CBS Archieven - Utilities

Het energieverbruik is volgens het CBS in 2017 nagenoeg gelijk aan 2016.  Wel steeg het aandeel aardgas doordat kolencentrales uit bedrijf werden genomen. Meest opvallend is misschien wel dat in 2017 voor het eerst meer aardgas werd ingevoerd dan uit Nederlandse bodem werd gewonnen.

 

Vanaf 1990 tot en met 2017 nam het energieverbruik met bijna tien procent toe. Per hoofd van de bevolking daalde het verbruik echter met bijna vijf procent. Het aandeel fossiele brandstoffen in het totale verbruik in 2017 was met 2 900 petajoule 92 procent, nagenoeg gelijk aan 2016. De resterende acht procent van de gebruikte energiebronnen bestaat uit hernieuwbare energie, kernenergie, afval en elektriciteit uit het buitenland.

De economie groeide tussen 1990 en 2017 met tachtig procent (volume bruto binnenlands product) harder dan het energieverbruik. Hierin speelt mee dat we in de loop der jaren steeds efficiënter zijn geworden met het gebruik van energie. Zo wordt elektriciteit steeds efficiënter opgewekt, zijn cv-ketels steeds zuiniger geworden en is nieuwbouw beter geïsoleerd. Ook is sinds 1990 het aandeel van (energiezuinige) productie van diensten in het bbp toegenomen.

Meer aardgas, minder steenkool voor elektriciteit

Net als in 2016 steeg het aardgasverbruik in 2017 vooral doordat het verbruik voor de productie van elektriciteit steeg, met 33 petajoule. Deze stijging hangt vooral samen met een daling van het steenkoolverbruik (49 petajoule) voor de elektriciteitsproductie. In 2016 daalde de inzet van steenkool ook al met bijna een tiende. Deze dalingen zijn mede het gevolg van het stilzetten van oude kolencentrales in het kader van het Energieakkoord uit 2013. Desondanks wordt er nog altijd meer steenkool in elektriciteitscentrales verstookt dan in de jaren vóór 2014. Dit komt vooral door het in gebruik nemen van nieuwe, grote kolencentrales in 2014 en 2015.

Aardgas: import hoger dan winning

In 2017 daalde de winning van aardgas met ruim 200 petajoule, zo’n dertien procent. Dit was het vierde opeenvolgende jaar van daling. Dat de laatste jaren minder aardgas wordt gewonnen is het gevolg van de aardbevingenproblematiek in Groningen. De dalende winning wordt vooral gecompenseerd door aardgas te kopen in het buitenland. Vanaf 2012 stijgt de import van aardgas ieder jaar en in 2017 werd voor het eerst meer aardgas ingevoerd dan er uit eigen bodem gewonnen werd.

De hogere import in 2017 kwam voor het grootste deel uit Noorwegen. Deze import steeg met 185 petajoule naar 743 petajoule. Ook de import uit Groot-Brittannië steeg, met 78 petajoule naar 253 petajoule. De import vanuit de Duitse grensovergangen (waarin ook aardgas uit Rusland zit) daalde daarentegen met 116 petajoule naar 338 petajoule.

Traditioneel exporteert Nederland meer aardgas dan dat het importeert. Tussen 2000 en 2013 was de export nog meer dan twee keer zo groot als de import. Na 2013 daalt deze verhouding echter snel. In 2017 was de export van aardgas nog maar drie procent hoger dan de import.

 

De meeste van de zeventien duurzaamheidsdoelen waaraan Nederland zich heeft gecommitteerd zijn in het voorbije jaar dichterbij gekomen. Dit meldt het CBS op basis van de tweede meting van hoe Nederland het doet wat betreft de Sustainable Development Goals (SDG’s). Uit het rapport, Duurzame ontwikkelingsdoelen: de stand voor Nederland, blijkt wel dat er ook aandachtspunten zijn. Deze liggen vooral op het gebied van milieu, klimaat, energie en ongelijkheid. De meest opvallende achteruitgang is het wegzakken van Nederland uit de EU-kopgroep qua broeikasgasintensiteit.

