TU Delft Archieven - Utilities

De lancering van het Water Mining Project heeft even op zich laten wachten. Maar vandaag gaat het door de Europese Commissie ondersteunde project echt van start. Het project van 17 miljoen euro demonstreert innovatieve oplossingen op het gebied van water. Als onderdeel van het project zullen faciliteiten in Cyprus, Spanje, Portugal, Italië en Nederland worden gebouwd. Hier komen demonstraties van  nieuwe efficiënte manieren om nutriënten, mineralen, energie en water terug te winnen uit industrieel en stedelijk afvalwater en zeewater. Het publiek-private consortium onder leiding van TU Delft bestaat uit 38 publieke en private partners en nog vier derde partijen in twaalf landen. 

Het Water Mining-project wil praktische voorbeelden geven voor de implementatie van het zogeheten Water Framework Directive. Deze richtlijn moet de overgang naar een circulaire economie bevorderen. Het project sluit daarnaast aan bij de recentelijk gepresenteerde Europese Green Deal. De demonstraties zullen enkele innovatieve technologieën integreren van eerder gefinancierde EU-projecten. Naar verwachting zullen de eindproducten met toegevoegde waarde regionale economische ontwikkeling stimuleren. Eindproducten zijn ondre meer: water, platformchemicaliën, energie, nutriënten en mineralen .

Maatschappelijke inbedding

Water Mining wil een voorbeeld zijn voor de maatschappelijke inbedding van technologische innovaties. Patricia Osseweijer, hoogleraar Biotechnology and Society aan de TU Delft, is coördinator van het project. ‘We zijn van plan om meer dan 24 workshops te organiseren met deskundigen, beleidsmakers, de industrie, civiele gemeenschappen en het publiek.  Zo kunnen we de innovaties laten zien en de implicaties ervan bespreken. Zoals de ecologische voetafdruk, lokale veranderingen en gevolgen. De input zal worden gebruikt om de innovaties en de implementatie ervan in de samenleving te verbeteren. Ik kijk echt uit naar dit proces.’

Mark van Loosdrecht (hoogleraar Environmental Biotechnology, TU Delft): ‘Water is essentieel voor de gezondheid van de mens, zeker in stedelijke gebieden. Het wegspoelen van sanitair afval uit de stad is een van de belangrijkste functies. Dit programma zal helpen bij het terugwinnen van dit water en bij het omzetten van afvalbestanddelen in grondstoffen. En zal op die manier bijdragen aan een sterkere circulaire economie.’

De partijen denken ook na over de implementatie van de nieuwe technologie. Via wetenschapsmusea zoals NEMO in Nederland en Living Labs in heel Europa nodigt het project ook het publiek uit om mee te denken over de maatschappelijke impact en mogelijke aandachtspunten. Met behulp van augmented reality presenteert het project de wetenschap achter de technologie, de gemeten ecologische voetafdruk en de eventuele maatschappelijke impact.

Samenwerking

Nieuwe technologie voor de behandeling en ontzilting van afval- en zeewater vereist nieuwe regels en voorschriften. Evenals nieuwe businessmodellen. Samen met de industrie, stadsbesturen en regionale waterorganisaties zullen dit soort beleids- en verdienmodellen worden ontwikkeld. Samenwerking is essentieel om de kosten te verlagen en de efficiëntie en maatschappelijke opbrengsten te verhogen.

Dr. Dimitris Xevgenos, die met Mark van Loosdrecht en Patricia Osseweijer deel uitmaakt van het coördinerende team: “Water-Mining is geen concept dat van de ene op de andere dag is ontwikkeld. Het is een proces geweest van bijna tien jaar, dat is uitgevoerd met onderzoeksgroepen die verschillende expertises meebrengen. Deze groepen zijn nu lid van het projectconsortium, en staan te springen om bij te dragen aan de systematische innovatie die nodig is om de overgang naar een circulaire economie daadwerkelijk te laten plaatsvinden. Ik ben ze dankbaar, en ik ben ook de Europese Commissie dankbaar voor de steun die ze ons sinds 2010 via Horizon 2020 en de LIFE-programma’s geboden heeft.’

Het onderzoek van Delftse waterdeskundigen leidde tot een verbeterde manier om Corona op te sporen in monsters van patiënten. Microbolletjes van ijzeroxide en silicium binden zich namelijk aan RNA. Die bolletjes zijn vervolgens eenvoudig met magneten uit de oplossing te halen.

