Industrielinqs 4-2021 Archieven - Utilities

‘De energietransitie lijdt onder een technologieobsessie’, stelt Olof van der Gaag van de NVDE. Het gaat te veel alleen over de technieken. Wel of niet kerncentrales of biomassa? En willen we wel of geen windmolens en zonneparken? Het zou juist meer om CO2-reductie moeten gaan en maatregelen om dat te bevorderen. ‘Dan landt het vanzelf bij de oplossingen met de grootste toegevoegde waarde.’

Op zich is Olof van der Gaag, directeur van de Nederlandse Vereniging Duurzame Energie (NVDE), optimistisch. Er zijn steeds minder mensen die twijfelen over of het wel kan; het volledig verduurzamen van het energiesysteem de komende decennia. ‘Vijf jaar geleden hadden veel mensen nog hun bedenkingen. Die zorg lijkt nu wel grotendeels verdwenen.’

De volgende zorg was, of het allemaal wel betaalbaar kan. Maar ook deze bottleneck lijkt stapje voor stapje te verdwijnen. Van der Gaag: ‘Zonne- en windenergie hebben al een goede kostendaling ingezet. Alleen ligt het bij de warmtevraag nog wat moeilijker. Het blijkt toch complexer en duurder om die te verduurzamen.’

‘Om klimaatverandering tegen te gaan, kunnen we niet wachten op langlopende trends. Er moet snel wat veranderen.’

Olof van der Gaag, directeur NVDE

Wel dienen zich nu nieuwe uitdagingen aan. ‘Wat doet de energietransitie bijvoorbeeld met onze omgeving? Willen mensen wel naast biomassacentrales of windturbines wonen? En willen we akkerland opofferen voor zonneparken?’ De uitdagingen worden inmiddels ook concreter. ‘Hebben we wel genoeg mensen om die transitie daadwerkelijk uit te voeren? Dat de uitdagingen concreter worden, is overigens wel een goed teken. Het betekent dat de transitie vordert en volwassen wordt.’

Race tegen de klok

Dat een tekort dreigt aan met name technische mensen om de transitie vorm te geven, is echter niet zomaar opgelost. Nu al is het gebrek aan goede arbeidskrachten in de duurzame energiesector groot. En dan moet het belangrijkste deel van de transitie nog komen. Om 49 procent CO2-uitstoot te reduceren in 2030 is een enorme versnelling nodig. Dan groeit de mismatch op de arbeidsmarkt alleen maar. Adviesbureau Ecosys berekende dat voor het realiseren van die extra inspanning 23.000 tot 28.000 extra werknemers nodig zijn. Van der Gaag: ‘We hebben het dan over voltijdbanen. Die mensen zijn er niet. Dat betekent dat er actie moet worden genomen, en wel direct.’

Op zich heeft transitie en verduurzaming zeker aantrekkingskracht op de jongere generaties. Met name hoogopgeleiden. ‘Op de universiteiten zijn relevante studierichtingen populair. Ook onder vrouwelijke studenten. Daar lijken decennialange inspanningen, zoals ‘Thea kiest voor techniek’ en latere campagnes, daadwerkelijk effect te hebben. De populariteit van techbedrijven als Apple en Tesla zorgt er ook voor dat veel studenten op de universiteit bezig zijn met het klimaat. Maar daar zijn we er niet mee. Voor hbo-studenten geldt die aantrekkingskracht al minder. En nog minder voor mbo-ers en vmbo-ers. Terwijl we juist een bulk aan technici op middelbaar niveau nodig hebben.’

energietransitie

Misschien zijn er lichte, positieve verschuivingen, maar dat is gewoon niet genoeg, impliceert Van der Gaag. ‘We kunnen het niet langzaam met de tijd mee laten groeien. We hebben echt niet zo veel tijd. Het is een race tegen de klok. Om klimaatverandering tegen te gaan, kunnen we niet wachten op langlopende trends. Er moet snel wat veranderen.’

Weinig businesscases

De discussies over verschillende technieken werken ook niet erg mee. ‘De energietransitie lijdt onder een technologieobsessie’, stelt Van der Gaag. ‘Maar de transitie is geen Idols voor energietechnieken. Die debatten tussen voor- en tegenstanders van verschillende oplossingen leveren niets op. Neem kernenergie. Eind vorig jaar tijdens de hoorzitting in de Tweede Kamer over kernenergie stelt de ene helft dat de energietransitie niet zonder kan. De andere helft voert tal van argumenten aan waarom we absoluut niet met kernenergie aan de slag moeten. Dat is in vijftig jaar na de bouw van de eerste Nederlandse kerncentrale in Borssele niet veranderd. We zijn dus geen spat verder gekomen in de discussie, mede doordat de discussie ging over techniek en niet over beleid.’

Ook kijkt hij met lede ogen naar de uit de hand gelopen discussie over biomassa. ‘De crux is dat een plant die groeit, CO2 opneemt. Die kooldioxide komt links- of rechtsom toch weer in de atmosfeer terecht. Als je snoeimateriaal laat liggen, stoot het vroeg of laat CO2 uit en bijvoorbeeld nog erger: methaan. Dan kun je het beter nuttig gebruiken, door er energie van te maken.’ Natuurlijk is het mooier als je van biomassa chemische bouwstenen kunt maken, of zelfs voedingsmiddelen, vindt Van der Gaag. Dat is ook een belangrijk argument van de tegenstanders van energie uit biomassa. Maar dat is niet het volledige verhaal. ‘Ze vergeten dat er nog maar weinig goede businesscases zijn op dat gebied. Die fabrieken staan er nog nauwelijks.’