De SDG’s vormen een toekomstagenda voor duurzame ontwikkeling in de periode 2015-2030. Deze werd eind 2015 door de leden van de Verenigde Naties vastgesteld. Daarbij is tevens een internationaal systeem van indicatoren afgesproken om te meten hoe de agenda vordert. In november 2016 publiceerde het CBS de eerste meting voor Nederland.

Weinig hernieuwbare energie

Nederland doet het minder goed op indicatoren die betrekking hebben op milieu, klimaat, energie en ongelijkheid. Zo staat Nederland al jaren vrijwel onderaan de ranglijst wat betreft hernieuwbare energie, met plaats 26 van de 28. Verder zijn de broeikasgasemissies per inwoner in vergelijking met andere EU-landen onverminderd hoog. Ook zijn er aandachtspunten wat betreft het ruimtegebruik in Nederland. Zo is het kleine areaal bos wellicht een gegeven, maar ook qua aandeel biologische landbouw scoort Nederland relatief laag.

De broeikasgasintensiteit van de Nederlandse economie is de afgelopen jaren gedaald. Die daling is echter minder sterk dan gemiddeld in andere EU-landen. Daardoor heeft Nederland de kopgroep (zesde plek in 2008) verruild voor de middenmoot (dertiende in 2015).

Positieve ontwikkelingen overheersen

De meeste SDG-indicatoren laten voor Nederland een positieve ontwikkeling zien. Vooral die voor de doelstellingen fatsoenlijke (degelijke) banen en economische groei (SDG 8), duurzame consumptie en productie (SDG 12) en vrede, veiligheid en rechtvaardigheid (SDG 16) laten in meerderheid een soms kleine – maar positieve – ontwikkeling zien. Bij de doelstellingen einde aan armoede (SDG 1) en minder ongelijkheid (SDG 10) is het aantal indicatoren met een negatieve ontwikkeling groter.

Hoog bbp en relatief weinig armoede

Uit de vergelijking met andere EU-landen blijkt dat Nederland het vooral goed doet op economisch vlak, de rechtsstaat en instituties, en op sommige terreinen van onderwijs en gezondheid. Het bbp per hoofd van de bevolking in Nederland is één van de hoogste in Europa. Het risico op armoede is, ondanks een stijging in 2016, internationaal gezien nog steeds laag. De uitval van jongeren en het aantal tienerzwangerschappen zijn het laagst binnen de EU. Van het geproduceerde afval wordt bijna 82 procent gerecycled. Daarmee staat Nederland op de derde plaats in de EU. Ook het aantal vrouwen onder parlementariërs en lokale volksvertegenwoordigers is met 38 procent relatief hoog in vergelijking met de rest van Europa.

 

 

In 2017 is in Nederland 10 procent meer elektriciteit uit hernieuwbare bronnen opgewekt dan een jaar eerder. Zowel de productie uit wind als die uit zon nam toe. Dit blijkt uit de nieuwe voorlopige cijfers van het CBS over hernieuwbare elektriciteit.

De elektriciteitsproductie uit hernieuwbare bronnen in 2017 was 17 miljard kilowattuur (kWh), in 2016 was dit nog 15 miljard kWh. Windmolens hadden hierin met 60 procent het grootste aandeel, gevolgd door biomassa met bijna 30 procent. Met zonnepanelen werd bijna 13 procent opgewekt en het aandeel van waterkracht bleef beperkt tot een half procent.

Het aandeel duurzaam opgewekte stroom in het totale elektriciteitsverbruik nam toe, van 12,5 procent in 2016 naar 13,8 procent in 2017.

Vooral meer windenergie

De productie van elektriciteit uit windenergie steeg met 16 procent, van 8,4 naar 9,6 miljard kWh. Dat komt vooral door de forse uitbreiding van het windmolenpark in de tweede helft van 2016. Deze nieuwe molens waren in 2017 het gehele jaar in gebruik en tellen daarom vanaf 2017 volledig mee. De capaciteit van de windmolens bleef in 2017 ongeveer gelijk: eind 2017 stond voor ruim 3,2 duizend megawatt vermogen op land en bijna duizend megawatt op zee opgesteld.

