Bird&Bird Archieven - Utilities

De nieuwe Omgevingswet combineert verschillende wetten in een overzichtelijke wet zodat het gemakkelijker wordt om nieuwe projecten zoals windparken te ontwikkelen. Helaas wordt de implementatiedatum van 1 juli 2019 niet gehaald. Het is aan de projectontwikkelaars om voort te bouwen op het Energieakkoord en de implementatie van de Omgevingswet niet af te wachten als het om participatie gaat.

 Sophie Dingenen, Margot Besseling & Sharon van de Kerkhof, Corporate Energy Team, Bird & Bird LLP

Op dit moment is de wetgever in Den Haag druk bezig met de herziening van het huidige omgevingsrecht. Alhoewel het wetsvoorstel voor de nieuwe Omgevingswet op 22 maart 2016 door de Eerste Kamer is aangenomen, is de wet anderhalf jaar later nog steeds niet in werking getreden. Wetsherzieningsprojecten van een omvang als deze zijn complex en hebben doorgaans een lange doorlooptijd, zowel tijdens de voorbereidings- als de implementatiefase. Op 21 september jl. heeft demissionair minister van Infrastructuur en Milieu, Melanie Schultz van Haegen, aan de Tweede Kamer laten weten dat de herziening van het omgevingsrecht nog langer gaat duren en de beoogde implementatiedatum van 1 juli 2019 niet haalbaar blijkt te zijn.

Dynamiek

De nieuwe Omgevingswet combineert onderdelen bodem, bouwen, geluid, infrastructuur, mijnbouw, milieu, monumentenzorg, natuur, ruimtelijke ordening en waterbeheer die voorheen in verschillende wetten vervat lagen in een overzichtelijke wet zodat het gemakkelijker wordt om nieuwe projecten zoals windparken te ontwikkelen. Dit betekent dat 26 bestaande wetten (à 4700 artikelen) worden vervangen door één Omgevingswet met 349 artikelen. Naast het vereenvoudigen en versnellen van vergunningsaanvragen voor projecten, beoogt de wetgever met de nieuwe Omgevingswet ook meer zekerheid en dynamiek te bieden en projectontwikkelaars, gemeenten, provincies en waterschappen meer ruimte te geven voor de ontwikkeling van duurzame initiatieven.

Omgevingsplan

Eén van de speerpunten van de Omgevingswet is het ondersteunen en bespoedigen van de duurzame doelstellingen uit het Energieakkoord. De Omgevingswet vergroot de efficiëntie van het ontwikkelingsproces van projecten en biedt meer stimulering aan innovatieve projecten. Zo hoeven projectontwikkelaars op grond van de Omgevingswet slechts één omgevingsplan voor diverse gebieden als natuur, water, milieu op te stellen. Daarnaast betekent de herziening van het omgevingsrecht voor projectontwikkelaars dat er over het algemeen minder onderzoekskosten hoeven worden gemaakt. De invoering van de Omgevingswet leidt ertoe dat onderzoeksgegevens van bijvoorbeeld bodemonderzoeken langer geldig zijn, bepaalde onderzoeken worden geschrapt en de digitale procedure en beschikbaarheid van plannen, besluiten en onderzoeken wordt bevorderd.

Internationaal

Het is duidelijk dat de wetgever op veel vlakken probeert de werkbaarheid van het Nederlandse omgevingsrecht te vergroten en zich daarbij ook richt op internationale projectontwikkelaars die overwegen om in Nederlandse ruimtelijke projecten te investeren. Zo heeft het ministerie van Infrastructuur en Milieu begin dit jaar een Engelse vertaling van de Omgevingswet gepubliceerd en zijn er door de overheid verschillende websites in het leven geroepen om meer informatie te verschaffen over de aanstaande veranderingen.

