Industrielinqs 1-2021 Archieven - Utilities
Ik ben zeer voor diversiteit. Het doet me dan ook een deugd dat we bij onze evenementen en in onze bladen bijvoorbeeld steeds meer deskundige vrouwen aan het woord krijgen. Bij ons Watervisiecongres hadden we in het hoofdprogramma evenveel vrouwen als mannen aan tafel, mijzelf als witte man meegerekend. Hopelijk krijgen we daarnaast ook steeds meer kleur in de industrie en we hebben ons voorgenomen om nog meer op zoek te gaan naar jonge wijze mensen, om te interviewen.

Inclusiviteit en diversiteit heeft echter niet alleen met gender, kleur, leeftijd en afkomst te maken. Maar ook met variatie in kennis en inzichten. Standpunten worden immers ook bepaald door de positie die mensen innemen. Sta je buiten een gebouw, dan zie je wat anders dan wanneer je binnen loopt. Dat is zeer van invloed.

De industrie bestaat vooral uit – meestal witte, mannelijke – technici, die elkaar wel vinden in hoe de wereld is opgebouwd. Daar mag best wel wat meer verscheidenheid in komen. En misschien is dat ook al een tijdje gaande. Gezien ook de toenemende variatie in onze kolommen en bij onze evenementen.

Echter de wereld van alpha’s mag daarentegen wel een extra snufje logica van de bèta’s gebruiken. Neem bijvoorbeeld de politiek. Op de kieslijsten van de parlementsverkiezingen staan misschien twaalf mensen met een technische achtergrond die straks op het pluche terecht kunnen komen. Maximaal, want meer dan de helft staat op een net-wel-net-niet-positie op een lijst. Dus maximaal acht procent van de volksvertegenwoordigers straks is bèta. Zes procent is waarschijnlijker.

Het lijkt me sterk dat dat een goede afspiegeling is van de samenleving. Sowieso heeft meer dan een zesde van de werkende Nederlanders een technisch beroep, ongeveer 17 procent. Dus daar zit al een factor twee tot drie. Maar wat nog belangrijker is; klimaat en energietransitie staan hoog op de agenda. Een beetje meer bèta-inzicht kan dan geen kwaad. Dus mijn pleidooi: meer vrouwen in de industrie en meer bèta’s in de politiek. Lijkt me een prima deal!

Het lijkt of het Afkenel Schipstra niet uitmaakt voor welk bedrijf ze de boodschap verkondigt. Ze blijft een ambassadeur voor waterstof als belangrijke pion in het schaakspel van de energietransitie. ‘En nee, het is geen ei van Columbus, maar hernieuwbare waterstof is wel een onmisbare schakel in de energietransitie.’ Sinds kort verkondigt ze de boodschap voor Engie. Haar titel maakt haar rol direct duidelijk: senior vice president Business Development Hydrogen Netherlands.

Schipstra maakte bewust de overstap naar Engie, een volgens haar sterk internationaal bedrijf met grote ambities in de energietransitie. De nieuwe CEO Catherine MacGregor, die begin dit jaar is aangesteld, heeft de opdracht meegekregen het domein van duurzame energie te vergroten. Een opdracht die Schipstra als muziek in de oren klinkt en die past bij een bedrijf dat zo geworteld is in de energiewereld. ‘Engie is wereldwijd actief in zowel de opwekking als transport en opslag van energie’, zegt Schipstra. ‘Een deel van het bedrijf is in handen van de Franse staat, terwijl Engie ook particuliere aandeelhouders heeft. Door deze mix van publieke en private financiering krijgt de directie meer ruimte om strategische investeringen te doen.’

‘Als je hier groene waterstof kunt produceren, kunnen dieselgeneratoren plaatsmaken voor waterstofvarianten.’

Afkenel Schipstra, senior vice-president Business Development Hydrogen Netherlands Engie

Waterstoflocaties

De internationale status wordt wel duidelijk uit het strategisch plan voor waterstof dat Engie in 2017 uitrolde. De eerste plannen voor groene waterstofprojecten concentreerden zich op drie landen: Chili, Australië en Nederland. Vooral dat laatste feit was natuurlijk een trigger om aan te sluiten. ‘De keuzes zijn goed te verklaren’, zegt Schipstra. ‘Chili zit nu eenmaal op een gunstige breedtegraad voor zonne-energie. Tegelijkertijd gebruikt de mijnbouw in het land veel fossiele brandstoffen voor dieselgeneratoren en zware trucks. De grondstoffen die men delft zijn weer waardevol voor de productie van batterijen. En die zijn hard nodig in de energietransitie. Als je hier groene waterstof kunt produceren, kunnen dieselgeneratoren plaatsmaken voor waterstofvarianten en kunnen trucks op waterstof of wellicht ammoniak rijden.’

