VEMW Archieven - Utilities

De Wind Meets Industry coalitie lanceert een actieagenda die de elektrificatie van de industrie en verdere uitrol van wind op zee kan versnellen. De samenwerking tussen VEMW, NWEA, Energie-Nederland en Topsector Energie & Industrie koppelt de opgaven van zowel de industrie als de windsector.

VEMW is positief over de focus van de overheid op vraagstimulering via onder meer de verbrede SDE++. De focus stimuleert verduurzaming van de industrie maakt tegelijkertijd de verdere groei van duurzaam aanbod mogelijk. De opties voor het ontwikkelen van nieuwe Nederlandse duurzame bronnen zijn beperkt. Daarom is de verdere uitrol van windparken belangrijk voor een succesvolle energietransitie.

De industrie is een grote potentiële afnemer van nieuwe, duurzame windenergie. Zeker wanneer zij succesvol kan elektrificeren. Met andere woorden: de industrietransitie en energietransitie gaan hand in hand. Daarvoor moet de verdere ontwikkeling van duurzaam, betrouwbaar en betaalbaar aanbod wel gelijke trend houden met de afzetmogelijkheden in de industrie. De Wind Meets Industry coalitie wil vraag en aanbod bij elkaar brengen door samen te werken vanuit gedeelde, transparante kennis en expertise.

Randvoorwaarden ontbreken

De Wind Meets Industry coalitie lanceerde een actieagenda die een aantal acties bevat om de succesvolle elektrificatie van de industrie en verdere uitrol van wind op zee mogelijk te maken. Elektrificatie in de industrie is namelijk niet mogelijk zonder het creëren van een aantal cruciale randvoorwaarden. De elektriciteitsinfrastructuur moet tijdig beschikbaar zijn en de SDE++ moet de onrendabele top van elektrificatie-opties adresseren.

Verder spelen er nog een aantal andere belemmeringen, zoals de hoogte van de elektriciteitsprijs en oplopende netwerkkosten. Daarnaast is er een behoefte aan toenemende flexibiliteit, ook aan de vraagzijde. De coalitie wil dat er meer kennisuitwisseling plaatsvindt ten aanzien van flexibiliteit en vraagt om een stimulerend beleidskader. De coalitie wil daarom samen met de overheid en de netbeheerders deze actieagenda gaan uitvoeren. Er is regie nodig om de benodigde infrastructuur tijdig te realiseren en een stabiel wettelijk kader te creëren dat investeringszekerheid voor bedrijven in Nederland op de lange termijn faciliteert.

Morgen om tafel

Voorzitter van VEMW Gertjan Lankhorst: ‘De industrie heeft in de toekomst veel groene stroom nodig. Niet alleen om te elektrificeren, maar ook voor CCUS en groene waterstof. De uitdaging is om deze vraag naar elektronen op een slimme manier te matchen met het aanbod aan windenergie. Dat kan alleen door als sectoren snel met elkaar om aan tafel te zitten. We hebben daarbij ook de netbeheerders en de overheid nodig.’

Over de toekomstige  samenwerking zei Lankhorst: ‘Tijdens het Klimaatakkoord hebben we elkaar al beter leren kennen en nieuwe coalities zijn al ontstaan. De regionale koploperprogramma’s in verschillende industriële clusters zijn nu klaar met hun cluster energiestrategieën. Wij willen dus morgen met de netbeheerders en de overheden aan tafel om te werken aan een succesvolle implementatie van de gezamenlijke verduurzamingsplannen.’

Minister Wiebes van Economische Zaken heeft gisteren de visie van het kabinet op waterstof voorgelegd aan de Tweede Kamer. Volgens VEMW straalt de visie ambitie uit, is realistisch en praktisch. De belangenbehartiger van zakelijke energie- en watergebruikers  mist nog wel duidelijkheid over de marktordening.