Competitie

Het belangrijkste is volgens hem dat er niets op voorhand wordt uitgesloten. ‘We hebben ongeveer alles nodig om de klimaatuitdaging aan te gaan.’ Het zou in de discussies en beleidslijnen juist veel meer om de CO2-reductie zelf moeten gaan. Beleidsmaatregelen moeten vooral goede businesscases bevorderen op het gebied van CO2-vrije energiesystemen. ‘Dan landt het vanzelf bij de oplossingen met de grootste toegevoegde waarde.’ De overheid heeft drie belangrijke beleidsinstrumenten in handen om CO2 te reduceren. ‘Subsidies, beprijzing en normering. Als je daar de focus op legt, dan is het gemakkelijker om te accepteren dat alle technieken de competitie met elkaar aangaan. Niets uitgezonderd.’

Twee benen

Hoewel Van der Gaag niet bevooroordeeld wil zijn, heeft hij wel een verwachting waar het waarschijnlijk heen zal gaan. Zo denkt hij dat batterijenauto’s het gaan winnen van personenwagens op waterstof. Gewoon omdat die efficiënter zijn en er minder energie-omzettingen nodig zijn in de keten. Dus minder verlies.

Ten aanzien van de energieopwekking tekent zich ook wel een beeld af. Dat straks ongeveer driekwart van de elektriciteit uit zon en wind komt, staat voor hem wel vast. Omdat die een variabel aanbod hebben, zijn er echter wel aanvullende technieken nodig die netto geen CO2 uitstoten. ‘Die technieken moeten met name flexibel en betaalbaar zijn. Kijk je vooral naar de flexibiliteit, dan wint opslag in batterijen. Binnen een paar seconden kunnen die reageren op elektriciteitsvraag.’

Tijdens de besprekingen rond het klimaatakkoord is Van der Gaag ook bij zichzelf te rade gegaan. ‘Ik denk dat we met meer empathie moeten samenwerken.’

energietransitie

Daarna komen volgens de NVDE-directeur gasgestookte centrales op waterstof, of methaan – biogas of aardgas – in combinatie met CO2-opslag. Biomassacentrales zijn de nummer drie en kerncentrales zijn in dit rijtje volgens hem het minst flexibel. ‘Kerncentrales hebben nog een ander probleem’, vindt van der Gaag.  ‘Ze hebben vooral hoge vaste lasten, dus ze moeten heel veel uren draaien om de kosten eruit te halen. Ik denk dat er juist technieken nodig zijn die ook uitkunnen met relatief weinig draaiuren. Zon en wind in combinatie met relatief kortstondige opslag in batterijen – zeg maximaal twee dagen – kunnen het beste worden aangevuld met waterstofcentrales of gascentrales in combinatie met CO2-opslag. Ik denk dat het met de juiste beleidsmaatregelen die kant op zal gaan. Maar nogmaals, je hoeft bij die beleidsmaatregelen geen technieken uit te sluiten. Ook kerncentrales niet. Het zal vanzelf blijken.’

Elektriciteit krijgt een steeds prominentere rol in ons energiesysteem. Van der Gaag: ‘Momenteel regelt elektra twintig procent van ons energiesysteem. Vijftig procent is warmte en 25 procent brandstoffen voor mobiliteit.’ Door elektrificatie van onder andere de mobiliteit en een deel van de warmtevraag is in 2050 de helft op elektronen gebaseerd. ‘En dan reken ik nog niet de stroom mee die nodig is om groen waterstof te produceren. Voor het energiesysteem heb je twee benen nodig: elektronen en moleculen. In veel scenario’s is hun aandeel straks even groot.’

Prijs per kilowattuur

De directeur van de NVDE is betrokken geweest bij verschillende tafels bij de totstandkoming van het Klimaatakkoord. ‘We zijn blij met het akkoord en hebben het zonder disclaimer getekend. Er staan veel goede dingen in. Minder goed gelukt is echter de verbinding tussen de verschillende sectoren. Daarin moeten echt nog stappen worden gezet. Neem bijvoorbeeld de combinatie offshore wind en de elektrificatie van de industrie. Natuurlijk is het mooi dat offshore-windparken zonder subsidie worden aangelegd. Maar die kunnen alleen uit als de prijs per kilowattuur hoog genoeg is. Om te investeren in elektrificatie van fabrieken heeft de industrie juist een lage elektriciteitsprijs nodig. Er is dus een duidelijk verschil tussen de businesscases van ontwikkelaars van windparken en de industrie. Daarvoor moet meer aandacht komen.’

Empathie

Tijdens de besprekingen rond het klimaatakkoord is Van der Gaag ook bij zichzelf te rade gegaan. ‘Ik denk dat we met meer empathie moeten samenwerken. Dat geldt ook voor mezelf. Ik heb vaak het zinnetje ‘de vervuiler betaalt’ gebruikt. Dat heb ik afgeleerd. Want elke keer als ik de industrie vervuiler noem, beperk ik haar tot één dimensie van haar bestaan. Dat werkt niet. De industrie is veel meer dan alleen vervuiler. We staan er samen voor. En dan helpt het niet als je partner zich constant aangevallen voelt. Zo werkt het thuis ook, met mijn vrouw en twee dochters. Als er iets misging, kwam er vaak discussie over wie schuldig was. Op een gegeven ogenblik heb ik gezegd dat alles mijn schuld is. Het gevolg is dat we vanaf dat moment niet meer over schuld, maar over oplossingen zijn gaan praten.’

Met het mediageweld rondom industriële elektrificatie en vele kleuren waterstof komt een belangrijk deel van de trias energeticas een beetje in de knel. Want naast verduurzaming en schoon fossiel zou energiebesparing nog steeds de eerste keuze moeten zijn. Er zijn veel redenen te noemen om geen energie te besparen. De financiering ervan zou echter geen bottleneck meer moeten vormen gezien de keuzes aan financiële pakketten. De vraag is vooral of bedrijven de investeringen op de balans willen houden.

