PBL Archieven - Utilities

De nieuwe CO2-heffing in combinatie met de Stimuleringsregeling Duurzame Energieproductie en klimaattransitie (SDE++) zorgt voor een trendbreuk in de verwachte broeikasgasuitstoot van de industrie. Dit is een van de conclusies van de  jaarlijkse Klimaat- en Energieverkenning. Helaas wordt daarmee het kabinetsdoel van 49 procent CO2-reductie in 2030 niet gehaald.

De jaarlijkse Klimaat- en Energieverkenning wordt voorgeschreven door de Klimaatwet en geldt als één van de verantwoordingsinstrumenten van het Nederlandse klimaat- en energiebeleid. De broeikasgasuitstoot in Nederland daalt naar verwachting met 38-48 procent in 2030 ten opzichte van 1990, uitgaande van het vastgestelde en voorgenomen beleid. Daarmee is het kabinetsdoel om in 2030 49 procent minder uit te stoten dan in 1990 nog niet in zicht.

Trendbreuk

In de industrie en de mobiliteit is het afgelopen jaar vooruitgang geboekt in de concrete uitwerking van beleidsmaatregelen. Bij de grote industrie zorgt de nieuwe CO2-heffing in combinatie met de Stimuleringsregeling Duurzame Energieproductie en klimaattransitie (SDE++) voor een trendbreuk in de verwachte broeikasgasuitstoot. Met dit beleid daalt de uitstoot naar verwachting met 9-16 megaton CO2-equivalenten in 2030. De daling komt voor het grootste deel op rekening van CO2-afvang en -opslag (CCS). Een kleiner deel komt door elektrificatie, energiebesparing en afname van niet-CO2-broeikasgassen. Onder meer door de concrete uitwerking van beleid voor extra hernieuwbare energie, daalt bij de mobiliteit de uitstoot naar verwachting met een kleine 3 megaton in 2030.

Extra maatregelen

Met een verwachte uitstootdaling in 2030 van 38-48 procent blijft er ten opzichte van het streefdoel van 49 procent een restopgave over van 1-11 procentpunt in 2030, ofwel 3-25 megaton CO2-equivalenten. Volgens de KEV kan een klein deel hiervan, ruwweg 2-4 megaton CO2-equivalenten, nog worden ingevuld als een aantal geagendeerde beleidsplannen en -voornemens concreet en tijdig zou worden uitgewerkt. Uit de notitie over de klimaat- en energiemaatregelen uit de Miljoenennota 2022 volgt dat deze maatregelen enkele megatonnen extra emissiereductie in 2030 kunnen opleveren. Enkele maatregelen zijn deels nog onvoldoende uitgewerkt om er emissiereducties aan toe te kunnen rekenen en deels vooral een voorbereiding op verdere klimaattransitie na 2030.

In de beleidsbrief ‘Van coronacrisis naar duurzaam herstel’ draagt PBL suggesties en voorbeelden aan om met het herstelbeleid de hardnekkige problemen met gevolgen voor de kwaliteit van de leefomgeving aan te pakken. Voorbeelden daarvan zijn de uitstoot van broeikasgassen, klimaatverandering en klimaatadaptatie, het verlies aan biodiversiteit en verspillend grondstoffengebruik. Ook kan het herstelbeleid bijdragen aan de aanpak van problemen op de woningmarkt, de arbeidsmarkt en mobiliteit.

De overheid kan duurzaam investeren stimuleren door korte-termijninvesteringen te koppelen aan lange-termijndoelen en door consistent duurzaam beleid te voeren. Hierdoor kunnen synergiekansen tussen economische herstelprogramma’s en leefomgevingsaspecten worden benut, investeringen naar voren worden gehaald, investeringen in duurzame technieken en toekomstbestendige en duurzame ruimtelijke inrichting worden bevorderd. Om dit te realiseren is intensieve samenwerking met strategische partners nodig: met de financiële sector, bedrijven, burgers en met maatschappelijke organisaties in binnen- en buitenland.

