chemie Archieven - Utilities

De industrie moet wat CDA-politicus Henri Bontenbal betreft weer op het politieke netvlies komen. En dan het liefst via een groene industrieagenda. Maar dat betekent ook dat er complexe knopen moeten worden doorgehakt. ‘De discussie gaat nog teveel over wat men allemaal niet wil’, zegt Bontenbal. ‘Terwijl de politieke discussies vooral moeten gaan over de energiemix waar we wél mee kunnen leven.’

De Tweede Kamer is niet heel dik bezaaid met bèta’s en dat kan de discussie rondom de energie- en grondstoffentransitie best nog wel eens in de weg zitten. Gelukkig zijn er ook uitzonderingen. Henri Bontenbal zit weliswaar tijdelijk in de Kamer als vervanger van Harry van der Molen, maar vormt al langer het energie- en klimaatgeweten van het CDA. De natuurkundige is al snel geneigd even een spreadsheet er bij te pakken wanneer de discussie over energie gaat. ‘Veel van de energiedebatten gaan eerder over beeldvorming dan over de daadwerkelijke beleidskeuzes’, zegtpol Bontenbal. ‘Men heeft het al snel over groene waterstof als oplossing voor alles of men serveert CO2-opslag, biomassa en kernenergie af als opties, terwijl we weten dat we eigenlijk alle opties nodig hebben. Als je de getallen erbij pakt, zie je dat groene waterstof voorlopig schaars is en duur, en dat we dus ook andere opties zoals blauwe waterstof en CO2-opslag nodig hebben. Maar ook de discussies rondom bijvoorbeeld biomassa gaan vaak meer over emoties dan over de harde cijfers. Om de achterban tevreden te houden, praat men al snel de kritische burger naar de mond zonder het eerlijke verhaal te vertellen. En dat is dat er geen free lunch is. Op de postzegel die Nederland is, heeft iedere keuze zijn keerzijde: windturbines nemen nu eenmaal schaarse ruimte in, net als zonneparken en biomassa. Bovendien zijn de duurzame energiebronnen vaak nog duurder dan de fossiele brandstoffen. Houden we het echter bij aardgas, dan worden we steeds afhankelijker van import uit landen die soms politiek gevoelig liggen. Geopolitiek lijkt niet echt een overweging te zijn in het energiebeleid en we vertrouwen nu wel erg op de energiemarkten.’

Keuzes

Bontenbal wil dan ook wat meer sturing vanuit Den Haag. ‘Het is de taak van de Kamer de pro’s en contra’s tegen elkaar af te wegen en knopen door te hakken. Nu lijkt het er op dat Kamerleden, maar ook NGO’s, vooral weten waar ze allemaal tegen zijn. Terwijl de discussie zou moeten gaan over de energiemix waar we wél mee kunnen leven.’

bontenbal

‘Om de achterban tevreden te houden, praat men al snel de kritische burger naar de mond zonder het eerlijke verhaal te vertellen.’

Henri Bontenbal – vervangend Tweede Kamerlid CDA

De actuele energiecrisis maakt weer pijnlijk duidelijk hoe ingrijpend energietekorten kunnen zijn voor de maatschappij. Bontenbal: ‘We kunnen het ons niet veroorloven om alles maar aan de markt over te laten en hebben wel enige vorm van regie nodig. De TTF gasfutures stonden een jaar geleden nog op vijf euro per megawattuur, nu zo’n 88 euro. Dat is echt absurd hoog. Je moet burgers beschermen tegen de gevolgen van dergelijk hoge prijzen, maar ook een beetje gasverbruikend MKB-bedrijf houdt het op deze manier niet lang vol. Als je iets positiefs uit deze energiecrisis wil halen, dan is dat het feit dat energie en leveringszekerheid weer bovenaan de politieke agenda staan. Maar het geeft ook aan hoe wankel het evenwicht is tussen leveringszekerheid, betaalbaarheid en duurzaamheid. Ik zou daarom ook zeker kernenergie meenemen in de afwegingen. Het energiesysteem dreigt spaak te lopen als er te veel volatiel vermogen op het net komt. Kernenergie kan net dat beetje basislast leveren dat nodig is om de balans in evenwicht te houden. Natuurlijk moet je daarbij wel de maatschappelijke baten en lasten doorrekenen, maar op voorhand uitsluiten is een luxe die we ons niet kunnen veroorloven.’

