AkzoNobel Archieven - Utilities

AkzoNobels Specialty Chemicals business en Gasunie New Energy bundelen hun krachten en onderzoeken de mogelijkheden voor grootschalige conversie van duurzame elektriciteit in groene waterstof op het Chemie Park Delfzijl. De waterstof zal worden ingezet voor de verdere verduurzaming van de chemische industrie, energievoorziening en voertuigen.

De bedrijven willen een installatie ontwikkelen die – met behulp van een twintig megawatt waterelektrolyse-unit, de grootste in Europa – duurzaam geproduceerde elektriciteit omzet in drie kiloton groene waterstof per jaar (dertig miljoen kubieke meter). Dit is bijvoorbeeld voldoende om driehonderd waterstofbussen op te laten rijden. De omzettingstechniek waarbij water met behulp van stroom wordt gesplitst in waterstof en zuurstof, wordt ook wel ‘power to gas’ genoemd. Een besluit over de bouw van de installatie wordt in 2019 verwacht.

De geplande faciliteit van twintig megawatt is een flinke stap in het succesvol verder opschalen van de elektrolysetechnologie. De – tot nu toe – grootste geplande elektrolyse-unit in Nederland heeft een capaciteit van één megawatt. Het doel is om uiteindelijk installaties te kunnen bouwen die op nog grotere schaal (vanaf honderd megawatt) duurzame stroom converteren en opslaan in de vorm van waterstof.

AkzoNobel en Gasunie vullen elkaar aan als het gaat om de benodigde expertise voor dit project – op het gebied van gastransport en -opslag, elektrolyse en omgang met waterstof. Beide bedrijven vinden elkaar in een sterke visie op de verduurzaming van waardeketens en willen een actieve rol spelen in de overgang naar een CO2-neutrale economie. Het project sluit aan op andere initiatieven op het gebied van duurzame energie, waaronder waterstof, waarbij beide bedrijven betrokken zijn.

Marcel Galjee, directeur Energie van AkzoNobel Specialty Chemicals: ‘De industrie is belangrijk voor de economie, maar ook verantwoordelijk voor een groot deel van de CO2-uitstoot. Alleen met een vergaande verandering van de industriële activiteiten kan Nederland de internationale klimaatdoelstellingen halen, waarbij door samenwerking tussen bedrijven over sectoren heen nieuwe waardeketens en verdienmodellen kunnen ontstaan.

Het overgrote deel van de ruim 800.000 ton waterstof die de Nederlandse industrie per jaar gebruikt, wordt gemaakt met behulp van aardgas. De vervanging hiervan door duurzaam geproduceerde waterstof verlaagt de CO2-uitstoot met zeven miljoen ton. Maar de echte potentie zit in de grootschalige productie als basis voor groene chemie.’

Ulco Vermeulen, lid van de Raad van Bestuur van Gasunie: ‘Het realiseren van de doelstellingen voor CO2-reductie en de bijbehorende omschakeling in het energiesysteem is een uitdaging van groot formaat en vergt behalve visie nu al actie en concrete samenwerking.

We zien ‘power to gas’ als een veelbelovende, maar ook noodzakelijke technologie om in 2050 een volledig duurzame energiemix voor elkaar te krijgen. Maar waterstof speelt ook een cruciale rol om de emissiereductiedoelstelling te halen die het kabinet voor 2030 heeft neergezet. Als we in 2030 in voldoende mate over waterstof willen beschikken, dan zullen we nu al stappen moeten zetten om de technologie hiervoor op verschillende schaalgroottes te valideren.’

Vanwege de grootschalige productie en import van groene elektriciteit, de bestaande chemische industrie, de aanwezige gastransportinfrastructuur, de kennisnetwerken en het draagvlak binnen de Noordelijke Innovation Board is Noord-Nederland bij uitstek geschikt om een groene waterstofeconomie te ontwikkelen. De samenwerking van AkzoNobel en Gasunie is een belangrijke stap om dit op gang te brengen en de keuze voor Chemie Park Delfzijl is een logische.