Australië ligt ongeveer op dezelfde breedtegraad als Chili en samen met ammoniakproducent Yara start Engie met een tien megawatt waterstoffabriek. Daarna zou de fabriek in stappen opschalen naar vijfhonderd megawatt productiecapaciteit. ‘De fabriek is goed voor ongeveer vijf procent van de mondiale ammoniakproductie, dus vergroening kan een behoorlijke impact hebben op de wereldwijde CO2-emissies.’

elektrolyzers

Flexibiliteit

Dat Nederland, en dan specifieker Groningen, als derde locatie is aangewezen, verbaast Schipstra niet. ‘De geografische positie van de Groningse Eemshaven is zeer gunstig. De verbindingen van de Cobra-kabel naar Denemarken en de NorNed-kabel naar Noorwegen komen vlak bij de Engie-centrale aan land. Daar komt het recente nieuws bij dat de stroom van het nieuwe windpark dat naast het huidige Gemini-windpark komt te liggen, ook in de Eemshaven zal aanlanden. Aan de productiekant zit het dus goed en met chemiepark Delfzijl vijftien kilometer verderop, zal ook de afname van groen waterstof geen probleem zijn.’

Overigens moet Gasunie dan nog wel een leiding aanleggen, maar zowel Gasunie als Groningen Seaports zijn zeer welwillend in het ondersteunen van dit soort duurzame investeringen. ‘Ook een groot pluspunt is de aanwezigheid van opslagcapaciteit in de zoutcavernes in Zuidwending. Overigens bieden de gasleidingen zelf ook nog een behoorlijke buffer. De zogenaamde linepack flexibiliteit vangt al een groot deel van de onbalans tussen productie en gebruik op.’

Gezond waterstofsysteem

Het beste nieuws is misschien wel dat Engie daadwerkelijk van plan is de elektrolyzer te bouwen. Of het door gaat, is met name afhankelijk van de financiële ondersteuning. Hoewel in Zuidwending wel al een elektrolyzer met een capaciteit van één megawatt staat, zet de honderd megawatt installatie meer zoden aan de dijk. ‘We hebben lang gepraat over waterstof als transitiebrandstof, nu is het tijd om echt te gaan bouwen. De specialisten zijn op dit moment de functionele specificaties aan het uitwerken zodat we in de zomer de tender kunnen uitschrijven. Dat betekent dat je in 2022 kunt gaan bouwen zodat in 2024 de eerste waterstof kan worden geleverd. Honderd megawatt is al een behoorlijke schaalvergroting. Zo’n installatie produceert dagelijks 1700 kilogram waterstof.’ Even om een beeld te krijgen: op één kilogram waterstof kan een gemiddelde auto honderd kilometer rijden.

‘We hebben lang gepraat over waterstof als transitiebrandstof, nu is het tijd om echt te gaan bouwen.’

Afkenel Schipstra, senior vice-president Business Development Hydrogen Netherlands Engie

Schipstra: ‘Maar laat ik wel duidelijk zijn: die honderd megawatt is nog maar het begin van wat nodig is om klimaatneutrale energie en een circulaire industrie mogelijk te maken. Die eerste kilo’s waterstof kunnen we gebruiken om een deel van de grijze industriële waterstof te vervangen voor een groene variant. Om echt stappen te maken, moeten we als maatschappij wel een aantal knopen doorhakken. De zogenaamde levelized cost of hydrogen (LCOH, red.) waarmee energiebedrijven rekenen, is mede afhankelijk van het aantal draaiuren van de assets. Als je een elektrolyzer alleen mag opereren op het aantal draaiuren van een offshore windpark, wordt de businesscase een stuk magerder. Het liefste zouden we ze op baseload willen laten draaien. Dat is met intermitterende bronnen lastig.’

Investeringen

Een oplossing daarvoor is om garanties van oorsprong te kopen om de elektrolyzers van groene stroom te voorzien, maar dat ligt politiek gevoelig. ‘Natuurlijk moet het aandeel offshore wind en zonnestroom omhoog, maar we moeten tegelijkertijd een gezond waterstofsysteem opbouwen. Politieke keuzes zijn belangrijk hierin. Dat kan via subsidies, maar ook door wet- en regelgeving meer te laten aansluiten op de fase in de energietransitie waarin we nu zitten.’

Vergeet ook niet dat de Nederlandse industrie momenteel al tien miljard kuub grijze waterstof gebruikt. Om alleen al dat gebruik te vergroenen, zijn installaties in de orde van gigawatts nodig. Schipstra: ‘En dan gebruiken bedrijven ook nog fossiele brandstoffen voor hogetemperatuurwarmte. Om de emissie van deze industriële gebruikers terug te dringen zijn grote sprongen nodig. De grijze waterstof kost echter één euro per kuub terwijl groene waterstof nu nog in de range van vijf tot zes euro per kuub zit. Een deel van het prijsverschil kan je overbruggen door innovatie en schaalgrootte. Voordat die effecten echter merkbaar worden, zou je wel al investeringen moeten doen in productie, transport en opslag.’

Samenwerking

Er zijn meer bedrijven in de Eemshaven met plannen voor elektrolyzers. RWE, Shell, Equinor, Vattenfall, Gasunie en Nobian ontvouwden ook ambities op dit vlak. Schipstra schuwt op dit vlak niet de samenwerking. ‘Sterker nog: ik denk dat ook Nederland meer over de grenzen naar samenwerking moet zoeken. De opgave is te groot om in silo’s te blijven denken. RWE is dan wel een concurrent, maar loopt tegelijkertijd tegen dezelfde beperkingen op als wij. Als we gezamenlijk de politiek kunnen betrekken bij onze ambities, helpt ons dat beiden. Pas bij een kritische massa ontstaat marktwerking. Dus kunnen we beter samenwerken om die kritische massa te bereiken.’

