Port of Rotterdam Archieven - Utilities

Energiebedrijf Uniper en het Havenbedrijf Rotterdam sloten een overeenkomst voor de productie van groene waterstof op Uniper’s Maasvlakte-locatie. Deze plannen borduren voort op de uitkomsten van een recente haalbaarheidsstudie en sluiten ook aan op de geplande nieuwe waterstofinfrastructuur en de groeiende vraag naar duurzame waterstof vanuit de Rotterdamse petrochemische industrie.

De overeenkomst, vastgelegd in een memorandum of understanding (MOU), is een mijlpaal in de verdere ontwikkeling van de waterstofwaardeketen in de Rijnmond regio. Eerder al werd bekend dat maar liefst de helft van alle Nederlandse IPCEI waterstofprojecten in Rotterdam wordt ontwikkeld. Uniper’s project staat ook op die Nederlandse IPCEI-shortlist.

De gezamenlijke haalbaarheidsstudie die recent werd afgerond, toont aan dat de Uniper-locatie op de Maasvlakte bij uitstek geschikt is voor grootschalige productie van groene waterstof met behulp van stroom van Noordzee-windparken. Het plan is om de waterstoffabriek van Uniper aan te sluiten op de HyTransport.RTM-pijpleiding door de Rotterdamse haven. Daarmee krijgt de Uniper-fabriek ook een verbinding met de nationale waterstofinfrastructuur en de Delta Corridor-buisleidingenbundel. Dit laatste project wil voorzien in de levering van waterstof aan chemieclusters in Moerdijk en Geleen (Chemelot) en aansluitend in Noordrijn-Westfalen.

CO2-reductie

De industrie in Rotterdam gebruikt circa 77PJ aan waterstof per jaar (circa 40% van het totale Nederlandse waterstofgebruik). De overstap van grijze naar groene, duurzame waterstof door de Rotterdamse industrie voor het maken van schonere brandstoffen en als grondstof in de chemie leidt dus tot een forse CO2-reductie. In combinatie met de import van duurzame waterstof, opslagcapaciteit en het (inter)nationale waterstof-transportnetwerk kan het uiteindelijk leiden tot een volledige uitfasering van grijze waterstofproductie in Rotterdam.

Een belangrijke volgende stap in het Uniper-project betreft de front-end engineering & design (FEED) studie die op dit moment wordt aanbesteed. Die studie duurt ongeveer negen maanden en levert een belangrijke verdiepingsslag op het conceptuele ontwerp van de electrolyse-installatie. Die zal een capaciteit van 100 MW krijgen bij de start met een toekomstige uitbreiding naar 500MW capaciteit. De studie zal ook meer informatie geven over de planning en de begroting van het project. Aan de hand van deze uitkomsten kan de eerste fase van deze elektrolyse-fabriek worden aanbesteed aan diverse specialistische leveranciers en contractors.

Tegelijkertijd wordt binnenkort begonnen met de aanvraag van de benodigde vergunningen, het verkrijgen van (financiële) steun van diverse overheden, het sluiten van overeenkomsten met alle relevante partners in de waardeketen en de voorbereiding van een investeringsbesluit in 2022.

De Chileense minister van energie, Juan Carlos Jobet, en CEO Allard Castelein van Port of Rotterdam tekenden een samenwerkingsovereenkomst voor de import van groene waterstof. Het is de eerste overeenkomst met betrekking tot waterstof die het ministerie van energie met de Europese haven ondertekende.

De Europese Commissie ontwikkelt een breed Green Deal-programma die de uitstoot bij het gebruik en het betrekken van haar energie tot nul terugbrengt. De minister benadrukte dat ‘dit memorandum van overeenstemming een belangrijke stap is. De haven van Rotterdam is immers een energiepoort van Europa waar dertien procent van de Europese energie  het continent binnenkomt’.