Participatie

In het Energieakkoord is vastgelegd dat er in 2020 veertien procent aan hernieuwbare energie en een totaal aan zesduizend megawatt (54 petajoule) aan operationeel vermogen door middel van windenergie op land dient te worden gerealiseerd. Om deze capaciteit van wind op land te verwezenlijken, is in het Energieakkoord vastgelegd dat ontwikkelaars van windmolenparken van meer dan vijftien megawatt een participatieplan dienen te creëren om omwonenden een kans te bieden om te participeren in de ontwikkeling en exploitatie van windparken. Daarnaast stelt het Energieakkoord dat de vergroting van de participatie in projecten door omwonenden, burgers, bedrijven en maatschappelijke organisaties in de Omgevingswet moet worden verankerd door deze partijen meer mogelijkheden te bieden om deel te nemen aan ruimtelijke beleid- en besluitvormingsprocessen. Door omwonenden en naastgelegen bedrijven te betrekken bij bijvoorbeeld de bouw van een wind- of zonnepark wordt het gevoel van betrokkenheid vergroot en eventuele weerstand of onbegrip verminderd.

De manier waarop invulling moet worden gegeven aan deze participatiedoelstellingen is echter niet concreet vastgelegd in de Omgevingswet. Dit betekent dat individuele projectontwikkelaars grotendeels zelf een invulling zullen moeten geven aan de mate van participatie en daarbij veel vrijheid krijgen om een op maat gemaakt participatieplan op te stellen. De behoefte aan participatie kan per gebied en type project verschillen en daardoor in veel verschillende gradaties en vormen plaatsvinden. Er is participatie denkbaar in zowel het besluitvormingsproces of in de vorm van financiële of organisatorische betrokkenheid.

Windpark Westermeerwind is een goed voorbeeld van een project waarbij het participatieplan is omgezet in concrete participatiemogelijkheden. Het windpark biedt namelijk de mogelijkheid om te participeren door middel van aandelen en obligaties, die naar verwachting in 2017 worden aangeboden. Er is specifiek voor gekozen om dit ongeveer een jaar na de afronding van de bouw van het windpark te doen om zo de financiële risico’s voor de aandeel- en obligatiehouders te beperken.

Dat participatie een grote rol van betekenis kan spelen werd ook onderkend in een recentelijke bijeenkomst van de Nederlandse Vereniging Duurzame Energie (NVDE) en de Nederlandse Wind Energie Associatie (NWEA). De NWEA bevestigt dat er een grote mate van vrijheid geldt voor ontwikkelaars van duurzame energieprojecten om invulling te geven aan effectieve vormen van participatie. Om initiatiefnemers te ondersteunen zijn er ook hulpmiddelen gepubliceerd, zoals de Toolbox actieve betrokkenheid bij windenergie, Inspiratiegids Participatie en de Handleiding Participatieplan.

Conclusie

Na het Energieakkoord uit 2013 is de vervolgstap naar het bevorderen van duurzame energieprojecten door het vereenvoudigen van het Nederlandse omgevingsrecht gezet. Maar het traject is nog niet afgerond en de vraag is of deze nog op tijd komt. De beoogde implementatiedatum van de Omgevingswet van 1 juli 2019 zal niet worden gehaald, en er is ook geen nieuwe concrete deadline door de demissionair minister toegezegd. Dat betekent overigens niet dat de ontwikkeling van duurzame energieprojecten in de aanloop naar de implementatie van de Omgevingswet stil staat. Het ministerie van Infrastructuur en Milieu geeft aan dat in de tussentijd diverse gemeenten, provincies en waterschappen al zijn begonnen met het nastreven van de principes van de herziening van het omgevingsrecht en dat de huidige Crisis- en Herstelwet projectontwikkelaars hierin ondersteunt. Het is aan de projectontwikkelaars om voort te bouwen op het Energieakkoord en de implementatie van de Omgevingswet niet af te wachten als het om participatie gaat. Deze vrijheid om zelf invulling te geven aan de participatiemogelijkheden kan zowel in het belang van de omwonenden en andere betrokkenen zijn als de projectontwikkelaars zelf.

In het Energieakkoord is overeengekomen dat vanaf 2026 geen subsidies meer zullen worden verstrekt voor de aanleg van windparken. De trenddaling van de aanbesteding van Borssele 1 en 2 van respectievelijk DONG en Shell belooft een versnelling van die subsidiegrens. In Duitsland is inmiddels al een windpark aanbesteed met een invoedingstarief van 0 cent. Wellicht biedt deze ontwikkeling ook mogelijkheden voor de Nederlandse windparken.