Meer zonnepanelen

Ook de productie van stroom met zonnepanelen nam toe, van 1,6 naar 2,1 miljard kWh. De totale opgestelde capaciteit van zonnepanelen is in 2017 flink gegroeid, en wordt geraamd op ruim 2,7 gigawatt. De opwekking van elektriciteit uit het verbruik van biomassa is in 2017 iets gedaald. Die daling komt vooral door een verschuiving van elektriciteits- naar warmteproductie door enkele grote biomassa-installaties.

De CO2-uitstoot in Nederland was in het derde kwartaal 0,2 procent hoger dan in hetzelfde kwartaal een jaar eerder.  De CO2-uitstoot door het cluster landbouw, delfstoffenwinning, industrie en bouwnijverheid was ruim vier procent hoger dan een jaar eerder. De emissies door energiebedrijven namen daarentegen juist sterk af. Dit meldt het CBS op basis van de nieuwste kwartaalcijfers over de CO2-uitstoot.

 

In het derde kwartaal van 2017 was de CO2-uitstoot door energiebedrijven, waterbedrijven en afvalbeheer ruim acht procent lager dan een jaar eerder. Deze bedrijven zijn goed voor ruim 31 procent van de totale uitstoot. De afname komt vooral doordat energiebedrijven minder elektriciteit geproduceerd hebben dan in het derde kwartaal van 2016. Er werd vooral minder elektriciteit geëxporteerd.

CO2-uitstoot huishoudens en dienstverlening gestegen

De CO2 – uitstoot van de huishoudens steeg in het derde kwartaal met ruim 5 procent. De stijging komt vooral door het hogere gasverbruik voor het verwarmen van de woning. Ook het verbruik van motorbrandstoffen nam toe. De CO2-uitstoot van huishoudens bedraagt ruim 15 procent van het totaal.

Het derde kwartaal van 2017 was kouder dan dat van 2016. Vooral september was een stuk minder warm. Gecorrigeerd voor dit weereffect was de CO2-uitstoot in het derde kwartaal 1,2 procent lager dan een jaar eerder.

De CO2-uitstoot van de dienstverlening, goed voor 10 procent van de CO2-uitstoot, was ruim 8 procent hoger dan in het derde kwartaal van 2017. Ook in de dienstverlening werd er meer aardgas verstookt voor het verwarmen van bedrijfspanden.

Landbouw en industrie stoten meer CO2 uit

In het derde kwartaal was de CO2-uitstoot door het cluster landbouw, delfstoffenwinning, industrie en bouwnijverheid ruim vier procent hoger dan een jaar eerder. Dit cluster is goed voor ruim een kwart van de totale uitstoot. De emissie in de aardolie-industrie nam juist sterk af.

Stijging CO2-emissies transportsector

De CO2- uitstoot van de transportsector steeg in het derde kwartaal met bijna 3 procent. De transportsector is goed voor bijna 18 procent van de totale uitstoot. De uitstoot nam het meest toe bij het goederenvervoer over de weg. De toename in deze sector komt vooral door meer vervoersbewegingen.

 

De komende jaren gebruiken huishoudens en bedrijven steeds meer duurzaam opgewekte energie. In 2023 zal het aandeel hernieuwbare energie ten opzichte van de start van het Energieakkoord in 2013 meer dan verdrievoudigd zijn tot 17,3 procent. Dit is ruim boven de doelstelling van zestien procent die de 47 partijen in het akkoord hebben afgesproken om de transitie van fossiele naar duurzame energie te maken. Dat blijkt uit de Nationale Energieverkenning 2017 (NEV) die de minister van Economische Zaken mede namens de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu stuurde.

De NEV 2017 geeft inzicht in de voortgang van de doelen zoals deze zijn overeengekomen in het Energieakkoord. De NEV is opgesteld door het Energieonderzoek Centrum Nederland (ECN), het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) en het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) met medewerking van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO).