De haven ondergaat een transformatie voor de transitie van fossiele brandstoffen naar hernieuwbare energiebronnen. En versterkt zijn positie als waterstofknooppunt voor Noordwest-Europa. De haven bereidt nu zijn infrastructuur en distributienetwerk voor op de ontvangst van waterstof dat per schip vanuit alle delen van de wereld wordt aangevoerd. En voor de doorvoer van waterstof naar Europese buurlanden. De haven van Rotterdam beschouwt Chili als een belangrijke partner op het gebied van waterstof. Het land heeft goede omstandigheden voor hernieuwbare energiebronnen, een duidelijke visie en strategie rondom waterstof, een hoog technologische niveau en een goed ontwikkelde economie .

Goedkoopste waterstof

De minister gaf aan dat de overeenkomst deel uitmaakt van het plan tot samenwerking tussen de landen dat vraag en aanbod op internationaal niveau op elkaar afstemt. De samenwerking leidt tot bevordering van het gebruik van waterstof en het delen van informatie, kennis, goede praktijken en ervaringen . Daarnaast voeren Nederland en Chili formele gesprekken om samen projecten op te zetten die voor de partijen van wederzijds belang zijn.

Jobet: ‘Chili heeft enorme comparatieve voordelen bij de productie van groene waterstof die in onze nationale strategie zijn opgenomen. We willen in 2030 de goedkoopste groene waterstof ter wereld produceren en in 2040 tot de grootste drie exporteurs van groene waterstof behoren.’

De warmte die bij de productie van waterstof ontstaat, kan worden ingezet in huishoudens, kassen en kantoren. Dat zegt Havenbedrijf Rotterdam, die het beschikbare warmteaanbod in 2030 schat op 23 petajoule. Daarmee kan de Rotterdamse haven in 2030 omgerekend circa 500.000 huishoudens van warmte voorzien. In 2050 kan dit zelfs oplopen tot zo’n één miljoen huishoudens.

Het produceren van waterstof gaat gepaard met efficiëntieverliezen. Een vuistregel is dat circa 25 procent van de energie verloren gaat bij de productie van waterstof. Die 25 procent komt vrij in de vorm van warmte. Indien men deze warmte echter opvangt en als voeding voor een warmtenetwerk gebruikt, is dit efficiëntieverlies plotseling een bron van energie voor andere toepassingen.

Gasunie zette in samenwerking met Havenbedrijf Rotterdam het project WarmtelinQ op voor de aanleg van een hoofdtransportleiding voor warmte van de haven naar Den Haag. Uiteindelijk is het ook de bedoeling dat de kassen in het Westland hierop worden aangesloten. WarmtelinQ is de eerste fase van een regionaal warmtenet door de provincie en voorziet in de levering aan omgerekend 130.000 huishoudens.

Zware elektrolyzers

Zwaardere elektrolyzers zijn sterk in opkomst. Zo werken Nouryon, bp en Havenbedrijf Rotterdam in het H2-Fifty project aan een installatie met een vermogen van 250 megawatt en ontwikkelt Shell een waterstoffabriek van circa 200 megawatt vermogen. Energiebedrijf Uniper en Havenbedrijf Rotterdam onderzoeken op hun beurt de komst van een waterstoffabriek met een capaciteit van 100 megawatt vermogen. Dat zijn aanzienlijke opschalingen van de capaciteit. Even ter vergelijking: In Nederland is de grootste elektrolyzer nu één megawatt en Duitsland telt een exemplaar van 10 megawatt.

Warmtebronnen

Het totaal beschikbare warmteaanbod uit de haven komt volgens de laatste inzichten op 23 PJ in 2030. Daarvan komt 11,9 petajoule warmte uit de waterstoffabrieken en 12,1 petajoule uit de chemiesector. In 2050 is het warmteaanbod opgelopen tot 45 PJ. Omgerekend naar alleen huishoudens biedt de haven daarmee in 2030 warmte voor circa 500.000 huishoudens. In 2050 is het aanbod voldoende voor zo’n 1 miljoen huishoudens. Met collectieve warmte als vervanger van cv’s op aardgas kan een volgroeid warmtenet in Zuid-Holland op jaarbasis 2 tot 3 miljoen ton CO2 reduceren.