Duitsland en Frankrijk zijn al verder

Andere landen zijn daarin al verder, laat de analyse van PBL zien. De EU en grote landen, zoals Duitsland en Frankrijk, zetten in hun plannen en herstelprogramma’s nadrukkelijk in op versnelling richting duurzaamheid. Het zwaartepunt ligt daarbij op de samenhang met de transitie naar klimaatneutraliteit in 2050. Investeringen hierin geven op korte termijn gunstige werkgelegenheidseffecten en dragen tevens bij aan verduurzaming. Ook de plannen van de Europese Commissie richten zich op de ontwikkeling van toekomsttechnologieën. Door daarnaast milieuvoorwaarden te verbinden aan subsidies en leningen wil de Commissie investeren in het toekomstig verdienvermogen, in een ecologische transitie en in een wereldwijde toonaangevende positie.

Het PBL berekende de nationale kosten van het energieakkoord . Tot 2023 zullen de kosten voor de uitvoering van het akkoord jaarlijks zo’n drie miljard euro bedragen. Daarna dalen de kosten weer. Uitvoering van het Klimaatakkoord zal nog vele malen duurder zijn.

Het in 2019 tot stand gekomen Klimaatakkoord is op dit moment het uitgangspunt voor het nationale klimaatbeleid. Het PBL raamde de nationale kosten hiervan ten opzichte van het daarvóór al ingezette beleid vanwege het Energieakkoord uit 2013. De kosten van het eerdere beleid, inclusief de kosten om de doelen uit het Energieakkoord vast te houden, belopen in totaal ongeveer 52 miljard euro in de periode 2000 – 2050. Omgerekend is dat ruim één miljard euro per jaar of 0,1 procent van het Bruto Binnenlands Product (BBP).

De totale nationale kosten voor de periode 2013 – 2023 (looptijd Energieakkoord) raamt het PBL op 23 miljard euro, gemiddeld is dit 2,1 miljard euro per jaar. Uitgedrukt als percentage van het Bruto Binnenlands Product hebben ze een omvang van respectievelijk 0,1 en 0,3 procent van het BBP.

Prijsdalingen

Tot 2023 lopen de jaarlijkse nationale kosten op, maar daarna dalen ze weer. Veel hernieuwbare energievormen zoals wind op land, wind op zee en zonnepanelen hebben tussen 2000 en 2020 forse kostendalingen doorgemaakt. Herinvesteringen in de periode 2024 – 2050 om de effecten van het beschouwde beleid vast te houden vallen daarom lager uit dan de investeringen die tot nu toe zijn gedaan.

Het PBL verwacht bovendien dat de energieprijzen in de toekomst hoger zullen liggen dan in het verleden, waardoor de kosten voor hernieuwbare energie ten opzichte van fossiele energie gunstiger uitvallen.

Vermeden CO2-uitstoot

De maatregelen hebben geleid tot een afname van de CO2-uitstoot. In totaal bedraagt de vermeden CO2-uitstoot circa veertig megaton per jaar vanaf 2020. Dat is ongeveer een kwart van de huidige CO2-uitstoot in Nederland.

Nationale kosten

Nationale kosten worden in deze studie gedefinieerd als het saldo van jaarlijkse directe kosten en directe baten van maatregelen vanuit maatschappelijk kostenperspectief. Directe kosten zijn bijvoorbeeld de jaarlijkse rente en afschrijvingen op investeringen (kapitaalskosten) voor installaties of apparatuur voor de opwekking van hernieuwbare energie en kosten voor de bediening en onderhoud daarvan. Denk aan investeringen in windturbines, zonnepanelen en andere installaties en apparatuur om hernieuwbare energie op te wekken. Directe baten kunnen baten zijn als gevolg van bespaarde of geproduceerde energie. Denk aan de waarde van de door windturbines geproduceerde elektriciteit.

Ook de Partij van de Arbeid liet het PBL plannen doorrekenen voor een CO2-heffing in Nederland. Het voorstel van Diederik Samsom biedt een hoger reductiepotentieel dan die van het Kabinet. Maar dat kost de maatschappij ook meer geld.

De analyse concludeert dat de CO2-heffing kan leiden tot reductie van de industriële uitstoot in Nederland. Kwetsbare bedrijven zouden in het plan van de PvdA gedeeltelijk vrijstelling krijgen op hun CO2-heffing. De mate van CO2-reductie is mede afhankelijk van deze vrijstellingen. Bij veertig procent vrijstelling varieert de reductie tussen de 12 en 20 megaton. Bij twintig procent vrijstelling is dit 13 tot 22 ton. Zonder vrijstelling zou een emissiereductie van 14 tot 23 megaton mogelijk zijn.