Nuon gaat flexibele energie leveren aan AkzoNobel locaties in Nederland, als onderdeel van een stroomleverovereenkomst van 1,5 terawattuur per jaar. Deze overeenkomst biedt AkzoNobel mogelijkheden om de voordelen te benutten van flexibiliteit in chemische productie en de eigen elektriciteitsopwekking. Daarmee worden fluctuaties in het netwerk opgevangen en kostenvoordelen behaald.

De innovatieve oplossing – voor de locaties Delfzijl, Hengelo en Rotterdam – levert toegang tot de energiemarkt en brengt AkzoNobel’s strategische en duurzaamheidsdoelen dichterbij. Het contract maakt het mogelijk om in de toekomst van andere partijen wind- en andere groene energie in te kopen en nieuwe Power Purchase Agreements (PPA’s) af te sluiten. Nuon biedt AkzoNobel toegang tot die energiemarkten via haar handelsvloer.

‘Deze overeenkomst onderstreept ons streven naar gebruik van duurzamere energiebronnen en het balanceren van aanbod van energie uit zon en wind’, zegt Knut Schwalenberg, directievoorzitter van AkzoNobel Nederland. ‘Het helpt ons verder op weg naar een CO2-neutrale bedrijfsvoering in 2050.’

‘Met deze partnership biedt Vattenfall, met veel expertise en ervaring op de energiemarkt, ondersteuning aan AkzoNobel. Hiermee kunnen we AkzoNobel helpen om waarde te creëren door de beschikbare flexibiliteit van energie in te zetten op de energiemarkt’, zegt Martijn Hagens, Senior Vice-President Customers & Solutions van Vattenfall.

Peter Smink, CEO van Nuon: ‘We zorgen dat onze klanten steeds minder afhankelijk worden van fossiele brandstoffen en helpen onze partners om duurzamer te worden. Een slim en flexibel energiesysteem biedt enorme voordelen voor partners als AkzoNobel. Het helpt ze om energie flexibel en efficiënt in te zetten. Het gaat hier niet alleen om een investering in de Nederlandse energiemarkt, het helpt ook AkzoNobel om klimaatneutraler te worden.’

akzonuon

De industriewaterleiding aan tussen AkzoNobel en Zeolyst op het industrieterrein Oosterhorn in Delfzijl is technisch in gebruik genomen. Havenbedrijf Groningen Seaports bekostigde het vier kilometer lange tracé tussen de zoutchemiereus en de zeolietenproducent.

AkzoNobel haalt pekelwater uit Zuidwending en verdampt dat om er zout uit te halen. Voorheen zette AkzoNobel het condensaat van de zoutproductie af als industriewater binnen het ChemiePark Delfzijl. Met het verdwijnen van BrunnerMond verdween ook een grote afnemer van industriewater.  Met de bouw van een nieuwe zoutfabriek en de sluiting van de sodafabriek kwam veel meer water beschikbaar, dan AkzoNobel kon afzetten binnen het Chemie Park Delfzijl. Op het Chemie Park Delfzijl maken BioMCN, Delamine, Lubrizol, Teijin Aramid al gebruik van industriewater, maar er bleef nog veel over. Het water in de Waddenzee lozen, was destijds de enige optie. Al snel ontstonden plannen om het water van industriewaterkwaliteit te distribueren, over de bedrijfsgrenzen heen, naar bedrijven in de directe omgeving. In 2012/2013 werd de eerste industriewaterleiding in gebruik genomen en kon waterstof en waterstofperoxide-producent FMC chemicals beschikken over industriewater.

Herbert Colmer, projectleider Utilities en Henri Kats, Business Manager Chemie bij Groningen Seaports: ‘Het havenbedrijf Groningen Seaports heeft in haar havenvisie 2030 haar duurzame ambities vastgelegd en ondersteunt en investeert in  infrastructuur die bijdraagt om deze duurzame ambities van het havenbedrijf  mogelijk te maken. Zo investeerde Groningen Seaports al in 2008 in een stoomgrid, dat de afgelopen jaren qua omvang en capaciteit fors is uitgebreid met als laatste uitbreiding de aansluiting van Eneco Bio Golden Raand biomassa centrale.’