Tekst: Sophie Dingenen, Margot Besseling en Sharon van de Kerkhof Bird&Bird LLP

Op basis van de Richtlijn Hernieuwbare Energie dient de Nederlandse overheid onder andere na te streven dat minimaal veertien procent van het totale energieverbruik in 2020 op duurzame wijze wordt opgewekt. Om deze doelstelling te behalen is in het Energieakkoord van 6 september 2013 afgesproken dat het operationele offshore windvermogen dient toe te nemen tot 4450 megawatt in 2023. Dit betekent een toename van 3.450 megawatt in een periode van tien jaar. Om deze toename te realiseren berekende het Energieonderzoek Centrum Nederland (ECN) dat de overheid achttien miljard euro dient uit te trekken om investeringen in windenergie op zee aantrekkelijker te maken voor marktpartijen. Dit bedrag zal gefaseerd worden uitgekeerd over een periode van vijftien jaar. Rekening houdende met het feit dat het na het afgeven van een subsidiebeschikking nog een aantal jaren duurt voordat er daadwerkelijk met de exploitatie van een windpark zal worden aangevangen, zal de SDE-subsidie verspreid over de jaren 2019–2037 worden uitgekeerd. De benodigde financiële ondersteuning voor het bouwen en exploiteren van offshore windparken wordt vooralsnog door de Nederlandse overheid geboden via subsidies op basis van het programma Stimulering Duurzame Energieproductie (SDE+).

 Tenderprocedure

Het ontstaan van een offshore windpark kan worden onderscheiden in vier fasen: vergunning, ontwerp, constructie en operatie. De SDE+ subsidie wordt toegekend op basis van een tenderprocedure. Via een tenderprocedure wordt bepaald welke marktpartij aanspraak maakt op de vergunning voor het bouwen en exploiteren van het windpark. Voorheen handelde de Nederlandse overheid nog reactief door het indienen van een subsidie- en vergunningaanvraag aan marktpartijen over te laten, waar de overheid dan vervolgens op reageerde. Tegenwoordig speelt de overheid een actieve rol in het bepalen van de omvang van de tenderprocedure.

In een zogenoemd kaderbesluit stelt de overheid de locatie van het windpark vast en bepaalt onder welke voorwaarden een offshore windpark kan worden gerealiseerd. De door de overheid gestelde voorwaarden zijn vastgesteld op basis van diverse onderzoeken die op verzoek van de overheid worden uitgevoerd, onder andere met betrekking tot bodem, wind en watercondities ter plaatse van de kavel. De Nederlandse overheid wijst aldus een kavel aan, draagt zorg voor een gedegen voorbereiding en daaropvolgend mogen marktpartijen biedingen uitbrengen. De overheid heeft hiervoor gekozen om de investeringen in duurzame energie aan te moedigen. Door geïnteresseerde partijen te voorzien van deze uitgebreide informatie wordt het eigen risico van de marktpartijen tot de toekenning van de subsidie aanzienlijk beperkt. Het tenderbedrag per kilowattuur maakt de marktpartij op het subsidieaanvraagformulier kenbaar. Nadat beoordeeld is op of de aanvragen volledig zijn ingediend, worden de aanvragen tot SDE-subsidie en windvergunning getoetst op haalbaarheid. De marktpartij met de laagste prijs voor de aanleg en exploitatie wordt tot winnaar verkozen van de tender.

De winnaar krijgt de SDE-subsidie toegekend waarmee hij gedurende de eerste vijftien jaar van de exploitatie van het windpark een subsidieaanspraak krijgt. Met de term ‘subsidie’ wordt gedoeld op het SDE-tarief per megawattuur voor de door het park geproduceerde stroom. De SDE+ subsidie compenseert het verschil tussen de kostprijs van de offshore windenergie en de marktprijs van de geleverde energie. De subsidie-inkomsten vangen pas aan vanaf het moment dat de exploitatie van het windpark start. Naast de subsidieaanspraak verkrijgt de winnaar van de tender ook een windvergunning voor een periode van dertig jaar. De verkrijger van de windvergunning heeft het exclusieve recht om op een specifiek kavel een windpark te bouwen en te exploiteren. Zonder windvergunning is het dus verboden een windpark te bouwen of te exploiteren. Bovendien geldt dat slechts één vergunning kan worden afgegeven voor één kavel.

