Roland Berger Archieven - Utilities

Roland Berger constateert na een studie naar de Europese offshore windsector dat de aanlanding van windenergie in de vorm van waterstof aanzienlijk goedkoper is. De uitrol van wind op zee kan nóg goedkoper en sneller als een bestaande aardgasleiding wordt hergebruikt.

In een nieuwe studie Innovate and industrialize – How Europe’s offshore wind sector can maintain market leadership and meet the continent’s energy goals toont Roland Berger hoe de Europese Wind op zee (WoZ) sector haar wereldwijde leiderschap kan verstevigen door verdere innovatie en industrialisatie.

Maarten de Vries van Roland Berger: ‘Het is aanzienlijk goedkoper om WoZ in waterstof om te zetten door middel van elektrolyse bij de bron op zee, dan op de kust. Het is namelijk veel goedkoper om grote hoeveelheden energie aan te landen via waterstofmoleculen door pijpleidingen dan elektronen door elektriciteitskabels. Verder kan dan bij harde wind de energie als waterstof worden opgeslagen in lege offshore gasvelden of zoutkoepels. Een enkele pijpleiding kan evenveel energie aanlanden als tien elektriciteitskabels of méér. Dit maakt tijdrovende consultaties voor extra aanlandingen door kwetsbare kuststreken overbodig. De uitrol van WoZ kan nóg goedkoper en sneller als een bestaande aardgasleiding wordt hergebruikt.’

Kostenverlaging

Waterstof zal op termijn een belangrijke energiedrager worden voor de energiebehoeftes van Nederland. Bram Albers van Roland Berger: ‘Voor onze energieonafhankelijkheid moet een groot deel van die waterstof in Nederland worden geproduceerd. Verder zal alleen dan de toegevoegde waarde van de productie van bijvoorbeeld chemicaliën en synthetische brandstof voor Nederland behouden blijven, en niet verplaatsen naar de landen waar de waterstof wordt gemaakt.’

Het is echter nu nog niet duidelijk of in Nederland met hernieuwbare energie geproduceerde waterstof op termijn zal kunnen concurreren met geïmporteerde waterstof uit landen zoals Chili en Saoedi Arabië met goedkope zon- en windenergie. Waterstof geproduceerd uit Nederlandse WoZ is nog steeds relatief duur en ongeveer tweederde van de kosten per kilogram zijn toe te schrijven aan WoZ zelf. Daarom moeten die WoZ-kosten nog verder omlaag dan nu al het geval  is.

Grotere turbines

Gelukkig zijn er duidelijke mogelijkheden om de kosten van WoZ verder te verlagen door innovatie en industrialisatie. Eén van de mogelijkheden is het gebruik van grotere turbines. De limiet daarvoor is nog niet bereikt en fabrikanten zijn al bezig met de ontwikkeling van modellen van 20 megawatt. Als de industrie eenmaal een maximum turbinegrootte heeft vastgesteld, kunnen onderdelen in de hele toeleveringsketen worden gestandaardiseerd. Digitaal onderhoud en zelfherstellende materialen voor bladen zullen ook de hoge kosten voor onderhoud en herstel tijdens de levensduur van een windmolenpark drastisch doen dalen.

Leiderschap

De Europese WoZ sector verwierf en geschat aandeel van zestig procent in de investeringen in windparken die in 2020-2023 wereldwijd operationeel worden. Europese bedrijven zijn namelijk ook zeer actief in de ontwikkeling van nieuwe capaciteit in Azië en de VS. Nederland voert de Europese landen aan met de meeste leidende posities op de wereldmarkt. Wereldwijde concurrenten – met name uit China – vormen echter een ernstige bedreiging voor Europa’s WoZ-dominantie, omdat zij de eerste contracten in Europese wateren al hebben binnengehaald. Als Europese spelers nu stappen zetten om verdere kostenverlagingen en concurrerende waterstof-uit-zee te realiseren, kunnen zij de concurrentie het hoofd bieden.