Schipstra kijkt dan ook al naar nieuwe kansen voor de Eemshaven energiehub. ‘Het mooie van waterstof is dat we het gemakkelijk door het bestaande gasnet kunnen transporteren. Niet geheel toevallig is met name de noord-zuid verbinding van Gasunie zeer ruim bemeten. De chemische industrie in Zuid-Limburg zit te ver van de kust om direct gebruik te kunnen maken van elektriciteit van offshore windparken. Je kunt dure kabels trekken of de bestaande gastransportsystemen gebruiken. Dan moeten die verbindingen nog wel worden aangepast, maar dat is stukken goedkoper en eenvoudiger dan kabels aanleggen.’

elektrolyzers

Demystificatie

En als Zuid-Limburg haalbaar is, waarom dan ook niet het Duitse Ruhrgebied? ‘De kansen zijn groot’, zegt Schipstra, ‘maar de Nederlandse overheid moet zich wel realiseren dat we niet alleen staan in de ambities. De Duitse en Franse overheid hebben net zulke ambitieuze plannen met waterstof en ondersteunen de energiebedrijven en industrie met harmonisering van regelgeving en subsidies. De Nederlandse minister van Economische Zaken en Klimaat heeft een prachtig visiedocument gemaakt waarin hij een grote rol ziet voor groene en blauwe waterstof. Het ministerie moet daar nu ondersteunend beleid aan koppelen zodat het voor bedrijven net zo aantrekkelijk wordt om in Nederland te investeren als in Duitsland of Frankrijk.’

Afkenel Schipstra, Engie: ‘Als we mensen nu al niet meekrijgen, kunnen we nog een zware dobber verwachten in de toekomst.’

Uiteindelijk kiest het Nederlandse volk zijn vertegenwoordiging, en daar lijkt de schoen met name te wringen. Schipstra: ‘De Nederlanders lijken wat ambivalent te staan tegenover de energietransitie. De ene helft denkt dat we het met kernenergie of zelfs thoriumcentrales redden en ziet niets in windturbines of zonneparken. De ander denkt juist dat we met duurzame energie alles kunnen afdekken. Ik wil mezelf graag inzetten voor demystificatie van de energietransitie. Mensen die met de energietransitie te maken krijgen doordat ze grote zonneparken of een windturbine voor hun deur krijgen, zien alleen de nadelen ervan. We moeten als branche meer het eerlijke verhaal vertellen van het energiesysteem. Hoe het nu werkt en hoe we het straks zouden willen zien. Als we mensen nu al niet meekrijgen, kunnen we nog een zware dobber verwachten in de toekomst. Het toekomstbeeld mét duurzame energie is een stuk aantrekkelijker. Maar mensen moeten wel het gevoel krijgen dat ze daar zelf aan meewerken.’

Jan van Dinther van Siemens is onlangs uitgeroepen tot Jong Haventalent 2021. Een jaar lang is hij de ambassadeur en het rolmodel voor jong talent in de haven van Rotterdam. Hij wil concrete energietransitie-projecten in de haven zichtbaar maken en jongeren helpen de juiste studie te kiezen om daaraan bij te kunnen dragen in de toekomst. Volgens hem kunnen jongeren met hun digitale vaardigheden en brutaliteit een grote bijdrage leveren aan de energietransitie.

Jan van Dinther (26 jaar) is energy transition developer bij Siemens. ‘De energietransitie is een heel complex vraagstuk. Daarom vind ik mijn vak ook erg interessant. Ik maak softwaremodellen die kunnen helpen bij allerlei problemen in de energietransitie. Complexe problemen kun je nabouwen in de vorm van een simulatiemodel. Aan de hand van zo’n model, kun je besluitvormers beter inzicht geven in wat het probleem is, waar de pijnpunten van een dilemma liggen en assisteren om betere oplossing te bedenken. In simulatiemodellen kun je spelen zonder dat je de echte wereld beïnvloedt.’ Denk bijvoorbeeld aan een digital twin. Dat is niet alleen de exacte kopie waar een bedrijf zijn operatie op kan managen. Maar je kunt daarin ook kijken naar de toekomst en onderzoeken wat bepaalde maatregelen voor invloed op jouw systeem hebben.

Investeren of niet?

Van Dinther is momenteel betrokken bij het Gridmaster-project. Een project waarbij met behulp van een simulatiemodel wordt gekeken naar investeringen in de energie-infrastructuur in de Rotterdamse haven (zie ook kader). ‘Netbeheerders leveren daar modellen voor aan’, legt Van Dinther uit. ‘Die koppelen wij aan modellen van de industrie. Met Gridmaster kijken wij wat de operatie van de industrie voor effect heeft op de infrastructuur.’

energietransitie

‘Als je jongeren wat laat bouwen, denken ze misschien verder dan management kan of durft.’

Jan van Dinther, energy transition developer Siemens en Jong Haventalent 2021

En dat is uitdagend. Hoe de industrie opereert, kan namelijk nogal verschillen nu en in de toekomst. Van Dinther: ‘Er spelen heel veel factoren mee. In het Gridmaster-model kunnen we met algoritmes en slimme analysestappen veel verschillende scenario’s opstellen en doorrekenen die zich kunnen afspelen in de onzekere toekomst. Aan de hand van de door Gridmaster verkregen inzichten kunnen netbeheerders beter beslissen waar ze in investeren en waarin niet.’