Het effect van de maatregelen is afhankelijk van voldoende investeringsbereidheid bij bedrijven om, bovenop de door de heffing afgedwongen investeringen, gebruik te maken van de SDE++-middelen. Wanneer de investeringsbereidheid van bedrijven beperkt is, zal het totale emissie-effect meer steunen op alleen de heffing. Dan zou de effectbandbreedte dus beduidend lager liggen.

Lekkage

Een beperkt deel (2 tot 8 procent) van de emissiereductie komt doordat de heffing zal leiden tot verplaatsing van industriële productieactiviteiten naar het buitenland. Verplaatsing leidt ertoe dat dit deel van de in Nederland geboekte milieuwinst in het buitenland teniet wordt gedaan. De weglek kan hoger uitvallen in verband met geconstateerde risico’s op beslissingen van grote energie-intensieve bedrijven over de productieomvang in Nederland, die vanwege hun discrete karakter moeilijk kunnen worden meegewogen.

Elektriciteitsvraag

Het nemen van technische reductiemaatregelen in de industrie leidt tot extra elektriciteitsvraag van 5 – 20 Terawattuur ten opzichte van het ontwerp-Klimaatakkoord. Deze vraag kan deels in Nederland en deels elders tot extra uitstoot leiden, afhankelijk van de manier waarop deze wordt opgewekt. Hierdoor kan de milieuwinst In Nederland en op mondiale schaal per saldo verder verkleinen. De extra uitstoot in Nederland is geraamd op 0 – 2,5 megaton. De extra uitstoot door elektriciteitsopwekking op wereldschaal is niet bepaald, maar kan significant zijn.

Kosten

De nationale kosten van de maatregelen in de industrie in 2030 zijn geraamd op 300 tot 1100 miljoen euro. Bij twintig procent ontheffing kost dit 350 tot 1100 miljoen euro. Bij veertig procent ontheffing betaalt de maatschappij een bedrag van 400  tot 900 miljoen euro. De nationale kosten die met de productie en transport van de extra elektriciteitsvraag zijn gemoeid, bedragen 50 tot 300 miljoen euro in 2030.

Op verzoek van GroenLinks analyseerde het PBL het effect van een CO2-heffing in Nederland. Het voorstel betreft een in de tijd oplopende heffing op de CO2-uitstoot van ETS bedrijven. GroenLink wil de CO2-uitstoot met name terugdringen via technische maatregelen. Het voorstel zal volgens het PBL wel tot carbon leakage leiden.

Conclusie van de analyse is dat de CO2-heffing naar verwachting zal leiden tot reductie van de industriële uitstoot in Nederland met 14 tot 20 megaton voor variant 1. Variant 2 levert een reductie van 18 tot 26 megaton op. Daarmee haalt Groen Links ruim het doel voor de industrie in het klimaatakkoord van 14,3 megaton reductie. Het grootste gedeelte van deze reductie komt door het nemen van technische maatregelen bij de bedrijven. De nationale kosten van deze maatregelen in 2030 zijn geraamd op 230 tot 370 miljoen euro voor de eerste variant. De tweede variant leidt tot 780  tot 920 miljoen euro maatschappelijke kosten.

Carbon leakage

Een beperkter, maar significant, deel van de emissiereductie komt doordat de heffing zal leiden tot verplaatsing van industriële productieactiviteiten naar het buitenland. Verplaatsing leidt ertoe dat dit deel van de in Nederland geboekte milieuwinst in het buitenland teniet wordt gedaan. De weglek kan hoger uitvallen in verband met geconstateerde risico’s op beslissingen van grote energie-intensieve bedrijven over de productieomvang in Nederland, die vanwege hun discrete karakter moeilijk kunnen worden meegewogen.

Extra elektriciteitsvraag

Het nemen van technische reductiemaatregelen in de industrie leidt tot extra elektriciteitsvraag die deels in Nederland en deels elders tot extra uitstoot kan leiden. Hierdoor kan de milieuwinst in Nederland en op mondiale schaal per saldo verder verkleinen. Verplaatsing van industriële activiteiten leidt tot een kleinere elektriciteitsvraag in Nederland, maar elders juist tot meer.

