Shell Archieven - Utilities

Zoals een aantal jaren geleden veel projecten werden opgezet om biobrandstoffen te maken van plantaardig materiaal, schieten nu diverse projecten om afval om te zetten in allerlei grondstoffen als paddestoelen uit de grond. Zo richten verschillende bedrijven zich op het verwerken van afvalplastic dat niet geschikt is voor recycling. En zelfs CO2 is straks een nuttige materiaalstroom.

Het hele artikel vind je in onze digitale Projecten Special 2021!

Wereldwijd wordt flink geïnvesteerd in elektrolyzers die water met behulp van groene stroom splitsen. De Nederlandse bijdrage aan deze groene waterstofmarkt is echter nog niet heel groot. Het Elektrolyzer Makersplatform wil hier verandering in brengen. Al was het maar dat Nederlandse bedrijven de technologie kunnen leveren om grootschalige productie mogelijk te maken.

Het hele artikel lees je in de speciale (digitale) editie van Industrielinqs, Dossier Waterstof

Dow en Shell onderzoeken de mogelijkheden voor de aanleg van een multi-megawatt proefinstallatie voor elektrisch kraken. Deze zou in 2025 op moeten starten. Vorig jaar kondigden de twee bedrijven al aan kraakfornuizen met stroom te willen verhitten.

Shell en Dow hebben van de Nederlandse overheid via een MOOI-financiering (Missiegedreven Onderzoek, Ontwikkeling en Innovatie) een subsidie toegekend van 3,5 miljoen euro aan hun programma. Ook kondigen de twee bedrijven aan samen te werken met TNO en het Institute for Sustainable Process Technology (ISPT). De samenwerking tussen de vier partijen is erop gericht om de doelen op de korte en langere termijn sneller te behalen.

In het eerste jaar van de samenwerking hebben Dow en Shell de elektrificatieoplossingen voor de huidige stoomkrakers verder ontwikkeld, en hebben ze tegelijkertijd gewerkt aan ontwerpen van nieuwe geëlektrificeerde krakers op de langere termijn. Het doel is om de CO2-uitstoot te verlagen in lijn met de plannen van de bedrijven in 2030. Uiterlijk in 2050 willen ze netto emissievrij zijn. Gezamenlijke teams in Nederland en de Verenigde Staten hebben hun expertise op het gebied van elektrisch ontwerp, metallurgie, koolwaterstoftechnologie en vloeistofdynamica ingezet om concepten te verfijnen, emissievoordelen te valideren, octrooien te ontwikkelen, de duurzaamheid van elektrische verhittingselementen aan te tonen en samen te werken met leveranciers van apparatuur.

D66 en VVD willen het gasverbruik in Nederland fors terugdringen. Nu is het nog zo dat 96 procent van de huizen gas gebruikt voor de verwarming. Ook nieuwbouwhuizen worden nog steeds verplicht aangesloten op het gasnet. Daar willen D66 en VVD een einde aan maken.

Tweede Kamerlid voor D66 Rob Jetten: ‘Het is van de zotte dat nieuwbouwhuizen nog steeds verplicht op het gasnetwerk worden aangesloten. Nederland wil van het gas af. Dan hoeft er op termijn geen gas in Groningen meer op te worden gepompt en het is beter voor het klimaat.’ VVD-Kamerlid Dilan Yeşilgöz-Zegerius: ‘Als we Nederland echt willen verduurzamen moeten we concrete stappen zetten. Dit is een stap in de goede richting. En waarom zouden we een huizenbezitter laten betalen voor een voorziening waar we vanaf willen? Dat vind ik niet logisch.’

Uitstekende alternatieven

Er worden naar verwachting tussen 2017 en 2021 ongeveer 230.000 nieuwbouwwoningen gebouwd. D66 en VVD willen dat nieuwbouwwijken in principe niet meer worden aangesloten op het gasnetwerk. Wat D66 en VVD betreft gaat de maatregel dit jaar nog in. Dan geldt het voor alle nieuwbouwprojecten waar nog geen schop in de grond zit. Alleen als er zwaarwegende redenen zijn om een nieuwbouwwijk wel aan te sluiten op het gas, kan de gemeente een uitzondering maken. Er zijn uitstekende duurzame alternatieven om huizen te verwarmen, zoals warmtenetten en warmtepompen.