Verplichting

Het tenderbedrag per kilowattuur is in beginsel doorslaggevend voor het aanwijzen van een winnaar van de tender. Marktpartijen dienen echter ook aan een aantal aanvullende eisen te voldoen. Zo dient de aanvrager aannemelijk te maken dat bouw en exploitatie van het windpark aanvangen binnen vier jaar na het verstrekken van de vergunning. Het eigen vermogen dient bovendien minimaal tien procent van de totale investeringskosten te bedragen en partijen dienen in staat te zijn een tweetal bankgaranties te verstrekken; tien miljoen euro ten tijde van de aanvraag en een vervangende garantie van 35 miljoen euro vóór het einde van het eerste jaar.

Op basis van artikel 61 lid 1 Besluit SDE is de winnaar van de tender, als ontvanger van de subsidie, verplicht het windpark binnen een bepaalde termijn in gebruik te nemen. Deze termijn is in het Energieakkoord vastgesteld op vier jaar. Lid 3 van artikel 61 Besluit SDE stelt vervolgens dat bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat de subsidieverlening enkel wordt verleend indien de winnaar van de tender en de Nederlandse overheid een uitvoeringsovereenkomst tekenen binnen enkele weken na de subsidietoekenning. Indien een dergelijke uitvoeringsovereenkomst niet wordt afgesproken krijgt de subsidieverlening geen rechtskracht. Uit de uitvoeringsovereenkomst vloeit de verplichting voort om het windpark tijdig te bouwen en exploiteren, in overeenstemming met de termijn zoals vastgesteld in art. 61 lid 1 Besluit SDE. Indien de winnaar van de tender het windpark niet tijdig in gebruik neemt, is de winnaar een boete ter hoogte van 0,2 procent van het beschikte bedrag verschuldigd aan de Nederlandse overheid. Voor iedere daaropvolgende maand dat de exploitatie van het windpark nog niet is begonnen is de winnaar van de tender wederom 0,2 procent van het maximale subsidiebedrag verschuldigd, met een maximum boete van twee procent. Op basis van de uitvoeringsovereenkomst is de overheid gemachtigd de boetes te innen door het inroepen van de door de winnaar verstrekte bankgarantie. Voorgaande sanctie is door de overheid gesteld om niet-serieuze partijen af te schrikken om mee te dingen naar de SDE-subsidie.

 Daling

Hoewel de geschiedenis met betrekking tot tenders voor windparken maar een korte tijdspanne omvat, hebben zich al opzienbarende ontwikkelingen voorgedaan. In 2015 is de eerste SDE-tender van het Borssele windpark, goed voor een opbrengst van zevenhonderd megawatt, toegewezen aan het Deense bedrijf DONG Energy. De bouw en exploitatie van de derde en vierde kavel van het Borssele windpark zijn toegewezen aan een consortium van Shell, Van Oord, Eneco en Mitsubishi/DGE.

Waar de winnaars van de eerste tenders de subsidietoekenning en windvergunning nog met een subsidieprijs van 72,70 euro per megawattuur in de wacht sleepten, is de laatste tender door het consortium gewonnen met een prijs van 54,50 euro per megawattuur. Een verdere verlaging van de prijs werd tot voor kort voor onmogelijk gehouden.

In Duitsland is het ENBW echter gelukt een tender te winnen op basis van een invoedingstarief van 0 cent per kilowattuur. ENBW zal aldus een gedeelte van het He Dreiht windpark, dat in totaal 1.490 megawatt omvat, bouwen en exploiteren zonder subsidieondersteuning van de Duitse staat. Hierbij verdient wel opmerking dat de Duitse tenderprocedure op andere wijze is ingericht dan de Nederlandse procedure. De tender voor het He Dreiht windpark was de eerste tender sinds een herziening van de tenderprocedure in Duitsland waarin verschillende offshore windprojecten, die reeds op de planning stonden van windparkontwikkelaars, van verschillende omvang tegen elkaar opbieden. Binnen het totale vermogen dat wordt getenderd, mogen partijen elk voor hun eigen omvang tegen elkaar opbieden. Een invoedingstarief van 0 cent per kilowattuur werd voor onmogelijk gehouden. Er werd dan ook gesproken van een historisch moment.