Het PBL raamde de extra uitstoot in Nederland op 0 – 1 Mton (variant 1) respectievelijk 0,5 – 3 Mton (variant 2). De extra uitstoot door elektriciteitsopwekking op wereldschaal kon het PBL niet berekenen, maar kan significant zijn. De nationale kosten die met de productie en transport van deze extra elektriciteitsvraag gemoeid zijn bedragen 50 tot 150 miljoen euro voor variant 1. Variant twee zou zelfs respectievelijk 150 tot 350 miljoen euro kosten in 2030.

Het PBL rekende een aantal varianten door van een CO2-heffing voor de industrie in combinatie met aanpassingen van de tarieven van de energiebelasting en de opslag duurzame energie. De rekenmeester van het PBL onderzochten welk heffingsniveau nodig is om het emissiereductiedoel voor de industrie te kunnen halen. Het voorstel van het kabinet lijkt nog het meest gunstig uit te pakken voor de industrie.

Het kabinet stelde verschillende varianten van de CO2-heffing voor. Alle varianten gaan uit van een marginale ‘tonnenheffing’ die het kabinet oplegt op emissies boven een heffingsvrije voet. De heffingsvrije voet neemt per jaar af, en sluit in 2030 aan bij het emissiedoel voor de industrie. Die moet over tien jaar zijn emissies terugdringen tot maximaal 35,7 Megaton.

Net als in het ontwerp-Klimaatakkoord stelt het kabinet subsidie beschikbaar via de SDE++. Ook past Wiebes tarieven van de Energiebelasting (EB) en de opslag duurzame energie (ODE) aan. In een aantal varianten stelt het kabinet een vlakke CO2-heffing voor over de gehele uitstoot. Het kabinet sluist opbrengsten uit de heffingen terug via de SDE++.

Kosten bedrijven

De kosten die bedrijven gezamenlijk maken zijn afhankelijk van de mate waarin bedrijven die relatief goedkope maatregelen kunnen nemen, dit ook echt doen. Bedrijven kunnen hun ‘extra’ emissiereducties verkopen aan andere bedrijven die niet zelf beschikken over goedkoop emissiereductiepotentieel. Maar of deze mogelijkheid voor bedrijven aantrekkelijk genoeg is, is onzeker. Daardoor is de totale onrendabele top onzeker, en om die reden ook of deze volledig gesubsidieerd kan worden met het beschikbare budget.

Met voldoende subsidiemiddelen om de totale onrendabele top te vergoeden, is een beperkte heffing al voldoende om bedrijven maatregelen te laten nemen. Beperkt wil volgens het kabinet zeggen: oplopend tot enkele tientallen euro’s per ton CO2 in 2030.

Bij onvoldoende beschikbare subsidiemiddelen moet een deel van de emissiereductie op grond van alleen de heffing worden gerealiseerd. In dat geval is een heffing nodig die oploopt naar een niveau van tussen de 90 en 165 euro per ton in 2030. De ruime marge komt door onzekerheid over de mate waarin bedrijven met relatief goedkoop reductiepotentieel bereid zijn ‘extra’ te reduceren en de emissieruimte te verkopen.

Geringe weglekeffecten

Het PBL acht de risico’s gering op verplaatsing van industriële productie naar het buitenland en daarmee gepaard gaande weglek van emissies naar het buitenland. Dit komt met name door de subsidies op de maatregelen. Risico’s kunnen ontstaan bij bedrijven die niet zelf beschikken over goedkoop reductiepotentieel.

Het Planbureau voor de Leefomgeving analyseerde drie varianten voor een CO2-heffing in Nederland. Een voorstel kwam van de Partij van de Arbeid , een van GroenLinks en een van het Kabinet. Volgens de doorrekening lijken de voorstellen van het Kabinet het gunstigst voor de industrie.

Nadat in maart de doorberekening van het ontwerp-Klimaatakkoord werd gepresenteerd, stelden Groen Links en de PvdA een extra CO2-heffing voor de industrie voor. Ook Wiebes wilde laten doorberekenen wat de effecten zijn van een opslag op de huidige regelingen. Wiebes stelde tevens voor om de extra belasting naar de industrie terug te sluizen in de vorm van een SDE++ subsidie.