De Rotterdamse plannen voor blauwe waterstof zijn weer wat concreter geworden. Het H-vision consortium rondde de verdieping en actualisatie van de haalbaarheidsstudie af. De betrokken partners kregen meer inzicht in mogelijkheden, voorwaarden en dilemma’s voor grootschalige productie en toepassing van blauwe waterstof.

H-vision wil een volledige waardeketen ontwikkelen voor blauwe waterstof. Dit is inclusief productie, transport, opslag en aansluiting op de infrastructuur voor het onderzees opslaan van afgevangen CO2. De consortiumpartners concretiseerden de afgelopen maanden het concept van het project op het gebied van techniek, inpassing in het industriecluster, benodigde infrastructuur en financiële uitwerking. De waterstof van H-vision krijgt de functie van brandstof voor de industrie en productie van elektriciteit.

H-vision maakt waterstof uit grote hoeveelheden raffinaderijgassen en op basis van hoogcalorisch aardgas. Raffinaderijgassen leveren zo’n negentig procent van de basis voor blauwe waterstof. De CO2 die bij de productie van blauwe waterstof vrijkomt, wordt meteen afgevangen en opgeslagen in lege gasvelden onder de Noordzeebodem.

Technologie

Voor het opwekken van hoge temperaturen kunnen de industriële processen met beperkte aanpassingen overschakelen op blauwe waterstof als primaire energiedrager. Een belangrijke aanpassing is de vervanging van gasgestookte branders voor branders die geschikt zijn voor zowel (aard)gas als gas met een zeer hoge waterstofinhoud.

Volgens de huidige inzichten zal de productie plaatsvinden met gebruik van hogedruk Auto Thermal Reforming (ATR). Deze technologie is de afgelopen fase bevestigd als voorkeurstechnologie, vooral gezien de schaalvoordelen en operationele flexibiliteit. ATR is echter nog geen definitieve keuze. Hiervoor zijn aangescherpte kostenramingen nodig. Ook wordt nog gekeken naar een aanpak met partial oxidation (POX)-technologie.

CO2-reductie

In de opbouw van het project is nu een eerste fabriek opgenomen van circa 750 megawatt. Deze kan eind 2026 worden opgeleverd en blauwe waterstof leveren aan de procesindustrie voor het opwekken van warmte, en ook aan producenten van elektriciteit. Een volgende waterstoffabriek kan de totale capaciteit van H-vision op ruim 1500 megawatt of meer brengen. Dit is mede afhankelijk van de marktontwikkeling voor waterstof.

Het gebruik van waterstof vervangt de bestaande inzet van restgassen en aardgas. Dit levert een CO2-reductie op van jaarlijks 0,9 miljoen ton na de bouw van de eerste fabriek, oplopend tot 2,7 miljoen ton na de bouw van de tweede fabriek.

Vanaf de productielocatie zal de waterstof per pijpleiding naar de afnemers in de haven worden getransporteerd. Recentelijk kondigden Havenbedrijf Rotterdam en Gasunie plannen aan voor de komst van een open-access waterstofbackbone door het havengebied. H-vision heeft in deze fase de voorkeur voor ontwikkeling van een eigen netwerk tussen productielocatie en afnemers. In een later stadium kan het netwerk altijd nog worden gekoppeld aan de backbone.

Zuiverheid

De inzet van de blauwe waterstof als brandstof houdt rechtstreeks verband met de kwaliteit van de energiedrager, en dat heeft weer verstrekkende gevolgen voor investeringskosten. Voor het opwekken van warmte in de procesindustrie is een waterstofkwaliteit van rond de 95 procent zuiverheid toereikend. Dat is een verschil met groene waterstof.

