SER-borgingscommissie Archieven - Utilities

De Nederlandse industrie is bereid behoorlijke stappen te nemen in de verduurzaming van zijn productie. In totaal kan de industrie in 2030 twintig megaton CO2-uitstoot vermijden, maar carbon leakage ligt op de loer. Duurzame warmte, elektrificatie en de inzet van waterstof zijn allemaal opties die behoorlijk kunnen bijdragen aan de CO2-opdracht van de industrie, maar mist zijn doel als de productie naar andere landen verschuift.

Industrietafelvoorzitter Manon Janssen presenteerde de resultaten van het overleg met de diverse stakeholders van de Nederlandse proces- en maakindustrie. De drie belangrijkste thema’s die daarin naar voren kwamen zijn proces-efficiency en warmtegebruik, elektrificatie en grondstoffenverwerking. De fossiele invulling van hogetemperatuurwarmte kan worden ingewisseld voor warmtepompen, stoomrecompressie en elektrische boilers. Cascadering moet bovendien de warmteketen in zijn geheel efficiënter maken.

Elektrificatie

Elektrificatie, sluit aan op verduurzaming van de warmtevraag. Maar ook elektrische aandrijvingen en elektrochemie behoort tot het palet aan elektrische alternatieven voor fossiele brandstoffen.

Waterstof en biomassa

In de grondstoffenverwerking komt waterstofgas naar voren als belangrijker vervanger voor fossiel gas. Biomassa is een belangrijke leverancier van de nodige koolstof, maar uiteraard kan dat ook komen uit elders afgevangen kooldioxide. Daarnaast is in het grondstoffenthema veel aandacht voor de circulaire economie waarin recycling en wate2chemicals een rol spelen.

CCS en CCU

In de uitwerking van de plannen naar CO2-vermijding levert CCS de grootste bijdrage. Al ziet Janssen dat nog steeds als laatste oplossing. ‘Het kabinet heeft CCS weer duidelijk als optie gekozen als tijdelijke oplossing voor de enorme opgave om twintig megaton CO2 te vermijden. Liever zien we dat we de afgevangen kooldioxide nuttig inzetten (CCU), maar dan moet er wel een volwassen infrastructuur worden ontwikkeld om dat mogelijk te maken. Daarvoor zou CCS kunnen zorgen.’

Lopend beleid

Opvallend is dat het lopende beleid op het gebied van procesefficiency en de uitfasering van f-gassen als tot vijf megaton reductie zal leiden. Met elektrificatie en de inzet van waterstof kan vier megaton CO2 worden afgeschreven.

Financiering

De grootste uitdaging is echter de financiering van de plannen. De eerste berekeningen wijzen in de richting van onrendabele kosten oplopend tot één miljard euro per jaar in 2030. Om die kosten zo goed mogelijk te verdelen, wil men zoveel mogelijk gezamenlijk investeren in innovatie, pilots en demonstratieprojecten. Om er zeker van te zijn dat de meest kostenefficiënte keuzes worden gemaakt, werkt de industrietafel nog een gericht tendermechanisme uit. En om het level playing field te bewaken, zullen afspraken, met name rondom ETS, moeten worden gemaakt met andere landen.

De industrie verwacht ook een actieve rol van de overheid wat betreft financiering van de onrendabele kosten, risicodeling, infrastructuur en wettelijke kaders op zowel nationaal als Europees vlak.

Kamer aan zet

Het rapport dat tot het Klimaatakkoord moet leiden, wordt nu doorberekend door het PBL en CPB. Daarna zijn het kabinet en de Tweede kamer aan zet om het akkoord vast te leggen in het regeringsbeleid.

De borgingscommissie van het Energieakkoord stuurde vandaag zijn uitvoeringsagenda naar het kabinet. Opvallend punt in die agenda is de verplichting voor de industrie te melden welke energiebesparende maatregelen ze heeft genomen. Op die manier kunnen investeringen in dit soort maatregelen die zichzelf binnen vijf jaar terugverdienen, worden afgedwongen.

Alle doelen van het Energieakkoord zijn weer binnen bereik. Daarvoor is een pakket aanvullende maatregelen afgesproken om extra energie te besparen en de productie van duurzame energie te versnellen. De tijd om het te realiseren is beperkt en daarmee een kritische factor. Daarom worden de afspraken de komende twee jaar intensief gemonitord. Dit is nodig om het tempo erin te houden. De maatregelen staan in de Uitvoeringsagenda van de Borgingscommissie van het Energieakkoord die voorzitter Ed Nijpels vandaag naar het Kabinet heeft gestuurd.