Het doel van het WaterTagging-project is om waterstromen in kaart te brengen. De Delftse onderzoekers, onder leiding van Thom Bogaard, gebruiken daarvoor microbolletjes van ijzeroxide met silicium. Deze bolletjes zijn gelabeld met een soort DNA-streepjescode. De onderzoekers brengen ze  vervolgens in een waterstroom in, om ze verderop terug te vinden. Door de streepjescode is te achterhalen wanneer en waar de deeltjes zijn ingebracht. Zo volgen de onderzoekers waterstromen, en sporen ze bijvoorbeeld de bron van verontreinigingen op. Eind 2018 kon het team het onderzoek uitbreiden, door middel van een Europees samenwerkingsproject, UrbanWat.

COVID-19

Vanaf het begin kozen de onderzoekers voor intensieve samenwerking met NTNU in Noorwegen. De Delftse postdoc van dit project, Sulalit Bandyopadhyay, bleef tijdens al het onderzoek verbonden aan het Noorse NTNU. Daar veranderden de onderzoekers de microdeeltjes om beter toepasbaar te zijn voor het wateronderzoek. Ze ondervonden echter problemen bij het met DNA labelen van het microdeeltje. RNA daarentegen bleek wel goed te binden aan de oppervlakte van de microdeeltjes. En, een geluk bij een ongeluk, dat RNA is ook het genetische materiaal in het virus dat COVID-19 veroorzaakt.

Nieuwe detectiemethode

De Noorse onderzoekers bouwen voort op deze vinding bij de ontwikkeling van een nieuwe testmethode naar het coronavirus. Zij gebruiken de microdeeltjes om RNA te extraheren uit een oplossing met een monster van een patiënt. De microbolletjes bevatten ijzeroxide waardoor een magneet het RNA kan afscheiden en zuiveren. Vervolgens identificeert men de genetische code van dat gezuiverde RNA en vergelijkt deze met het coronavirus. Deze nieuwe testmethode lijkt gevoeliger te zijn dan huidige methodes om het coronavirus op te sporen. In de projectgroep in Noorwegen wordt daarom nu opgeschaald om minimaal voor 150.000 tests per week aan microbolletjes te produceren in dat land. Of deze methode ook in Nederland zal worden toegepast is nu nog niet bekend.

De Europese Commissie ondertekende de grant agreement voor Water Mining. Met dit project is een bedrag van zeventien miljoen euro gemoeid. Betrokken partijen, zoals de TU Delft, gebruiken dit geld voor demonstratieprojecten van innovatieve oplossingen op het gebied van water.

Als onderdeel van het project Water Mining bouwen wetenschappers faciliteiten in Cyprus, Spanje, Portugal, Italië en Nederland. Hiermee demonstreren ze nieuwe technieken voor terugwinning van nutriënten, mineralen, energie en water uit industrieel en stedelijk afvalwater en zeewater. Het publiek-private consortium bestaat uit 38 publieke en private partners  in twaalf landen. De TU Delft leidt het onderzoek.

Het Water Mining-project moet praktische voorbeelden geven voor de implementatie van het zogeheten Water Framework Directive. Deze Europese richtlijn moet de overgang naar een circulaire economie bevorderen. Het project sluit daarnaast aan bij de recentelijk gepresenteerde Europese Green Deal. De demonstraties zullen enkele eerder ontwikkelde innovatieve technologieën integreren. Men verwacht dat de eindproducten met toegevoegde waarde zoals water, platformchemicaliën, energie, nutriënten en mineralen regionale economische ontwikkeling stimuleren.

Hoogleraar Environmental Biotechnology Mark van Loosdrecht van de TU Delft: ‘Water is essentieel voor de gezondheid van de mens, zeker in stedelijke gebieden. Het wegspoelen van sanitair afval uit de stad is een van de belangrijkste functies. Dit programma zal helpen bij het terugwinnen van dit water en bij het omzetten van afvalbestanddelen in grondstoffen, en zal op die manier bijdragen aan een sterkere circulaire economie.’

Maatschappelijke inbedding

De manier van implementatie van de nieuwe technologie zal samen met een aantal belanghebbenden worden ontworpen. Via wetenschapsmusea zoals NEMO in Nederland en Living Labs in heel Europa nodigt het project ook het publiek uit om mee te denken over de maatschappelijke impact en mogelijke aandachtspunten. Met behulp van augmented reality presenteert het project de wetenschap achter de technologie, de gemeten ecologische voetafdruk en de eventuele maatschappelijke impact.