Gridmaster

Het is een bekend kip-ei-probleem: netbeheerders en industrie wachten op elkaars plannen. Een consortium met partijen uit de energie-infrastructuurmarkt in de Rotterdamse haven heeft er een oplossing voor bedacht. Het consortium, Gridmaster genaamd, ontwikkelde een simulatiemodel waarin verschillende (toekomst)scenario’s kunnen worden geanalyseerd. Het project duurt tien maanden.

De zogenoemde Gridmaster-methode moet leiden tot kansrijke investeringsplannen voor de energie-infrastructuur in de Rotterdamse haven. Denk hierbij aan aardgas, waterstof en elektriciteit. De Gridmaster-methode bestaat uit een adaptief simulatiemodel van het energiesysteem van de Rotterdamse haven waarmee de prestaties van investeringsplannen voor grote hoeveelheden verschillende (toekomst)scenario’s kunnen worden geanalyseerd. Met dit zogenaamde stresstesten krijgt het consortium inzicht in de toekomstbestendigheid van een investering over bijvoorbeeld tien of dertig jaar.

Bij de Gridmaster-methode wordt het integrale energiesysteem voor de komende decennia (2020–2050) in een computermodel omgezet. Alle instrumenten, modellen en resultaten die in het kader van het project worden gecreëerd, worden openbaar gemaakt. Omdat het integrale energiesysteem in één gedigitaliseerd model is ondergebracht, biedt dit veel onderzoeksmogelijkheden naar investeringen in andere delen van het energiesysteem, zoals de landelijke infrastructuur. Daar spelen vergelijkbare uitdagingen rond investeringen onder grote onzekerheid.

Aantrekkelijk

Ook kunnen netbeheerders zien onder welke omstandigheden een investering een goed idee is. Zo kunnen ze bijvoorbeeld zien dat als er ontwikkeling a, b of c gaande is in de waterstofeconomie, ze rekening moeten houden met investering x, y, of z. Van Dinther: ‘Die signalen kun je uit het simulatiemodel halen die je dan vervolgens ook in het echt gaat monitoren en opvangen. Dat maakt het adaptief.’

Dit soort projecten zijn volgens Van Dinther een goed voorbeeld van digitalisering in de energietransitie en aantrekkelijk voor jongeren. ‘Ik ben ervan overtuigd dat jongeren graag een maatschappelijke bijdrage willen leveren. De energietransitie is natuurlijk een mooie kans dat te doen. Maar vaak weten ze niet wat ze kunnen doen, hoe ze dat kunnen doen en wat ze ervoor moeten kunnen.’

energietransitie

Als Jong Haventalent wil hij jongeren inspireren om voor een studie te kiezen waarmee ze kunnen bijdragen aan de energietransitie. Dat doet hij door in gesprek te gaan met opleidingen en jongeren zelf. Hij wil hen inspireren door concrete projecten te laten zien (zie kader op de volgende pagina). ‘Hierdoor kun je jongeren iets specifieker laten nadenken over wat ze kunnen gaan doen. Zo kun je wat meer richting geven over studies die daarbij horen op mbo, hbo of de universiteit.’

Brutaliteit

Van Dinther denkt ook dat de digitale vaardigheden en brutaliteit van jongeren een grote bijdrage kunnen leveren aan de energietransitie. ‘Jongeren groeien anders op dan het meeste senior management is opgegroeid. Het is vanzelfsprekend dat ze digitale vaardigheden hebben. Bepaalde concepten zien ze makkelijker voor zich. Als je hen wat laat bouwen, denken ze misschien verder dan management kan of durft. Met brutaliteit van jongeren bedoel ik dat je niet altijd de huidige status quo volgt. Brutaliteit is ook hoe je nadenkt over het nemen van risico’s. Je hoort nu vaak dat er een onrendabele top is en de vraag hoe de overheid dat op gaat lossen. Maar bij innovatie hoort het om durfkapitaal in te zetten. Dat is in Nederland nog relatief schaars.’

Het jonge haventalent denkt dat jongeren kunnen helpen om projecten op te durven starten zonder dat precies bekend is hoe ze gaan eindigen. ‘Puur omdat we technologisch vooruit willen. Ik denk dat we van sommige energietransitieprojecten nooit helemaal gaan bewijzen dat de businesscase rond is totdat we het een aantal keer hebben geprobeerd.’

Voorbeeldprojecten

Jan van Dinther inspireert jongeren graag voor studies die kunnen bijdragen aan de energietransitie door over projecten in de haven van Rotterdam te vertellen waar Siemens bij is betrokken. Volgens hem zouden bedrijven echter zelf ook meer aan jongeren kunnen vertellen wat ze doen en hoe er bij hun gewerkt kan worden aan de energietransitie.

Walstroom

Een van de projecten waar Van Dinther over vertelt, is walstroom voor de grootste kraanschepen ter wereld. Hierdoor hoeven deze schepen hun motor niet meer te laten draaien. Wat geluidsoverlast en CO2-uitstoot scheelt. Dieselgeneratoren die normaal gesproken aan staan om een schip van elektriciteit te voorzien, kunnen door de walstroom aansluiting uitgeschakeld blijven.