Voor een duurzaam, betrouwbaar, betaalbaar, veilig en ruimtelijk inpasbaar energiesysteem zijn moleculen – naast elektronen – onmisbaar. Die moleculen komen volgens het kabinet in de toekomst vooral uit groen gas en met name waterstof. Om de kansen van waterstof  optimaal te benutten zijn opschaling, kostenreductie en innovatie essentieel.

Internationale strategie

Momenteel is Nederland na Duitsland al de grootste producent van grijze waterstof in Europa. Uit een tiende van het Nederlandse aardgas produceert de industrie waterstof. Bijna alles wordt ingezet in de olieraffinage en de chemische industrie. De waterstofvraag concentreertzich in de vijf grote industriële clusters in Nederland.

Volgens het kabinet kan deze bestaande vraag de transitie naar groen groen geproduceerde waterstof aanjagen. Ook ziet het kabinet mogelijkheden voor Nederland bij het ontstaan van een internationale waterstofmarkt. Waterstof kan et als olie en aardgas een commodity worden. En dan kan Nederland met haar geografische ligging, havens, pijpleidingen en opslagfaciliteiten een spilfunctie vervullen in de regio. De beleidsagenda zet dan ook in op een actieve internationale strategie.

Opschaling en kostenreductie

Algemeen directeur Hans Grünfeld van VEMW is blij met de Nederlandse ambitie: ‘De kansen liggen in de verschillende toepassingen, de industrie voorop met waterstof als grondstof en energiedrager. Maar ook in de mobiliteit en gebouwde omgeving.’

Volgens Grünfeld stelt het kabinet terecht dat alle soorten emissieloos waterstof nodig zijn, zowel groene als blauwe waterstof.  ‘De waterstofvisie is ook realistisch. Om een waterstofmarkt van de grond te krijgen erkent het kabinet dat ondersteuning vanuit de overheid noodzakelijk is. Huidige instrumenten zoals de SDE++ voorzien onvoldoende hierin. Er is een nieuw -tijdelijk – instrument nodig voor opschaling en kostenreductie van groene waterstof.’

Groene grondstof

VEMW is ook blij dat het kabinet de regie wil nemen. Het kabinet geeft in haar visie aan dat de waterstofketen een volwassen netwerksector kan worden, zoals elektriciteit en aardgas. Waarbij het transportnetwerk een natuurlijk monopolie is. Het bestaande gasnet kan worden ingezet voor het transport van waterstof. Het kabinet geeft volgens VEMW terecht aan dat de ordening van de toekomstige waterstofmarkt nader onderzoek vraagt..
Grünfeld vindt de kabinetsvisie nog wel te onduidelijk over de marktordening die de ontwikkeling van emissieloos waterstof mogelijk moet maken. Vooral de rol van de netbeheerders en de bescherming van afnemers wordt nog onvoldoende duidelijk. ‘VEMW wordt graag betrokken bij de discussie hierover.’ Samen met de overheid wil ze een succes maken van waterstof als  groene grondstof en energiedrager.

De Deltacommissaris verzorgt op 14 februari de afsluitende lezing tijdens Watervisie 2019.  Peter Glas zal als kersverse Deltacommissaris onder meer ingaan op het belang van het werk aan de Delta voor de zakelijke watergebruiker. Het Watervisie-congres wordt georganiseerd door VEMW, Industrielinqs en Evides Industriewater. De partijen zijn vereerd dat de Deltacommissaris bereid is om een bijdrage te leveren aan Watervisie 2019.

De Deltacommissaris waakt erover dat Nederland nu en in de toekomst beschermd is tegen hoog water. Ook de zorg voor voldoende zoet water behoort tot het takenpakket. Een veilige, bereikbare en leefbare delta die toegang biedt tot voldoende (zoet) water van de juiste kwaliteit is een belangrijke vestigingsconditie voor economische activiteiten. Het werk van de Deltacommissaris is met andere woorden van groot belang voor watergebruikers zoals de industrie.

Watervisie, hét congres voor de waterprofessional, wordt dit jaar voor de zevende keer georganiseerd. Watervisie richt zich op een breed publiek, in het bijzonder op professionals die werken voor of bij de industrie. Heineken Nederland in Zoeterwoude is dit jaar gastheer van het Watervisie-congres. De brouwer heeft zijn eigen watervisie vastgelegd in de Brewing a Better World strategie. Onderdeel van het congres is de verkiezing van de Waterinnovator of the year.