Industrieagenda

Bontenbal bespeurt daarbij met name bij de linkse partijen een cynische houding richting industrie. ‘Als de industrie al in de debatten wordt genoemd, is het vooral vanwege de dingen die de industrie niet goed doet. Dat zie je bijvoorbeeld bij de discussie rondom Tata Steel. Een aantal partijen zien het bedrijf dan ook liever gaan dan blijven. Maar ze vergeten vaak voor het gemak even dat je daarmee ook een hele keten vernietigt van toeleverende bedrijven en kennisnetwerken rondom de staalreus. De door de publieke opinie afgedwongen koerswijziging van het bedrijf naar groene staalproductie is wat mij betreft dan ook de lakmoesproef voor de groene industriepolitiek die het kabinet wil voeren. Want zonder politieke steun heeft zo’n forse ingreep geen kans.’

De rechtszaak tegen Shell is volgens Bontenbal een ander typerend voorbeeld van hoe de industrie in een negatief daglicht staat. ‘Maar het is vooral de taak van de overheid om grenzen te stellen aan de impact die bedrijven hebben op de directe leefomgeving of het klimaat in het algemeen. Je kunt daar bedrijven individueel niet alleen op aanspreken. Je kunt een klimaatdoel van een land of werelddeel niet zo maar één op één vertalen naar een bedrijfsdoel. Het gelijk dat de aanklager kreeg van de rechter is in mijn ogen dan ook een pyrrusoverwinning. De perverse effecten van zo’n rechterlijke ingreep is dat bedrijven hun activiteiten verplaatsen naar landen met minder stringente regelgeving. Of bedrijfsonderdelen verkopen aan partijen die het minder nauw nemen met het milieu, waardoor de werkelijke uitstoot alleen maar toeneemt.’

bontenbalLeiden

Bontenbal gaf zelf al een voorzetje door een groene politieke industrieagenda te schrijven. ‘Het Klimaatakkoord is een goede aanzet geweest om de industrie te betrekken bij de klimaatambities van het kabinet. Toch blijft het publiek in het algemeen wantrouwig kijken naar de industrie. Ook in de discussies rondom de energietransitie wordt de industrie vooral als probleem gezien. Terwijl een groot deel van het verdienvermogen bij diezelfde energie-intensieve industrie ligt. We hebben nu eenmaal een geografisch gunstige ligging aan de Noordzee waar de oude economie van profiteerde, maar die ook ideaal is voor duurzame innovatie. We kunnen offshore windparken aanleggen, duurzame brand- en grondstoffen importeren. Maar ook CO2 afvangen en opslaan omdat we uitgeproduceerde velden hebben die relatief eenvoudig te bereiken zijn. Als de circulaire economie ergens kan slagen, dan is het hier. Bovendien zijn de Nederlandse universiteiten en hogescholen van wereldklasse, waardoor we ook de kennis in huis hebben om vooruit te lopen in de energietransitie.’

Bontenbal is van mening dat als we als maatschappij kiezen voor een duurzame koers voor onze industrie, we een kraamkamer scheppen voor innovatieve technologie. ‘Als we duurzame alternatieven vinden voor kunstmest en chemische producten, profiteert niet alleen Nederland daarvan, maar leiden we de rest van de wereld naar een schonere toekomst.’

Blauwe boorden

Op het moment van schrijven is de kabinetsformatie nog in volle gang, maar de speerpunten voor de komende vier jaar zijn inmiddels wel duidelijk. ‘De klimaatcrisis, stikstofcrisis, veiligheid en woningen vragen de komende jaren veel aandacht’, zegt Bontenbal. ‘De industrie heeft zeker een aandeel aan de klimaatverandering, maar ook het vermogen om deze op te lossen. Het heeft geen zin om schuldigen aan te wijzen. Kijk vooral naar welk aandeel de partijen kunnen leveren in de transitie.’

‘De industrie heeft zeker een aandeel aan de klimaatverandering, maar ook het vermogen om deze op te lossen.’