Nederland gaat van het gas af

Op dit moment telt Nederland 7 miljoen gasaansluitingen. Er is dus haast geboden om snel van het gas af te komen, te beginnen bij nieuwbouwwijken. De aanleg van gasnetten in nieuwbouwwijken kost Nederland jaarlijks 100 miljoen euro. Een gasnet gaat zeker 40 jaar mee. Als een nieuwe wijk nu op het gasnetwerk wordt aangesloten, dan moet dat later alsnog vervangen worden door bijvoorbeeld een warmtenet. Daarmee jaag je gemeenten en huizenbezitters onnodig op kosten.

In Shell’s eigen magazine Shell Venster, kijkt topman Ben van Beurden terug op afgelopen jaar en gaat in op de rol van Shell in de energietransitie. Zo blijft het naar eigen zeggen grootste energiebedrijf investeren in de exploratie van olie en gas. Maar Shell wil ook bescheiden instappen in de elektriciteitsmarkt.

Van Beurden zegt in het interview dat hij verwacht dat Shell gemiddeld tussen de een à twee miljard dollar per jaar zal investeren in New Energies, de duurzame Shell-dochter. ‘Het zal in brokken komen als we bedrijven kopen om te groeien. Er zijn wel drie zaken essentieel voor de aanpak in dit nieuwe gebied: bescheidenheid, discipline en overtuiging’, aldus Van Beurden. ‘Bescheidenheid omdat, ook al hebben we al de nodige kennis in huis, het toch een relatief nieuw gebied voor ons is. Er valt nog een hoop te leren. Discipline omdat het zakelijk verstandig moet zijn en omdat we echt moeten willen leren. En overtuiging omdat we dit moeten oppakken als een kans. Om te slagen zullen we enkele risico’s moeten nemen. We zullen niet slagen als we geen nieuwe gebieden weten te ontsluiten.”

Van Beurden ziet een verantwoordelijkheid van Shell om de doelstellingen van het klimaatakkoord van Parijs te ondersteunen. Het bedrijf wil zowel zijn eigen CO2-footprint verlagen als dat van zijn klanten. Daarvoor moet worden ingezet op meer biobrandstoffen, waterstof en elektriciteit in het energiesysteem. Ook denkt de topman dat moet worden gekeken naar de mogelijkheden van CCS of compensatie van de CO2-uittoot.’

Havenbedrijf Rotterdam, Gasunie en EBN onderzoeken gezamenlijk de mogelijkheden om een basisinfrastructuur te realiseren voor het verzamelen en transporteren van CO₂ in het Rotterdamse havengebied, dat vervolgens opgeslagen kan worden in (lege) olie- en gasvelden onder de Noordzee.

Carbon Capture and Storage (CCS) wordt zowel internationaal als in het regeerakkoord genoemd als een belangrijk instrument om tijdig de CO₂-uitstoot terug te dringen. Internationale energieadviesorganen zoals IPCC, IEA en PBL noemen CCS als essentieel middel om de klimaatafspraken van Parijs te realiseren. Met name olieraffinaderijen en de chemiesector beschikken op korte termijn over onvoldoende hernieuwbare of circulaire alternatieven om tijdig de hoeveelheid CO2-uitstoot te reduceren die nodig is voor het behalen van klimaatdoelstellingen. Met afvang en opslag van CO₂ krijgen deze voor Nederland maatschappelijk en economisch belangrijke sectoren mogelijkheden om de CO₂-uitstoot te verminderen in de periode dat ze de transitie naar biobased, hernieuwbaar of circulair nog niet gemaakt hebben.