Water Mining wil een voorbeeld zijn voor de maatschappelijke inbedding van technologische innovaties. ‘We zijn van plan om meer dan 24 workshops te organiseren met deskundigen, beleidsmakers, de industrie, civiele gemeenschappen en het publiek om de innovaties te laten zien en de implicaties ervan te bespreken, zoals de ecologische voetafdruk, lokale veranderingen en gevolgen’, zegt Patricia Osseweijer, hoogleraar Biotechnology and Society aan de TU Delft en coördinator van het project.

Samenwerking

Nieuwe technologie voor de behandeling en ontzilting van afval- en zeewater vereist nieuwe regels en voorschriften, evenals nieuwe businessmodellen. Samen met de industrie, stadsbesturen en regionale waterorganisaties zullen dit soort beleids- en verdienmodellen worden ontwikkeld. Samenwerking is essentieel om de kosten te verlagen en de efficiëntie en maatschappelijke opbrengsten te verhogen.

Dr. Dimitris Xevgenos, die met Mark van Loosdrecht en Patricia Osseweijer deel uitmaakt van het coördinerende team: “Water Mining is geen concept dat van de ene op de andere dag is ontwikkeld. Het is een proces geweest van bijna tien jaar, dat is uitgevoerd met onderzoeksgroepen die verschillende expertises meebrengen. Deze groepen zijn nu lid van het projectconsortium, en staan te springen om bij te dragen aan de systematische innovatie die nodig is om de overgang naar een circulaire economie daadwerkelijk te laten plaatsvinden.’

Het Water Mining-project gaat op 1 september 2020 van start.

Paulien Herder, hoogleraar Energy Systems aan de TU Delft, en haar onderzoeksteam binnen het interdisciplinaire consortium Reversible Large-scale Energy Storage (Release), krijgen ruim tien miljoen euro toegekend van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) voor hun onderzoek naar grootschalige energieopslag.

Release werkt aan nieuwe technologische mogelijkheden op het gebied van energieopslag. Het project concentreert zich op drie technologieën voor de korte (2030) en lange termijn (2050): waterstofproductie, koolwaterstofproductie uit CO2 en flowbatterijen.

Herder: ‘Het doel van ons consortium is om de handen ineen te slaan op het gebied van energieopslag en versnelling van de verduurzaming. TU Delft werkt daarvoor samen met wetenschappers uit sterk uiteenlopende disciplines en publieke -en private partners. Voor het bereiken van wetenschappelijke doorbraken op dit gebied is een actieve samenwerking binnen de kennisketen van groot belang. Met elkaar willen wij voor 2030 en 2050 technologische oplossingen en beleidsmaatregelen realiseren die essentieel zijn voor het verbeteren van de prestaties. Maar ook voor het verlagen van de kosten van grootschalige energieopslag, gebaseerd op elektrochemische omzettingen.’

Alliantie

Het consortium bestaat uit universiteiten, hogescholen, bedrijven, field-labs en overheden, in een ongeëvenaarde alliantie van lab schaal tot implementatie. Ruim 40 onderzoekers van zeven universiteiten en 25 partners kunnen binnen dit consortium met hun teams aan de slag met interdisciplinair onderzoek waarmee maatschappelijke en wetenschappelijke doorbraken binnen bereik komen. Het onderzoek binnen het Release project past ook mooi binnen het Delftse onderzoeksinitiatief e-Refinery.

Crossover-programma NWO

NWO steekt vanuit het Crossover-programma in totaal 39 miljoen euro in vijf grote, interdisciplinaire onderzoek consortia om vooruitgang te boeken binnen diverse maatschappelijke en economische uitdagingen.

Het Crossover-programma is nieuw binnen NWO en is onderdeel van de NWO-bijdrage aan het Kennis- en Innovatie Contract 2018-2019. Met dit contract onderschrijven overheid, bedrijfsleven en kennisinstellingen de inhoudelijke ambities voor de topsectoren, met als doel het Nederlandse kennis- en innovatiesysteem te versterken.  In vergelijking met de ‘reguliere’ publiek-private samenwerkingen bestrijken de projecten in het Crossover-programma een breder palet van topsectoren en andere onderzoeksagenda’s.