Henri Bontenbal – vervangend Tweede Kamerlid CDA

De industrie is ook een grote werkgever en voor de energie en grondstoffen­transitie is nog veel meer bèta-kennis en -kunde nodig. ‘Dan helpt het imago dat de industrie krijgt opgelegd niet mee om leerlingen te motiveren te kiezen voor een bètacarrière. Nu kun je niet alles sturen, maar het is wel de vraag hoeveel jongeren we moeten opleiden voor bijvoorbeeld recreatiewetenschap, terwijl elders grote tekorten ontstaan voor technische beroepen. We hebben als maatschappij en bedrijfsleven de bijna onmogelijke opdracht om grootschalig woningen te renoveren en verduurzamen, netten aan te passen aan elektrificatie en waterstof en nieuwe energiebronnen aan elkaar te knopen. Managers en consultants zijn er genoeg, waar we echt behoefte aan hebben zijn de blauwe boorden. Straal dan ook uit dat we ze belangrijk vinden, anders wordt het nog een lastige transitie.’

Twaalf vakmensen uit de Belgische chemie- en farmasector geven dit schooljaar een aantal uur per week les op het middelbaar onderwijs. Door enkele uren per week voor de klas te staan, kunnen ze hun praktijkervaring doorgeven, meer meisjes en jongens warm maken voor wetenschappelijke en technische studies of beroepen en het lerarentekort een beetje helpen verzachten.

Vakmensen uit het bedrijfsleven die naast hun job ook deeltijds lesgeven in het secundair onderwijs. Dat is duaal lesgeven in een notendop. Dit schooljaar start het eerste proefproject dat de weg kan vrijmaken voor een bredere uitrol de komende jaren. Zo geeft Steven Rusch, procesingenieur bij Janssen Pharmaceutica, vanaf deze maand het vak ‘Scheidingstechnieken’ aan de TSO-leerlingen van het 6de jaar Chemie en het 7de jaar Productie- en Procestechnologie en Chemische Procestechnieken in het Stedelijk Lyceum Eilandje in Antwerpen.

Praktische toepassingen

Het voordeel is dat leerling les krijgen van experts uit de chemie- en farmasector die de formules uit theoretische handboeken kunnen illustreren met praktische toepassingen. Bedrijven kunnen de wisselwerking met het onderwijs versterken en hun medewerkers een waardevolle educatieve ervaring bieden die hun loopbaan verrijkt. Middelbare scholen uit ASO (Algemeen Secundair Onderwijs) en TSO (Technisch Secundair Onderwijs) kunnen via duaal lesgeven dan weer een beroep doen op lesgevers met praktijkervaring die ze momenteel moeilijk vinden.

Proefproject

Duaal lesgeven is een twee jaar durend proefproject gelanceerd door Vlaams minister van Werk en Economie Hilde Crevits en Vlaams minister van Onderwijs Ben Weyts, uitgewerkt in nauwe samenwerking met onder andere sectorfederatie essenscia vlaanderen en de bedrijven uit de chemie en life sciences. Het initiatief ontvangt onder de projecttitel ‘Teach Up’ financiële steun vanuit het Europees Sociaal Fonds (ESF) en de Vlaamse Overheid en wordt inhoudelijk opgevolgd door een expertenpanel van academici en vertegenwoordigers uit het onderwijsveld, het bedrijfsleven en de overheid.

De eerste lichting van twaalf pioniers in duaal lesgeven zijn afkomstig van zes pioniersbedrijven: BASF, Eastman, INEOS, Janssen Pharmaceutica, Pfizer en Vynova. Ze volgden eerst een verplichte didactische en pedagogische vooropleiding. Ze geven onder andere les in biotechnieken, chemie, mechanica, systeemhydraulica en toegepaste fysica.

Foto ter illustratie

BASF en RWE presenteerden vrijdag een plan voor een twee gigawatt offshore windpark in het Duitse deel van de Noordzee. Hiermee willen ze de chemische site in Ludwigshafen voorzien van groene elektriciteit. Ook moet een driehonderd megawatt elektrolyzer de productie van groene waterstof mogelijk maken. Het gaat om een investering van vier miljard euro.