Locomotive workshop Rotterdam

Locomotive Workshop Rotterdam (LWR) op de Tweede Maasvlakte is een hypermoderne werkplaats voor het onderhoud aan elektrische locomotieven. Het is onderdeel van een Europees netwerk van onderhoudswerkplaatsen. Rotterdam is als grootste zeehaven van Europa de logistieke toegangspoort tot het Europese spoorwegennet. De komst van LWR maakt het voor exploitanten van goederentreindiensten aantrekkelijker meer goederen over het spoor te vervoeren van en naar de Rotterdamse haven.

Gemaal van de toekomst 

In Prinsenland is een gemaal omgebouwd tot het ‘Gemaal van de Toekomst’. Naast schone energieopwekking kunnen de prestaties van het gemaal real time worden gemonitord en geoptimaliseerd. De ombouw reduceert het energieverbruik en de CO2-uitstoot. Zuinige motoren, slimme pompen, zonnepanelen, duurzame verlichting en groene daken dragen hieraan bij. Dit pilotproject is ook een voorbereiding op de gevolgen van de klimaatverandering. Extremere perioden van neerslag, hitte, droogte en overstroming maken het uitdagender de waterhuishouding op orde te houden.

Het klimaat en de energietransitie staan hoog op de politieke kalender. Dan mag je verwachten dat de kieslijsten voor de aanstaande parlementsverkiezingen daar enigszins op zijn ingericht. Maar zoals altijd rijst de vraag: Waar zijn de bèta’s?

Het is een bijzondere anekdote. Enkele jaren geleden, toen hij nog politiek leider was van de PvdA, gaf Diederik Samsom in de Tweede Kamer een bloemlezing over innovatie. Tijdens de Algemene Beschouwingen nog wel. Hij vertelde over zijn bezoeken aan drie technostarters, waaronder Flowid. Dit bedrijfje ontwikkelt de Spinning Disc. Een chemische reactor die op een keukentafel past en de reactie van processen versnelt met een roterende schijf. Op die manier worden grondstoffen sneller gemengd en versnelt de reactie. Even simpel uitgelegd. Van huis uit natuurkundige Samsom moest de voorbeelden in de Kamer vast ook simplificeren. Want op veel kennis van thermodynamica, de verschillen tussen gelijk- en wisselstroom en meer mocht hij – haast vanzelfsprekend – niet rekenen.

Camera

Inmiddels zit Diederik Samsom op een van de belangrijkste plekken van Europa, als het gaat om energietransitie. En hij zit daar prima, als rechterhand van Eurocommissaris Frans Timmermans. Dat blijkt ook wel tijdens interviews, zoals recent in het managementblad Petrochem. Daarin laat hij doorschemeren dat er in Den Haag daadwerkelijk een gebrek aan kennis is, als het gaat om bijvoorbeeld technologieontwikkeling. Niet onbelangrijk als het klimaat en de energie- en grondstoffentransitie hoog op de politieke agenda staan.

Bovendien stelt hij impliciet dat de nationale politieke cultuur en gebruiken degelijk werk regelmatig in de weg staan. Samsom: ‘In en rond de Europese Commissie wemelt het van de expertise. Daar was ik echt positief door verrast. Met Den Haag is er nog een ander verschil. Afwezigheid van hijgerigheid maakt het een stuk gemakkelijker om gestaag door te werken en goed werk te leveren. Ik hoef niet meer constant over mijn schouder te kijken of ergens een been is uitgestoken of een camera is opgesteld.’

Thoriumcentrale

Het is duidelijk. In de politiek worden niet altijd keuzes gemaakt op grond van inhoudelijke kennis en het beoordelend vermogen van de politici. Dat kan ook niet. Er zijn te veel onderwerpen en honderdvijftig mensen in de Tweede Kamer en enkele tientallen in het kabinet kunnen dat ook niet allemaal behappen. In ieder geval niet en detail. Natuurlijk krijgen zij steun van assistenten, de Eerste Kamer en bijvoorbeeld adviesraden. Maar ook die bieden niet altijd een consistente koers.

Zonder de hele discussie over bijvoorbeeld biomassa op te rakelen, laat die zien dat hoog aangeschreven adviseurs hun mening ook regelmatig bijstellen. Waarbij hun visie niet alleen wordt gevormd door nieuwe inzichten en feiten. Maatschappelijke druk en een verscheidenheid van belangen spelen ook mee. De boventoon in die discussies wordt niet altijd gevoerd door de echte experts.

Dat speelt ook mee tijdens verkiezingen. De verkiezingsprogramma’s komen deels tot stand in een mengeling van vooringenomen proposities, de strijd om de gunst van de kiezer en dus interessant klinkende beloftes. En natuurlijk ook enige kennis van zaken. Een silver bullet lijkt echter niet te bestaan. Daarom lijken de vooringenomen proposities en de gunst van de kiezer vaak leidend. De VVD wil stokpaardje kernenergie weer op de agenda, D66 spreekt over 6.000 windmolens van 10 megawatt op zee en Forum voor Democratie wil een thoriumcentrale, zonder enig proof of concept.