Minister Kamp van Economische Zaken: ‘De ingezette energietransitie zorgt volgens de NEV voor resultaat. Het aandeel hernieuwbare energie groeit van 17,3 procent in 2023 naar bijna 24 procent in 2030, terwijl vorig jaar 20 procent werd verwacht. Het aandeel hernieuwbare elektriciteit zal in 2023 oplopen tot 44 procent. Deze versnelling is vooral te danken aan de succesvolle uitrol van windenergie op zee. Daarnaast is het jaarlijkse tempo van de energiebesparing (1,7 procent) deze eeuw nog niet zo hoog geweest. Genomen maatregelen in de afgelopen kabinetsperiode zorgen dat het energieverbruik en de CO2-uitstoot afnemen, terwijl gelijktijdig de economie stevig kan blijven groeien. Met de ingezette maatregelen is het fundament gelegd om de klimaatdoelen van Parijs te halen.’

Extra inspanningen

Aanvullende maatregelen die het kabinet eerder dit jaar heeft aangekondigd, staan nog niet in de NEV 2017. Door deze extra acties komt ook de doelstelling van veertien procent hernieuwbare energie in 2020 in zicht. Volgens de NEV 2017 is de verwachte vertraging bij het realiseren van de windenergie op land-projecten de voornaamste reden dat die doelstelling nog niet wordt gehaald. Dit bleek al uit de eerder verschenen Monitor Wind op Land 2016.

Voor minister Kamp van Economische Zaken was dat aanleiding om met de provincies en gemeenten aanvullende acties af te spreken, om het realiseren van concrete projecten verder te ondersteunen. Ook provincies en gemeenten zelf hebben aangegeven dat zij de doelstelling van 6000 Megawatt vanuit windenergie op land in 2020 moeten en kunnen realiseren. Daarnaast is in de NEV 2017 nog geen rekening gehouden met de effecten van de Green Deal Ultradiepe Geothermie die in juni dit jaar is ondertekend. Hiermee kan bijvoorbeeld de industrie duurzamer verwarmd worden.

In de NEV 2017 wordt het aandeel hernieuwbare energie met twee rekenmethodes bepaald: op basis van werkelijke productie en op basis van Europese rekenregels. De Europese rekenregels sluiten niet goed aan op de praktijk in Nederland, waardoor het aandeel hernieuwbare energie hiermee lager uitvalt (2020; 12,4 procent / 2023: 16,7 procent). Met de Europese Commissie zal over aanpassing van deze regels worden overlegd.

Kwart minder uitstoot broeikasgassen in 2020

De verwachte broeikasgasuitstoot in 2020 komt in de NEV 2017 overeen met de prognose uit de NEV 2016. Door het volledig realiseren van de doelstellingen uit het Energieakkoord wordt de vereiste 25 procent broeikasgasreductie ten opzichte van 1990 gerealiseerd, zoals in het Urgenda-vonnis werd gesteld.

Het Centraal Bureau voor de Statistiek onderzocht de bijdrage van de negen topsectoren voor de Nederlandse industrie. De topsector Energie is in dit rijtje een negatieve uitschieter. De toegevoegde waarde van die topsector nam sinds 2015 met twintig procent af. De grootste oorzaak daarvan is de teruglopende exploitatie van aardgas. 

De negen door het kabinet aangewezen topsectoren namen in 2015 een kwart van het bruto binnenlands product voor hun rekening. Ze droegen vooral sterk bij aan de export en aan de uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling. Keerzijde is dat de topsectoren ook meer CO2 uitstoten, blijkt uit de gepubliceerde cijfers van het CBS.

Van de totale uitvoer van goederen uit Nederland kwam bijna veertig procent voor rekening van een van de sectoren die als toonaangevend worden beschouwd. De topsectoren waren verantwoordelijk voor bijna drie kwart van alle R&D-uitgaven, maar ook voor bijna drie kwart van de broeikasuitstoot.