Overcapaciteit

Na de aansluiting van FMC Chemicals, tegenwoordig Evonik,  bestond het plan al om dit industriewaternet nog verder door te leggen naar andere afnemers. Nadat de businesscase voor het doortrekken van de leiding was doorgerekend, veranderde de marktsituatie zodanig dat het project in de ijskast werd gezet. Totdat twee jaar geleden de economie weer aantrok en men voorzichtig weer over uitbreiding kon nadenken.

Uiteindelijk vond AkzoNobel  in Zeolyst een nieuwe afnemer waardoor de uitbreiding van het net weer haalbaar werd. De producent van synthetische zeolieten, gebruikt op dit moment drinkwater voor zijn proces, terwijl water van industriekwaliteit volstaat. Kats: ‘Het bedrijf is vier kilometer verwijderd van de waterbron en dus besloten we opnieuw de businesscase te berekenen voor uitbreiding van de industriewaterleiding. Zeolyst gebruikt jaarlijks zo’n vierhonderd- tot vijfhonderdduizend kuub water, wat betekent dat er nog steeds overcapaciteit is. De leiding is zodanig ontworpen dat het voor andere partijen mogelijk blijft om aan te haken. Er is een aantal grotere watergebruikers dicht bij het tracé, dus wie weet kunnen we binnenkort nog meer aansluitingen bouwen.’

Besparing

Het water gebruikt Zeolyst in de productie van zeolieten. Deze mineralen worden voornamelijk ingezet als katalysator in tal van chemische en kraakprocessen. Directeur Jos Leuvelt van Zeolyst: ‘Normaal gesproken gebruiken we leidingwater in ons productieproces. Zonder dit water zouden we niet kunnen produceren. We kunnen het leidingwater eenvoudig vervangen voor het water uit de zoutproductie, maar we houden de leidingwaterverbinding wel als backup. We zijn daarmee minder afhankelijk van de levering van AkzoNobel. We hebben goede afspraken gemaakt over de kwantiteit en kwaliteit van het geleverde water en besparen in ieder geval een significante hoeveelheid leidingwater. Bijkomend voordeel is dat het water dat AkzoNobel levert warmer is dan leidingwater. Aangezien we het water moeten opwarmen, besparen we ook een beperkte hoeveelheid energie.’

Havenbedrijf Groningen Seaports is eigenaar van de 4.400 meter lange Via de nieuwe leiding kan jaarlijks ongeveer twee miljoen kubieke meter industriewater worden aangevoerd. AkzoNobel is de operator aan de aanbodkant en zorgt voor de levering van voldoende proceswater. Het project kostte het havenbedrijf in totaal 512.700 euro, waar het Waddenfonds 132.700 euro voor zijn rekening nam. ‘De positieve impact op het milieu was genoeg reden voor het Waddenfonds om mee te investeren in de leiding’, zegt Colmer. ‘De vervanging van leidingwater voor industriewater scheelt namelijk in het gebruik van chemicaliën voor de ontharding van het leidingwater. Daarmee draagt het project bij aan de doelen van het Waddenfonds: duurzame economische ontwikkeling in het Waddengebied en het terugdringen van de ecologische belasting van de Waddenzee.’

Over Groningen Seaports

Groningen Seaports levert al stikstof, stoom en perslucht aan de verschillende bedrijven op het Industrieterrein Oosterhorn te Delfzijl. Het Groningse havenbedrijf is continu op zoek naar nieuwe projecten die de synergie tussen de aanwezige bedrijven kunnen vergroten. Te denken valt bijvoorbeeld aan het gebruik van productstromen die op dit moment nog niet worden benut. Zo bestaan er plannen om een buizenzone aan te leggen tussen de Eemshaven en Delfzijl, de ontwikkeling van een waterstofnet voor de industrie en de inzet van gelijkstroom afkomstig van duurzame opwekking.

AkzoNobel produceert alle verven en lakken in Nederland vanaf nu met groene stroom. De sites in Sassenheim, Wapenveld, Groot Ammers en Ammerzoden gebruiken net als alle Sikkens-winkels elektriciteit die met windenergie is opgewekt. AkzoNobel heeft hiervoor een meerjarig contract afgesloten met Eneco. Per jaar gaat het om 66 gigawattuur, gelijk aan het energieverbruik van een stad met 33.000 inwoners, zoals Meppel.