Energiebesparing lijkt een no-brainer. Toch is deze keuze niet zo eenvoudig als ze lijkt. Energiebesparingsprojecten moeten vaak tot in het hart van de productie worden doorgevoerd. Wil een bedrijf een nieuwe, efficiëntere warmtewisselaar installeren, dan moet het proces vaak langere tijd worden stilgelegd. Men moet stoomsystemen aanpassen en wellicht moet ook de procesbesturing op de schop. En dan is het nog maar de vraag of de nieuwe procescondities de kwaliteit van producten of de betrouwbaarheid van processen niet beïnvloeden. Bovendien krijgt een bedrijf geen garantie dat de beloofde energiebesparing ook daadwerkelijk wordt gehaald.

Een ander obstakel is dat investeringen in energiebesparende maatregelen zich niet snel terugverdienen. Hoewel ze de operationele kosten verlagen, staan daar hoge investeringskosten tegenover. Projecten die zichzelf binnen twee tot drie jaar terugverdienen, zijn nog aantrekkelijk. Maar verschuift de horizon naar vijf jaar of langer, dan staan de meeste bedrijven niet te springen. Want hoewel bedrijven niet afwijzend staan tegenover energiebesparing, drukken de vaak hoge investeringslasten wel al die tijd op de financiële balans.

Hoog fruit

FME startte vorig het 6-25 initiatief waarin ze oplossingen aandraagt om tot 2025 jaarlijks zes megaton CO2 te besparen. Naast een overzicht van energiebesparende technieken heeft het programma ook aandacht voor de financiering en realisatie van energiebesparing. Rabobank en energy service companies Adven en Getec sloegen de handen ineen om de investeringsimpasse te doorbreken.

‘In plaats van de stoomproductie uit te breiden en te financieren, kozen we ervoor om de bedrijfsprocessen beter onder de loep te nemen.’

Victor Donselaar, sales manager Adven

Victor Donselaar van Adven ziet de wil van bedrijven om energie te besparen wel langzaamaan toenemen. ‘Met alle opslagen voor duurzame energie, hogere emissiehandelsprijzen en de dreiging van een CO2-belasting komt energiebesparing weer hoger op de agenda’s te staan. Dat energiebesparende ingrepen nog niet zijn uitgevoerd, heeft meerdere redenen. Misschien wel de belangrijkste reden is dat het laaghangende fruit nu wel is geplukt. Wat overblijft, zijn complexe projecten met een hoge investeringssom die pas na vijf jaar of langer zijn terugverdiend. Vaak zijn die projecten alleen maar uit te voeren tijdens een turnaround. En omdat zo’n onderhoudsstop in het algemeen eens in de vijf à zes jaar voorkomt, moet men dus al lang van tevoren een strategisch plan klaar hebben liggen. Bovendien zal een bedrijf personeel vrij moeten maken om zo’n project voor te bereiden. Als het eigen personeel al de benodigde kennis heeft.’

En dan het deel financiering. Ook dat is volgens Donselaar geen eenvoudige keuze. ‘Bedrijven investeren nu eenmaal liever in maatregelen die hun echte kernproces of kern-business verbeteren. Hoe meer geld ze in energiebesparing steken, hoe minder ze kunnen uitgeven aan procesverbetering of aan het ontwikkelen van nieuwe producten of het betreden van nieuwe markten.’

In Noord-Europese landen zijn Esco-overeenkomsten al aardig ingeburgerd, maar in Nederland is de industrie nog argwanend.

Esco

Het onderzoek dat Rabobank, Adven en Getec samen uitvoerden, maakt de grootste obstakels direct zichtbaar: meer dan veertig procent van de vertegenwoordigers van grote bedrijven zegt liever geld in andere projecten te steken. Maar ook de kleinere bedrijven laten andere projecten voorgaan. Bovendien hebben met name de MKB-bedrijven te weinig kennis in huis om de projecten uit te voeren. Laat staan dat ze de tijd kunnen vinden om de projecten uit te voeren.

Donselaar: ‘Juist voor die partijen kan een Esco-overeenkomst zeer interessant zijn. Hoever men daar in wil gaan, is afhankelijk van de wensen van een bedrijf. We kunnen installaties ontwerpen, bouwen, beheren, onderhouden en financieren, maar er zijn ook talloze tussenvormen mogelijk. Is financiering de grootste bottleneck, dan kunnen we de investering in vele gevallen van de balans houden. Maar je kunt ook denken aan eenvoudige energieleveringscontracten of energieprestatiecontracten. In dat laatste geval verdient de Esco zijn geld met energiebesparing. Overigens kan hij ook afspreken dat hij het bespaarde geld deelt met de opdrachtgever.’

Stoomrecompressie

In de Noord-Europese landen zijn dergelijke contracten al behoorlijk ingeburgerd. In Nederland lijkt de industrie er nog wat argwanend tegenover te staan. Een aansprekend voorbeeld is dan ook te vinden in Finland. Adven sloot daar een Esco-overeenkomst met IFF, voormalig DuPont Nutrition & Biosciences. ‘Men zocht eigenlijk naar nieuwe financieringsmogelijkheden voor de aanschaf van een grotere stoomproductie capaciteit, zegt Donselaar.

‘IFF produceert betaïne uit reststromen uit de suikerindustrie en ziet de vraag toenemen. In plaats van de stoomproductie uit te breiden en te financieren, kozen we ervoor om de bedrijfsprocessen beter onder de loep te nemen. Uit de scan die we uitvoerden, bleek dat een verdamper de helft van de stoomconsumptie voor zijn rekening nam. Het voordeel van onze aanpak, is dat we geen eigen technologie in huis hebben. Een leverancier van stoomketels zal niet snel met een ander voorstel komen bij een dergelijke uitvraag. Onze experts zagen echter andere, duurzamere en meer geïntegreerde mogelijkheden. Wij stelden voor om nieuwe energiezuinige en geëlektrificeerde mechanische damprecompressie indampers te plaatsen die het fossiele brandstofverbruik voor het indampproces naar bijna nul terugdringen. Op die manier was geen nieuwe stoomketel nodig. Maar mechanische damprecompressie vergt wel een behoorlijke investering die zich pas na langere tijd zou terugverdienen. We stelden voor om ook dat deel uit handen te nemen.’