Energiebesparing

Vanwege de korte tijd die resteert, zijn ingrijpende maatregelen nodig om het doel van honderd petajoule extra energiebesparing binnen bereik te brengen. Als belangrijkste maatregel komt er een informatieplicht in de Wet Milieubeheer. De Wet schrijft al jaren voor dat bedrijven besparingsmaatregelen moeten nemen die ze in vijf jaar terugverdienen. Dat zijn relatief eenvoudige maatregelen. De uitvoering van de wet liep tot nu toe gebrekkig. Er was te weinig zicht op wat bedrijven deden. Die krijgen nu de plicht te melden welke maatregelen ze hebben getroffen. Met de nieuwe informatieplicht kunnen inspecteurs gericht achterblijvers controleren.

Het ministerie van EZK maakt met de gemeentes concrete prestatieafspraken over de uitvoering van deze maatregel. VNG en VNO-NCW zorgen voor een eenvoudig digitaal systeem waar bedrijven kunnen melden wat ze hebben gedaan om zich aan de wet te houden.

Ed Nijpels, voorzitter van de Borgingscommissie: ‘Deze informatieplicht, een omgekeerde bewijslast, is een fundamentele doorbraak in de uitvoering van deze wet. Dit is nodig omdat in voorgaande jaren de handhaving van de wet niet effectief was. Daardoor leverden eerdere afspraken over besparing te weinig op. Nu kunnen we echt meters maken.’

In oktober 2017 constateerde de Nationale Energie Verkenning (NEV) dat de teller op 75 petajoule zou blijven steken. De aanpassing van de Wet Milieubeer moet dit gat grotendeels dichten. Daarnaast zijn er nog een aantal kleinere intensiveringen afgesproken.

Hernieuwbare energie

De monitoring van Wind op land wordt sterk geïntensiveerd. Bij knelpunten in de uitvoering kan nu op hoog niveau sneller worden bijgestuurd. Verhoging van de druk is nodig om te zorgen dat de afspraak die provincies en Rijk in 2013 maakten, gerealiseerd wordt. Dat ging over zesduizend megawatt windvermogen op land in 2020.

De voorzitter van de Borgingscommissie krijgt vanaf nu elk kwartaal een overzicht van de voortgang. Dat levert per project een actueel beeld van knelpunten op en welke partij actie moet ondernemen. Dit stelt voorzitter Nijpels in staat, waar nodig, snel in overleg met de minister maatregelen te nemen om te zorgen dat partijen hun afspraken nakomen. Als overleg tot niets leidt, adviseert Nijpels de minister dwingend in te grijpen.

2020 kritisch, 2023 ruimschoots binnen bereik

Het doel is om in 2020 veertien procent van de energie duurzaam op te wekken en in 2023 zestien procent. De NEV constateerde dat het doel in 2023 met 17,3 procent ruimschoots gehaald wordt. Het tussendoel in 2020 zou op dertien procent blijven steken. De extra inspanning bij Wind op land moet het gat helpen te dichten. Er zitten projecten in de pijplijn die goed zijn voor 6900 megawatt vermogen. Het doel is 6000 megawatt in 2020.

Ed Nijpels: “Wind op land is een taai dossier. Er zijn plannen genoeg. We moeten nu zorgen dat ten minste 6000 megawatt op tijd afkomt. Het liefst in overleg en met daadkracht. Desnoods met ingrijpen van de minister.’

Werkgelegenheid

Met het intensiveringspakket is de verwachting dat ook het aantal banen dat bij de energietransitie betrokken is, toeneemt. De NEV constateerde dat het doel van 15.000 extra voltijdsbanen per jaar op 13.000 zou blijven steken. Het effect van het intensiveringspakket is moeilijk te berekenen. UNETO-VNI en de NVDE werken al aan meer opleidingsplaatsen in het mbo voor energietransitiebanen. De SER werkt momenteel aan een advies over de energietransitie en werkgelegenheid.

Ed Nijpels: ‘De arbeidsmarkt is een punt van zorg. We zitten nu in de paradoxale situatie dat er meer banen komen, maar dat we een tekort aan mensen hebben om die banen op te vullen. Dat dreigt voor de energietransitie een probleem te worden.’