Snel toepasbaar

CCS is onderdeel van een breed palet maatregelen voor CO₂-reductie, naast fundamentele innovaties in productieprocessen en –ketens, zoals biobased industrie, hernieuwbare energie, elektrificatie van de industrie, recycling, ontwikkeling van waterstof als energiedrager, geothermie enzovoorts. om de economie te verduurzamen. CCS wordt vooral beschouwd als een kosteneffectieve en snel toepasbare oplossing die er gedurende de transitie voor zorgt dat klimaatdoelstellingen kunnen worden gehaald.

Havenbedrijf Rotterdam, Gasunie en EBN onderzoeken daarom gezamenlijk de mogelijkheden om een basisinfrastructuur te realiseren voor het verzamelen en transporteren van CO₂ in het Rotterdamse havengebied, dat vervolgens opgeslagen kan worden in (lege) olie- en gasvelden onder de Noordzee.

Twee miljoen ton CO2-afvang in 2020

Planning is deze haalbaarheidsstudie rond de jaarwisseling af te ronden. Bij een positieve uitkomst volgt dan verdere uitwerking van het project voor bijvoorbeeld engineering, governance, aansprakelijkheden en een eventuele business case. De partijen streven er naar om in 2018 een investeringsbeslissing te nemen. Het systeem kan dan in 2020 operatoneel zijn. De ambitie is om vanaf 2020 twee miljoen ton CO₂ per jaar op te slaan oplopend naar vijf miljoen ton per jaar in 2030. Alle industrieën in Rotterdam samen stootten in 2015 bijna 30 miljoen ton CO₂ uit.

Backbone

Gasunie, Havenbedrijf en EBN gaan in het kader van de studie uit van een robuuste basisinfrastructuur voor transport en opslag (een ‘backbone’), waar diverse bedrijven hun CO₂ in kwijt kunnen. Door deze ringleiding (‘backbone’) en opslaginfrastructuur als een ‘collectieve voorziening’ op te zetten, zijn er belangrijke kostenvoordelen. De verwachting is dat dit ook gunstig doorwerkt in het Rotterdamse vestigingsklimaat, waar industrie straks met een lagere CO₂-footprint zal kunnen produceren dan elders.

Er lopen gesprekken met verschillende bedrijven in de chemie en raffinagesector over het afvangen en leveren van CO₂. Tot aanleg van de infrastructuur wordt pas overgegaan als duidelijk is dat bedrijven ook daadwerkelijk van het systeem gebruik gaan maken.

 

CO2 als grondstof of voedingsstof

Het ligt in de bedoeling om, naast opslag onder de Noordzee, ook meer CO₂ aan tuinders te leveren en in de toekomst mogelijk ook aan andere (industriële) afnemers (CCU). Twee bedrijven, Alco en Shell, leveren nu al CO₂ aan de glastuinbouw in het Westland. Tuinders gebruiken dit om hun gewassen sneller te laten groeien. Onder invloed van zonlicht zetten planten CO₂ en water om in glucose en zuurstof.

Industriele CO2

CCS wordt op verschillende plaatsen in de wereld, met name buiten Europa, al succesvol toegepast. Eerdere initiatieven in Nederland vonden geen doorgang. De reden waarom dit nieuwe project als kansrijk wordt gezien is dat het nu gaat om opslag van CO₂ onder de Noordzee (niet onder land, zoals destijds beoogd bij Barendrecht), waarbij de CO₂ afkomstig is van industrie (niet van kolencentrales, zoals in het recent gestopte ROAD-initiatief) waarvoor op korte termijn geen volledig circulair of biobased alternatief is. Alle betrokken partijen zijn zich ervan bewust dat maatschappelijk draagvlak even wezenlijk is voor realisatie als technische, financiële en economische aspecten dat zijn.

Het Centraal Bureau voor de Statistiek onderzocht de bijdrage van de negen topsectoren voor de Nederlandse industrie. De topsector Energie is in dit rijtje een negatieve uitschieter. De toegevoegde waarde van die topsector nam sinds 2015 met twintig procent af. De grootste oorzaak daarvan is de teruglopende exploitatie van aardgas. 