Deze waterstof wordt gemaakt op basis van door zon en windenergie aangedreven elektrolyse. De kwaliteit hiervan ligt boven de 99 procent. Daarmee is groene waterstof uitermate geschikt als grondstof voor de chemische industrie, voor het ontzwavelen van brandstoffen in raffinaderijen, voor mobiliteitsdoeleinden en als grondstof voor het produceren van schone brandstoffen.

De zuiverheid van blauwe waterstof kan worden opgewaardeerd tot die van groene waterstof, maar dit brengt zowel hogere investerings- als operationele kosten met zich mee. In dit verband werkt het projectteam van H-vision met een aantal onbekendheden aangezien de precieze kwaliteit waterstof die door het leidingnetwerk in het havengebied gaat stromen nog niet definitief is bepaald. Dit geldt eveneens voor waterstof in de nationale backbone van Gasunie.

H-vision status overview Juli 2020

Shell Geothermal BV en het Havenbedrijf Rotterdam houden een onderzoek naar geothermie in het westelijk deel van de Rotterdamse haven. De bedrijven hebben hiervoor een opsporingsvergunning gekregen van het ministerie van EZK.

De opsporingsvergunning betekent dat Shell en het Havenbedrijf de komende jaren de tijd hebben om hun plan verder uit te werken. Hiermee kunnen ze in het westelijk deel van de haven aardwarmteprojecten ontwikkelen. De komende circa twee jaar ligt het accent op het maken van afspraken met mogelijke afnemers van de aardwarmte. Daarnaast focussen ze zich op het uitwerken van de kosten, het bepalen van een mogelijke locatie voor een proefboring en het uitzoeken hoe de infrastructuur eruit kan zien. Essentieel is ook dat de aardwarmte kan concurreren met energie uit andere bronnen. Een (proef)boring is nog niet aan de orde.

Zeven projecten met onderzoek naar geothermie

De afgelopen jaren is de ondergrond goed in kaart gebracht. Dit gebeurde mede als onderdeel van de green deal Ultra Diepe Geothermie (UDG). Het doel van UDG is uiteindelijk 30% van de industriële warmte te laten komen van ultra diepe aardwarmte, zoals eerder bij Petrochem is beschreven. Zeven consortia werken aan voorstudies op dit gebied. De verwachting is dat dit jaar de resultaten van onderzoek naar geothermie bekend worden. De eerste pilotprojecten, waaronder een in de haven van Rotterdam, worden dan ook gestart.

De Rotterdamse industrie verbruikt veel energie. Als aardwarmte in de vorm van heet water naar boven kan worden gebracht, kan dat een goede duurzame energiebron zijn. Denk daarbij met name aan de productie van stoom voor de industrie. Daarbij wordt het enigszins afgekoeld. Het water kan dan gebruikt worden voor verwarming van woningen en kassen via een regionaal warmtenet.

Shell en Havenbedrijf zullen EBN (Energie Beheer Nederland) betrekken bij de uitwerking van de plannen.

Havenbedrijf Rotterdam roept het kabinet op om met landen in Noordwest-Europa een coalitie te vormen voor de invoering van een gezamenlijke CO2-prijs. CEO Allard Castelein hield op de Energy in Transition Summit 2018 van het Havenbedrijf op het RDM-terrein in Rotterdam een krachtig pleidooi voor een veel hogere CO2-prijs, in samenhang met een nieuw industriebeleid voor ons land.

Castelein wil met een aanzienlijke hogere CO2-prijs nieuwe investeringen in schone technologieën en innovatie stimuleren. ‘Een prijs in de range van 50-70 euro per ton CO2 stimuleert bedrijven om te investeren in oplossingen die we echt nodig hebben om de doelen uit het Klimaatakkoord van Parijs te realiseren.’