Het doel van het project van RWE en BASF is om de productieprocessen voor basischemicaliën te elektrificeren. BASF wil in 2050 klimaatneutraal zijn. In 2030 wil het chemiebedrijf wereldwijd 25 procent minder CO2 uitstoten dan in 2018.

Groene waterstof

Om dat voor elkaar te krijgen, is veel elektriciteit uit hernieuwbare bronnen nodig. BASF wil bijvoorbeeld in de toekomst geen fossiele grondstoffen meer gebruiken voor haar stoomkrakers. Daarvoor ontwikkelt ze met Sabic en Linde elektrisch verwarmde stoomkrakers. Daarnaast wil het chemiebedrijf over naar het gebruik van groene waterstof. Twintig procent van de elektriciteit die wordt opgewekt met het nieuwe windpark willen RWE en BASF gebruiken voor de productie van groene waterstof. Ze willen daarvoor een driehonderd megawatt elektrolyzer bouwen. Ook andere bedrijven kunnen gebruik maken van deze groene waterstof.

Geen subsidie

Het project van de twee bedrijven zou kunnen leiden tot 3,8 miljoen ton CO2-emissies per jaar, waarvan 2,8 miljoen ton rechtstreeks bij BASF in Ludwigshafen. Het gaat om een investering van vier miljard euro. Voor het windpark is geen subsidie nodig. BASF en RWE willen het project tegen 2030 uitvoeren.

Onderzoekers in Delft hebben een katalysator ontwikkeld die zelfs in verwaarloosbare hoeveelheden effectief is. De vorm en de robuustheid van de katalysator zorgen ervoor dat deze veel langer meegaat in reacties, waardoor veel energie, afval en kosten kunnen worden bespaard. De resultaten zijn gepubliceerd in Nature Communications.

Een katalysator is aanwezig in het reactiemengsel, maar is geen onderdeel van de chemische reactievergelijking. In theorie zouden katalysatoren dus eeuwig kunnen werken, maar in de praktijk zien chemici dat ze na verloop van tijd minder actief worden. Hierdoor is een grote hoeveelheid van de katalysator nodig om het reactieproces soepel te laten verlopen. De hulpstoffen moeten vervolgens weer uit het reactiemengsel worden gezuiverd, wat een intensief, kostbaar en vervuilend proces is.

Delftse onderzoekers hebben een nieuwe hulpstof ontdekt die volgens hen ongekend efficiënt is. In het onderzoek werkten de chemici met een mangaan katalysator, die moleculen hydrogeneert. Dat wil zeggen dat een dubbele verbinding in het molecuul wordt verbroken en waterstof op die plek in het molecuul komt. Deze reactie wordt vooral ingezet bij het verharden van oliën en vetten.

Zuiveringsstap

Onderzoeker Evgeny Pidko: ‘Om de katalysator effectiever te maken, zijn we gaan sleutelen om zo meer bindingsplekken per molecuul te creëren. Toen merkten we dat de reactie opeens stukken beter verliep.’ Met behulp van spectroscopie zagen de onderzoekers dat de nieuwe katalysator ideale eigenschappen vertoont. In geactiveerde toestand opent het zich om de vereiste reactie aan te drijven. In rusttoestand sluit de katalysator zijn pincet-achtige armen, wat het actieve deel beschermt. Het onderzoek van het team van Pidko laat zien dat de katalysator tot wel 200.000 ‘cycles’ gebruikt kan worden. Pidko: ‘Zelfs bij temperaturen van 120 graden Celsius valt hij niet uit elkaar.’ In plaats van de gebruikelijke 1000 ppm (delen per miljoen) is er van de nieuwe hulpstof maar 5 ppm nodig. Met zulke minieme hoeveelheden kan de zuiveringsstap die normaal nodig is worden overgeslagen.

De ontwikkeling is volgens de onderzoekers belangrijk voor het verduurzamen van de chemische industrie, maar kan niet direct op bestaande chemische processen worden toegepast. Daar is verder onderzoek voor nodig.

De Green Chemistry Campus zet de eerste schreden op het groene chemie pad. Dat wil echter niet zeggen dat de hele route al is uitgestippeld. De nieuwe directeur Connie Paasse ziet in ieder geval een markt ontstaan met een hoge toegevoegde waarde. ‘We moeten vele parallelle paden bewandelen om fossiele brandstoffen te vervangen. Dus gaat groene chemie hand in hand met de energietransitie en de circulaire economie.’