In de komende jaren zullen miljarden euro’s moeten worden geïnvesteerd in innovatie en industrialisatie om WoZ naar een hoger niveau te tillen en de kosten verder te verlagen. De toeleveringsketen kan dergelijke investeringen alleen doen als overheden en projectontwikkelaars ervoor zorgen dat een gezond rendement op de uitrol van WoZ-capaciteit mogelijk is. Ook moeten overheden betrouwbare prognoses van toekomstige capaciteitsuitbreidingen faciliteren. Alleen dan kan Europa voorop blijven lopen in de wereldmarkt en tegelijkertijd bouwen aan een duurzame toekomst.

Instellingen en olieproducerende landen verwachten ten opzichte van 2017 een lichte stijging van de olieprijs met drie dollar naar 54 dollar per vat. Ondanks de toename van vraag en aanbod in 2017 was er voor het eerst een aaneengesloten periode van schaarste in de oliemarkt sinds de recessie in 2013. Dit zijn enkele bevindingen uit Oil price forecast: who predicts best?‘ jaarlijks terugkerend onderzoek van Roland Berger naar marktverschuivingen en prijsvoorspellingen van de grootste olieproducerende landen en instituten.

‘Olieproducerende landen en instellingen verwachten een beperkte prijsstijging in 2018. Ze houden rekening met de eerdere OPEC- beslissing om de productie te verminderen, maar gaan er ook vanuit dat de Amerikanen in staat zijn het gat te dichten dat aan de aanbodzijde ontstaat’, aldus David Frans, partner bij Roland Berger Amsterdam. ‘Kijkend naar hun huidige bewezen reserves, kunnen Amerikaanse bedrijven druk op de prijs blijven uitoefenen tot ver in het volgende decennium – het moment waarop men verwacht dat de vraag naar olie een piek gaat bereiken. Maar voor de aankomende jaren lijkt het er sterk op dat de olieprijs stabiel blijft.’

Nationale begrotingen

Voor olieproducerende landen zijn nauwkeurige prijsvoorspellingen cruciaal, omdat hun nationale begrotingen erop gebaseerd zijn. De drie best voorspellende olieproducerende landen (respectievelijk Irak, Nigeria en Saudi-Arabië) gingen in 2017 uit van een gemiddelde olieprijs van 55 dollar per vat, terwijl de werkelijke prijs 51 dollar was. Dit verschil was het gevolg van een te optimistische schatting van één land, Saoedi-Arabië. Daar tegenover wisten de drie belangrijkste instellingen, de New York Mercantile Exchange (NYMEX), de Amerikaanse Energy Information Administration (EIA) en de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), de olieprijs met een gemiddelde foutmarge van acht procent te voorspellen.

Dit is in lijn met een ommekeer die sinds 2009 zichtbaar is: instellingen blijken het in vergelijking met olieproducerende landen steeds vaker bij het rechte eind te hebben. ‘De helft van deze landen hebben voor 2017 te hoog ingezet, terwijl de anderen juist te lage prijzen voorspelden’, zegt Arnoud van der Slot, partner bij Roland Berger. ‘Hun invloed op de olieproductie is kleiner geworden, en dit werkt door op hun vermogen om accurate inschattingen van de prijs te kunnen geven. Hierdoor zijn de voorspellingen van instituten al bijna een decennium nauwkeuriger.’

Momenteel schommelt de olieprijs rond de 58 dollar. Dit valt binnen het bereik van de prognoses die de drie best voorspellende landen afgegeven hebben, en is zelfs iets hoger dan de prijs die de instellingen voor dit jaar in gedachten hebben (51-56 dollar).

Nieuwe technologie

De opkomst van schalie-olie en hun rol als ‘swing- leverancier‘ hebben van de VS de grootste producent van olie gemaakt. Tussen 2008 en 2016 waren Amerikaanse oliebronnen goed voor meer dan zestig procent van de wereldwijde productietoename. ‘De productiviteit in de VS is aanzienlijk gestegen, waardoor bedrijven op lagere prijsniveaus rendabel kunnen blijven’, legt Frans uit. ‘Concurrerende landen moeten het Amerikaanse voorbeeld volgen door met nieuwe technologie efficiëntiewinsten te behalen. Deze race is nog lang niet voorbij: nieuwe big data- en AI-toepassingen zullen olieproducenten nog goedkoper kunnen laten produceren dan ze vandaag de dag doen.’