Vele deskundigen hebben zich gebogen over de vraag hoe het mogelijk is een windpark te bouwen zonder subsidie. Een belangrijk aspect is dat het windpark pas over acht jaar zal worden gebouwd, waardoor ENBW naar eigen zeggen rekening kon houden met toekomstige technologische ontwikkelingen en verdere kostprijsdalingen. Bovendien heeft ENBW reeds twee windparken in bezit welke dichtbij het nog te ontwikkelen windpark He Dreiht gelegen zijn, waardoor ENBW schaalvoordelen geniet ten opzichte van concurrerende marktpartijen. Een lage rente, de daling van staalprijzen en de grote omvang van het door ENBW te bouwen en te exploiteren windpark (900 MW) worden verder nog van belang geacht.

De afgelopen jaren is gebleken dat de financiering van windparken zich op verschillende wijzen presenteert. Naast een volledige balansfinanciering door energiebedrijven, wordt de bouw en exploitatie van windparken ook vaak gefinancierd door middel van eigen vermogen van een consortium met gedeeld eigenaarschap, en aldus verspreiding van risico, en worden projecten steeds vaker gefinancierd met vreemd vermogen. Niet alleen ondernemingen die actief zijn in de energiesector, de traditionele energiebedrijven, dingen mee in de tenderprocedures, ook institutionele beleggers, projectontwikkelaars en commerciële banken kiezen steeds vaker voor investeringen in duurzame energie.

 Toekomst

In het Energieakkoord is overeengekomen dat vanaf 2026 geen subsidies meer zullen worden verstrekt voor de aanleg van windparken. Naar aanleiding van de ontwikkelingen in Duitsland lijkt de periode van een subsidievrije aanleg van windparken echter eerder aan te breken. Hoewel het te vroeg is om te concluderen dat een invoedingstarief van 0 cent ook in Nederland spoedig zal worden bereikt, gezien het verschil in toepassing van de tenderprocedures, bieden de omvang van de nog te tenderen windparken in Borssele en Hollandse Kust Zuid Holland (allen zevenhonderd megawatt) en lage rentes een goede bodem om windparken goedkoper dan ooit te kunnen bouwen en exploiteren in Nederland. Voorwaarde is uiteraard wel dat er voldoende financiële middelen voor handen zijn om de windparken te kunnen realiseren, maar op basis van de huidige diversiteit van geïnteresseerde marktpartijen en de lage rentes voor het verkrijgen van vreemd vermogen lijkt het aan financiële middelen niet te ontbreken.

In het Energieakkoord is overeengekomen dat vanaf 2026 geen subsidies meer zullen worden verstrekt voor de aanleg van windparken. De trenddaling van de aanbesteding van Borssele 1 en 2 van respectievelijk DONG en Shell belooft een versnelling van die subsidiegrens. In Duitsland is inmiddels al een windpark aanbesteed met een invoedingstarief van 0 cent. Wellicht biedt deze ontwikkeling ook mogelijkheden voor de Nederlandse windparken.

Tekst: Sophie Dingenen, Margot Besseling en Sharon van de Kerkhof Bird&Bird LLP

Hoewel de geschiedenis met betrekking tot tenders voor windparken maar een korte tijdspanne omvat, hebben zich al opzienbarende ontwikkelingen voorgedaan. In 2015 is de eerste SDE-tender van het Borssele windpark, goed voor een opbrengst van zevenhonderd megawatt, toegewezen aan het Deense bedrijf DONG Energy. De bouw en exploitatie van de derde en vierde kavel van het Borssele windpark zijn toegewezen aan een consortium van Shell, Van Oord, Eneco en Mitsubishi/DGE.