Het feit dat Connie Paasse directeur is geworden van de Green Chemistry Campus is een duidelijk signaal dat biochemie volwassen aan het worden is. De carrière van Paasse voltrok zich met name langs chemische en petrochemische bedrijven als Arkema, Purac, ICI en Shell. Met als laatste wapenfeit de rol van sitemanager bij de PTA-fabriek van BP in het Belgische Geel. Bedrijven met duidelijke fossiele roots. Alhoewel ze inmiddels ook een wending aan het maken zijn naar groene en duurzame alternatieven.

Sinds kort geeft ze leiding aan de business-accelerator voor opschaling van bio-circulaire innovaties. Ofwel de Green Chemistry Campus in Bergen op Zoom, dat grenst aan het terrein van Sabic. De campus biedt faciliteiten, ruimte en advies aan start-ups om op te schalen richting de markt voor groene chemische grondstoffen en toepassingen. Een markt die pakweg tien jaar geleden nog nauwelijks bestond. Samen met partners in Zuidwest-Nederland maakt de campus onderdeel uit van de Circular Biobased Delta om de transitie richting een bio-circulaire economie te versnellen. De recente MKB-stimuleringsregeling van 1,2 miljoen euro van de provincie Noord-Brabant in samenwerking met de gemeente Bergen op Zoom en de campus is daar een goed voorbeeld van.

‘De klimaatmodellen zijn inmiddels alarmerend genoeg om mensen in beweging te krijgen.’

Connie Paasse, directeur Green Chemistry Campus

Urgentiebesef

Paasse ziet dat de ‘sense of urgency’ de afgelopen jaren is gegroeid. ‘Zo’n ingrijpende transitie kan je niet forceren. Pas als we als maatschappij de keuze maken om geen fossiele brandstoffen meer te gebruiken, kunnen we de gevolgen daarvan accepteren. De klimaatmodellen zijn inmiddels alarmerend genoeg om mensen in beweging te krijgen. Die stellen steeds meer vragen aan de politiek die uiteindelijk ook bij de industrie terechtkomen. De chemische industrie wordt meer en meer gedwongen zich te mengen in dit soort publieke discussies en positie te kiezen. Als consumenten aan bijvoorbeeld Unilever vragen of ze duurzamere verpakkingen willen gebruiken, sijpelt die vraag door naar de hele keten.’

tekst gaat verder onder de afbeelding
paasse

Connie Paasse voor TNO’s faciliteiten voor Diels Alder chemie naar functionele aromaten binnen Shared Research Center Biorizon op de Green Chemistry Campus.

Dat een groene chemische campus kan bijdragen aan de maatschappelijke roep om vergroening, daar is Paasse van overtuigd. ‘De ervaring die we hier opdoen, kunnen we straks grootschaliger in de industrie toepassen. Ik vind het ook leuk dat ik mijn ervaring in de chemische industrie nu kan inzetten om de volgende generatie klaar te stomen voor hún toekomstige industrie. Dat niet alle initiatieven tot volle wasdom komen, hoort daar ook bij. Het verschil tussen het lukken en niet lukken van innovatieve techniek is maar zo klein. Vaak is het een kwestie van de juiste tijd en de juiste markt aanboren. Daarom kan het ook zijn dat ideeën die tien jaar geleden al een keer zijn mislukt, nu wel de juiste voedingsbodem kunnen krijgen. We ondersteunen de start-ups en scale-ups in ieder geval zoveel mogelijk door ze ook op het financiële vak bij te staan of hun kennis van de markt en technologie bij te spijkeren.’

Techniek is in de energie- en grondstoffentransitie maar een deel van de oplossing. ‘En misschien nog wel het meest eenvoudige deel. Willen we echt overgaan naar groene grondstoffen en hernieuwbare energie dan moeten bijvoorbeeld ook de financiële systemen daar op worden afgestemd. De terugverdientijden van groene, kleinschalige projecten zijn soms wat langer dan de financiële markt gewend is. We moeten tegelijkertijd antwoord geven op de vraag welke nieuwe grondstoffen de plaats innemen voor de fossiele varianten en waar we ze vandaan gaan halen.’