De markt voor energieopslag-technologie wordt snel groter onder druk van nieuw – wisselend – aanbod van wind- en zonne-energie. Dit biedt de mogelijkheid voor energiemaatschappijen om een nieuwe rol in het energiesysteem op te pakken.  Dit blijkt uit de studie Business models in energy storage van strategie- en managementadviesbureau Roland Berger

De bestaande energiemaatschappijen beschikken traditiegetrouw over kennis over en ervaring met het sterk wisselende patroon van vraag en aanbod in de markt en kunnen deze kennis benutten in het opzetten van hun opslagbusiness. In de komende vijf jaar zullen de winnende businessmodellen moeten worden ontwikkeld en worden de leiders van morgen bepaald. Voor gevestigde energiemaatschappijen is dit een kans om zich te blijven onderscheiden in de markt.

Uit de studie van Roland Berger, mede uitgevoerd door de Nederlandse senior onderzoek expert Ward van den Berg, komt allereerst naar voren dat de markt voor toepassingen voor energieopslag groot en divers is. De waardeketen van energie is complex en er zijn talrijke partijen in actief. Ook moeten bij vraag en aanbod van energie veel verschillende soorten periodes overbrugd worden; van een paar milliseconden tot een heel seizoen. Deze complexe setting vraagt om actieve samenwerking; niet alleen om systemen in balans te houden, maar ook om lokale en nationale stroomstoringen te voorkomen.

Voor operators van zonne- en windenergie is opslag cruciaal om verspilling van elektriciteit bij overaanbod te voorkomen. Voor energiehandel is opslag belangrijk om vraag en aanbod in de tijd beter te verbinden en voordelen te behalen bij prijsverschillen. Consumenten thuis zijn gebaat bij opslag om maximaal van de elektriciteit van de zonnepanelen op hun dak te kunnen profiteren.

Vliegwiel

‘Er is geen standaardoplossing om aan alle typen energiebehoefte en -opslag te voldoen. In sommige gevallen zijn batterijen de beste oplossing, een andere keer vliegwiel-, ‘power-to-gas’- of waterkrachttechnologie. Opslagtechnieken worden essentiële elementen van de energietransitie’, aldus Van den Berg. ‘Wat de opslagtechnologieën gemeen hebben, is dat ze door hoge kosten tot dusver nog onvoldoende ontwikkeld zijn. Naar verwachting gaan de kosten vanaf nu snel omlaag. Dan kunnen we zien welke verdienmodellen voor opslag in de praktijk succesvol zijn.’

David Frans, partner bij Roland Berger Amsterdam voegt eraan toe: ‘De vraag is natuurlijk wie de eigenaar wordt van de opslagfaciliteit. Bovendien: welke tarieven gaan er gelden en waar krijgt de faciliteit een plek in het systeem? Dit is nu nog niet duidelijk. Er zullen veel experimenten plaats gaan vinden en daaruit zullen de nieuwe winnaars in opslag voortkomen.’

In de studie komen twaalf voorbeelden van energieopslagprojecten voorbij die als kader dienen voor potentiële nieuwe verdienmodellen.

Batterijopslagtechnologie

Uit de studie blijkt dat nieuwe batterijopslagtechnologie de energiewereld wellicht flink gaat opschudden en nieuwe modellen in energiegebruik mogelijk gaat maken. De uitruil en handel van energie tussen consumenten onderling (dak/kantoor) en tussen consumenten en bedrijven (energie teruggeven aan het net, batterij in de cloud) zijn er voorbeelden van. Deze ontwikkeling is een kentering ten opzichte van het top-down-model waarin alleen een nutsbedrijf elektriciteit kan leveren.

De ‘power-to-gas’-projecten tonen des te meer de complexiteit van toekomstige businessmodellen aan. De diversiteit aan spelers in deze hoek (nutsbedrijven, chemiebedrijven en automakers) is het bewijs van de brede toepassing ervan. De productie van synthetische brandstoffen en gassen leidt mogelijk zelfs tot een ontwrichting van de chemische industrie: ‘Operators zullen een juiste mix in de toepassing van hun brandstoffen moeten vinden om de waarde van de installatie te optimaliseren. Chemie- en nutsbedrijven moeten partners zoeken en kunnen elkaar zelfs gaan beconcurreren’, aldus David Frans.