Waar de winnaars van de eerste tenders de subsidietoekenning en windvergunning nog met een subsidieprijs van 72,70 euro per megawattuur in de wacht sleepten, is de laatste tender door het consortium gewonnen met een prijs van 54,50 euro per megawattuur. Een verdere verlaging van de prijs werd tot voor kort voor onmogelijk gehouden.

Duitse subsidie op 0 cent

In Duitsland is het ENBW echter gelukt een tender te winnen op basis van een invoedingstarief van 0 cent per kilowattuur. ENBW zal aldus een gedeelte van het He Dreiht windpark, dat in totaal 1.490 megawatt omvat, bouwen en exploiteren zonder subsidieondersteuning van de Duitse staat. Hierbij verdient wel opmerking dat de Duitse tenderprocedure op andere wijze is ingericht dan de Nederlandse procedure.

Vele deskundigen hebben zich gebogen over de vraag hoe het mogelijk is een windpark te bouwen zonder subsidie. Een belangrijk aspect is dat het windpark pas over acht jaar zal worden gebouwd, waardoor ENBW naar eigen zeggen rekening kon houden met toekomstige technologische ontwikkelingen en verdere kostprijsdalingen. Bovendien heeft ENBW reeds twee windparken in bezit welke dichtbij het nog te ontwikkelen windpark He Dreiht gelegen zijn, waardoor ENBW schaalvoordelen geniet ten opzichte van concurrerende marktpartijen. Een lage rente, de daling van staalprijzen en de grote omvang van het door ENBW te bouwen en te exploiteren windpark (900 MW) worden verder nog van belang geacht.

Toekomst

In het Energieakkoord is overeengekomen dat vanaf 2026 geen subsidies meer zullen worden verstrekt voor de aanleg van windparken. Naar aanleiding van de ontwikkelingen in Duitsland lijkt de periode van een subsidievrije aanleg van windparken echter eerder aan te breken. Hoewel het te vroeg is om te concluderen dat een invoedingstarief van 0 cent ook in Nederland spoedig zal worden bereikt, gezien het verschil in toepassing van de tenderprocedures, bieden de omvang van de nog te tenderen windparken in Borssele en Hollandse Kust Zuid Holland (allen zevenhonderd megawatt) en lage rentes een goede bodem om windparken goedkoper dan ooit te kunnen bouwen en exploiteren in Nederland.

Recentelijk trad een aantal wijzigingen van de mijnbouwwet- en regelgeving in werking, waaronder de wetswijziging in het kader van “versterking veiligheidsbelang mijnbouw en regie opsporings-, winnings-, en opslagvergunningen” en het bijbehorende besluit tot wijziging van het Mijnbouwbesluit. Genoemde wijzigingen beogen een veilige opsporing en winning van gas en andere delfstoffen, en bevatten daarnaast nieuwe regels over onder meer de afsplitsing van specifieke winningsvergunningen voor koolwaterstoffen en de mogelijkheid om kosten in verband met het verlenen van mijnbouwvergunningen alsmede bepaalde kosten van toezicht door te berekenen aan mijnbouwexploitanten en gasnetbeheerders.

Deborah Nizamoeddin (Bird & Bird)

Sinds 1 januari 2017 kent de Mijnbouwwet – naast de al eerder in de wet geregelde figuren ‘splitsing’ (waarbij een mijnbouwvergunning wordt gesplitst in twee of meer vergunningen voor twee of meer gebieden) en ‘samenvoeging’ (waarbij mijnbouwvergunningen worden samengevoegd waardoor één vergunning ontstaat voor het gehele gebied) – ook de nieuwe figuur ‘afsplitsing’. De regels voor afsplitsing komen vrijwel overeen met wat in de wet rondom splitsing is geregeld, maar bij afsplitsing zal het altijd moeten gaan om een zogenaamde ‘oude’ (vóór 1965 verleende) winningsvergunning voor koolwaterstoffen. Feitelijk gaat het om mijnconcessies die op grond van de oude Mijnwet 1810 zijn verleend voor Schoonebeek, Tubbergen, Rijswijk, Rossum-De Lutte en Groningen.