IFF koos uiteindelijk voor een design, build, finance, maintenance en operate (DBFMO) contract. Adven nam dus zowel de ontwikkeling, als de operationele en de financiële verantwoordelijkheid uit handen. De resultaten waren in ieder geval veelbelovend. Het stoomgebruik daalde met veertig procent, het totale energieverbruik met dertig procent en de CO2-emissies namen ook met veertig procent af.

Donselaar: ‘Je gaat zo’n contract vaak voor langere tijd aan. Overeenkomsten met een duur van twintig jaar zijn niet ongewoon. Dat betekent wel dat de industriële partner zich gedurende het contract volledig op de kernactiviteiten kan richten en de Esco prestatiegaranties levert voor de installatie. Ook voor processen die in de kern van het productieproces liggen, zoals indampen.’

Op de balans

Hoe aantrekkelijk zo’n Esco-contract ook klinkt, niet ieder project leent zich ervoor. Sector manager industrie Yorick Cramer van de Rabobank, ziet nog steeds een rol weggelegd voor andere vormen van kredietverstrekking. ‘Bedrijven kunnen legitieme redenen hebben om de assets in eigen beheer te houden. Bijvoorbeeld omdat ze de controle willen blijven houden over systemen die de kernprocessen beïnvloeden of data liever in eigen handen houden. Of wellicht zijn de juridische consequenties te groot bij eventuele procesverstoringen.’

Willen bedrijven de assets liever van de balans houden, dan is een Esco een mooie oplossing. ‘Wij kunnen overigens ook in dat financieringstraject een rol spelen. Maar voor wie liever alles in eigen beheer houdt, biedt de financiële wereld steeds meer kredieten met aantrekkelijke voorwaarden. Zo committeerde de Rabobank zich aan de CO2-reductiedoelstellingen van 14,2 megaton CO2 in 2030. Nu kunnen we zelf natuurlijk nooit zoveel CO2-uitstoot reduceren, maar onze klanten wel.  We beoordelen nu al standaard de kredietaanvragen op hun duurzaamheidsscore. Dat geeft ons de mogelijkheid om gerichter in gesprek te gaan met de klant over hun duurzaamheidsplannen.’

financiering

Techniek en financiering zijn geen issue meer voor energiebesparing.

In de toekomst kan zo’n score ook worden gebruikt om klanten financiering aan te bieden tegen aantrekkelijkere condities. ‘Overigens stimuleren we nu al duurzame innovatie met leningen zoals de  groenlening: een lening met rentekorting. Op die manier hopen we de frontrunners een duwtje in de rug te geven, terwijl we de achterblijvers kunnen helpen om bij te trekken. Met name in het midden- en kleinbedrijf liggen nog veel onontgonnen besparingsmogelijkheden. We trekken dan ook steeds meer op met onze industriële kennispartners zoals Green Fish om enerzijds de aanvragen te kunnen beoordelen, maar ook om klanten verder te kunnen ondersteunen bij energiebesparingsprojecten.’

Green bonds

De Europese Unie heeft een Europees investeringsfonds in het leven geroepen dat duurzame innovatie en energiebesparing moet stimuleren. Het European Green Deal Investment Plan is de investeringspijler van de Green Deal. Om de doelstellingen van de Europese Green Deal te bereiken, zal het plan de komende tien jaar ten minste één biljoen euro aan duurzame investeringen mobiliseren. Cramer: ‘Ook dit soort fondsen bieden kredieten met gunstige voorwaarden. Daarnaast kunnen bedrijven er ook voor kiezen om zogenoemde groene obligaties (green bonds, red.) uit te geven. Tot voor kort gaven vooral banken en overheden deze groene obligaties uit, maar inmiddels gebruiken ook bedrijven dit soort instrumenten om hun duurzaamheidsplannen te financieren. ’

Om ervoor te zorgen dat het geïnvesteerde geld ook daadwerkelijk aan verduurzaming wordt uitgegeven, introduceerde de financiële markt in 2014 de green bond principles (GBP). ‘Die richtlijnen verplichten bedrijven om inzicht te geven in de impact van hun investeringen op het milieu. Die administratieve last maakt het uitgeven van green bonds wel wat complexer, waardoor ze vooral geschikt zijn voor heel grote investeringen.’

Lease

Voor de wat kleinere investeringen, is financial of operational lease mogelijk ook een aantrekkelijke optie. Het verschil tussen de twee leaseconstructies is dat in het eerste geval het bedrijf eigenaar wordt. Bij operational lease, blijven de assets in handen van de investeerder. Zeker in onzekere tijden is de laatste optie misschien nog wel de meest aantrekkelijke. Als een asset moet worden vervangen of gerepareerd, komt dit risico op conto van het leasebedrijf.

Nu techniek en financiering geen issue meer zijn, zouden de barrières voor energiebesparing zijn geslecht. Toch blijft er nog een onzekere factor over: het overheidsbeleid. ‘Om de verplichte Europese CO2-besparingsdoelstellingen te halen, moeten we alle zeilen bijzetten’, zegt Cramer. Dus zullen zowel de publieke als private partijen elkaar meer moeten ondersteunen. De overheid kan dat met consequent subsidiebeleid en duidelijke wet- en regelgeving.’

De vraag naar plantaardige eiwitten is booming. Waar veganisten nog niet zo lang geleden een haast te verwaarlozen marktaandeel vertegenwoordigden, prijkt het label vegan steeds vaker op verpakkingen. Van vleesvervangers, maar ook andere voedingsmiddelen. De voedingsmiddelenindustrie doet met de bouw van nieuwe bioraffinaderijen haar best om in deze versnelling mee te gaan. En aan de horizon gloren zelfs synthetische eiwitten.