Marcel Galjee, directeur Energie van AkzoNobel: ‘Met dit contract gebruikt AkzoNobel ook voor locaties die minder energie-intensief zijn duurzaam geproduceerde elektriciteit. Hiermee zetten we de volgende stap om de uitstoot van CO2 verder terug te dringen. In 2050 moet het hele bedrijf klimaatneutraal zijn.’

Bram Poeth, directeur Eneco Zakelijk: ‘We zijn er trots op dat we, naast de groene stoomlevering aan AkzoNobel in Delfzijl nu ook deze sites en winkels van groene stroom voorzien. Zo bouwen we samen aan een duurzamer Nederland.’

AkzoNobel kondigde vorig jaar aan gezamenlijk met DSM, Google en Philips windenergie te gaan inkopen van twee nieuwe windparken, Krammer en Bouwdokken. Ook maakt het bedrijf gebruik van duurzaam geproduceerde stoom in Hengelo en Delfzijl. Deze duurzame energie wordt door de grote productielocaties afgenomen.

Galjee voegt toe: ‘Hiermee leveren we met onze duurzaamheidsstrategie maatwerk op onze locaties. We zoeken hierbij altijd naar nieuwe samenwerkingen en nieuwe servicemodellen.’

Het nieuwe contract vermindert de CO2-uitstoot met negentien kiloton per jaar. Momenteel is veertig procent van AkzoNobels wereldwijde energieverbruik hernieuwbaar en in 2016 verbeterde bijna de helft van de bedrijfslocaties het energieverbruik. Voor 2050 is het doel om honderd procent hernieuwbare energie te gebruiken.

Akzonobel heeft een geavanceerde en duurzame verffabriek geopend in Ashington (Engeland). De hi-tech faciliteit kostte meer dan 100 miljoen euro. Het wordt het nieuwe productiecentrum voor Dulux, het voornaamste decoratieve verfmerk van Groot-Brittannië.

De Ashington-fabriek maakt gebruik van een aantal hernieuwbare energiebronnen, waaronder fotovoltaïsche cellen en een biomassa ketel, naast een zeer geautomatiseerd productieproces dat water, afval en energie bespaart. Het bedrijf schat dat de CO2-voetafdruk per liter verf die op de site wordt geproduceerd, met 50 procent wordt verlaagd in vergelijking met de productiefaciliteiten die het vervangt.

De fabriek zal in staat zijn om de huidige productie van AkzoNobel te verdubbelen tot 200 miljoen liter per jaar – ongeveer genoeg verf om elke woonkamer, badkamer en keuken in het Verenigd Koninkrijk een nieuwe kleur te geven. Met een oppervlakte van 100.000 vierkante meter kan er nog worden uitgebreid.

Via een app kan er een virtuele tour door de fabriek worden gedaan. Hiervoor is wel een vr-bril nodig.
Klik hier voor Android of iOS.

AkzoNobel gaat haar chemiefabriek in Rotterdam verduurzamen. Ze heeft hiervoor in het kader van het Energieakkoord een afspraak met het ministerie van Economische Zaken getekend. Eerder al tekende het bedrijf twee soortgelijke afspraken met betrekking tot energiebesparingen in Hengelo en Chemie Park Delfzijl.

AkzoNobel gaat investeren in zogeheten ‘zero gap technology’ voor haar chloorbedrijf in de Botlek. Bij deze techniek zitten de platen met membranen die worden gebruikt voor de elektrolyse om zout om te zetten in bijvoorbeeld chloor zo dicht tegen elkaar dat er geen ruimte meer tussen zit. Hierdoor kunnen chemische processen efficiënter verlopen waardoor het energieverbruik voor de chemische processen in de elektrolysefabriek tot tien procent lager is. De innovatie in de Botlek levert jaarlijks een besparing op die vergelijkbaar is met het elektriciteitsverbruik van 26.000 huishoudens.