TU Delft, Shell en diverse topconsortia (TKI) investeren samen vijf miljoen euro in de ontwikkeling van elektrochemische technologie. Dat maakt het Delftse e-Refinery consortium vandaag bekend.

Met de investering in het project dat gerelektrochemieicht is op grootschalige elektrochemische productiesystemen dragen Shell en de andere partners bij aan de doelstellingen van TU Delft e-Refinery.  Dit Delftse overkoepelende programma werkt aan de doorbraaktechnologie waarmee COen water via de elektrochemische route worden omgezet in koolwaterstoffen, in eerste instantie etheen. Deze koolwaterstoffen kunnen vervolgens worden ingezet als duurzame grondstoffen, brandstoffen en als opslagmedium voor duurzame elektrische energie.

Bouwstenen

Vorig jaar mei werd e-Refinery opgericht, doordat de TU Delft haar activiteiten bundelde op het snijpunt van industrie en energie. Het consortium helpt de chemische en energie-industrie te elektrificeren en decarboniseren. Het e-Refinery-project omvat de hele ontwikkeling: van een basisontwerp tot over vijf jaar een compleet 100 kW-systeem voor elektrolyse. De productie van etheen is later uit te breiden naar andere bouwstenen, zoals methaan, methanol, koolmonoxide en ammoniak.

 

 

Vandaag, tijdens World Water Week, ontvangen Mark van Loosdrecht (TU Delft) en Bruce Rittmann (Arizona State University) de prestigieuze Stockholm Water Prize. De World Water Week is een grootschalige internationale conferentie waar ruim 3300 deelnemers uit meer dan 130 landen op af komen. Dit jaar is het thema ‘water, ecosystemen en menselijke ontwikkeling’.

Van Loosdrecht en Rittmann krijgen de Stockholm Water Prize voor hun op microben gebaseerde processen voor afvalwaterzuivering. Hun vooruitstrevende onderzoek, en de daaruit voortvloeiende innovaties, hebben geleid tot vermindering van kosten en energieverbruik in afvalwaterbehandeling, maar ook tot het terugwinnen van stoffen daaruit.

Stockholm Water Prize

De Stockholm Water Prize wordt jaarlijks uitgereikt door het Stockholm International Water Institute (SIWI) en de  Royal Swedish Academy of Sciences aan een person of organisatie voor uitmuntende water-gerelateerde verdiensten’. De Zweeds kroonprinses Victoria zal de prijs namens koning Karel XVI Gustaaf van Zweden – beschermheer van de Stockholm Water Prize – overhandigen tijdens de Wereldwaterweek in Stockholm op 29 augustus.

Mark van Loosdrecht

Prof. dr. M.C.M. (Mark) van Loosdrecht (1959) is hoogleraar Milieubiotechnologie en Waterzuivering aan de TU Delft. Hij bestudeert en beïnvloedt de eigenschappen van micro-organismen en microbiële gemeenschappen in technische systemen. Hij combineert onderzoek en ingenieurschap in het ontwikkelen van technologieën. Zijn onderzoek naar het gedrag van bacteriën onder dynamische condities zorgt voor nieuwe manieren om water te zuiveren of waardevolle stoffen te maken uit afvalmateriaal.

Het Waddenfonds kent 480.000 euro subsidie toe om een zogenoemde Battolyser te realiseren naast de Magnum-centrale van Nuon in Eemshaven. Deze installatie kan op een efficiënte manier elektriciteit opslaan of leveren als een batterij, én water splitsen in waterstof en zuurstof door elektrolyse. Begin 2019 moet het project gereed zijn. 

De subsidie is toegekend aan Battolyser BV,  een joint venture van TU Delft en Proton Ventures. Energiebedrijf Nuon en chemiebedrijf Yara dragen ook bij aan het ontwikkeltraject. 

Doel van Nuon is om in de toekomst op grote schaal overschotten stroom uit wind en zon voor langere termijn op te kunnen slaan en te recyclen voor elektriciteitsproductie. Eind 2016 presenteerde de onderzoeksgroep van professor Fokko Mulder aan de TU Delft de succesvolle realisatie van een Battolyser op laboratoriumschaal. Het nieuwe project bij de Magnum-centrale is een eerste concrete opschaling naar veel grotere systemen. De geproduceerde waterstof zal worden toegepast voor koeling van de generatoren en vervangt de grijze waterstof die daar momenteel voor gebruikt wordt. Uiteindelijk wil Nuon de geproduceerde waterstof gebruiken als CO2-vrije brandstof voor de gascentrale.