De negen door het kabinet aangewezen topsectoren namen in 2015 een kwart van het bruto binnenlands product voor hun rekening. Ze droegen vooral sterk bij aan de export en aan de uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling. Keerzijde is dat de topsectoren ook meer CO2 uitstoten, blijkt uit de gepubliceerde cijfers van het CBS.

Van de totale uitvoer van goederen uit Nederland kwam bijna veertig procent voor rekening van een van de sectoren die als toonaangevend worden beschouwd. De topsectoren waren verantwoordelijk voor bijna drie kwart van alle R&D-uitgaven, maar ook voor bijna drie kwart van de broeikasuitstoot.

Productiewaarde

De totale productiewaarde van de topsectoren nam tussen 2010 en 2016 toe met twaalf procent tot 446 miljoen euro. De economie als geheel groeide in die periode met acht procent. Als gekeken wordt naar de toegevoegde waarde, de productiewaarde min elders ingekochte producten en diensten, groeien de topsectoren juist minder hard dan de economie als geheel. De toename sinds 2010 is bij topsectoren vier procent en bij de hele economie acht procent.

Topsector Energie

Van de afzonderlijke topsectoren is de toegevoegde waarde het sterkst gegroeid bij ‘Life sciences & health’ en ‘Agri & food’, beide met ruim twintig procent. Negatieve uitschieter is de sector energie, waar de toegevoegde waarde met bijna twintig procent afnam. De terugloop in de energiesector is te verklaren doordat er veel bedrijven in zitten die zich richten op aardgas. De overheid heeft de exploitatie daarvan in de gemeten jaren sterk teruggebracht.

Werkgelegenheid

De werkgelegenheid in de topsectoren nam tussen 2010 en 2016 toe met 43.000 naar 1,4 miljoen arbeidsjaren. De helft van de banengroei komt voor rekening van de sector hightechsystemen en -materialen. In deze sector werken 467.000 mensen, waarmee het de grootste banenmachine van de negen is. In de creatieve industrie en de energiesector trok de werkgelegenheid ook sterk aan. In de transport en logistiek verdwenen juist zeventienduizend banen.

Wat moeten de criteria worden om in de energie-intensieve industrie de gewenste en noodzakelijke systeemtransformatie te realiseren? Met toenemende klimaatverandering in het achterhoofd kan dat alleen maar aanzienlijke CO2 reductie voor alle sectoren in onze economie zijn. Welke mogelijkheden staan de industrie open? Vier deskundigen houden een verkennend gesprek.

Tseard Zoethout

‘Het klimaatakkoord van Parijs mag weliswaar een goed ijkpunt voor het huidige klimaatbeleid zijn’, trapt Den Ouden af, ‘de instrumenten om binnen de anderhalf à twee graden globale temperatuursstijging in 2050 te blijven zijn onduidelijk.’

‘Waar ik me zorgen om maak, is de snelheid: CO2 accumuleert in de atmosfeer. Het betekent dat we nu jaarlijks ruim drie procent CO2 minder moeten uitstoten. Uitstellen nu betekent dat we later veel meer moeten doen. Volgens het RLI-advies ‘Rijk zonder CO2‘ zou de gebouwde omgeving het eerst moeten decarboniseren en de zware industrie wegens de internationale concurrentiepositie later maar we weten nog niet of EZ dit advies volgt.’

industrie zit gevangen in economisch tij met dunne marges

‘In het klimaatbeleid is de energie-intensieve industrie onderbelicht. Een beetje besparen en biomassa inzetten, daarmee is alles wel bijna gezegd’, voegt Berkhout daaraan toe. ‘Manieren om radicaal te veranderen komen niet van de grond. De industrie zit gevangen in het economisch tij met dunne marges.’

‘Een belangrijke drijfveer komt van grootschalig wind op zee. Dat zullen we tot tientallen Gigawatten moeten overdimensioneren om het intermitterende karakter van duurzame energie op te vangen. Met die overschotten aan elektriciteit op winderige dagen kunnen we meer sectoren dan enkel de industrie verduurzamen.’