De markt voor plantaardige eiwitten groeit rap. Consumenten gaan bewuster met voeding om. Ze krijgen steeds meer een voorkeur voor plantaardige eiwitten boven dierlijke eiwitten – uit vlees en eieren – vanwege milieuoverwegingen, dierenwelzijn en dierziekten. Plantaardige eiwitten hebben bovendien een veel gunstigere ecologische footprint. Veel producenten met een agrarische achterban hebben die groeiende markt al even ontdekt. Aardappelverwerker Avebe bijvoorbeeld. De coöperatie is al meer dan een eeuw lang biobased. Van oudsher richt Avebe zich op het belangrijkste bestanddeel van de aardappel: zetmeel. Daar worden verschillende producten van gemaakt. Van behangplaksel tot voedingsmiddelen en diervoeder.Echter naast de twintig procent zetmeel bevatten de aardappelen een tot anderhalf procent eiwit. Proteïne heeft in de meeste gevallen een beduidend hogere toegevoegde waarde dan zetmeel. Volgens productiedirecteur Mark Tettelaar is het daarom interessant om op verschillende fronten nieuwe mogelijkheden van eiwitproductie te onderzoeken. Zo is het belangrijk om het eiwit zo zuiver en efficiënt mogelijk te winnen. Ook maakt het uit in welke vorm het eiwit uit de aardappel wordt gehaald. Is het gecoaguleerd, gestold, of kun je het zelfs winnen zoals je het aantreft in een rauw kippenei, oftewel natief. Tettelaar: ‘Natief eiwit heeft meer mogelijkheden, met name als ingrediënt. Het heeft daardoor een veel hogere waarde.’

‘Plantaardige eiwitten zijn duurder om te maken en door de stijgende vraag schaars geworden.’

Mark Tettelaar, productiedirecteur Avebe

Wisselteelt

Het aardappeleiwit heeft volgens Avebe grote voordelen ten opzichte van andere plantaardige eiwitten, uit bijvoorbeeld tarwe en soja. Het is niet-allergeen, maar ook reuk- en smaakloos. Qua voedingswaarde behoort het aardappeleiwit tot de top. Bovendien is aardappeleiwit niet genetisch gemodificeerd, in tegenstelling tot veel eiwit uit sojabonen.

Er is echter wel een maar. In volume zijn soja en bijvoorbeeld tarwe veel grotere gewassen dan aardappelen die niet voor consumptie zijn bedoeld. Een enorm mondiaal aanbod van aardappeleiwit is daarom een grote uitdaging. Tettelaar: ’We krijgen er niet zomaar landbouwgrond bij. Er is misschien wel een andere mogelijkheid om meer aanbod te creëren. Wellicht kunnen we door rasveredeling aardappelen kweken die niet een tot anderhalf, maar vier procent eiwitten bevatten. Dat zou al schelen.’

Avebe haalt ook aardappelrassen uit de vergetelheid. Programmamanager energie-efficiëntie bij Avebe, Erik Koops: ‘Daarbij gaan we soms zelfs back to the roots. Zo hebben we een oude vergeten aardappel gevonden, die veel meer eiwit bevat dan de aardappelen die we nu gebruiken.’ Overigens is dit geen oplossing voor de kortere termijn. Wordt een uitstekende eiwitaardappel gevonden, dan duurt het nog jaren voordat die grootschalig wordt verbouwd en de opschaling van een nieuw productieproces kost ook een paar jaar.

Avebe durft in de zoektocht naar eiwitten inmiddels ook voorbij de aardappel te kijken. Zijn er bijvoorbeeld andere gewassen die veel eiwitten bevatten en het bijvoorbeeld heel goed doen in wisselteelt met aardappelen?

Functionele eiwitten

Ook op het vlak van nieuwe productietechnologie is Avebe volop in beweging. Een mooie stap die het bedrijf eerder zette is de ontwikkeling van Solanic, een aardappeleiwitproduct met dezelfde eigenschappen als kippeneiwit. Avebe wilde een aantal jaar geleden het energieverbruik van de eiwitproductie aanpakken en richtte zich daarbij op een proces dat met lagere temperaturen werkte. Dat lukte en door de lagere temperaturen stolde het eiwit niet. Misschien dat de energiebesparing zelfs wat tegenviel, maar het nieuwe product Solanic is inmiddels al een groot succes. In 2007 werd hiervoor een proeffabriek gebouwd en in 2015 werd die opgeschaald naar commerciële productie. Een paar jaar later ging al een tweede lijn in gebruik en inmiddels is de derde productielijn in aanbouw. Tettelaar: ‘Vijf jaar geleden was er nog sprake van een markt-push, maar dat is inmiddels volledig omgedraaid naar pull. Alle grote levensmiddelenconcerns zetten fors in op plantaardige eiwitten.’

Solanic is vooral interessant als functioneel eiwit. Het is ook een goed plakmiddel. Denk aan het bij elkaar houden van vleesvervangers en gezonde repen. Daarin worden losse voedingsmiddelen, waaronder ook gecoaguleerde eiwitten, aan elkaar gelijmd. Tettelaar: ‘Zonder functionele eiwitten vallen vegaburgers gewoon uit elkaar. Voor de voedingswaarde zijn functionele eiwitten als Solanic vaak minder belangrijk. Daar worden door de bank genomen juist de gecoaguleerde eiwitten voor gebruikt.’ Dus die blijven tevens belangrijk.

Ter Apelkanaal

Al veel langer produceert het bedrijf gecoaguleerde eiwitten. Het is nu de uitdaging om dat veel energiezuiniger te doen. Traditioneel scheidt Avebe het eiwit af door aardappelsap te verhitten en in te dampen. Dat kost heel veel energie.