Strategie

De twaalf cases in de studie tonen de grote schaal van activiteit in deze markt aan. Ook laten ze zien dat de verdienmodellen nog niet uitgekristalliseerd zijn. Voor nutsbedrijven, die deels markt kwijtraken aan hernieuwbare energie, is opslag een manier om hun positie in de markt te behouden. ‘Energieopslag staat dicht bij de core business van nutsbedrijven en past dus prima in het productportfolio van deze spelers’, verklaart David Frans. Energieleveranciers en grid-operators moeten nu al nadenken over een manier om de nieuwe technologie in hun voordeel kunnen inzetten en zo concurrerend te blijven in hun markt. In de komende vijf jaar wordt het speelveld bepaald.’

Bijna alle olieproducerende landen voorspelden een te hoge olieprijs voor 2016. De drie grootste landen gingen voor 2016 uit van een gemiddelde olieprijs van 49 dollar per vat, terwijl de daadwerkelijke prijs 43 dollar was. De voorspelling is voor de olielanden van belang omdat ze er hun overheidsbudgetten op baseren. Opvallend is dat de voorspellingen van de drie belangrijkste instituties (Internationaal Energie Agentschap, NYMEX en EIA) steeds accurater worden. Sinds 2010 hebben zij de kleinste foutmarge en sinds 2012 zijn zij onverslaanbaar.

Dat blijkt uit de studie 2017 Oil price forecast: who predicts best? van adviesbureau Roland Berger. Het bureau  analyseert sinds 2007 de voorspellingen van de grootste olieproducerende landen en instituties. De editie van dit jaar bevat daarnaast een analyse van de marktdynamiek.

“Iedereen, instituties én olieproducerende landen, verwacht dat de olieprijs in 2017 beperkt stijgt, en in elk geval hoger is dan in 2016. Feit is dat een aanhoudend overaanbod de olieprijs sinds 2014 blijvend laag houdt. De kostenontwikkeling bij Amerikaans schaliegas geeft een indicatie voor een olieprijs van rond de 50 dollar per vat,” zegt Arnoud van der Slot, partner bij Roland Berger in Amsterdam.

De instituties IEA, NYMEX en EIA voorspellen voor 2017 een kleinere stijging van de olieprijs (ten opzichte van de huidige prijs) dan de olieproducerende landen. Sinds 2009 hebben instituties duidelijk betere voorspellingen gedaan dan olieproducerende landen, daarvóór was het precies andersom. De top 3-olieproducerende landen zaten met hun voorspelling voor 2016 alle drie binnen de 20%-marge, Iran en Koeweit zaten er slechts 1% naast.

David Frans, partner van Roland Berger Amsterdam: “Het lijkt erop dat de olieproducerende landen door de opkomst van schaliegas in de VS minder invloed hebben op de olieprijs en dat daardoor hun voorspellingen, ten opzichte van die van de instituties, minder accuraat zijn.”

Voor 2017 gaan de producerende landen in hun budgetten uit van een prijs van 42 tot 72 dollar per vat (gemiddeld: 55 dollar per vat), de instituties van een prijs van 41-55 dollar er vat (gemiddeld 50 dollar per vat).

Marktdynamiek

Volgens David Frans lijkt deze situatie op die van 1986: “Ook toen was de olieprijs extreem laag, en ook toen was dat te wijten aan overaanbod. Nu is er sprake van een groeiend marktaandeel van Rusland en het Midden-Oosten en een neergaande kostenontwikkeling voor Amerikaans schaliegas. Ik zie een trend waarin de olieprijs mogelijk nog veel langer relatief laag blijft. Dat de OPEC-landen in november 2016 afspraken hun productie wat te beperken om de prijs te laten stijgen, wordt mogelijk tenietgedaan door een toename van de productie van schaliegas in de Verenigde Staten.”

Momenteel schommelt de olieprijs rond de 55 euro, in lijn met de verwachting van de best voorspellende olieproducerende landen.