Onderlinge afhankelijkheid staat op gespannen voet met flexibiliteit

‘Industriële ecosystemen – waarin energiestromen tussen bedrijven worden uitgewisseld – scheppen onderlinge afhankelijkheid waarmee de flexibiliteit van bedrijven in het gedrang komt’, zegt Stikkelman. ‘Voorbeelden van onderlinge uitwisseling zijn vaak zijn voor de hand liggende een-tweetjes. Bij meer dan twee bedrijven (een multi-actor systeem) is dat minder gemakkelijk en krijg je, naast de technische uitdagingen, ook met gedrag van bedrijven te maken. Het optimum van individuele bedrijven hoeft niet tot een optimaal systeem te leiden. Ook hoeft intensieve koppeling tussen bedrijven niet in een lock-in situatie te resulteren.’

Hij geeft een aansprekend voorbeeld uit de Rotterdamse haven uit het verleden. ‘De productie van zwavel door raffinaderijen, enkele honderden kiloton, was toen precies genoeg om dat, na omzetting in zwavelzuur, aan de lokale kunstmestindustrie af te zetten totdat, twee jaar later, de fosforzuurfabriek van Hydro Agri uit de haven verdween. Gelukkig maar dat we niet hebben gekozen om zwavel uit te wisselen. Betrouwbare levering over de langere termijn is immers essentieel.’

Volgens hem is het dan ook beter om op nieuwe infrastructuren voor gasvormige energiedragers – zoals waterstof en koolmonoxide – in plaats van op lokale aanpassing van industriële installaties aan te sturen.

‘Uiteindelijk zal alle energie uit duurzame bronnen komen’, schetst Raadschelders het toekomstbeeld. ‘De industrie kan hierbij een grote rol spelen bij het absorberen van de variabiliteit in opwekking. Dat kan ze realiseren door een grote technologische flexibiliteit op de energie-input, bijvoorbeeld met hybride boilers, buffering en seizoensopslag van warmte en elektriciteit. Intussen weerspiegelen de energieprijzen wel het gebruik van het huidige systeem maar bij lange na niet de reële kosten, namelijk die van de CO2 emissies. Een marktplaats voor brandstoffen, afval en grondstoffen – afgezet in de tijd die ons volgens het Parijs akkoord rest – is noodzakelijk voor innovatie vanuit de markt.’

‘Synergievoordelen zijn echter alleen te halen als de industrie over zijn eigen schaduw durft te springen en een onafhankelijke derde, een marktmeester die zowel streng als flexibel is, dat transitieproces laat bewaken. Die moet partijen bijeen brengen en ook de lange termijn leveringszekerheid kunnen blijven garanderen.’

 

Elektrificatie van de industrie kan goed door de inzet van duurzame bronnen en een grootschalige waterstofinfrastructuur

Volgen Den Ouden zijn de hoofdlijnen voor de systeemtransformatie inmiddels bekend: ‘het kan met een circulaire economie die alle koolstof terugbrengt in de materiaalketen, een biobased economie die de C uit biomassa haalt en tot waardevolle componenten vermarkt of elektrificatie van de industrie en het kan door een grootschalige waterstofinfrastructuur uit schoon fossiel en CCS (afvang en opslag van CO2) als tussenoplossing naar duurzaam.’

‘Daarvoor moeten we wel, meer dan voorheen, de energiesector met de industrie gaan zwaluwstaarten. De keuze van een bepaalde energiebron heeft consequenties voor industriële grootverbruikers en omgekeerd. De industrie en de energiesector zijn nauw met elkaar verbonden. Het is ook de vraag of we elektrificatie van de industrie uitsluitend op brandstoffen of ook op grondstoffen moeten toepassen. Misschien is de goedkoopste oplossing voor alle drie de richtingen door middel van marktwerking wel het beste.’