Membraantechnologie biedt uitkomst. Onlangs won Avebe samen met filtratiespecialist Wafilin de award Water Innovator of the Year 2021 met het Ducam-proces, een project waarbij Erik Koops ook nauw was betrokken. Membranen concentreren het aardappelsap zodat veel minder energie nodig is voor de eiwitwinning en indamping. Hierdoor wordt dertig procent energie bespaard en er is 13.000 ton minder CO2-emissie per jaar. Jaarlijks wordt ook nog eens 400.000 kubieke meter water uit de aardappel zelf geschikt gemaakt voor proceswater in de fabriek. Avebe past dit proces inmiddels toe in Ter Apelkanaal en andere productielocaties volgen later.

Eiwithoudende gewassen

Goedkoop is het allemaal niet. Want wie denkt dat plantaardige eiwitten goedkoper zijn dan dierlijke, komt bedrogen uit. Tettelaar: ‘Ze zijn duurder om te maken. Bovendien zijn ze door de enorm stijgende vraag schaars geworden. Daardoor zijn de prijzen in korte tijd verdubbeld.’

Avebe is niet het enige bedrijf met een agrarische achterban die op zoek is naar alternatieve bronnen voor eiwitten. Denk in Nederland bijvoorbeeld ook aan suikerfabrikant Cosun en zuivelproducent Friesland Campina. En in de zoektocht naar eiwithoudende gewassen en nieuwe productiemethoden trekken verschillende bedrijven ook samen op.

Microalgen

Maar ook uit van origine de chemische industrie is er interesse. Van bijvoorbeeld DSM. In een interview in Petrochem plaatste CTO Markus Remmers onlangs deze zoektocht naar nieuwe bioroutes in een wat breder kader. ‘We moeten vooral ons voedsel en onze materialen op een veel duurzamere manier produceren. Als we op de oude voet doorgaan, hebben we veel te weinig grond tot onze beschikking om de groeiende wereldbevolking van eten te voorzien. De biodiversiteit komt steeds meer onder druk te staan. Met de bestaande methoden komen we er gewoon niet. Voedzame melkeiwitten kunnen we bijvoorbeeld naast uit dieren ook uit reststromen halen.’

eiwitten

De herkomst van onze voeding kan er over enkele decennia dus heel anders uitzien. Op de middellange termijn ziet Remmers interessante mogelijkheden voor fotosynthetische microalgen. Voordeel is dat ze relatief snel zonlicht en CO2 omzetten in hoogwaardige biomassa. De kweek van algen is bovendien zeer intensief en op een relatief klein oppervlakte kan een hoge opbrengst worden gerealiseerd. Ook op plaatsen die minder of niet geschikt zijn voor landbouw. Via verschillende conversie- en scheidingstechnieken haalt de industrie volgens Remmers in de toekomst een grote variatie aan producten uit algen. Denk aan chemische bouwstenen, maar ook proteïnen en bijvoorbeeld kunstmest.

Vismeel

En het kan nog een stap verder. DSM, maar ook andere bedrijven, waaronder veel technostarters, onderzoeken de mogelijkheden om op een synthetische manier proteïnen te maken. Dus zonder dat de traditionele veeteelt of landbouw daar een rol in spelen. Zo begon het bedrijf Deep Branch in januari op Chemelot met de bouw van een pilot plant voor de productie van eiwitten uit CO2 en waterstof.

Het Brits-Nederlandse biotechbedrijf maakt met deze ingrediënten en micro-organismen hoogwaardige eiwitten die geschikt zijn als grondstof voor veevoeder. De CO2-uitstoot van dit proces is volgens het bedrijf negentig procent lager dan processen die nu worden gebruikt om eiwitten te maken. Pluimvee en kweekvis in Europa worden nu gevoerd met vismeel en soja, voornamelijk afkomstig uit Zuid-Amerika. ‘Bepaald niet duurzaam, omdat de zeeën worden leeggevist en de regenwouden aangetast. Bovendien is het transport van deze eiwitten belastend voor het milieu’, zegt CEO Peter Rowe. In het lab en op kleinere schaal is de technologie al bewezen. Het bedrijf wil nu opschalen naar proefproductie zodat voedingsproducenten de proteïnen uitgebreid kunnen testen.

Eiwitpoeder

Het Finse bedrijf Solar Foods lijkt zelfs al een stapje verder. Dat is er ook in geslaagd om eiwitten voor voeding te produceren, met kooldioxide en elektriciteit als primaire grondstoffen. Geen verre toekomst, want commerciële productie van het Solein-eiwit is volgens het bedrijf aanstaande. De productiefaciliteit, die momenteel wordt ontworpen, moet begin 2023 operationeel zijn. TIME Magazine gaf Solar Food zelfs een plaatsje in de lijst van honderd beste uitvindingen van 2020.

Hoe snel de ontwikkelingen gaan op het gebied van plantaardige en zelfs synthetische eiwitten hangt af van hoe snel nieuwe routes worden gevonden en doorontwikkeld om uiteindelijk grootschalige productie mogelijk te maken. Natuurlijk speelt de markt ook een belangrijke rol, en de uitdagingen op het gebied van klimaat en biodiversiteit. Vooralsnog kunnen de producenten van plantaardige eiwitten de groeiende vraag nauwelijks bijbenen. Dus aan de markt-pull zal het voorlopig niet liggen.

Met wat sensoren van AliExpress bouwde Sander van Ruijven een meetsysteem om lichtsterkte te meten. Dit groeide uiteindelijk uit tot een pilotproject waarbij monteurs automatisch een bericht kregen als er iets aan een verlichtingsinstallatie moest worden gedaan. Inmiddels is er bij werkgever Croonwolter&dros een speciale ruimte ingericht waar aan dergelijke innovaties kan worden gewerkt. En van Ruijven is nu asset manager digitalisering bij de afdeling Infra.