Het PBL en CPB hebben de voorstellen van de drie partijen doorgerekend en publiceerden de notities op de site van het PBL. Daarbij stelden de partijen zich ten doel de potentiële emissiereductie vast te leggen en de daarbij gepaard gaande kosten.

Weglek

Naast het mogelijke milieueffect is een belangrijk element in de analyses het risico dat de voorstellen leiden tot ongewenste ‘weglek’ omdat bedrijven hun productie verminderen. Daarmee importeert Nederland meer CO2 uit landen met een minder strenge milieuwetgeving. De emissiereductie in Nederland wordt dan via emissie-toename in het buitenland (deels) tenietgedaan.
In de beleidsvoorstellen van PvdA en GroenLinks  kan dit effect naar verwachting een significante invloed op de emissiereductie hebben.

Analyses

In drie notities en een policy brief beschrijven het PBL en het CPB verschillende varianten voor een nationale CO2-heffing en een terugsluis van de opbrengsten daarvan. De concrete beleidsvoorstellen voor een CO2-heffing in de industrie beslaan een scala aan verschillende heffingshoogten, richten zich op deels verschillende doelgroepen, gaan in op verschillende manieren om de lasten van bedrijven te beperken en bieden in verschillende mate mogelijkheid tot subsidiëring van emissiereductiemaatregelen in de industrie.

Als alle sectoren dezelfde prijs voor CO2-uitstoot betalen, kan de CO2-uitstoot relatief goedkoop worden verminderd bij de energie-intensieve industrie en de elektriciteitsopwekking. Dat concluderen het CPB en PBL. In een policy brief analyseren de bureaus verschillende opties voor beprijzing tegen de achtergrond van de kabinetswens om een voorloper te zijn in CO2-uitstootreductie en tegelijkertijd verplaatsing en andere neveneffecten te beperken.

Het beprijzen van CO2-uitstoot blijkt effectief en heeft in potentie gunstige effecten voor de kosten in vergelijking met ander beleid om CO2-uitstoot te reduceren. Als alle sectoren dezelfde prijs voor CO2-uitstoot  betalen, dus met een uniforme CO2-prijs, dan kan de uitstoot relatief goedkoop worden verminderd bij de energie-intensieve industrie en de elektriciteitsopwekking. Er hoeft dan minder een beroep te worden gedaan op bijvoorbeeld de gebouwde omgeving. Daar gelden al hoge impliciete belastingen en is verdere uitstootreductie relatief duur. Als de CO2-beprijzing zich beperkt tot de energie-intensieve industrie zijn de voordelen veel minder.

Dit blijkt uit een publicatie van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) en het Centraal Planbureau (CPB) over de economische gevolgen van een CO2-beprijzing. Deze publicatie laat overwegingen zien bij verschillende manieren van CO2 beprijzen. Deze lopen vooruit op enkele concrete doorrekeningen van beprijzingsvarianten die later zullen worden gepubliceerd.

Weglekeffecten

Een uniforme CO2-prijs in Nederland leidt wel tot het weglekken van CO2. Sommige sectoren opereren in een internationaal concurrerende setting, zoals de grootschalige energie-intensieve industrie (mondiaal) en de elektriciteitsproductie (buurlanden). De uniforme beprijzingsvariant leidt juist tot relatief grote inspanningen in de sectoren die zijn blootgesteld aan internationale concurrentie en die daardoor marktaandeel kunnen verliezen aan het buitenland. De productie in het buitenland kan daardoor toenemen. Daarmee stijgen mogelijk ook de emissies buiten Nederland en is sprake van CO2-weglek.

Terugsluizen en internationale beleidscoördinatie

Weglekeffecten blijken te kunnen worden beperkt door specifieke terugsluisopties. Maar internationale beleidscoördinatie helpt ook. Een subsidie op schone technologie zorgt voor minder weglek en een lagere benodigde CO2-prijs voor eenzelfde reductie-inspanning. Weglekeffecten worden ook weggenomen door meer internationale beleidscoördinatie, zoals het gezamenlijk invoeren van CO2-beprijzing met andere Europese landen.