Daarbij waakt hij voor een ongelijk speelveld. ‘Ik ben geen voorstander van een solistische aanpak zoals Groot-Brittannië deed voor elektriciteitsproductie. Nederland is als doorvoerland sterk verbonden met ons omringende landen. Een Noordwest-Europese coalitie waarborgt een level playing field voor de industrie.’

Naast de vorming van zo’n coalitie onderstreept het Havenbedrijf het belang van een nieuw industriebeleid. ‘De overheid stuurt nu vooral op vermindering van broeikasgassen. Voor de overstap naar een nieuw energiesysteem moet je als overheid ook een integrale visie en bijpassend industriebeleid hebben voor de nieuwe economie, het toekomstige industrielandschap en wat voor R&D je daarvoor nodig hebt. Ook dit zie ik als een belangrijke opdracht voor het kabinet. Dus: internationaal beprijzen, nationaal stimuleren.’

Opgave voor Klimaatakkoord

Op de bijeenkomst maakte het Havenbedrijf ook de resultaten bekend van de CO2-impact van transport over zee en in het achterland. Het Havenbedrijf kondigde een stimuleringsregeling aan van 5 miljoen euro voor scheepseigenaren en charteraars die experimenteren met low-carbon of zero-carbon brandstoffen voor klimaatvriendelijke zeevaart.

Het havenindustriegebied Rotterdam/Moerdijk staat voor de opgave om per 2030 jaarlijks 20 miljoen ton CO2 te reduceren (-49 procent ten opzichte van 1990). Het Havenbedrijf is er van overtuigd dat dit doel kan worden gerealiseerd als bijdrage aan het nationale Klimaatakkoord.

‘We zijn in deze regio op tijd begonnen’, aldus Castelein die voorzitter is van de klimaattafel voor Rotterdam/Moerdijk. ‘In onze portfolio beschikken we nu over circa veertig projecten om de energietransitie vorm te geven. Het gaat daarbij zonder uitzondering om coalities van bedrijven die zich gezamenlijk inzetten voor de opdracht om én klimaatverandering een halt toe te roepen én een vitale haven van wereldklasse te behouden.’

De weg naar 2050 met een broeikasgasreductie van 95% is ingrijpender. Volgens Castelein is hiervoor een radicale verandering nodig. ‘Nu wordt veelal gekeken naar end-of-pipe oplossingen voor een optimalisatie van het bestaande energiesysteem, richting 2050 gaat het echt om een radicale verandering van het systeem.’

Nieuwe onderzoekscijfers

Op de Energy in Transition Summit 2018 presenteerde het Havenbedrijf ook nieuwe onderzoekscijfers. Waar het Wuppertal Institut vorig jaar in opdracht van het Havenbedrijf een studie verrichtte naar opties voor verduurzaming van de industrie in het havengebied, heeft het nu gekeken naar de sector transport en logistiek. Daaruit blijkt dat met transport over zee en in het achterland met Rotterdam als eind- of vertrekpunt jaarlijks circa 25 miljoen ton CO2 is gemoeid.

Het grootste deel hiervan (21,5 miljoen ton) kan aan zeetransport worden toegeschreven. Om ook deze sector te laten voldoen aan het Klimaatakkoord van Parijs dient de uitstoot in 2050 met 95 procent te zijn teruggebracht. Dit kan voor het eerste deel (tot vijftig procent) op basis van efficiency, maar daarna moeten andere brandstoffen worden ingezet.

Volgens het Wuppertal Institut kunnen LNG en biofuels de komende decennia helpen om de transitie vorm te geven, maar het uiteindelijke doel kan alleen worden bereikt op basis van elektrificatie, waterstof en ook de inzet van synthetische brandstoffen zoals methanol.

Havenbedrijf Rotterdam, Gasunie en EBN onderzoeken gezamenlijk de mogelijkheden om een basisinfrastructuur te realiseren voor het verzamelen en transporteren van CO₂ in het Rotterdamse havengebied, dat vervolgens opgeslagen kan worden in (lege) olie- en gasvelden onder de Noordzee.