Waterstof speelt ook een belangrijke rol in de verduurzaming van chemische producten en de elektrificatie van het productieproces bij chemische bedrijven als Yara en Proton Ventures. De battolyser kan een belangrijke oplossing vormen in het integreren van intermitterende duurzame energie enerzijds en de wens te elektrificeren bij dergelijke bedrijven anderzijds.

Hoog rendement

In feite is de Battolyser een elektrolyser met nikkel-ijzer elektroden zoals in de Edison-batterij van ruim 100 jaar geleden. Nadelen van deze Edison-batterij waren de waterstofverliezen tijdens het laden en de lagere bruikbare capaciteit. De battolyser benut juist de waterstofproductie en verbetert ook de batterijcapaciteit. Volledig opgeladen functioneert de Battolyser als elektrolyser die met een hoog rendement waterstof produceert uit water en elektriciteit. Op het moment dat er een tekort is aan elektriciteit voedt de Battolyser het net als een batterij.

Opschaling

De eerste battolyser van 15kW/60kWh zal begin 2019 in Eemshaven worden geplaatst, waarna het apparaat cyclisch getest wordt om de zuiverheid van het waterstofgas en de efficiëntie te kunnen onderzoeken. Na de testfase wordt een plan voor een volgende opschaling opgesteld. Zo wordt nu al gekeken naar installaties met een capaciteit van van 1 en zelfs 10 megawatt. Deze zijn te plaatsen bij industriële partners, of op locaties waar op grote schaal elektriciteit van offshore windparken aan land komt, bijvoorbeeld bij de Nuon-centrales in Eemshaven en Velsen.

Vliegwiel

Nuon ziet waterstof als een essentiële schakel in de energietransitie en in het bereiken van de doelen uit het Klimaatakkoord van Parijs; waterstof kan fungeren als CO2-vrije brandstof en flexibele back-up voor wind en zon. Nuon hoopt met de Magnum-centrale in Groningen te kunnen functioneren als vliegwiel voor een groeiende waterstofeconomie in Groningen en de rest van Nederland.

De TU Delft bundelt zijn activiteiten op het snijpunt van industrie en energie in de e-Refinery. Dit consortium helpt de chemische en energie-industrie te elektrificeren en decarboniseren. Samen met programmamaker Paulien Herder lanceerden decaan Theun Baller en Lucas van Vliet, decaan van faculteit TNW, officieel het consortium in de 3mE-proeffabriek.

Baller: ‘Met e-Refinery investeert TU Delft samen met de industrie fors in de klimaatuitdaging van de chemische en energie industrie. Daarnaast leiden wij de energie-experts van de toekomst op die duurzame brand- en grondstoffen kunnen ontwikkelen. Het unieke aan e-Refinery is dat de TU Delft alle expertise in huis heeft en deze bundelt, waarbij de hele keten, van materiaal tot en met processen en opschaling, wordt meegenomen. Samen met de industrie en kennisinstellingen gaan we hiermee de uitdaging aan om de duurzame transitie te versnellen.’

Veel onbekend

e-Refinery is een overkoepelende visie op de toekomst van duurzame chemicaliën en brandstoffen. Doel is het omschakelen van de energie- en chemiesector van fossiele brandstoffen naar hernieuwbare grondstoffen en elektriciteit. Deze elektriciteit is bij voorkeur afkomstig uit hernieuwbare bronnen zoals zonne- en windenergie. Het is de basis van een uitgebreid netwerk van chemische en energetische omzettingen, waarvan nog niet precies bekend is hoe het eruit gaat zien.

Technology readiness

Wetenschappers hebben al aangetoond dat de afzonderlijke stappen van een e-Refinery mogelijk zijn. Het eenvoudigste voorbeeld is de omzetting van waterstof, met hulp van elektrische stroom op industriële schaal. Maar daarna zijn verdere stappen nodig, zoals het omzetten van koolstofdioxide tot brandstoffen en grondstoffen voor de chemische sector. Of bijvoorbeeld het koppelen van waterstof met stikstof tot ammoniak. De meeste van deze processen hebben een te laag Technology Readiness Level voor industriële toepassingen, er zijn nog fundamentele onderzoeksvragen die de TU Delft wil beantwoorden.