Productiewaarde

De totale productiewaarde van de topsectoren nam tussen 2010 en 2016 toe met twaalf procent tot 446 miljoen euro. De economie als geheel groeide in die periode met acht procent. Als gekeken wordt naar de toegevoegde waarde, de productiewaarde min elders ingekochte producten en diensten, groeien de topsectoren juist minder hard dan de economie als geheel. De toename sinds 2010 is bij topsectoren vier procent en bij de hele economie acht procent.

Topsector Energie

Van de afzonderlijke topsectoren is de toegevoegde waarde het sterkst gegroeid bij ‘Life sciences & health’ en ‘Agri & food’, beide met ruim twintig procent. Negatieve uitschieter is de sector energie, waar de toegevoegde waarde met bijna twintig procent afnam. De terugloop in de energiesector is te verklaren doordat er veel bedrijven in zitten die zich richten op aardgas. De overheid heeft de exploitatie daarvan in de gemeten jaren sterk teruggebracht.

Werkgelegenheid

De werkgelegenheid in de topsectoren nam tussen 2010 en 2016 toe met 43.000 naar 1,4 miljoen arbeidsjaren. De helft van de banengroei komt voor rekening van de sector hightechsystemen en -materialen. In deze sector werken 467.000 mensen, waarmee het de grootste banenmachine van de negen is. In de creatieve industrie en de energiesector trok de werkgelegenheid ook sterk aan. In de transport en logistiek verdwenen juist zeventienduizend banen.

Het producentenvertrouwen steeg van 5,4 in augustus naar 8,5 in september, maakt het CBS bekend. Hierdoor zijn de dalingen in de voorgaande twee maanden meer dan gecompenseerd. Het producentenvertrouwen ligt op het hoogste niveau in 9,5 jaar.

Het vertrouwen van de industriële producenten ligt ruim boven het gemiddelde van de afgelopen twintig jaar (0,7). Het vertrouwen van de ondernemers bereikte in januari 2008 de hoogste waarde (9,4) en ruim een jaar later de laagste waarde (-23,5). Sinds oktober 2014 hebben positief gestemde ondernemers de overhand.

Vooral positiever over verwachte bedrijvigheid

Producenten in de industrie waren in september vooral positiever over de productie in de komende drie maanden. Ook het oordeel over de voorraden gereed product verbeterde. Het oordeel van de producenten over hun orderportefeuille veranderde nauwelijks.

Alle deelindicatoren van het producentenvertrouwen zijn in september 2017 positief. Zo zijn er meer ondernemers die verwachten dat hun productie de komende drie maanden zal toenemen dan ondernemers die een afname van de productie voorzien. Verder heeft het aantal ondernemers dat de orderpositie groot vindt de overhand op het aantal ondernemers dat de orderportefeuille klein acht, gelet op de tijd van het jaar. Ook is het aantal ondernemers dat de voorraad eindproduct als te klein beschouwt groter dan het aantal dat de voorraden te groot vindt.

Producenten hout- en bouwmaterialenindustrie meest positief

Al voor de tiende maand op rij zijn in alle deelbranches de ondernemers positief. Het meest positief in september waren de producenten in de hout- en bouwmaterialenindustrie.

Productie industrie hoger in juli

De gemiddelde dagproductie van de Nederlandse industrie was in juli 3 procent hoger dan in juli 2016. De stijging is iets minder hoog dan in juni. Al bijna twee jaar produceert de industrie meer dan in dezelfde periode een jaar eerder. De productie van de elektrische-apparatenindustrie groeide het sterkst.

Duitse producentenvertrouwen daalt

Duitsland is een belangrijke afzetmarkt voor de Nederlandse industrie. Het vertrouwen van de Duitse producenten daalde in september. In de twee voorgaande maanden bereikte het vertrouwen nog recordhoogtes. De producenten waren vooral minder positief over de huidige bedrijvigheid. De gemiddelde dagproductie van de Duitse industrie was in juli 4,5 procent hoger dan een jaar eerder.