Carbon Capture and Storage (CCS) wordt zowel internationaal als in het regeerakkoord genoemd als een belangrijk instrument om tijdig de CO₂-uitstoot terug te dringen. Internationale energieadviesorganen zoals IPCC, IEA en PBL noemen CCS als essentieel middel om de klimaatafspraken van Parijs te realiseren. Met name olieraffinaderijen en de chemiesector beschikken op korte termijn over onvoldoende hernieuwbare of circulaire alternatieven om tijdig de hoeveelheid CO2-uitstoot te reduceren die nodig is voor het behalen van klimaatdoelstellingen. Met afvang en opslag van CO₂ krijgen deze voor Nederland maatschappelijk en economisch belangrijke sectoren mogelijkheden om de CO₂-uitstoot te verminderen in de periode dat ze de transitie naar biobased, hernieuwbaar of circulair nog niet gemaakt hebben.

Snel toepasbaar

CCS is onderdeel van een breed palet maatregelen voor CO₂-reductie, naast fundamentele innovaties in productieprocessen en –ketens, zoals biobased industrie, hernieuwbare energie, elektrificatie van de industrie, recycling, ontwikkeling van waterstof als energiedrager, geothermie enzovoorts. om de economie te verduurzamen. CCS wordt vooral beschouwd als een kosteneffectieve en snel toepasbare oplossing die er gedurende de transitie voor zorgt dat klimaatdoelstellingen kunnen worden gehaald.

Havenbedrijf Rotterdam, Gasunie en EBN onderzoeken daarom gezamenlijk de mogelijkheden om een basisinfrastructuur te realiseren voor het verzamelen en transporteren van CO₂ in het Rotterdamse havengebied, dat vervolgens opgeslagen kan worden in (lege) olie- en gasvelden onder de Noordzee.

Twee miljoen ton CO2-afvang in 2020

Planning is deze haalbaarheidsstudie rond de jaarwisseling af te ronden. Bij een positieve uitkomst volgt dan verdere uitwerking van het project voor bijvoorbeeld engineering, governance, aansprakelijkheden en een eventuele business case. De partijen streven er naar om in 2018 een investeringsbeslissing te nemen. Het systeem kan dan in 2020 operatoneel zijn. De ambitie is om vanaf 2020 twee miljoen ton CO₂ per jaar op te slaan oplopend naar vijf miljoen ton per jaar in 2030. Alle industrieën in Rotterdam samen stootten in 2015 bijna 30 miljoen ton CO₂ uit.

Backbone

Gasunie, Havenbedrijf en EBN gaan in het kader van de studie uit van een robuuste basisinfrastructuur voor transport en opslag (een ‘backbone’), waar diverse bedrijven hun CO₂ in kwijt kunnen. Door deze ringleiding (‘backbone’) en opslaginfrastructuur als een ‘collectieve voorziening’ op te zetten, zijn er belangrijke kostenvoordelen. De verwachting is dat dit ook gunstig doorwerkt in het Rotterdamse vestigingsklimaat, waar industrie straks met een lagere CO₂-footprint zal kunnen produceren dan elders.

Er lopen gesprekken met verschillende bedrijven in de chemie en raffinagesector over het afvangen en leveren van CO₂. Tot aanleg van de infrastructuur wordt pas overgegaan als duidelijk is dat bedrijven ook daadwerkelijk van het systeem gebruik gaan maken.

 

CO2 als grondstof of voedingsstof

Het ligt in de bedoeling om, naast opslag onder de Noordzee, ook meer CO₂ aan tuinders te leveren en in de toekomst mogelijk ook aan andere (industriële) afnemers (CCU). Twee bedrijven, Alco en Shell, leveren nu al CO₂ aan de glastuinbouw in het Westland. Tuinders gebruiken dit om hun gewassen sneller te laten groeien. Onder invloed van zonlicht zetten planten CO₂ en water om in glucose en zuurstof.

