor energieopslag is het daardoor lastig werken. Het Europees Parlement wil dat deze barrières opgeheven worden.

Reacties

Nederlandse Europarlementariërs zijn blij met het bereikte resultaat. ‘Energieopslag houdt de toekomstige energieprijs beheersbaar door pieken en dalen op te vangen en is daarmee voor het CDA van groot belang voor een haalbare en betaalbare energietransitie,’ zegt CDA’er Tom Berendsen. ‘We moeten slim investeren in de benodigde infrastructuur. Dat biedt ook kansen voor Nederland.’

VVD’er Bart Groothuis maakt zich sterk voor waterstof. ‘Hier liggen kansen voor Nederland, de energietransitie en vooral ook voor nieuwe bedrijvigheid die deze innovatie kan stimuleren.’

FvD’er Rob Roos vindt het jammer dat schone kernenergie als alternatief niet voorkomt in de plannen. ‘De resolutie duidt enkel op wind- en zonenergie en waterstof. Tegelijkertijd worden de energietargets voor 2030 verder verhoogd terwijl gas en kernenergie worden uitgesloten. Men praat over ‘investeringen’ maar in werkelijkheid gaat het om subsidies. Wie gaat dat dan betalen? FvD pleit voor een andere energiemix, waar ruimte is voor echte innovatie met kernenergie, zuinige omgang met fossiel en gebruik van gas.’

Het Europarlement keurt het bindende streefcijfer voor 2030 voor hernieuwbare energie (32 procent) en een indicatief streefcijfer voor energie-efficiëntie (32,5 procent) goed, dat een cruciale rol zal spelen bij de verwezenlijking van de klimaatdoelstellingen van de Europese Unie.

Het Parlement bevestigde dinsdag het voorlopige akkoord dat in juni met de Raad is bereikt over energie-efficiëntie (434 stemmen voor, 104 tegen 37 onthoudingen), hernieuwbare energiebronnen (495 stemmen voor en 68 tegen 61 onthoudingen) en het bestuur van de energie-unie (475 stemmen voor 100 tegen bij 33 onthoudingen) ) – drie belangrijke wetgevingsdossiers die deel uitmaken van het pakket ‘Schone energie voor alle Europeanen’.

Tegen 2030 moet de energie-efficiëntie in de EU met 32,5 procent zijn verbeterd, terwijl het aandeel van energie uit hernieuwbare energiebronnen ten minste 32 procent van het bruto eindverbruik van de EU zou moeten bedragen. Beide doelstellingen moeten in 2023 worden herzien. Deze doelen kunnen alleen worden verhoogd en niet worden verlaagd.

Lagere energierekening

Door energie efficiënter te maken, zullen Europeanen volgens het EP hun energierekening zien dalen. Bovendien zal Europa minder afhankelijk worden van externe leveranciers van olie en gas, de lokale luchtkwaliteit verbeteren en het klimaat beschermen.

Voor het eerst zullen de lidstaten ook verplicht worden om specifieke energie-efficiëntiemaatregelen vast te stellen ten behoeve van degenen die getroffen zijn door energiearmoede. Lidstaten moeten er tevens voor zorgen dat burgers recht hebben op het opwekken van hernieuwbare energie voor hun eigen consumptie, om het op te slaan en om overtollige productie te verkopen.

Tweede generatie biobrandstoffen

Biobrandstoffen van de tweede generatie kunnen een belangrijke rol spelen bij het verminderen van de koolstofvoetafdruk van transport en ten minste veertien procent van de brandstof voor vervoersdoeleinden moet tegen 2030 uit hernieuwbare bronnen komen.

Biobrandstoffen van de eerste generatie met een hoog risico van ‘indirecte verandering van landgebruik’ tellen niet langer mee voor de doelstellingen van de EU op het gebied van hernieuwbare energie vanaf 2030. Vanaf 2019 zal de bijdrage van biobrandstoffen van de eerste generatie aan deze doelstellingen geleidelijk worden uitgefaseerd tot deze nul wordt in 2030.

Elke lidstaat moet uiterlijk op 31 december 2019 en vervolgens om de tien jaar een tienjarig geïntegreerd nationaal energie- en klimaatplan presenteren met nationale doelstellingen, bijdragen, beleid en maatregelen.

Volgende stappen

Zodra de Raad de overeenkomst formeel goedkeurt, worden de nieuwe regels gepubliceerd in het Publicatieblad en treden zij twintig dagen na publicatie in werking. De verordening inzake governance zal rechtstreeks worden toegepast in alle lidstaten, terwijl de lidstaten de nieuwe elementen van de andere twee richtlijnen uiterlijk achttien maanden na de inwerkingtreding in nationaal recht zullen moeten omzetten.