Een ander verschil is dat bij afsplitsing de oorspronkelijke winningsvergunning niet komt te vervallen, maar ongewijzigd in stand blijft en voor een kleiner gebiedsdeel gaat gelden. Bij splitsing komt de oorspronkelijke vergunning echter te vervallen. De onzekerheid over de gevolgen van splitsing voor de oorspronkelijke winningsvergunning en het (mogelijk) ook vervallen van de daaraan verbonden specifieke afdrachtverplichtingen aan de staat werden in de praktijk dan ook als grote belemmeringen gezien bij de overdracht op geïnteresseerde derden van niet-benutte delen van oude winningsvergunningen door middel van splitsing. Door de mogelijkheid tot afsplitsing in de wet op te nemen heeft de wetgever deze belemmeringen willen wegnemen, in de hoop dat dit uiteindelijk een doelmatige exploratie en exploitatie van de Nederlandse olie- en gasvoorraden ten goede zal komen.

Indien de houder van een dergelijke oude winningsvergunning een deel daarvan wil doen overgaan op een ander, dient hij – naast een verzoek tot schriftelijke toestemming van de Minister van Economische Zaken (de ‘Minister’) – tevens een aanvraag in te dienen tot afsplitsing van dat deel van de winningsvergunning. De Mijnbouwregeling regelt de wijze waarop een aanvraag om afsplitsing dient te worden ingediend.

Indien de Minister de aanvraag om afsplitsing inwilligt, wijzigt de Minister de winningsvergunning door het gebiedsdeel dat de vergunninghouder wil doen overgaan op een ander af te splitsen van het gebied waarop die vergunning betrekking heeft. Er ontstaan dan twee afzonderlijke vergunningen: 1. de oorspronkelijke winningsvergunning die ongewijzigd in stand blijft maar voor een kleiner gebied geldt en 2. een ‘nieuwe’ winningsvergunning voor het afgesplitste gebiedsdeel (waarop – behoudens een paar overgangsrechtelijke bepalingen – het overgangsrecht van de Mijnbouwwet niet van toepassing is).

De afgesplitste winningsvergunning is qua duur en karakter gelijk aan de oorspronkelijke winningsvergunning. Alleen eventuele afspraken en overeenkomsten tussen de staat en de vergunninghouder omtrent financiële afdrachten aan de staat die samenhangen met de oorspronkelijke winningsvergunning komen voor de afgesplitste winningsvergunning te vervallen. Op de afgesplitste winningsvergunning zal dan het generieke afdrachtenregime van afdeling 5.1.1 van de Mijnbouwwet van toepassing zijn. Staatsdeelneming ten aanzien van de afgesplitste winningsvergunning zal slechts van toepassing zijn (tevens onder dezelfde voorwaarden), indien staatsdeelneming ook uit de oorspronkelijke winningsvergunning blijkt.

In beginsel worden aan de afgesplitste winningsvergunning dezelfde beperkingen en voorschriften verbonden als die zijn verbonden aan de oorspronkelijke winningsvergunning, tenzij dit niet verenigbaar is met het bij en krachtens de wet bepaalde.

De afsplitsing treedt pas in werking op het moment dat de vergunning voor het afgesplitste gebiedsdeel onherroepelijk is overgegaan op een ander.

Retributies

Voorheen werden er aan mijnbouwondernemingen geen kosten in rekening gebracht in verband met het aanvragen van een vergunning, ontheffing of instemming. Onder de huidige mijnbouwwet- en regelgeving is dat nu anders. Mijnbouwexploitanten en gasnetbeheerders dienen momenteel rekening te houden met een nieuwe kostenpost in de vorm van retributies. Kosten van de Minister in verband met het verlenen van mijnbouwvergunningen alsmede bepaalde kosten (van toezicht) van Staatstoezicht op de mijnen worden namelijk sinds kort doorberekend aan mijnbouwexploitanten en gasnetbeheerders. Wel worden alleen die activiteiten in rekening gebracht, die individualiseerbaar zijn, oftewel duidelijk zijn te herleiden naar de activiteiten van de mijnbouwonderneming. De verschuldigde bedragen (het betreft vaste bedragen, vastgesteld bij ministeriële regeling) zullen bij beschikking van de Minister in rekening worden gebracht, maar komen toe aan de staat.