De afzetprijzen van de Nederlandse industrie waren in juli bijna drie procent hoger dan in juli 2016, meldt het CBS. De prijsstijging is ongeveer hetzelfde als een maand eerder. Toen waren de producten van de industrie ruim drie procent duurder.

In juli 2017 kostte een vat ruwe North Sea Brent olie bijna 43 euro. Dat is ongeveer twee procent meer dan een jaar eerder. Een maand eerder was de prijs voor een vat ruwe olie ruim 42 euro, vijf procent lager dan in juni 2016. De ontwikkeling van de afzetprijzen hangt sterk samen met de prijsontwikkeling van ruwe aardolie. Producten van de aardolie-industrie waren in juli vier procent duurder dan in juli 2016. Een maand eerder was er nog een prijsdaling van ruim één procent.

Ook in de chemische industrie hangt de afzetprijs samen met de olieprijs. De afzetprijzen van de chemische industrie waren in juli 4,5 procent hoger dan een jaar eerder. In juni waren chemische producten bijna zeven procent duurder.

De prijsstijging van producten van de basismetaal-, de voedingsmiddelen- en de metaalproductenindustrie lag ook boven de gemiddelde stijging van bijna drie procent. Dat hangt onder meer samen met de prijsontwikkeling van agrarische grondstoffen en metalen. Verder waren ook de afzetprijzen van de auto- en de rubber- en kunststofindustrie hoger dan een jaar eerder. De prijzen in de machine-industrie waren daarentegen opnieuw lager dan een jaar eerder.

Producten industrie in juli goedkoper dan in juni

Vergeleken met juni zijn de afzetprijzen van de industrie in juli gedaald met bijna 0,5 procent. De prijzen op de binnenlandse markt bleven ongeveer gelijk, maar op de buitenlandse markt daalden de prijzen met bijna één procent.

De CO2-uitstoot in Nederland was in het tweede kwartaal 0,9 procent lager dan in hetzelfde kwartaal een jaar eerder. Volgens de eerste berekening groeide in dezelfde periode het bruto binnenlands product (bbp) met 3,3 procent. Belangrijke oorzaken van de afname van de CO2-uitstoot zijn de veranderde brandstofmix bij de productie van elektriciteit en het lagere gasverbruik voor verwarming. Dit meldt het CBS op basis van de nieuwste kwartaalcijfers over de CO2-uitstoot.

In het tweede kwartaal van 2017 was de CO2-uitstoot door energiebedrijven, waterbedrijven en afvalbeheer bijna vijf procent lager dan een jaar eerder. Deze bedrijven zijn goed voor bijna 35 procent van de totale uitstoot. De afname komt vooral doordat energiebedrijven bij de productie minder steenkool en meer aardgas hebben ingezet. Bij het verbranden van aardgas wordt minder CO2 uitgestoten dan bij het verbranden van steenkool. De brandstofmix van Nederlandse energiecentrales is hiermee vanuit milieuoogpunt verbeterd. Wel hebben energiebedrijven meer elektriciteit geproduceerd dan in het tweede kwartaal van 2016. De extra opgewekte elektriciteit was vooral bestemd voor de export.

Chemische en basismetaalindustrie

Het cluster landbouw, delfstoffenwinning, industrie en bouwnijverheid heeft bijna evenveel CO2 uitgestoten als in hetzelfde kwartaal een jaar eerder, terwijl de toegevoegde waarde met drie procent is gestegen. Dit cluster is goed voor bijna 23 procent van de totale uitstoot.

Wel hebben de chemische en basismetaalindustrie meer CO2 uitgestoten. Deze toename komt vooral door de gestegen productie.

Stijging uitstoot transportsector

De CO2-emissies van de transportsector stegen in het tweede kwartaal met bijna vijf procent. De transportsector is goed voor bijna zestien procent van de totale uitstoot. De uitstoot nam het meest toe bij het goederenvervoer over de weg en de luchtvaart. De toename in deze sectoren komt vooral door meer vervoersbewegingen.