Branchevereniging voor de energiegrootverbruikers VEMW maakt zich namens zijn leden zorgen over de nieuwe gratis allocatieregels voor ETS. Bedrijven die investeren in power-to-heat-technologie zouden dankzij deze nieuwe regels hun gratis emissierechten kunnen verliezen. Dat houdt volgens algemeen directeur Hans Grünfeld van VEMW duurzame investeringen tegen.  

Een paar weken geleden lanceerde de Europese Commissie (EC) een raadpleging over de gratis allocatie regels. Deze regels bepalen de verdeling van gratis rechten voor ETS-deelnemers in de  nieuwe fase van het Europese emissiehandel systeem (EU ETS) in  2021-2030.

Om het aantal te ontvangen gratis rechten te bepalen verzamelen lidstaten gegevens van ETS-installaties via monitorings- en rapporteringsplannen. In EU ETS fase 4 wil de EC een nieuwe, meer gecentraliseerde manier van gegevensverzameling introduceren. Via een sjabloon dat is opgesteld door de EC zullen lidstaten informatie opvragen aan ETS-deelnemers. De lidstaten moeten uiterlijk 30 september 2019 de lijst met gegevens indienen bij de EC. Op basis van die gegevens wordt het aantal te ontvangen vrije rechten bepaald. Er zijn meer gegevens van installaties nodig dan in de huidige fase van EU ETS. Zo wil de EC gegevens over de historisch emissie per subinstallatie om de benchmarkwaarden vast te stellen.

Europese industrie is bezorgd

In Brussel wordt de inhoud van de concept regels besproken met de Europese lidstaten en de industrie. De Europese industrie is bezorgd over een aantal methodologische veranderingen die de EC wil doorvoeren. De gratis allocatie regels vormen de eerste stap in het bepalen van de benchmarkwaarden voor installaties. Het updaten van de benchmarkwaarden zal echter via een aparte gedelegeerde handeling moeten gaan. Nu wil de EC al een aantal bepalingen in de gratis allocatieregels opnemen die bepalend gaan zijn voor het vaststellen van de benchmarkwaarden. Dit kan in het bijzonder onwenselijke effecten opleveren voor ETS-deelnemers die gratis rechten ontvangen via een warmte benchmark. De EC stelt een nieuwe methode van gegevensverzameling voor, waarbij er net als bij product-benchmarks zal worden gekeken naar de 10% meest efficiënte ketels. Dat kan ertoe leiden dat deze  benchmark flink wordt aangescherpt en deelnemers minder rechten kunnen ontvangen. Daarnaast is er binnen de gratis allocatie rechten geen ruimte voor technologieontwikkelingen die warmte leveren via een elektrische boiler of warmtepomp (Power-to-heat).  Als een bedrijf omschakelt van een conventionele warmtebron (bijvoorbeeld een gasketel) naar een elektrische boiler, zal zij volgende de huidige regels haar gratis rechten verliezen. Algemeen directeur van VEMW Hans Grünfeld: “Elektrificatie van de industrie kan een hele belangrijke rol gaan spelen in de toekomst. Daarnaast is het ook goed voor de verduurzaming van onze energievoorziening. Het is onwenselijk dat de toepassing van deze technologie mogelijk belemmerd wordt door het EU ETS.”

Belangenvereniging voor de energie- en watergrootverbruikers VEMW bespeurt zowel een verhoging in de energiebelasting als een verzwaring van de belasting op aardgas. De verschuiving past bij de vergroening die het kabinet voor ogen heeft.

De Energiebelasting wordt, volgens de Miljoenennota die het Kabinet op Prinsjesdag heeft gepresenteerd, in 2019 verhoogd met 410 miljoen euro. De belastingen op Milieugrondslag nemen daardoor toe van 5,5 naar 5,9 miljard euro. Daarnaast vindt een verschuiving plaats van tweehonderd miljoen euro van belasting op elektriciteit naar aardgas.