Negatieve emissies

Het is natuurlijk de vraag of de transitie is gebaat bij een discussie over de middelen. Veel ideeën die politiek tegen elkaar worden uitgespeeld kunnen wellicht naast elkaar bestaan en elkaar zelfs versterken. Bij transitie gaat het eerder om de uiteindelijke doelen en niet over vooringenomen voorkeuren voor middelen. Waterstof, offshore wind, geothermie, circulaire ketens, zonne-energie, biogebaseerde grondstoffen, CCS en veel meer staan niet op zichzelf, maar kunnen samen een mooie puzzel vormen. Dat idee leeft steeds meer bij deskundigen uit en rondom de industrie en energiesector. Daar komen termen als systeemintegratie en holistische benadering op, om niet uit te sluiten, maar juist te verbinden. Geen dogmatiek, maar technologie-agnosticisme. Geen absolute zekerheden vooraf, maar elke moment bekijken welke oplossingen de gewenste transitie dan verder brengen.

Daarbij rijst de vraag of we de belangrijkste keuzes in de energietransitie wel aan de politiek moeten overlaten. Moet er in Nederland niet een energie- en grondstoffencommissaris komen, die minder afhankelijk is van de waan van de dag en de relatieve korte termijnen van regerende coalities?

Het lijkt erop dat Diederik Samsom een dergelijke positie in Europa bekleedt. Misschien niet voor een langere termijn, maar wel weg van de waan van de dag. En vooral ook weg van vooringenomen proposities. Zou hij als partijpoliticus van de PvdA het afvangen en opslaan van CO2 in lege gasvelden hebben toegejuicht? Vanuit zijn huidige positie denkt hij dat we niet zonder dergelijke vormen van negatieve emissies kunnen, willen we de doelstellingen van Parijs halen.

Net-wel-net-niet-positie

Staat een VVD-er met inhoudelijke kennis over energietransitie eigenlijk niet veel dichter bij de ideeën van Samsom dan de partijlijnen van de liberalen en de sociaaldemocraten doen vermoeden? De meeste experts zullen namelijk voorzichtig zijn met het uitsluiten van oplossingen. Ze zullen meer van het systeem uitgaan, dan van de afzonderlijke middelen. Dat is complexer dan enkele keuzes in verkiezingsprogramma’s. Het lijkt daarom wellicht een goed idee dat de schaarse technische deskundigen binnen de verschillende nieuwe fracties, elkaar na half maart op gaan zoeken.

Om te identificeren waar de deskundigheid zit, heeft onder andere de VNCI de kieslijsten geanalyseerd. Een belangrijke conclusie: er staan weinig echte bèta’s op de lijst. En helemaal als je naar de kansrijke posities kijkt. Met een beetje geluk kunnen ongeveer twaalf kandidaten met een min of meer bèta-opleiding straks op het pluche terecht komen. Maar dat kunnen er ook beduidend minder zijn, omdat verschillenden op een net-wel-net-niet-positie zitten. Dus meer dan acht procent van het totale aantal Kamerleden zal het niet worden…

Complexiteit

Een zekerheidje lijkt Joris Thijssen. Na het vertrek van Lodewijk Asscher de nummer zes van de PvdA. Hij studeerde lucht- en ruimtevaart aan de TU Delft en komt van Greenpeace Nederland, waar hij tot afgelopen december directeur was. Daar is alvast een parallel te trekken met Samsom, die voor zijn politieke carrière ook bij Greenpeace vandaan kwam en aan de TU Delft studeerde. Ook VVD-er Peter de Groot is net als Thijssen nagenoeg zeker van een zetel. Hij studeerde onder meer aan de TU Delft en deed ook bij Instituut Clingendael onderzoek naar de oliereserves van Opec. Hij staat op nummer 24 bij de VVD.

politiek

Plant Manager of the Year 2019 Marinus Tabak (VVD) tijdens het verkiezingsdebat van de VNCI en VNPI, 26 januari.

Minder zeker is de positie van Marinus Tabak. De Plant Manager of the Year 2019 staat op nummer 41. Volgens de peilingen van half februari komt hij er dan net direct in. Bij regeringsdeelname van de VVD stijgen zijn kansen. En gezien zijn bekendheid in de industrie en ook in Noord-Nederland is een plaats op basis van voorkeursstemmen ook niet uitgesloten. De plantmanager van de RWE-energiecentrale van de Eemshaven heeft een internationale energie-opleiding gedaan en kent de complexiteit van de energietransitie van zeer dichtbij.

Boven de materie

Opvallende naam op de CDA-lijst – en in een vergelijkbare positie als Tabak – is Henri Bontenbal. Nummer 18 op de lijst. Ook hij is werkzaam in de energiesector, op de afdeling Strategie van netbeheerder Stedin. Ook is Bontenbal fellow bij het Wetenschappelijk Instituut voor het CDA. Hij is ook al een tijdje zichtbaarder bij een grote groep van mensen die de energietransitie volgen. Bontenbal is onder andere columnist bij RTL-Z. Hij studeerde natuurkunde aan de Universiteit Leiden.

Raoul Boucke, de nummer tien van D66, lijkt meer marge te hebben. Momenteel staat die partij op ongeveer veertien zetels in de peilingen. Hij is een van de twee chemisch technologen op de lijst en studeerde aan de TU Delft. Hij is momenteel nog afdelingshoofd Duurzaamheid en Netwerkkwaliteit luchtvaart bij het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat.