Uitstoot huishoudens gelijk gebleven

De CO2-uitstoot van de overige dienstverlening, goed voor bijna elf procent van de CO2-uitstoot, was bijna één procent hoger dan in het tweede kwartaal van 2016. Er werd minder aardgas verstookt voor het verwarmen van bedrijfspanden, maar meer motorbrandstoffen verbruikt voor transport. Het weer in het tweede kwartaal van 2017 was zachter dan een jaar eerder. Gecorrigeerd voor dit weereffect was de CO2-uitstoot 0,4 procent lager.

De CO2-uitstoot van huishoudens ten slotte is in het tweede kwartaal per saldo gelijk gebleven. Ook bij huishoudens daalde het gasverbruik voor verwarming, maar nam daarentegen het verbruik van motorbrandstoffen toe. De CO2-uitstoot van huishoudens bedraagt bijna zestien procent van het totaal.

Het energieverbruik uit hernieuwbare bronnen in Nederland is in 2016 uitgekomen op 5,9 procent. Dit aandeel is vrijwel even groot als het jaar daarvoor, toen kwam 5,8 procent van het totale energieverbruik uit hernieuwbare bronnen. Het energieverbruik uit wind en zon steeg, het verbruik uit biomassa nam licht af waardoor de totale toename van het energieverbruik uit hernieuwbare bronnen beperkt bleef. Dit maakt het CBS bekend op basis van nieuwe cijfers.

Het verbruik van hernieuwbare energie in Nederland bedroeg in 2016 in totaal 125 petajoule (PJ) , dit is 5 procent meer dan het jaar daarvoor. Biomassa is met bijna 63 procent van het totaal verreweg de grootste bron van hernieuwbare energie. Het energieverbruik uit deze bron is met 2 procent afgenomen, terwijl het energieverbruik uit zon en wind gemiddeld met ruim 20 procent is gestegen.

Het totale finale energieverbruik in Nederland is vergeleken met 2015 gestegen met bijna 4 procent naar 2119 PJ. Omdat het totale energieverbruik is toegenomen, heeft de toename van het verbruik van hernieuwbare energie nauwelijks geleid tot een groter aandeel in het totale energieverbruik.

Wind- en zonne-energie groeien

De groei van zonne-energie en windenergie in 2016 bedroeg ruim 20 procent en bereikte vorig jaar 37 PJ. Vooral door het plaatsen van 600 megawatt aan windmolens op zee kon het verbruik flink toenemen. De opgestelde capaciteit van zonnepanelen steeg met een recordhoeveelheid van 500 naar 2000 megawatt.

Minder biobrandstoffen verbruikt

Het verbruik van biobrandstoffen voor vervoer is in 2016 ongeveer 20 procent gedaald ten opzichte 2015. Ook in dat jaar was dit verbruik gedaald (-10  procent). Belangrijke oorzaak is een verandering in de wet. Sinds 2015 is het voor brandstofleveranciers mogelijk om biobrandstoffen mee te laten tellen voor de verplichting terwijl nog niet zeker is of deze biobrandstoffen ook daadwerkelijk op de Nederlandse markt komen. Het CBS gaat uit van de daadwerkelijke leveringen op de Nederlandse markt.

Bij het andere verbruik van biomassa zoals afvalverbrandingsinstallaties, biogas en verbruik in centrales en bij bedrijven en huishoudens bleven de veranderingen ten opzichte van 2015 beperkt tot enkele procenten.

Vooral hernieuwbare warmte

Energie uit hernieuwbare bronnen wordt verbruikt voor warmte, elektriciteit en vervoer. In 2016 was bijna de helft van het verbruik van hernieuwbare energie bestemd voor warmte, ruim 40 procent voor elektriciteit en een kleine 10 procent voor vervoer.

Het aandeel hernieuwbare energie vormt een van de indicatoren van duurzame ontwikkeling. Op woensdag 31 mei wordt door de Tweede Kamer het rapport over duurzame ontwikkeling besproken dat het CBS op 17 mei heeft uitgebracht.