ING Economisch Bureau Archieven - Utilities

ING meldt op zijn Nowcast dat de Nederlandse stroomvraag met twintig procent is gedaald. Dankzij de sluiting van winkels en horeca zit het stroomverbruik op het niveau van het weekendgebruik. En omdat veel mensen thuiswerken neemt het brandstofverbruik voor transport ook af. Om diezelfde reden daalt het warmtegebruik maar beperkt.

De energievraag daalt door het coronavirus. De stroomvraag in Nederland ligt nu zo’n twintig procent lager dan voor de uitbraak van het virus. Door het sluiten van onder andere horeca en winkels is het elektriciteitsverbruik op doordeweekse dagen teruggevallen tot niveaus die we voorheen alleen in de weekenden zagen. Vooral grote industriële bedrijven en tuinders verbruiken nog steeds veel elektriciteit en die hebben hun activiteit nog beperkt verlaagd. Als ook daar de bedrijvigheid gaat afnemen, kan het elektriciteitsverbruik verder dalen.

Warmte

Elektriciteit bepaalt echter maar een vijfde van de totale energievraag. De helft betreft levering van warmte. Hoewel geen realtime data beschikbaar zijn, zal de daling op de warmtevraag vooralsnog beperkt zijn. De daling van de warmtevraag van de industrie en in kassen (ongeveer de helft van de warmtevraag) is nu nog gering. De productie gaat door, soms wel tegen lagere productieniveaus.

De overige warmtevraag komt van gebouwen, vooral van huizen. De warmlevering aan woningen is ruim twee keer zo hoog als aan kantoren en winkels. Door het vele thuiswerken neemt de warmtevraag in woningen daarom naar verwachting meer toe dan de warmtevraag in kantoren en winkels daalt. De stijging van de warmtevraag in de gebouwde omgeving zal de daling in de industrie niet volledig compenseren, waardoor de warmtevraag naar verwachting beperkt daalt.

Motorbrandstoffen

Tot slot is de vraag naar motorbrandstoffen flink gedaald. Er is veel minder verkeer op de weg nu veel mensen thuis werken en meer thuis blijven. Ook het vrachtverkeer is afgenomen. Het aantal pintransacties bij tankstations is met de helft gedaald.

Concluderend leidt het coronavirus vooralsnog vooral tot een daling van de vraag naar elektriciteit en motorbrandstoffen. Samen zijn die goed voor de helft van de energievraag.

Bekijk hier de nowcast van ING

De energietransitie naar een koolstofarme economie zou de vraag naar zonne- en windenergie meer dan verdubbelen tot 2050. Om de huidige 27 duizend terawatturen op te krikken tot 57 duizend terawattuur, zijn volgens een rapport van het ING Economisch Bureau investeringen van 13 biljoen dollar nodig. Daarmee zou de gewenste vermindering van de CO2-uitstoot met 64 procent haalbaar zijn.

ING verwacht dat de vraag naar energie de komende decennia zal groeien als gevolg van aanhoudende economische en demografische groei. Het elektriciteitsverbruik zal nog sneller zal groeien als gevolg van de zoektocht naar nieuwe technologieën die geen fossiele brandstoffen nodig hebben en die daarom de uitstoot kunnen verminderen. Dit zal waarschijnlijk gebeuren in de grote energie-intensieve sectoren, zoals de industrie, onroerend goed en transport. Als gevolg hiervan neemt de vraag naar energie toe van ongeveer 27.000 terawattuur tot 57.000 terawattuur in 2050 in het Positive Tech-scenario van ING.

Momenteel zijn fossiele brandstoffen goed voor tweederde van de wereldwijde vermogensmix. In het Positive Tech-scenario van ING zou wind en zonne-energie tweederde van de elektriciteit leveren. Ze zouden elk voor de helft van het totaal van 38.000 terawattuur tellen dat nodig is in 2050, dus 19.000 terawattuur. De huidige niveaus voor zon en wind zijn respectievelijk 600 en 1.500 terawattuur.