De andere chemisch technoloog is Ellen Verkoelen. Zij is de nummer drie van 50PLUS. Daarmee lijkt zij het niet te redden. Al een tijdje komt deze fractie niet boven de twee zetels uit in de peilingen. Het is de vraag of 50PLUS überhaupt de kamer haalt. Ook voor Eppo Bruins van de Christen Unie wordt het kielekiele. Hij staat nummer zeven, terwijl de peilingen dat als maximum zien. Zes zetels voor de CU lijkt realistischer. Bruins studeerde experimentele natuurkunde. In een biografie stelt hij: ‘Ik ben een echte bèta. Die zie je niet zo vaak in de Kamer. Dat bètatalent wil ik inzetten. Ik ben bedreven in cijfers, maar doorzie daardoor ook andere structuren en systemen. Zo kun je soms even ‘boven de materie vliegen’ om vast te stellen wat er aan de hand is.’ Een interessant inzicht…

Openingsfoto: Henri Bontenbal (CDA) tijdens het verkiezingsdebat van de VNCI en de VNPI op 26 januari.

BASF Antwerpen is al jaren bezig met duurzaamheid op het gebied van water. Ze wisselde ooit al van het gebruik van drinkwater naar oppervlaktewater, maar de toekomst vraagt om meer verandering. Vlaanderen ligt bijvoorbeeld in een waterstressgebied. Tijdens het congres Watervisie 2021 vertelde operations manager utilities Jürgen Moors op welke manieren er nog meer duurzaam met water wordt omgegaan.

Water wordt bij BASF op verschillende manieren gebruikt. In processen zelf kan het dienen als scheidingsstof of als een soort oplosmiddel. Wat veel mensen volgens Moors niet weten is dat het in de chemie de grootste waarde heeft als energiedrager. ‘Het kan een energiedrager zijn op het gebied van warmte, in de vorm van stoom en calorieën. Of het kan dienen als koelwater.’De Verbundsite van BASF in Antwerpen, waar 56 fabrieken staan, leent zich goed om zo weinig mogelijk verliezen van water te realiseren. Dat doet het chemiebedrijf met behulp van cascadering. Moors heeft er drie voorbeelden van.

Koelwater

Het eerste gaat over koelwater. Dat pompt BASF op uit een dok. Dat water heeft, in een normale lente of zomer, een temperatuur van 20 tot 25 graden. ‘Dat water brengen we naar bedrijven die hun warmte kwijt moeten’, legt Moors uit. ‘Zij verhogen de koelwatertemperatuur naar 25 tot 30 graden. Daarna transporteren we het water naar bedrijven die een hoger warmteniveau hebben. Zij verwarmen het water uiteindelijk tot 35 of 40 graden. Vervolgens koelen we het in een koeltoren af om het opnieuw in te kunnen zetten. Op deze manier kunnen we het koelwater een aantal keer achter elkaar gebruiken.’

Stoom

Hetzelfde principe past het chemiebedrijf toe bij stoom. Moors: ‘Stoom produceren we bij bedrijven die warmte op een hoog niveau produceren. Dan hebben we het over meer dan honderd bar. Vervolgens gaan we in verschillende cascades naar beneden zodat bedrijven de warmte in kunnen zetten op het niveau dat ze nodig hebben. Zo link je eigenlijk alles aan elkaar.’

Afvalwater

Ook bij afvalwater gebruikt BASF weer cascadering. ‘Afvalwater van het ene bedrijf bevat soms wel verontreinigingen, maar die storen absoluut niet in het proces van een ander bedrijf. Dat water transfereren wij ook weer via een cascade voordat we het naar onze waterzuivering brengen.’

‘We hebben gekozen voor een technologie op basis van membranen om zeker te zijn dat we die stap altijd kunnen zetten.’

Jürgen Moors, manager utilities BASF Antwerpen

Het zijn drie voorbeelden van hoe BASF op het moment werkt aan waterduurzaamheid. In de toekomst wil ze nog meer doen. Daarom bouwt ze bijvoorbeeld met Evides Industriewater aan een nieuwe demiwaterfabriek. In het ontwerp van de demiwaterinstallatie is ingezet op het optimaliseren van het proces door hergebruik van verschillende waterstromen uit de productie en gebruik van restwarmte uit condensaat. Dit resulteert in efficiënter watergebruik en een lagere energie- en chemicaliënverbruik. Moors: ‘We hebben gekozen voor een technologie op basis van membranen om zeker te zijn dat afhankelijk van de richting die we uitgaan, we die stap altijd kunnen zetten.’

Met de membraantechnologie zet BASF nu al een stap naar zuiverder water. In de toekomst moet de techniek ook de kern zijn om andere bronnen aan te boren door bijvoorbeeld nog een extra stap voor of na te schakelen. De bouw van de fabriek is momenteel bezig. De verwachting is dat Evides in het voorjaar van 2022 het eerste water zuivert.