 

Wat we nodig hebben, is een virtuele koepel over de bedrijven

Inmiddels spreekt ICT een danig woordje mee in de discussie over systeemtransformatie. Raadschelders weet er inmiddels al veel van. ‘Als in een systeem met twee partijen er een uitvalt, ligt het plat. Bij meerdere partijen draait het systeem echter gewoon door en treedt er voornamelijk lokale disruptie op. Warmtenetten kunnen daarvan profiteren: wees niet afhankelijk van slechts een partij maar spreidt de risico’s voor het aanbod over meerdere.’

Maar er is meer. De marktplaats die hem voor ogen staat, is tevens een virtuele. ‘Met digitalisering kunnen we nog een behoorlijk grote slag maken’, zegt hij. ‘Flexibiliteitsmarkten als EnSquare en EnTrace geven een vervolg op GVO’s (garanties van oorsprong van duurzame bronnen, TZ). Die maken energieproductie en -consumptie via ‘peer to peer’ contracten inzichtelijk. Daarmee wordt de maatschappelijke impact ook duidelijk: is de import van windenergie uit Duitsland, zowel qua kosten als qua vermeden CO2 emissies, nu beter dan de import van houtsnippers uit Canada voor bijstook in kolengestookte centrales? Zo’n virtuele koepel lijkt me broodnodig maar wordt, nog niet, door industriële grootverbruikers opgepakt.’

‘De petrochemische industrie heeft behoefte aan koolstof en energie. Als we deze industrie willen behouden’, zegt Stikkelman, ‘zullen we geleidelijk alle koolstof uit onze grondstoffen moeten verwijderen. De energiebehoefte aan koolstof valt goed te combineren met conversie van biomassa en hergebruik van CO2. Die energiebehoefte zal in toenemende mate gedekt moeten worden door duurzaam geproduceerd waterstof. Door ombouw en vernieuwing van onze installaties zullen we het havenindustrieel geschikt moeten maken voor drie nieuwe grondstoffen: H2, CO en CO2.’

‘Maar vergis je niet’, zegt Den Ouden, ‘het is een gigantische klus die tientallen miljarden euro’s gaat kosten. Enkele zeggen ‘dat gaat gemakkelijk’, anderen juist ‘dat gaat nooit’. Realistisch rekenen en vertrouwen zijn essentieel. Sommige aanpassingen – zoals hoge temperatuur warmtepompen of stoomrecompressie – kunnen bij aanpassing van de investeringscriteria nu al geld opleveren maar de meesten kosten geld in de huidige omstandigheden. Dat betekent dat we de zichthorizon voor investeringen langer dienen te maken, de onrendabele top moeten dekken en het beleid daarop moeten inrichten.’

 

Als je volgens de Energieagenda op CO2 reductie wilt sturen, doen dat dan ook voor alle sectoren en reductiemogelijkheden

Volgens de deskundigen schort daar nog wel het een en ander aan. Raadschelders: ‘De fysieke en wettelijke infrastructuur van stroom en gas is inmiddels goed geregeld maar die van warmte en, vooral,  van stroomopslag bepaald niet. Over een kWh stroomopslag wordt nu twee keer belasting betaald. Dat werkt marktverstorend terwijl we stroomopslag straks, wegens het toenemende aanbod duurzame bronnen, bitter hard nodig hebben.’

Over het echt hete hangijzer – het volledig verdisconteren van CO2 in de energieprijs – verschillen de deskundigen van mening. De prijs op de ETS beurs (Emission Trading System) is in ieder geval veel te laag (nu circa vijf ton per ton vermeden CO2 TZ.) voor het bereiken van de Parijs doelstelling terwijl critici grote vraagtekens plaatsen bij de uitgifte van emissierechten aan het MKB en de werkelijk grote energieverbruikers.