Subsidies zijn haast niet meer nodig. En er is nog steeds veel ruimte voor kostenreductie in windenergie. Een belangrijke rol daarbij speelt predictive maintenance.

‘Operatie en onderhoud zijn goed voor bijna een derde van de kosten van offshore windenergie. Slim gebruik van data van turbinesensoren en geavanceerde modelleringstechnieken kunnen worden gebruikt om proactief en voorspellend om te gaan met onderhoud. Dat is de sleutel tot het kostenefficiënt in bedrijf houden van windturbines’, stelde prof.dr. Simon Watson onlangs in zijn intreerede aan de TU Delft.

Geen publieke subsidie

Windenergie heeft de laatste dertig jaar een bijzondere groei meegemaakt. Watson: ‘Vooral Europa heeft windenergie omarmd; in de eerste helft van 2017, werd 11,5 procent van de elektriciteitsvraag in de EU gedekt door windenergie. In meer dichtbevolkte gebieden, zoals Nederland, hebben we een ontwikkeling gezien naar windenergie op zee. De eerste offshore wind farms waren veel duurder dan hun neven op het land. Recent hebben een aantal partijen voorstellen gedaan voor de bouw van offshore wind farms tegen prijzen die geen publieke subsidie meer nodig hebben.’

Wake-effecten

Volgens Watson is er veel ruimte voor verdere kostenreductie en innovatie. Met geavanceerde statistiek en modelleringstechnieken kunnen complexe windomstandigheden beter in kaart worden gebracht. Op die manier zijn de effecten op de prestatie en levensduur van windturbines beter te begrijpen. Met meer inzicht is het mogelijk om de energieopbrengst te optimaliseren en de last op de turbine te verminderen, stelt Watson. Dit kan door de turbineblad-dynamica te verbeteren, de aansturing te optimaliseren en wake-effecten, veroorzaakt door het zog van andere turbines, te minimaliseren.

Energie-opslag

Naast de slimme inzet van data voor operatie en onderhoud is ook integratie met het energiesysteem een belangrijke ontwikkeling. Watson:  ‘Omdat windenergie een steeds groter deel levert van de elektriciteitsvraag van Europa, wordt de variabiliteit van het windaanbod een grotere uitdaging voor researchers. Zij moeten methoden ontwikkelen om stroom van offshore wind farms goed te integreren in de stroomnetwerken door interconnectie, vraagsturing en energie-opslag.’

TU Delft prof. Andrei Metrikine gaat met het project ‘Gentle Driving of Piles’ aannemers helpen bij het zo efficiënt mogelijk installeren van heipalen voor windturbines op zee. De voorgestelde methode heet ‘Gentle Driving of Piles’ vanwege de mogelijkheid om de belasting op de paal en het onderwatergeluid te verminderen.

Metrikine heeft via het GROW-programma (Growth through Research, development & demonstration in Offshore Wind) een subsidie van 2,6 miljoen euro van RVO ontvangen voor het project. De nieuwe methode is gebaseerd op het gelijktijdig gebruik van laagfrequente en hoogfrequente trillingen die met twee verschillende bewegingen tegelijk op de palen worden aangebracht. Dat is mogelijk zonder de snelheid van het werk en het draagvermogen van de bodem – essentieel voor een stabiele toepassing – te verminderen.

In de loop van het project zullen nieuwe modellen worden ontwikkeld en gevalideerd op basis van experimentele gegevens die worden verzameld tijdens het onderzoek, terwijl tegelijkertijd nieuwe methodes voor het inbrengen van palen zullen worden getest.

GROW

Growth through Research, development & demonstration in Offshore Wind is een programma voor onderzoek, ontwikkeling en demonstratie rondom offshore windinstallaties ter waarde van meer dan 100 miljoen euro. Het betreft een consortium van zo’n 20 toonaangevende partners die in het kader van het programma kennis uitwisselen en intensief samenwerken. Zij werken aan het verlagen van de kosten voor offshore windinstallaties en het vergroten van de waarde binnen zowel het energiesysteem als het ecosysteem. Onderzoeksinstituten en bedrijven uit de gehele waardeketen voor offshore windenergie zijn betrokken bij het programma en zullen hun innovaties naar de markt brengen.

De projectpartners voor dit project zijn de TU Delft, Boskalis, Deltares, DOT, Eneco, Sif, TNO, ECN, Shell, IHC, Seaway Heavy Lifting en Van Oord.