Industriele CO2

CCS wordt op verschillende plaatsen in de wereld, met name buiten Europa, al succesvol toegepast. Eerdere initiatieven in Nederland vonden geen doorgang. De reden waarom dit nieuwe project als kansrijk wordt gezien is dat het nu gaat om opslag van CO₂ onder de Noordzee (niet onder land, zoals destijds beoogd bij Barendrecht), waarbij de CO₂ afkomstig is van industrie (niet van kolencentrales, zoals in het recent gestopte ROAD-initiatief) waarvoor op korte termijn geen volledig circulair of biobased alternatief is. Alle betrokken partijen zijn zich ervan bewust dat maatschappelijk draagvlak even wezenlijk is voor realisatie als technische, financiële en economische aspecten dat zijn.

Het Havenbedrijf Rotterdam onderzoekt samen met Pitpoint.LNG de realisatie van een multifuel bunkerstation voor het tanken van LNG en andere schonere brandstoffen. Als locatie hebben zij het Duivelseiland in Dordrecht op het oog, op de splitsing van de Oude Maas, Dordtse Kil en de Beneden Merwede.

Dordrecht Inland Seaport is de meest landinwaarts gelegen zeehaven van Nederland. Het is het knooppunt van het vaargebied voor de steden Amsterdam – Rotterdam – Antwerpen, én het vaargebied richting Duitsland: een ideale locatie voor een dergelijk bunkerstation.

In gesprek

De twee initiatiefnemers gaan de komende tijd in gesprek met potentiële afnemers, partners en leveranciers, om te kijken hoe de vraag naar schonere brandstoffen en het aanbod ervan zo goed mogelijk op elkaar kunnen worden afgestemd. Of dit nu waterstof, elektrisch, biodiesel, LNG/CNG is, centraal in het onderzoek staat dat alle brandstoffen van het multifuel bunkerstation minder vervuilende emissies moeten uitstoten dan de traditionele brandstoffen. En dat geldt zowel voor schepen als voor vrachtwagens en personenvoertuigen.

Havenbedrijf Rotterdam is zeer teleurgesteld in de aankondiging van Uniper en Engie dat ze willen stoppen met het CO2-afvang en -opslagproject ROAD. Het Havenbedrijf en EBN gaan echter door met de verkenning naar een basisinfrastructuur voor het verzamelen en transporteren van CO2.

CCS is een van de belangrijkste manieren om de CO₂-uitstoot van de kolencentrales te verkleinen. De bedrijven komen de door hen gewekte verwachting voor een grootschalige proef met CCS niet na. Het Havenbedrijf is van mening dat de kolencentrales nog lange tijd open kunnen blijven mits zij de negatieve milieu-impact van de CO₂-uitstoot beperken door uitkoppeling van warmte voor met name de industrie, door CCS en/of door de bijstook van biomassa of lignine. Het Klimaatakkoord van Parijs noodzaakt immers de CO₂-uitstoot stelselmatig terug te dringen. Bedrijven kunnen daar de ogen niet voor sluiten.

CCS wordt internationaal, maar ook in de nationale Energieagenda, gezien als een belangrijk instrument om de CO₂-uitstoot terug te dringen. Met name olieraffinaderijen en de chemiesector beschikken nog over onvoldoende hernieuwbare of circulaire alternatieven. Met afvang en opslag van CO₂ krijgt deze economisch en maatschappelijk belangrijke sector mogelijkheden om de CO₂-uitstoot te verminderen.

Basisinfrastructuur

Havenbedrijf Rotterdam, Gasunie en EBN voeren daarom gezamenlijk een verkenning uit naar het realiseren van een basisinfrastructuur voor het verzamelen en transporteren van CO₂ in het Rotterdamse havengebied, dat vervolgens opgeslagen kan worden in lege gasvelden onder de Noordzee. Door deze ringleiding en opslaginfrastructuur als een ‘collectieve voorziening’ op te zetten, zijn er belangrijke kostenvoordelen.