‘De eerste stappen zijn gezet’, zegt Knut Schwalenberg, directievoorzitter AkzoNobel Nederland en Managing Director Industrial Chemicals. ‘Nieuwe initiatieven en samenwerkingsverbanden zijn nodig om een volgende, grote stap te maken in de verduurzaming van de chemische industrie en economie in Nederland. We moeten deze kansen grijpen en voortdurend zoeken naar nieuwe vormen van samenwerking. De ambities van AkzoNobel gaan verder dan het Energieakkoord. Nu al is 40 procent van ons wereldwijde energiegebruik duurzaam en in 2020 zal dit 45 procent zijn.’

De Nederlandse energiegrootgebruikers kunnen een grote rol spelen in de energietransitie en AkzoNobel lijkt in de voorhoede te zitten. ‘De weg naar duurzame energie is onomkeerbaar, dus kunnen we beter leiden dan volgen’, zegt directeur energie Marcel Galjee. ‘We willen daarbij wel dezelfde kansen krijgen als de energiesector. Met name op het gebied van biomassa kan de chemische industrie zijn keten inzetten om echt duurzaam te produceren.’

‘Als tachtig procent van de productiekosten energie gerelateerd is, dan staat energie automatisch bovenaan de agenda.’ Aan het woord is Marcel Galjee, directeur energie bij AkzoNobel. ‘Dat we daar duurzame energie inzetten, is ook ingegeven door een strategische keuze om risico’s te spreiden.’

Het klinkt bescheiden voor een bedrijf dat al vier jaar de lijst aanvoert van de Dow Jones sustainability index, maar de drijfveren van Galjee gaan niet om een duurzaam imago. ‘In feite is AkzoNobel een geïntegreerd energiebedrijf met eigen productie, eigen netwerken en eigen levering van stoom, warmte en stroom. Het verschil met de energiebedrijven is dat wij zelf de grootste afnemer zijn, al leveren we ook aan onze buren.’

Voor wie de activiteiten van Akzonobel niet kent: grofweg is de productie te verdelen in verven, coatings en chemie. Galjee: ‘Onze chemie activiteiten zijn hierin zeer energie-intensief. Voor ons chloorproces hebben we veel elektriciteit nodig en ons zoutproces is stoomintensief. De zoutproductie wordt traditioneel gedomineerd door gas. We hebben in het proces hoge temperaturen stoom nodig, wat tot voor kort met name door gasgestookte warmtekrachtturbines werd geproduceerd. Inmiddels nemen we ook stoom af van afvalverbrandingsinstallaties en binnenkort de biomassacentrale van Eneco. Deze keuzes zijn zowel kosten als risico gedreven. Hoewel de gasprijzen in Nederland momenteel relatief laag zijn, zijn ze nog altijd vele malen hoger dan in de Verenigde Staten of het Midden Oosten. Daar komt nog eens bij dat de Nederlandse gasvoorraden langzaamaan opraken. Het is strategisch dus verstandig om het portfolio te diversifiëren en verder te kijken dan aardgas.’

Maar wat heeft een bedrijf aan zo’n nummer één notering in een duurzaamheidsindex?

Die nummer één -notering is geen doel, maar resultaat van een bewuste strategische keuze voor een lange termijn duurzame en maatschappelijk verantwoordelijke koers. Natuurlijk zijn we er trots op dat we als duurzaam bedrijf te boek staan, maar we realiseren ons ook dat de energietransitie onomkeerbaar is. De komende tien tot twintig jaar zal de gehele industrie dit merken. Ik kies in dat geval er liever voor om die transitie te sturen dan dat we het ons laten overkomen. Het is mijn persoonlijke overtuiging dat bedrijven als de onze leiderschap moeten tonen in de transitie. Gelukkig is dat bewustzijn goed verankerd in onze organisatie. We krijgen daarin het vertrouwen van onze aandeelhouders, maar we merken dat ook aan de invulling van onze vacatures. Mensen kiezen er bewust voor om te werken voor AkzoNobel vanwege onze duurzame en maatschappelijke visie. Ook klanten stellen steeds vaker duurzame eisen aan de producten die we leveren. Sommige producten leveren een indirecte energiewinst op, zoals coatings die de weerstand van schepen en vliegtuigen verlagen. Maar men vraagt ook hoe die producten worden gemaakt.’