Deze maatregel past in de vergroening die het Kabinet voor ogen heeft. Door aardgas (fossiel) zwaarder te belasten ten gunste van elektriciteit zouden duurzame oplossingen als warmtepompen en aardwarmte gestimuleerd worden.

Wat vervuilender is voor het milieu wordt zwaarder belast: de belasting op fossiele  energie (aardgas) gaat omhoog. De eerste schijf, 0-170.000 kuub stijgt met drie cent per kuub op 26,001 cent per kuub. De belasting op schonere energie, ofwel elektriciteit, gaat omlaag. De eerste schijf, 0-10.000 kilowattuur stijgt met 0,72 ct per kilowattuur op 10,458 cent per kilowattuur.

Zodra de belastingtarieven definitief en bekend zijn voor alle schijven zal VEMW de nieuwe tarieven verwerken in haar rekenmodule, zodat VEMW-leden kunnen uitrekenen hoeveel belasting ze zullen afdragen aan de fiscus over 2019.

 

Bedrijven die proceswater lozen en daarbij de best beschikbare technieken toepassen hoeven alleen verdergaande saneringsmaatregelen te treffen als deze kosteneffectief zijn. Dat betekent dat de kosten van maatregelen mogen worden meegenomen bij de beoordeling van die maatregelen. In 2018 is door Rijkswaterstaat een methode ontwikkeld die voorschrijft hoe dat gedaan moet worden. De methode is in nauw overleg met VEMW ontwikkeld.

Met kosteneffectiviteit  wordt bedoeld: de in rede te verlangen inspanning, uitgedrukt als jaarlijkse kosten (EUR) van een maatregel, afgemeten aan de jaarlijks vermeden emissie (kg-verwijderd). Als bijvoorbeeld een hele dure maatregel slechts een klein beetje vervuiling wegneemt, is zo’n maatregel meestal niet kosteneffectief. Centraal in de ontwikkelde methode staan de ‘kosteneffectiviteitsdrempels’. Deze zijn stofspecifiek. Zo heeft kwik een andere drempel dan stikstof: voor het verwijderen van een kilogram van de zeer waterbezwaarlijke stof kwik zijn de aanvullende kosten die van een bedrijf mogen worden gevraagd hoger dan voor het verwijderen van een kilo stikstof.

Het meewegen van de kosteneffectiviteit van maatregelen mag overigens niet in alle gevallen. Een bestaande lozing waarin nieuwe stoffen worden ontdekt of een lozing waar stoffen in aanwezig zijn waarvoor de waterkwaliteitsnormen zijn aangescherpt zijn voorbeelden van situaties waarin kosteneffectiviteit meegenomen mag worden.

Document

De methode is vastgelegd in een document. Het kan worden gebruikt door bedrijven bij het opstellen van een vergunningsaanvraag en door het bevoegd gezag voor de beoordeling van lozingsaanvragen.

Kijk voor het document van Rijkswaterstaat Op de site van VEMW.

 

Volgens uitgelekte plannen van het kabinet moet een begrotingsgat van circa zeshonderd miljoen euro onder meer gedicht worden door verhoging van de Energiebelasting voor het gebruik van aardgas met tweehonderd miljoen euro. Volgens Hans Grünfeld van VEMW leidt dit niet tot een lager energiegebruik en verlaging van de CO2-emisies. ‘Het verslechtert louter de concurrentiepositie van bedrijven in Nederland.’

Op Prinsjesdag presenteert het kabinet het regeringsbeleid voor het komende jaar. Daarin zal zeker opgenomen zijn wat de inzet van kabinet is ten aanzien van het energie- en klimaatbeleid. Volgens vorige week uitgelekte plannen moet er kennelijk een begrotingsgat worden gedicht dat ontstaan is door hogere uitgaven voor afschaffing van de dividendbelasting. Die maatregel zou de Staatskas door aantrekking van de economie twee in plaats van 1,4 miljard euro per jaar kosten. Deel van de oplossing: verhoging van de Energiebelasting voor het gebruik van aardgas met tweehonderd miljoen euro voor de gasverbruikers in de industrie.