Vanuit systeemperspectief stelt Stikkelman stelt voor om de fossiele koolstofwinning meteen aan de bron te belasten, Raadschelders en Berkhout laten zich niet uit over dit onderwerp (bijvoorbeeld over de ‘carbon floor’ in de UK). Den Ouden ziet wel een haakje in het huidige beleid. ‘Als je volgens de Energieagenda op CO2 reductie wilt sturen – dus niet alleen duurzaam maar voor alle vormen van CO2 reductie – voeg dan ook daad bij woord en doe het voor alle sectoren en reductiemaatregelen. Dan schep je een transparant en gelijk speelveld. Ik ben ervan overtuigd dat dit maatschappelijk een veel beter resultaat en vele miljarden aan kostenreducties zal opleveren’, besluit hij.

 

De experts

 

Bert den Ouden is nog het meest bekend als de oprichter en CEO van de APX Energiebeurs. Sinds drie jaar leidt hij de unit energie en duurzaamheid bij Berenschot. Daarnaast is hij operationeel directeur van de Stichting Flexible Power Alliance Network dat open source standaarden voor slimme netten ontwerpt (met als aansprekend voorbeeld ‘Power Matching City’ in de Groningse wijk Hoogkerk)

Rob Stikkelman begon zijn carrière als chemisch technoloog bij Shell Pernis. Hij stond aan de wieg van het Port Research Centre (PRC), een succesvol samenwerkingsverband van de Rotterdamse Haven en de TU Delft. Nu is hij directeur van het Centre for Port Innovation.

Jillis Raadschelders heeft meer dan vijftien jaar ervaring met diverse stroomopslagsystemen en is de oprichter van het DNV GL European New Energy Technologies team dat zich focust op R&D, testen en implementeren van nieuwe energie technologieën. Hij richt zich nu op decentrale energietransities. Raadschelders is vicepresident van EASE (European Association for Storage of Energy) en voorzitter van Energy Storage NL.

Joris Berkhout is partner bij Quintel Intelligence, een bedrijf dat zich richt op strategie, energie modellering en energieonderzoek voor overheden, instituten en NGO’s over de hele wereld. Met collega’s heeft hij het Energy Transition Model ontwikkeld.

 

De problemen rond de brand in een hoogspanningsstation bij Shell Pernis zijn nog niet voorbij. Het bedrijf meldde dat bij spoelwerkzaamheden in een van de fabrieken een lekkage van waterstoffluoride is opgetreden. Het lek is inmiddels inmiddels gedicht.

Maandagavond 31 juli, is bij spoelwerkzaamheden in een van de fabrieken op Shell Pernis een lekkage van waterstoffluoride opgetreden. Een gat van anderhalve centimeter in een fakkelleiding veroorzaakte de lekkage. Hulpdiensten legden een waterscherm aan om eventuele verspreiding van de ook in kleine hoeveelheden giftige stof te voorkomen. DCMR heeft tot nu toe geen gevaarlijke concentraties gemeten en de gaswolk is binnen het Shell terrein gebleven. Het gat is inmiddels gedicht.

De brand in een hoogspanningsstation op de Shell-raffinaderij in Pernis leidde tot een stroomonderbreking. Om de veiligheid te kunnen garanderen, besloot Shell om de fabrieken uit bedrijf te nemen. De procedures schrijven voor dat de in de leidingen aanwezige koolwaterstoffen worden afgefakkeld.

Shell onderzoekt nog wanneer het de productie kan herstarten, maar vooralsnog is niet duidelijk hoe lang de fabrieken uit bedrijf zullen zijn. Directeur Jos van Winsen heeft al zijn excuses aangeboden

Per 1 juli worden de variabele energieprijzen op jaarbasis circa 31 euro hoger. Drie van de vier traditionele energieleveranciers, Nuon, Essent, en Delta, bevestigen dat de variabele tarieven omhooggaan. De stijging wordt vooral veroorzaakt door hogere prijzen voor gas. Daarnaast is er een kleine stijging te zien in de vaste leveringskosten. De tarieven van Eneco veranderen niet. Dit stelt de vergelijkingssite Pricewise op basis van onderzoek onder energieleveranciers.