Het streven is dat eind 2017/begin 2018 de beslissing genomen wordt voor de volgende stap. De partijen zijn in gesprek met het ministerie van Economische Zaken over dit concept. Ook met de Europese Commissie lopen gesprekken.

De Rotterdamse haven creëert ruimte voor een Offshore Center voor windenergie op zee, decommissioning en de ‘olie & gas’- markt. Daartoe wordt op Maasvlakte 2 in de Prinses Alexiahaven een nieuw haventerrein van maximaal zeventig hectare opgespoten. Er bestaat al zeer concrete belangstelling van het bedrijfsleven voor dit centrum. Het Havenbedrijf verwacht dat de eerste bedrijven zich hier binnen twee jaar vestigen.

De vestiging van het eerste Offshore Center van Europa past in het beleid van het Havenbedrijf om de van oorsprong sterk ontwikkelde Rotterdamse cluster van bedrijven in offshore en maritieme sector verder te ontwikkelen. ‘De aanleg van windparken op zee is een enorme groeimarkt. Dat vraagt om een gespecialiseerd havengebied voor de aanleg en onderhoud van die parken. Daar willen we graag in voorzien. Dat past in ons treven om dé offshore hub van Europa te zijn en een leidende rol te spelen in de energietransitie’, aldus Allard Castelein, CEO van het Havenbedrijf.

Het Havenbedrijf vindt het belangrijk dat de bestaande cluster zich blijft ontwikkelen, zodat de aanwezige kennis op hetzelfde hoge niveau blijft en er nieuwe economische activiteiten komen voor stad en haven. Door de vestiging van het centrum, direct naast de zee aan diep vaarwater, kan een aantal activiteiten geclusterd worden en kunnen bedrijven van elkaars aanwezigheid profiteren.

Voldoende ruimte

Het Offshore Center Maasvlakte 2 (OCMV2) komt in de Prinses Alexiahaven tegen de zeewering te liggen ter hoogte van de ligplaats van de Pioneering Spirit. Het wordt een centrum waar topbedrijven samenwerken in de markten offshore wind, decommissioning en olie & gas met activiteiten als constructie, assemblage, heavy lift, logistiek en (de)mobilisaties. Zowel op het gebied van offshore windparken als decommissioning liggen de komende jaren volop kansen. Door het OCMV2 kan de haven nu daarop tijdig inspelen en de verwachte groei in de offshore aan Rotterdam binden.

Het Havenbedrijf start zo snel mogelijk met het opspuiten van de eerste dertig hectare en de aanleg van in eerste instantie zeshonderd meter ‘heavy load’ diepzeekade met de benodigde infrastructuur. Het is de bedoeling dat in de loop van 2019 de eerste bedrijven operationeel zijn op OCMV2. Het Center kan uitgebreid worden met nog eens veertig hectare en duizend meter kademuur.

Offshore in Rotterdam

Van oudsher is Rotterdam een toonaangevende haven voor de maritieme industrie. Er zijn zo’n negenhonderd bedrijven actief in deze sector. Die positie is gebaseerd op de scheepsbouw en olie- en gassector. Sinds enige tijd heeft het Havenbedrijf offshore als speerpunt van zijn beleid, met als belangrijkste aandachtsgebieden windenergie en decommissioning. Dat leidde onder meer tot de afbouw van de Pioneering Spirit en de vestiging van Sif (een bedrijf dat is gespecialiseerd in het produceren van funderingen van windturbines).

In dit verband hebben vorig jaar enkele Rotterdamse bedrijven ook een manifest getekend: ‘Rotterdam Offshore Wind Coalition’. Een volgende stap is de ontwikkeling van het Offshore Center Maasvlakte 2.