Begrotingsgat dichten

Algemeen directeur Hans Grünfeld van VEMW: ‘de maatregel is kennelijk bedoeld om een begrotingsgat te dichten en niet om minder energie te gebruiken en daarmee de CO2-uitstoot te verlagen. Voor bedrijven die deze extra belasting moeten opbrengen is het louter een verhoging van de productiekosten zonder dat daar iets tegenover staat. De bedrijven die gebruik kunnen maken van een verlaging van de dividendbelasting en de vennootschapsbelasting zijn namelijk niet dezelfde als zij die deze lastenverhoging gaan dragen. Het betreft de vestiging van de hoofdkantoren en niet de productievestigingen. Dat doet het Nederlandse investeringsklimaat geen goed, maar zorgt er ook voor dat het geld voor die extra kosten niet kan worden geïnvesteerd in maatregelen voor uitvoering van het Klimaatakkoord, dat in de maak is om de emissies van broeikasgassen tot 2030 te reduceren.

De vertegenwoordiger van de industriële grootverbruikers VEMW zegt bij monde van Algemeen Directeur Hans Grünfeld tevreden te zijn over het resultaat van de eerste fase van het energieakoord. VEMW heeft actief bijgedragen aan de industrietafel en de elektriciteitstafel en is verheugd over het door alle partijen overeengekomen resultaat. Hiermee is de eerste stap gezet op weg naar een Klimaatakkoord dat het kabinet eind dit jaar wil afsluiten en dat de mogelijkheid biedt voor de industrie en andere energie-gebruikende sectoren om forse stappen te zetten in de transitie naar een duurzame samenleving.

Elektrificatie speelt een sleutelrol bij de verduurzaming van de industrie, mobiliteit en de gebouwde omgeving. Aan de elektriciteitstafel is afgesproken om de succesvolle aanpak van onrendabele top subsidiëring, kostenreductie en programmatische uitrol van duurzaam productievermogen te intensiveren. Hierdoor groeit het aandeel CO2-vrije elektriciteitsproductie fors en wordt ruim 20 Mton CO2-uitstoot bespaard. Minstens zo belangrijk zijn de voorstellen om de betrouwbaarheid en betaalbaarheid van de energietransitie te borgen. Zo bevat de bijdrage van de elektriciteitstafel voorstellen die groei van duurzaam aanbod combineren met behoud van de huidige hoge betrouwbaarheid van de stroomvoorziening. Tevens worden maatregelen voorbereid om de kostenstijging te beperken en het huidige doelmatige en goed functionerende marktmodel te borgen.

Cruciaal hiervoor is de omslag van aanbod- naar vraagsturing. Algemeen directeur Hans Grünfeld van VEMW: “Wij zijn verheugd over de overgang van stimulering van de CO2 vrije elektriciteitsproductie naar CO2 vrije elektriciteitsconsumptie, omdat hiermee op doeltreffende en doelmatige wijze de transitie wordt bevorderd. Door de vraag te stimuleren wordt groei van duurzaam aanbod mogelijk gemaakt. Een aanbod dat gelijke tred houdt met afzetmogelijkheden in industrie en andere sectoren. Op haar beurt faciliteert de groei van flexibele vraag vanuit de industrie de toename van weersafhankelijk duurzaam elektriciteits-productievermogen. Wanneer de zon niet schijnt en het onvoldoende waait kan de industrie hulp bieden door tijdelijk en gedeeltelijk af te schakelen of om over te schakelen op andere energiebronnen. Door het afbouwen van de subsidiëring van duurzame energieproductie komen middelen vrij om de onrendabele top van elektrificatie en andere CO2-reductiemaatregelen in de industrie te financieren.”