Meer capaciteit

Omdat de zon niet altijd schijnt en de wind onvoorspelbaar is, is er meer capaciteit nodig om gestaag 19.000 terawattuur te produceren. Met andere woorden, deze twee energiebronnen zijn minder efficiënt dan olie en gas. Specifiek voor de wind is offshore de meest efficiënte omdat wind overvloedig is en relatief constant op open zee. Op wereldniveau genereert één gigawatt offshore windvermogen ongeveer dezelfde hoeveelheid stroom als één gigawatt van een kolen- of gasgestookte elektriciteitscentrale. Voor onshore windparken is tweemaal zoveel capaciteit nodig als onshore wind minder voorkomt.

Zonne-energie heeft daarentegen bijna vier keer zoveel capaciteit nodig om dezelfde hoeveelheid energie te produceren als gas- en kolencentrales. Dit komt door het overduidelijke probleem dat de zon ’s nachts niet schijnt en dat panelen op bewolkte dagen minder stroom produceren.

In totaal moet de zonne-energiecapaciteit in 2050 naar schatting 14.000 gigawatt groeien om de 19.000 terawattuur te leveren die nodig is. De wind op het land zal moeten groeien tot 4.700 gigawatt en offshore tot ongeveer 1.200 gigawatt om zijn aandeel in de terawattuur -generatie te bereiken. Deze toename van de wind- en zonne-energiecapaciteit zou een gecombineerde, geschatte investering van 13 biljoen dollar tot 2050 vereisen, waarbij de wind het leeuwendeel zou nemen op 7,3 biljoen dollar. De kosten voor  infrastructuur en energieopslag zitten hier niet bij.

Om de investering van 13 biljoen dollar in perspectief te plaatsen, zouden de gemiddelde jaarlijkse investeringen in wind en zonne-energie in de komende tien jaar wereldwijd groeien van ongeveer 200 miljard dollar tot ongeveer 500 miljard dollar per jaar tussen 2036 en 2050. Tegen die tijd zou de jaarlijkse investering in zonne- en op enig moment de huidige investeringsniveaus in upstream olie en gas overschrijden.

Nederlandse bedrijven reduceerden in de periode 1996-2016 zeven procent in uitstoot van broeikasgassen. De chemie heeft de grootste slag gemaakt met een daling van 14 megaton, ofwel 42 procent. Dit blijkt uit een analyse van ING Economisch Bureau. In de transportsector is de uitstoot juist toegenomen. De luchtvaart spant daarbij de kroon.  

De uitstoot van broeikasgassen per euro toegevoegde waarde is in het Nederlandse bedrijfsleven van 1996 tot 2016 met 55 procent gedaald. Waar in 1996 elke euro toegevoegde waarde nog gepaard ging met 0,67 kg uitstoot, is dat in 2016 gedaald naar 0,3 kg. In 2030 zal dit naar verwachting naar 0,09 kg gedaald moeten zijn.

Daling

Niet alle sectoren groeien even snel, daarom is een vergelijking van de uitstoot per euro toegevoegde waarde relevant. Gemiddeld is de uitstoot in het Nederlandse bedrijfsleven over de periode 1996-2016 met 55 procent afgenomen van 0,67 kg tot 0,3 kg per euro toegevoegde waarde. Met een daling van 5,3 kg naar 1,9 kg (-64%) scoort de chemie ook hier in de top, terwijl de luchtvaart met een daling van 5,3 kg naar 4,2 kg per euro (-20%) het meest achterbleef.

Transitie

Het kabinet wil de uitstoot van broeikasgassen in 2030 met tenminste 49 procent reduceren ten opzichte van 1990. Dit betekent naar verwachting dat de uitstoot in 2030 nog 0,09 kg per euro toegevoegde waarde mag bedragen. Hoewel de uitstoot in verschillende sectoren behoorlijk is gedaald, zijn volgens ING nog flinke slagen nodig. Met verbetering van efficiëntie kan nog winst geboekt worden in veel sectoren, maar overal geldt dat een grote transitie niet uit kan blijven.