De parlementariërs van de Europese Unie zijn het informeel eens over een energie-efficiencydoel van 32,5 procent in 2030. Men gaat daarbij uit van forse kostrenreducties door technische innovatie of economische veranderingen. Om die reden kunnen de doelstellingen dan ook alleen nog maar naar boven worden bijgesteld, zo meldt het Europarlement. Praktisch komt het er op neer dat de Europese lidstaten jaarlijks 0,8 procent extra energie moeten besparen.

De Eurocommissarissen stemden bovendien vóór het voorstel om landen een verplicht integraal nationaal energie en klimaatplan te maken. Dit plan zou uiterlijk op 31 december volgend jaar moeten worden ingeleverd en om de tien jaar worden vernieuwd. Het eerste energie- en klimaatplan zou de periode 2021 tot 2030 moeten beslaan en een kijkje moeten geven in de verdere toekomst. De plannen die daarna volgen zouden steeds weer tien jaar verder moeten kijken.

In de plannen moeten in ieder geval de nationale doelstellingen bekend worden gemaakt omtrent de vijf dimensies van de energie-unie: decarbonisatie, energie-efficiency, energiezekerheid, de interne energiemarkt en onderzoek, innovatie en concurrentiekracht. Landen moeten duidelijk maken welke bijdrage ze willen leveren aan deze vijf doelen, welke maatregelen ze daarvoor nemen en hoe ze hun wet- en regelgeving daarop inrichten.

De overeenkomst moet nog wel worden goedgekeurd door de energie- en milieuraden en het Energie comité. Daarna zal het Europarlement zijn goedkeuring moeten geven, net als de EU ministers. Het zal dan ook zeker nog tot oktober duren voordat de voorstellen formele goedkeuring krijgen. Daarna krijgen de lidstaten achttien maanden de tijd om de voorschriften in het nationale systeem te implementeren.

De emissies in sectoren zoals vervoer, landbouw, gebouwen en afvalbeheer moeten tegen 2030 verminderen met dertig procent ten opzichte van 2005. Deze sectoren zijn goed voor de grootste uitstoot van broeikasgassen in de EU, ongeveer zestig procent van de totale uitstoot in de EU in 2014.

Om klimaatverandering te voorkomen, hebben de regeringsleiders in oktober 2014 het klimaat- en energiekader 2030 aangenomen dat een bindende doelstelling bevat om de uitstoot op EU-grondgebied tegen 2030 met minimaal veertig procent onder het niveau van 1990 te brengen. De EU neemt verschillende maatregelen om dit te bereiken. De verordening voor de verdeling van de inspanningen is hier een van.

Dertig procent reductie

De CO2-uitstoot in sectoren zoals vervoer, landbouw, gebouwen en afvalbeheer moet tegen 2030 verminderen met dertig procent ten opzichte van 2005. Deze sectoren zijn goed voor de grootste uitstoot van broeikasgassen in de EU, ongeveer zestig procent van de totale uitstoot in de EU in 2014.

Om te garanderen dat alle landen deelnemen aan de inspanningen van de EU om de uitstoot van genoemde sectoren te verlagen, zijn er jaarlijkse bindende doelstellingen voor de verlaging van de broeikasgasuitstoot voor de lidstaten vastgelegd voor de periode 2013-2020.

In april 2018 hebben de leden van het Europees Parlement de nieuwe verordening aangenomen, die de opvolger is van de beschikking over de verdeling van de inspanningen. Het legt de minimale bijdragen van de lidstaten aan de vermindering van de uitstoot vast voor de periode van 2021 tot 2030, evenals de regels voor het bepalen van de jaarlijkse emissietoewijzingen en de regels voor evaluatie van de voortgang.

Doelen

De uiteenlopende capaciteiten van de lidstaten om actie te ondernemen, worden onderkend door doelstellingen te differentiëren volgens het bbp per hoofd van de bevolking. De hieruit voortvloeiende 2030-doelstellingen variëren van nul tot veertig procent in vergelijking met het niveau van 2005 en zijn in overeenstemming met de algemene EU-reductiedoelstelling van dertig procent. Nederland bekleedt met zijn ambities om 36 procent CO2 te besparen een achtste positie.

Er wordt een plan voor het verminderen van de uitstoot vastgesteld voor lidstaten om ervoor te zorgen dat ze de uitstoot in een constant tempo verlagen in de periode van 2021 tot 2030.

Een veiligheidsreserve met een totaal van 105 miljoen ton CO2-equivalent wordt gecreëerd en zal beschikbaar zijn in 2032. Het is bedoeld om minder rijke lidstaten te helpen die mogelijk moeite hebben om hun 2030-doelstellingen te halen. De reserve is alleen toegankelijk als de EU haar streefcijfer van 2030 bereikt.

Er wordt ook enige flexibiliteit toegestaan. De lidstaten kunnen bijvoorbeeld jaarlijks uitstootrechten in reserve houden, lenen of aan een andere lidstaat overdragen.