Industrietafel

Met de grootschalige uitrol van energiebesparing, elektrificatie en de afvang en opslag of hergebruik van CO2 kan de industrie de opgave van het kabinet realiseren van ruim 14 Mton uitstootvermindering. Aan de industrietafel zijn hiertoe voorstellen gedaan die perspectief bieden op een klimaatneutrale, circulaire industrie met een florerende toekomst. Naast het gebruik van reeds nu beschikbare technologieën wordt fors en tijdig ingezet op innovatie, demonstratieprojecten en technologie-opschaling. Hiervoor worden programma’s opgezet voor  groene waterstof, hergebruik van producten en materialen, toepassing van biomassa en de ontwikkeling van elektrische oplossingen voor hoge temperatuurtoepassingen in de industrie.

Met de versnelling van de industrietransitie, die tot 2030 extra investeringen vergen van € 15-20 miljard, neemt Nederland internationaal een koppositie in. Het maatschappelijk belang van deze investeringen rechtvaardigt een bijdrage van de overheid ter dekking van deze kosten die oplopen tot zo’n € 1 miljard in 2030. Daarnaast is overheidsregie nodig om de benodigde infrastructuur tijdig te realiseren en de vergunningverlening gestroomlijnd te laten plaats vinden en is een stabiel wettelijk kader noodzakelijk om investeringszekerheid te creëren die bedrijven in Nederland in staat stelt nieuwe waardeketens te ontwikkelen.

Voorzitter Gertjan Lankhorst van VEMW: “Er ligt een ongekende opgave op ons te wachten om de Klimaatdoelstellingen te realiseren. De grote winst van de overeenstemming over het voorstel ligt besloten in de breed gedragen, meerjarige programmatische aanpak om de enorme CO2-reductieopgave te kunnen realiseren en tegelijkertijd de concurrentiepositie van het innovatieve Nederlandse bedrijfsleven te benutten.”

De Nederlandse Vereniging Duurzame Energie (NVDE) en het Platform Bio-Energie hebben het initiatief genomen om als kennismakelaar obstakels te overwinnen die energiegebruikers op hun pad vinden wanneer ze hun warmtebehoefte willen vergroenen, bijvoorbeeld door toepassing van biomassa en geothermie.

Ook de industrie zal moeten bijdragen aan een reductie van de broeikasgasemissies van de energievoorziening. Dat vergt investeringen, brengt extra operationele kosten met zich mee, én biedt kansen. Kansen voor een nieuwe waardeontwikkeling, gebruik makend van concurrerend geprijsde hernieuwbare elektriciteit, warmte en grondstoffen waaronder biomassa. Wie nu verduurzaamt heeft straks een competitief voordeel. Maar helaas: de praktijk blijkt vele valkuilen te kennen. Bijvoorbeeld om realistische en onafhankelijke informatie te krijgen, onzekerheid ten aanzien van kosten(ontwikkelingen), de (on)mogelijkheden in de uitvoering en de toekenning van subsidie en vergunning. Dit doet de uitvoering van projecten gericht op verduurzaming van de energievoorziening nogal eens stagneren of zelfs tegenhouden.

Kennismakelaar

De Nederlandse Vereniging Duurzame Energie (NVDE) en het Platform Bio-energie hebben het initiatief genomen om als kennismakelaar de vastgestelde obstakels te overwinnen en de realisatie van hernieuwbare warmte en het gebruik van biomassa en geothermie daarbij te versnellen. Voor bedrijven die bereid zijn hun verduurzamingsplannen en de obstakels daarin om te komen tot realisatie, te delen met de NVDE, het Platform Bio-energie en andere bedrijven, hebben de initiatiefnemers een heel arsenaal aan kennis, tips, voorbeelden en verbetersuggesties beschikbaar. De initiatiefnemers willen met hun kosteloze dienstverlening komen tot het opstellen van een realistische business case, met een goede kans van slagen. De NVDE en het Platform Bio-energie zijn erop uit dat de energietransitie gerealiseerd wordt. Het belang van de energieverbruiker is de verduurzaming van zijn energiegebruik. Als u hierin geïnteresseerd bent, kunt u contact opnemen met VEMW.