Studie sluit aan bij politieke discussie CO2-beprijzing

De wenselijkheid van unilaterale beprijzing van CO2-emissies is onderwerp van debat. Economen zien effectief en efficiënt beleid, tegenstanders vrezen sluiting van bedrijven in de energie-intensieve industrie. In het kader van een te sluiten Klimaatakkoord wordt volop gediscussieerd over nut en noodzaak van beprijzing van CO2-emissies.

De klimaatmaatregelen die worden genoemd in het Voorstel voor Hoofdlijnen van het Klimaatakkoord hebben het technisch potentieel om aan het doel van 49 procent emissiereductie in 2030 te voldoen. De jaarlijkse meerkosten van deze maatregelen zouden neerkomen op drie tot vier miljard euro in 2030. Zeker voor de grote bedrijven raadt het PBL aan om transitieplannen-op-maat te maken die niet alleen op 2030 maar ook op de periode 2030-2050 gericht zijn.

Voldoende technisch potentieel is echter geen garantie voor een succesvolle realisatie. De werkelijke meerkosten, de lastenverdeling tussen en de betaalbaarheid voor burgers en bedrijven, en de effecten op milieu, ruimte en werk hangen volledig af van de keuzes voor concrete (beleids)instrumenten die de komende maanden worden gemaakt.

Van wat naar hoe

Het wat is met dit voorstel duidelijker geworden, nu komt het aan op het hoe. Het is aan de overheid om duidelijke budgettaire en beleidsmatige kaders te schetsen ten behoeve van de vervolgonderhandelingen.  Dat concludeert het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) in zijn analyse van het Voorstel voor Hoofdlijnen van het Klimaatakkoord (VHKA).

Het Klimaatberaad onder voorzitterschap van Ed Nijpels heeft het VHKA aan het PBL voorgelegd om te analyseren welke effecten de voorstellen kunnen hebben, onder meer op het gebied van emissiereductie en nationale kosten. Het PBL reflecteert in deze analyse op het voorstel als geheel en biedt daarnaast waar mogelijk per onderhandelingstafel kwantitatieve en kwalitatieve detailanalyses ten behoeve van de uitwerking van de voorstellen. Het CPB heeft een beperkte beoordeling gemaakt op budgettaire lasten- en inkomenseffecten.

Complexe puzzel

Omdat de instrumentatie achter de voorgestelde maatregelen slechts summier is uitgewerkt, is het voorstel niet in zijn geheel doorrekenbaar. De uitwerking tot een effectief akkoord zal nog een complexe puzzel vormen, waarbij een balans moet worden gevonden tussen de mate van beprijzen, normeren en gericht subsidiëren. Keuzes vanuit de overheid ten aanzien van de beleidsinstrumenten en de budgetkaders moeten de uitwerking bespoedigen.  Het is immers niet gezegd dat de partijen aan tafel zelf een gebalanceerde instrumentenmix zullen voorstellen.

Voor zover het nu wél te berekenen is, levert het totaal aan technische maatregelen ruwweg drie tot vier miljard euro extra jaarlijkse kosten op in 2030. Het PBL schat de benodigde investeringen op tachtig tot negentig miljard euro in de periode 2019-2030.

Het maatregelpakket is grosso modo in lijn met een kosteneffectieve transitiestrategie, zoals door het kabinet gewenst. Ook hierbij geldt dat de concrete uitwerking zal moeten uitwijzen wat de werkelijke kosten worden en wie het gaat betalen.

Industrie

In de industrie zijn tien bedrijven verantwoordelijk voor ongeveer de helft van de broeikasgasemissies. Vanwege de lange levensduur van installaties richt een kostenefficiënte strategie zich in de eerste plaats op het voorkomen van vroegtijdige afschrijvingen. Zeker voor de grote bedrijven raadt het PBL aan om transitieplannen-op-maat te maken die niet alleen op 2030 maar ook op de periode 2030-2050 gericht zijn.

Voor de langere termijn moeten nu al voorbereidingen worden getroffen in de vorm van demonstratieprojecten en de aanleg van de benodigde infrastructuur, zoals leidingen. Ook moet uitgewerkt worden welke mix van beprijzen, normeren en gericht subsidiëren het meest effectief is, hoeveel financiële ruimte de overheid beschikbaar wil maken en hoe de borging van afspraken vorm kan krijgen. Het maatschappelijk draagvlak voor o.a. CO2-opvang en -opslag en de verdeling van lasten tussen bedrijven en burgers behoeft grote aandacht.