Wat doe je als asset manager digitalisering?

‘Ik wil het werk van collega’s makkelijker maken. Zelf heb ik in verschillende rollen meegewerkt aan projecten en daardoor weet ik waar pijnpunten liggen in de praktijk. Die komen vooral voor bij repeterend werk. Ik kijk hoe je mensen meer plezier kunt geven in hun werk, zonder de frustratie die ik heb gehad.’

Hoe doe je dat?

‘Ons eerste project was een Internet Of Things-toolkit waar je elke sensor op kunt aansluiten die je wilt. De toolkit past in een koffer en je kunt hem meenemen naar elk project. Normaal huren we voor zoiets dure bedrijven in. Voor dit project hebben we binnen Croonwolter&dros gekeken wie waar goed in is en de juiste mensen erbij gevraagd. Zo hebben we de toolkit samen opgebouwd.’

‘Een andere oplossing die we hebben ontwikkeld, is een soort dynamisch document waarin je Wordtekst kunt combineren met computercode die specifieke bewerkingen uitvoert. Normaal maak je een rapportage in Word en daarin kopieer je grafiekjes en tabellen uit Excel. Nu kun je met één druk op de knop realtime data in een rapportage zetten. Ook het maken van planningen kunnen we hiermee automatiseren.’

Aan wat voor innovaties werk je nog?

‘Met een team van mensen van verschillende bedrijven en uit verschillende disciplines werken we aan een slimme zoekfunctie waarmee je op basis van een aantal kernwoorden alle data die in de organisatie beschikbaar is boven water krijgt. De grootste pijn bij het vinden van data in de organisatie, ligt bij tekeningen. Zeker in PDF-vorm betreft dit zogenaamde ongestructureerde data. In specifieke onderhoudsactiviteiten moeten deze allemaal handmatig worden gezocht en uiteindelijk hoop je dat je alles hebt gevonden. We werken nu aan een algoritme dat in staat is tekeningen te doorzoeken op specifieke termen en codes.’

Hoe zie je de ontwikkeling van digitalisering in de toekomst?

‘Het hele digitaliseringstraject wil ik versnellen door samen te werken en los te laten voor wie we werken en wie hoger in hiërarchie is. We moeten gewoon de juiste kennis en kunde bij elkaar zoeken. Dat is een krachtig iets voor de nabije toekomst. Samen kunnen we de digitaliseringsopgave aan.’

Techniekhelden

Techniekhelden zijn technici die onmisbaar zijn voor het bedrijf of die iets bijzonders doen of hebben gedaan met grote impact. Heeft u een collega die u in het zonnetje wilt zetten? Laat het ons weten via redactie@industrielinqs.nl

Huntsman voert alweer voor de tweede keer een turnaround uit in coronatijd. Toch verschilt de stop die in maart van dit jaar begon wezenlijk met die van juni 2020. Hij is niet alleen complexer, maar Huntsman doet ook mee aan een pilot met Covid-snelteststraten. Wie positief is getest, moet naar huis. Dat levert extra uitdagingen op in de planning.

Maintenance manager Marc Verheijen somt nog even de maatregelen op die men vorig jaar introduceerde en dit jaar voortzet. ‘We volgden de RIVM-maatregelen, hielden anderhalve meter afstand droegen FPP2 mondmaskers en wasten onze handen. Om er ook voor te zorgen dat buiten de werkzaamheden iedereen zich aan de regels kon houden, richtten we extra ruimtes in voor schaftgelegenheid en kleedruimtes en zorgden met schotten ervoor dat iedereen in zijn eigen bubbel bleef. Ook organisatorisch konden we veel risico’s afwenden door in twee totaal gescheiden shifts te werken. Helaas duurde de stop wel langer dan we van tevoren hadden ingepland.’Het resultaat sprak voor zichzelf: de turnaround aan de MDI-1 fabriek verliep zonder besmettingen. Dit jaar zijn dan ook dezelfde maatregelen van kracht. Er staan zo’n tweehonderd keten op het terrein om iedereen te kunnen huisvesten. Dat is ook wel nodig aangezien er twee keer driehonderd man extra op de site te gast is. Dat betekent dat op het hoogtepunt van de stop bijna duizend man op de site rondloopt.

‘Het kan soms een verrassing zijn wat je tegenkomt als je een kritische asset open maakt.’

Marc Verheijen, maintenance manager Huntsman

Teststraat

Ondanks de goede ervaringen koos Huntsman dit jaar voor een extra maatregel en kon meedoen met een pilot van ‘Project Fastlane’ van het ministerie van VWS. Het bedrijf vindt het heel belangrijk om mee te doen, aan de wieg te staan van innovatieve oplossingen, en investeerde een aanzienlijk bedrag. Maar liefst vier teststraten moeten ervoor zorgen dat de zeshonderd man die dagelijks het terrein betreden, veilig aan het werk kan. Verheijen: ‘We doen mee met de eerste proeven met sneltesten, waaronder ook blaastesten. Het Nederlandse bedrijf Breathomix ontwikkelde een sneltest die in enkele minuten kan vertellen of iemand Covid19 onder de leden heeft door te ‘ruiken’ aan zijn adem. Daarnaast is er nog een straat waar antigeentesten worden beproefd. We testen iedereen om de 48 uur. En wie positief wordt getest, moet uiteraard direct in quarantaine.’
turnaround
De kans op besmetting op de site neemt dus significant af, maar de aanpak kent één uitdaging: wie positief getest is, moet direct naar huis. ‘Dat levert wel lastige planningsuitdagingen op’, zegt Verheijen. ‘Mensen met een kritische functie kan je niet zomaar vervangen. En dus moeten we redelijk veel bijsturen op zowel planning als bezetting.’