Lees hier het bericht op de site van VEMW

VEMW stuurde een brief aan het Europees Parlement waarin zij haar zorgen uit over de plannen van de Europese Commissie (EC) inzake garanties van oorsprong. De EC stelt via het Clean Energy Package voor om spelregels voor Garanties van Oorsprong fors te wijzigen. De Wijzigingen hebben grote gevolgen voor bedrijven die duurzame energie inkopen of zelf opwekken. VEMW heeft het Europees Parlement van de problemen op de hoogste gesteld en concrete suggesties gedaan voor een oplossing.

Het Clean Energy Package (CEP) moet Europa’s brede energiestrategie worden, die richting geeft aan het Europese Energie- en klimaatbeleid tot 2030. Het CEP is een omvangrijk pakket is een verzameling van gewijzigde richtlijnen en verordeningen inzake energie. De bestaande Richtlijnen en verordeningen voor elektriciteit, hernieuwbare energie (RES), energie-efficiëntie (EED) en toezicht (ACER) worden ingrijpend aangepast.

Garanties van oorsprong

Een energiegebruiker heeft twee mogelijkheden om zijn energievraag te verduurzamen: zelf hernieuwbare energie opwekken of de behoefte vergroenen door de inkoop van gecertificeerde hernieuwbare elektriciteit of groen gas. De certificering gebeurt met zogenaamde ‘Garanties van Oorsprong’ (GVO), waarin de duurzame herkomst ondubbelzinnig, controleerbaar en rapporteerbaar is vastgelegd. De Commissie stelt met een wijziging van de richtlijn voor hernieuwbare energie voor om de koppeling van energie en GvO’s los te laten. Projecten waarvoor subsidie is verleend door een lidstaat krijgen niet langer zelf de GvO’s toegekend. Die GvO’s gaan naar de lidstaat. Door de lidstaten te verplichten om die GvO’s vervolgens te laten veilen moet er volgens de Commissie een transparante marktprijs voor GvO’s ontstaan. Daarmee wordt teven voorkomen dat producenten dubbel gecompenseerd worden.

Probleem

Algemeen directeur Hans Grünfeld van VEMW: ‘Het voorstel van de Commissie is onnodig en belemmert de groei van duurzame energie in Nederland. De tendersystematiek zoals die wordt gehanteerd in de SDE+ zorgt namelijk voor concurrentie en voorkomt daarmee al dubbele compensatie. Het voorstel leidt er toe dat de opbrengsten van de veiling niet direct in de markt komen en neerslaan op de verduurzamingsprojecten zelf , maar bij de lidstaat. Die lidstaat kan er voor kiezen om subsidies mee te financieren. Echter, ook de GvO komt niet langer terecht bij het project. Daarmee ontstaat een belemmering voor de realisatie van projecten zoals het windturbinepark Krammer (Zeeland), waarin een consortium van bedrijven (AkzoNobel, DSM, Philips en Google) elektriciteit en de GvO’s te kopen met een afname garantie van vijftien jaar. Ook een langjarig contract voor de inkoop van groene stroom, zoals de NS gebruikt, en projecten van bedrijven om op hun bedrijfslocatie zelf duurzame energie willen produceren zijn niet langer mogelijk wanneer de EC haar zin krijgt’

Oplossing

Grünfeld: ‘VEMW erkent dat de marktwaarde van GvO’s de kosten voor de overheid om duurzame energie te subsidiëren laag kan houden. Ook onderschrijft VEMW het idee dat een overstimulering van duurzame energie moet worden voorkomen. Het huidige voorstel van de commissie heeft echter negatieve implicaties voor duurzame energie projecten en verlaagt in Nederland de transparantie. VEMW roept daarom het Europees Parlement op om het voorstel van de Europese Commissie te amenderen door de verplichte veiling te schrappen, bestaande contracten en projecten buiten schot te laten en lidstaten te verplichten om de waarde van GvO’s mee te nemen wanneer subsidie wordt verleend.’

 

Op de site van VEWM is de brief te lezen