Toch heerst het vooroordeel dat duurzaamheid duur is.

‘Uiteindelijk moet verduurzaming hand in hand gaan met de commerciële bedrijfsvoering. We betrekken dan ook de keten in onze plannen zodat we gebruik kunnen maken van elkaars expertise. In het geval van de biomassacentrale Golden Raand investeert Eneco in de ombouw van de centrale en Groningen SeaPorts in de ruim twee kilometer stoomleiding naar het terrein van AkzoNobel in chemiepark Delfzijl. Wij moeten echter ook behoorlijke investeringen doen op de site zelf om het nieuwe stoomsysteem aan te passen op de nieuwe stoombron. We houden ons dus allen bij onze eigen corebusiness en versterken elkaar waar nodig. Dit model werkt niet alleen in Delfzijl, maar zou ook in Rotterdam een oplossing kunnen bieden. Sterker nog: we kijken al serieus naar de mogelijkheden voor een dedicated biomassacentrale in Rotterdam. En of dit nu een bioboiler wordt of een bio-wkk-installatie dat maakt ons niet heel veel uit. Uiteindelijk gaat het om de beste oplossing voor de desbetreffende situatie, waarin verduurzaming samen gaat met een commerciële bedrijfsvoering.’

Is die situatie dan veranderd?

In het verleden was de standaardgedachte om daar waar stoom werd geproduceerd direct ook elektriciteit op te wekken. Nederland heeft een zeer groot productiepark met gas gestookte warmtekracht installaties. Gedreven door de grote behoefte van de industrie aan stoom en warmte in haar processen. Door het inzetten van biomassa installaties gekoppeld aan een elektriciteitsopwek, kunnen we de industrie voorzien van duurzame stoom en tegelijkertijd een flexibele schil vormen om op de momenten dat het nodig is (weinig zon en wind) extra elektriciteit te maken. Daarmee kan de industrie een aanzienlijke bijdrage leveren aan het versnellen van de energietransitie.

Wat dat aangaat volg ik de nieuwe koers van de overheid wel dat je niet zomaar op één technologie moet inzetten. In de nieuwe energiewerkelijkheid moet je lokaal kijken welke bronnen beschikbaar zijn en welke vorm van energie gewenst is. Wat ook opvalt in de nieuwe subsidieregelingen is dat er een hernieuwde belangstelling is voor warmte. Die vorm van energie was naar de achtergrond gedrukt terwijl een groot deel van het Nederlandse energiegebruik naar de opwekking van warmte gaat.’

Maar voor de industrie is biomassa een goede keuze?

Momenteel is de inzet van biomassa als vervanger van aardgas een goede optie, maar dat wil niet zeggen dat er in de toekomst geen betere opties zijn. Want, laten we realistisch zijn: het verbranden van biomassa is tot nog toe een kostbare en korte termijn optie. Er is veel subsidie gegaan naar het bijstoken van biomassa in kolencentrales. Bio-WKK of de inzet van biomassa voor de productie van stoom is een goede volgende stap, maar is nog steeds niet het einddoel. Ook hier geldt dat je naar de gehele waardeketen moet kijken om alle potentie er uit te halen. Ik denk wat dat aangaat dat we aan het begin staan van een mooie tijd. In mijn ogen is het waardevoller om eerst hoogwaardige chemische stoffen uit biomassa te halen om vervolgens alleen datgene te verbranden dat je echt niet anders kunt inzetten.

Nederland heeft de potentie om een grote speler te worden op het gebied van biomassa. Met  internationaal zeer gerenommeerde kennisinstituten zoals de Wageningen Universiteit, een food agrosector van wereldklasse maar ook een volwaardige chemische industrie die bereid is om over zijn eigen grenzen heen te kijken. Het is niet voor niets dat ook de overheid zijn stimuleringsbeleid op biomassa focust. De uitdaging zit hem vooral in het verwaarden van die biomassa en dat zou de Nederlandse industrie als geen ander moeten kunnen. We vragen de overheid daarvoor wel om het gebruik van biomassa voor de industrie op minimaal gelijkwaardige manier te behandelen als de energiesector. Daarmee maken we echt een lange termijn keuze voor een verduurzaming van de industrie en sluit direct aan bij de natuurlijke kracht van het Nederlandse bedrijfsleven.’