Keten

Een ander verschil met de turnaround van vorig jaar is de complexiteit van de stop. Huntsman is namelijk onderdeel van het chloor- en ethyleen-cluster waarvan ook Shell Moerdijk, Nobian, Shin-Etsu, Hexion en Lyondell onderdeel uitmaken. Vanwege de onderlinge afhankelijkheid gaat het hele cluster tegelijkertijd uit bedrijf. In veertig dagen gaan de MDI-1 en MDI-2 fabrieken uit bedrijf en volgen stapsgewijs de aanpalende fabrieken zoals de Keystone-fabriek. Door die gefaseerde uitbedrijfname probeert Huntsman zoveel mogelijk de voorraad op peil te houden. ‘Als ook de stoomvoorziening uit bedrijf gaat, kunnen we echt niet meer produceren en gaat alles uit bedrijf. Dan hebben we twee weken de tijd voor onderhoudswerkzaamheden en kunnen we daarna alles weer langzaamaan in bedrijf stellen.’

Voorbereiding

Om een beeld te krijgen van de omvang van de turnaround: de steigerbouwers hebben in totaal vijftienduizend vierkante meter aan steigers neergezet om overal bij te kunnen. Voor de hijswerkzaamheden zijn tien hijskranen continu aan het werk. Een deel van de onderhoudswerkzaamheden is redelijk routinematig. Methyleendifenyldi-isocyanaat is een lijmachtige organische stof die zich gemakkelijk hecht aan oppervlakken. En dus begint het onderhoud met het schoonmaken van leidingen, warmtewisselaars en pompen. Verheijen: ‘Het meeste werk hebben we nog aan de MDI-1 fabriek. De nieuwe crystallyzer staat al op zijn plek en we gebruiken deze stop om de tie-ins te maken. Als we alle aansluitingen klaar hebben, kan men het project na de turnaround afronden.’

Vanwege de complexiteit van de stop, waar corona ook nog extra aandacht vergt, is de voorbereiding wel wat anders dan voorgaande jaren. ‘Net als altijd beginnen we twee jaar van tevoren aan de voorbereiding van een turnaround. We leggen de scope van de projecten vast en stellen de daaraan verbonden werkpakketen samen. Deze stop kenmerkt zich door veel, kleinere verbeterprojecten. Maar bij elkaar zijn het er wel veel. Om er zeker van te zijn dat we on time en in full kunnen afronden, besteedden we extra aandacht aan het scope management. We stelden van tevoren al de discovery scope op met het daaraan gerelateerde risicomanagement. Hoewel we steeds meer kunnen meten en voorspellen, kan het soms toch nog een verrassing zijn wat je tegenkomt als je een reactor of andere kritische asset open maakt. Door van tevoren al na te denken over wat je kan tegenkomen en daar al mitigerende acties voor vast te leggen, bespaar je tijd tijdens de uitvoering.’

‘Als we schouwing kunnen laten uitvoeren door drones, neem je grote risico’s weg.’

Marc Verheijen, maintenance manager Huntsman

Datacollectie

Verheijen: Tegelijkertijd registreren we nu nog beter dan anders wat we precies tegenkomen, zodat we de theoretische risicomodellen kunnen toetsen aan de daadwerkelijke situatie. Daarmee verfijnen we bij iedere stop de data zodat we de scope de volgende keer beter kunnen voorspellen. Die data wordt steeds noodzakelijker gezien de grote braindrain die we de komende jaren verwachten. De kennis die nu nog in de hoofden zit van onze ervaren operators en maintenance experts zullen we steeds meer in systemen en algoritmen moeten stoppen.’

turnaround‘Een belangrijk onderdeel van die efficiencyslag is ook de samenwerking met onze aannemers’, vervolgt Verheijen. ‘Door ze al vroeg te betrekken bij de planning en scheduling van de werkpakketten kunnen zij hun activiteiten sneller uitvoeren. We organiseerden interactieve sessies waar we klus voor klus alle details bespraken en de randvoorwaarden doorliepen om het werk zo snel en effectief mogelijk af te ronden. Met alle onzekere factoren rondom Covid, zullen we meer aandacht moeten besteden aan de zaken die we wel onder controle hebben.’

Flexibiliteit

Verheijen wil toch ook credits geven aan het eigen personeel. ‘De hele site is betrokken bij dit project en ik wil echt een pluim geven voor de flexibiliteit die onze werknemers laten zien tijdens de stop. De grootste stop in de geschiedenis van deze site uitvoeren in coronatijd vraagt veel creativiteit. We moeten echt dagelijks bijsturen om de gaten in de planning op te vangen omdat mensen positief zijn getest. In principe is iedereen overal inzetbaar, zodat we geen al te grote gaten krijgen. We krijgen bovendien veel steun van het moederbedrijf, waar we via Teams veel contact mee hebben en die echt met ons meedenken over verbeteringen in onze processen en procedures. Bij de contractors zie ik eenzelfde volwassen samenwerking. Men beseft steeds meer dat het werk dat ze uitvoeren ook het werk van degene die na ze komt beïnvloedt. En dat vertragingen ver kunnen doorwerken op de planning. Komt de ene aannemer resources tekort, dan vult de ander die aan.’

Nog beter

Natuurlijk blijft Verheijen wensen houden: ‘Ik denk dat we nieuwe technieken nog beter kunnen inzetten. Veel van de steigers die we nu laten bouwen, zijn voor schouwwerkzaamheden. Het opbouwen ervan kost echter veel tijd, geld en resources. Bovendien moeten er mensen op steigers klimmen of in kolommen afdalen, wat weer extra risico’s met zich meebrengt. Als we dit werk kunnen laten uitvoeren door met camera’s uitgeruste drones, neem je grote risico’s weg. Maar ook op dat vlak zullen we de data moeten opbouwen en ook het vertrouwen moeten krijgen dat de digitale schouwing net zo betrouwbaar is als een fysieke.’