Grens

Daarnaast kijkt BASF naar andere mogelijkheden zoals het samenwerken met andere partijen in de omgeving op het gebied van water. Moors: ‘Er is al een pijpleidingennetwerk voor andere producten zoals stikstof en waterstof. Ik denk dat we meer en meer naar een maatschappij evolueren waar ook deze aspecten worden onderzocht. Denk maar aan CO2 dat ook een van de parameters is. Ik denk dat dat ook de toekomst voor water is. In de Antwerpse haven wordt er al naar gekeken om op de middellange termijn die richting op te bewegen en waarom zouden we de grens niet oversteken op termijn?

Centrale Afvalwaterzuivering Botlek

Evides Industriewater is Centrale Afvalwaterzuivering Botlek (CAB) aan het opstarten. Dat vertelde directeur Jan Robert Huisman. De CAB staat op het terrein van Huntsman in de Botlek, waar verschillende ondernemingen uit de petrochemische chemie zijn gevestigd. ‘Het is complex afvalwater’, zegt Huisman. ‘Maak maar eens van die complexe soep schoon afvalwater dat je netjes kunt lozen.’

water

Jan Robert Huisman, Evides Industriewater

Duurzaamheid speelt bij elk project een grote rol voor Evides. ‘Circulariteit is altijd ons uitgangspunt’, zegt Huisman. ‘Maar dat is niet iets dat je vaak in de volle breedte in één keer kunt ontwikkelen. Soms moet dat stap voor stap. Bij de CAB is het al een hele uitdaging dat de installatie goed draait. Dus we beginnen om hem goed in te regelen en te zorgen dat we aan de vergunning voldoen. Vervolgens zijn er natuurlijk nog mogelijkheden om hergebruik toe te passen.’

Niet al het afvalwater hoeft bijvoorbeeld direct naar de zuivering. Dat zie je bij BASF. Huisman neemt stoomcondensaat als voorbeeld. ‘Vaak is het de gewoonte om dat via het riool naar de zuivering te laten lopen. Maar het is relatief schoon water dat je met een vrij eenvoudige techniek op specificatie kunt brengen. Dat ontlast de zuivering, maakt de investering lager en je bent sneller circulair. Je moet meer naar het totale system kijken.’

Duitse polymerenproducent Covestro en Nederlandse binnenvaartcoöperatie NPRC werken samen om de zouttransportvloot op de Rijn om te bouwen naar schepen die op waterstof varen. Dat maakten de partijen begin februari bekend. Twee jaar geleden werd al bekend dat NPRC ook met chemiebedrijf Nouryon (inmiddels Nobian genaamd) binnenvaarttransport op groene waterstof onderzoekt.

In termen van transportvolume is zout de belangrijkste grondstof voor de Covestro-vestigingen in Noordrijn-Westfalen. Covestro en NPRC willen twee waterstofschepen in de vaart brengen vanaf 2024. Daarbij kijken zij eerst naar de technische en economische haalbaarheid van het project. Zo wordt het technisch ontwerp van de romp geoptimaliseerd, zodat de schepen zelfs bij laagwater kunnen worden ingezet. Ook onderzoeken de partijen de mogelijkheid om groene waterstof uit Covestro’s eigen chloorelektrolyse te gebruiken om de binnenschepen te bunkeren.

Ketenverantwoordelijkheid

Covestro wil haar bedrijf volledig in lijn brengen met de circulaire economie en op lange termijn broeikasgasneutraal produceren. Daarbij wil ze ook indirecte emissies verminderen. CEO van NPRC Femke Brenninkmeijer ziet de samenwerking met de polymerenproducent als een geweldig voorbeeld van de kansen die zich voordoen als alle stakeholders in de logistieke keten zich verbinden tot duurzaamheid. ‘Dit partnerschap met Covestro biedt een solide en betrouwbare basis voor onze coöperatie van individuele binnenvaartondernemers om de enorme investering aan te gaan die nodig zijn om om te schakelen naar zero-emissie vervoer. Deze vorm van gezamenlijke ketenverantwoordelijkheid is naar mijn idee de toekomst van innovaties in de logistiek.’

Rijn-Alpencorridor

Het internationale project maakt deel uit van het RH2INE-Initiatief (Rhine Hydrogen lntegration Network of Excellence) van onder andere het Duitse ministerie van Economische Zaken van Noordrijn-Westfalen en de Nederlandse provincie Zuid-Holland. Doel is een klimaatneutrale transportroute op de Rijn-Alpencorridor en zo invulling geven aan de Europese Green Deal. RH2INE streeft ernaar om, ook met andere partners uit het consortium, tussen Rotterdam en Keulen meerdere waterstofschepen in de vaart te hebben.

15 miljoen euro

Ook met Nobian in Delfzijl onderzoekt NPRC of ze een binnenvaartschip voor honderd procent op waterstof kan laten varen. De groene waterstof wordt lokaal geproduceerd door Nobian. De intentie is om binnen enkele jaren het schip m.s. Antonie, van Lenten Scheepvaart, zout te laten vervoeren van Nobians zoutfabriek in Delfzijl naar de Botlek in Rotterdam. Dit initiatief maakt onderdeel uit van de Green Deal van (demissionair) minister van Nieuwenhuizen (Infrastructuur en Waterstaat). De minister heeft vijftien miljoen euro beschikbaar gesteld voor de ontwikkeling en productie van schonere scheepsmotoren voor de binnenvaart.