Ongeveer de helft van de Nederlandse huishoudens heeft een energiecontract met variabele tarieven voor onbepaalde tijd. Op basis van een gemiddeld verbruik (3.500 kilowattuur stroom en 1.500 kuub gas) zijn deze huishoudens per jaar ongeveer 31 euro duurder uit. Volgens Nuon en Essent is deze stijging vooral te wijten aan de gasprijs. Deze steeg in het begin van dit jaar en vertoont nog altijd lichte fluctuaties. De inkoopprijs van gas is daardoor hoger, en dat wordt doorberekend aan de klanten.

‘Bij Delta en Essent zien we ook een stijging in de stroomprijzen, terwijl die bij de andere twee leveranciers gelijk blijven. Uiteindelijk komen we op jaarbasis op een gemiddelde stijging van 71 euro bij Delta, 19 euro bij Nuon, en 35 euro bij Essent. Bij Eneco blijven de tarieven gelijk’, aldus directeur Hans de Kok van Pricewise.

Stijging vaste leveringskosten

Niet alleen de tarieven stijgen, ook de vaste leveringskosten gaan omhoog. Deze standaard kosten betalen klanten om stroom en/of gas geleverd te krijgen. Bij Delta en Nuon zijn deze kosten goed voor € 6,- van de totale stijging. Woordvoerder Tim Brouwer van Delta: “Deze verhoging heeft vooral te maken met extra interne kosten op het gebied van dienstverlening. Overigens liggen de vaste leveringskosten bij ons lager dan bij de meeste leveranciers.”

Trend ook zichtbaar bij vaste tarieven

Naast variabele tarieven bieden energieleveranciers ook contracten aan met vaste tarieven. Variabele tarieven veranderen een keer per halfjaar, ook op de rekening van de klant. Vaste tarieven staan vast voor de duur van het contract. Dit kan een contract van één, twee, drie, vier of soms zelfs vijf jaar zijn. Klanten betalen dan al die tijd dezelfde tarieven. Het moment waarop klanten zo’n energiecontract afsluiten, bepaalt welk tarief zij zullen betalen gedurende de looptijd van het contract. De Kok: ‘Vaste tarieven worden door de meeste leveranciers elke maand opnieuw bepaald. De variabele tarieven volgen met enige vertraging grotendeels de trend van de vaste tarieven. Ook nu de vaste tarieven in de afgelopen maanden een stijging hebben laten zien, zien we dat de variabele tarieven volgen. Afgelopen januari zagen we voor het eerst sinds drie jaar een stijging in de variabele gastarieven. Deze stijging zet nu door, en laat zich inmiddels ook zien in de variabele stroomtarieven.

Nog steeds veel huishoudens met ‘slaperstarieven’

‘Ook al zien we bij beide soorten tarieven een stijging, een eenjarig contract met vaste tarieven blijft over het algemeen een stuk voordeliger dan een contract voor onbepaalde tijd met variabele tarieven. Klanten gaan automatisch over naar een dergelijk contract voor onbepaalde tijd als ze een tijdlang niet veranderen van energiecontract, een zogenoemd ‘slaperscontract’. De energiekosten liggen bij dit contract bijna altijd hoger. In de strijd om nieuwe klanten worden op contracten met vaste tarieven door veel energieleveranciers welkomstkortingen en actietarieven toegepast, die kunnen oplopen tot gemiddeld 250 euro extra voordeel. Wie niet wil overstappen naar een andere leverancier kan tegenwoordig steeds vaker profiteren van verlengingsaanbiedingen.”

Vanaf 2018 verdere stijging energierekening

‘Of de energieprijzen vanaf 2018 nu zullen dalen of stijgen, de rekening die de consument volgend jaar op de mat krijgt zal zeer waarschijnlijk hoger uitvallen. Dit komt doordat de belastingen een groot gedeelte van de rekening beslaan. Volgend jaar gaat de ODE (Opslag Duurzame Energie) van 60 naar  100 honderd euro per jaar. En verwachting is dat de ODE in de komende jaren verder zal stijgen richting 200 euro per jaar’, aldus de Kok.