Elektriciteit

In het elektriciteitssysteem wordt de transitie al het meest zichtbaar in de vorm van meer windmolens en zonnepanelen. Het belangrijkste knelpunt lijkt de ontwikkeling na 2025. De elektriciteitstafel suggereert dat via sterke verdere prijsdalingen voor wind- en zonne-energie, de toepassing van wind- en zonne-energie na 2025 ook zonder steun vanuit de SDE+regeling verder zal kunnen groeien. Het PBL acht het onzeker of die groei zal worden gerealiseerd zonder alternatief beleid. Het lijkt raadzaam nu al te starten met de voorbereiding van een alternatief instrumentarium.

Dwarsverbanden

De focus in het VHKA is nog onvoldoende gericht op de dwarsverbanden tussen de 5 tafels. Zo hebben we te maken met een stijgende vraag naar groen gas en warmte voor warmtenetten in de gebouwde omgeving, naar biobrandstof in het verkeer en naar waterstof als nieuwe CO2-vrije optie in de industrie. Voorstellen voor de productie en levering ervan ontbreken nog grotendeels.

Ook doen verschillende tafels een beroep op biomassa. De vraag naar duurzame biomassa zou zo groot kunnen worden dat het onzeker is of het aanbod toereikend zal zijn.

ECN en PBL bundelen de kennis van bedrijven op het gebied van CO2-emissiereductie. Het kennisnetwerk Manufacturing industry decarbonisation (Midden) omvat straks informatie van de Nederlandse industriële bedrijven die onder het Emissions Trading System (ETS) vallen. Zo deelt men de verschillende opties om de uitstoot van CO2 te verminderen en de randvoorwaarden waaronder dat kan.

CO2

De Nederlandse industrie moet de uitstoot van CO2 de komende jaren met grote stappen verminderen en op den duur koolstofemissievrij produceren. Alle industriële bedrijven leveren op die manier een substantiële bijdrage aan de energietransitie. De gesprekken voor een klimaatakkoord zijn inmiddels begonnen. Een eenduidig beeld van de reductieopties per bedrijf en in de hele sector ontbreekt echter nog. Daarom starten het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) en Energieonderzoek Centrum Nederland (ECN) het kennisnetwerk Manufacturing Industry Decarbonisation Data Exchange Network (Midden). Daarin bundelen industriële bedrijven hun praktische kennis over de mogelijkheden tot CO2-reductie.

De klimaatopgave voor de energie-intensieve industrie is groot. De huidige productiemethodes en mogelijke duurzame verbeteropties voor de Nederlandse industrie moeten beter in kaart worden gebracht . Dat kan alleen samen met die industrie. ECN en PBL bieden mogelijkheden voor de industrie om aan te geven welke maatregelen mogelijk zijn en wat er nodig is om dat te realiseren. Daar wordt de kennis vanuit de instituten en de aangesloten universiteiten aan toegevoegd.

Samenwerking

Niet alleen de twaalf grootste uitstoters moeten aan de slag. De hele industrie krijgt te maken met een andere energievoorziening, andere materiaalstromen en andere businessmodellen. Midden heeft als doel om informatie beschikbaar te maken over enkele honderden verschillende bedrijfslocaties. Het kennisnetwerk biedt daardoor ook inzicht in mogelijkheden voor lokale samenwerking en infrastructuur. Daarnaast worden  een groot aantal industrieprocessen en de belangrijkste materiaalstromen in kaart gebracht, net als een overzicht van alle reductieopties.

Op basis van Midden kunnen straks consistente kwantitatieve studies worden gemaakt voor vergaande CO2-reductie in regio’s, sectoren en materiaalketens. Midden komt beschikbaar voor alle kenniswerkers, industrie en bestuurders in het publieke domein. ECN en PBL hebben hulp gevraagd van de universiteiten, en er is veel belangstelling van masterstudenten om hieraan mee te werken. Ook RVO, NEA en CBS helpen mee. Daarnaast zijn het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, het TKI Energie en Industrie en Netbeheer Nederland bij Midden betrokken.