Ketenintegratie lijkt als een rode draad te gaan door de activiteiten van AkzoNobel

‘De Nederlandse clustervorming in Delfzijl, Rotterdam en Geleen heeft ervoor gezorgd dat de chemische sector kan overleven in een omgeving met hoge energieprijzen. De bedrijven in die clusters zijn op vele manieren met elkaar verbonden en wisselen grond- en reststoffen uit waar mogelijk. Wat betreft warmte zijn er ook nog steeds mogelijkheden, alhoewel je ook daar moet kijken naar de beste oplossing voor de desbetreffende omgeving. Het warmtenet in Rotterdam kan niet één op één worden gekopieerd naar Delfzijl of Geleen omdat er nu eenmaal geen vergelijkbare vraag is naar lage temperatuur warmte. Maar wellicht zijn er andere manieren om die warmte te gebruiken of op te waarderen.’

Hoe past de energiesector  in deze ketens?

‘De rol van de industrie in het Nederlandse energielandschap is sowieso aan het veranderen. De inpassing van duurzame energie in het Europese energiesysteem heeft voor een zeer onzekere en volatiele energiemarkt gezorgd. Elektriciteitsprijzen schieten tussen de min en de plus vijfhonderd euro en de grote pieken in de elektriciteitsproductie stellen het net voor extra uitdagingen. Als er partijen in staat zijn deze volatiele markt te sturen, levert dat een efficiënter systeem op en dat kan weer een grote impact hebben op de kostenstructuur. Een aantal energiegrootverbruikers is in staat om zijn productie aan te passen op het elektriciteitsaanbod en wij zijn daar één van. Op het moment zijn investeringen in demand response echter nog niet heel interessant omdat de markt voornamelijk kampt met overcapaciteit door de recentelijk gebouwde fossiele en duurzame productie-eenheden. Een reële prijs voor flexibiliteit ontstaat bij een afname van de overcapaciteit, dit zou kunnen ontstaan door uitfasering van kolencentrales. Dan kunnen we onze elektrolyseprocessen op- en afschakelen wanneer nodig of kan de industrie bijvoorbeeld ‘power-to-heat’ inzetten als de elektriciteitsproductie veel groter is dan de vraag.’

Heeft u de overheid nodig bij uw missie om de energiemix te verduurzamen?

‘Als je het over energie hebt, dan ontkom je niet aan de politiek. We hebben het wel eens over de energiemarkt, maar eigenlijk is er geen sprake van een vrije markt. De gasprijzen, elektriciteitsprijzen, duurzame energie, fossiele en kernenergie: overal zitten keuzes van overheden achter. Het zijn dan ook uiteindelijk de politieke keuzes die het succes van duurzame energie bepalen. Als bedrijf dat internationaal opereert en actief is op wereldmarken vragen wij vooral om een gelijk speelveld: in Europa en de rest van de wereld, maar ook gelijk aan de energiebranche. De netwerkbedrijven investeren op dit moment met gesocialiseerde kosten in het mogelijk maken van peakshaving door koelkasten of andere huishoudelijke apparaten. In dat geval beïnvloedt dit direct de potentie van de businesscase voor load balancing voor de industrie.

Of neem bijvoorbeeld emissiehandel. Wij zijn groot voorstander van een actief beleid dat ervoor zorgt dat emissies worden teruggedrongen. Het zou echter onwenselijk zijn als alle individuele Europese lidstaten hun eigen pad daarin gaan trekken. Helaas is dit wel de tendens wie wij op dit moment waarnemen.

Ik moet zeggen dat de huidige regering goed beseft voor welke taak zij staat en politiek Den Haag heeft veel meer oog voor het energiesysteem. Men heeft in ieder geval aandacht voor de rol van de industrie in de energietransitie. Het echte succes bereiken we als we de juiste omstandigheden weten te creëren waardoor de industrie gaat investeren in de nieuwste technologieën in Nederland. Daarmee krijgen we economische groei en tegelijkertijd de versnelling in de energietransitie die we allen voor ogen hebben.’