Parallelle paden

Met het Nederlandse Klimaatakkoord en de Europese Green Deal lijkt in ieder geval de weg vrijgemaakt voor een transitiepad naar emissieloze productie in 2050. Paasse: ‘Dertig jaar lijkt nog ver weg, maar in de chemie is dat eerlijk gezegd een kort tijdsbestek. Er staan meerdere chemische plants in Nederland die veel ouder zijn. De beslissingen die we nu nemen, kunnen dan ook nog lang na-ijlen. Dat geeft echter geen excuus om dan maar niets te doen. Sterker nog: ik denk dat we als sector het lef moeten hebben om te dromen over waar we over dertig jaar staan. Als we dat niet kunnen, kunnen we het ook niet realiseren. Misschien dat de droom niet helemaal uitkomt, maar je moet wel grote ambities hebben om een verandering in gang te zetten. We weten ook al van tevoren dat dat pad geen rechte lijn wordt. Er moeten vele parallelle paden tegelijkertijd moeten worden bewandeld. Zo kun je nu al uittellen dat we de hoeveelheden fossiele grondstoffen die we nu gebruiken niet één op één kunnen vervangen voor groene varianten. Daarvoor is eenvoudigweg te weinig land beschikbaar.’

Noodzakelijke tussenstap

Je moet dus tegelijkertijd nadenken over hoe je het grondstoffengebruik kunt terugdringen, hoe je plastics kunt hergebruiken en hoe je transportbrandstoffen kunt vervangen voor elektriciteit of bijvoorbeeld waterstof. ‘Met de groene grondstoffen die worden ingezet voor de productie van hoogwaardige chemische grondstoffen zie je dat soms wordt geconcurreerd met de voedselketen. Ook daar moet de maatschappij de komende jaren keuzes maken. Als je direct concurreert met de menselijke consumptie, trek je al snel aan het kortste eind. Veel van die voedingsstoffen gaan echter als veevoeder naar de vleesindustrie. Minder vlees eten zet dus ook wat betreft de beschikbaarheid van biogrondstoffen veel zoden aan de dijk. Tegelijkertijd moeten we ons niet blindstaren op de eigen productie. De Rotterdamse haven is nu al een hub voor groene grondstoffen. Ook de havens kijken inmiddels al welke goederen de industrie nu en in de toekomst nodig heeft.’

Bij al die ontwikkelingen moet je het einddoel niet uit het oog verliezen: het terugdringen van de uitstoot van broeikasgassen. Paasse: ‘Je moet productieketens dan ook altijd tegen die meetlat leggen. In dat licht denk ik dat ook het afvangen en opslaan van CO2 een noodzakelijke tussenstap is om de doelen voor 2030 te kunnen halen. Eerlijk gezegd vind ik dat de inzet van die afgevangen kooldioxide in chemische producten niet direct de beste route is. Tot nog toe kunnen planten dit veel efficiënter converteren naar waardevolle koolstofketens. Maar toch zijn ook dit wellicht routes die we moeten onderzoeken.’

tekst gaat verder onder de afbeelding

paasse

‘We gaan niet over op duurzame grondstoffen omdat de olie opraakt, maar omdat de alternatieven beter zijn.’

Connie Paasse, directeur Green Chemistry Campus

Toegevoegde waarde

De bijdrage van de Green Chemistry Campus is vooral gericht op het faciliteren van bio-circulaire start-ups en scale-ups om groene grondstoffen zo efficiënt mogelijk in te zetten. ‘We hebben in Nederland drie krakers die nafta als grondstof gebruiken. Je kunt er natuurlijk voor kiezen om dezelfde processen te gebruiken, maar dan met een andere grondstof. Maar de vraag is of je niet beter de functionaliteit die al in de biogrondstoffen zit kunt behouden. In cellulose zit de zuurstof al in het molecuul. Het is dan zonde dit eerst uit elkaar te halen om er vervolgens bij synthese weer terug te plaatsen. Het zou slimmer zijn om die functionaliteit in groene grondstoffen te gebruiken om direct hoogwaardigere producten te maken. TNO werkt bijvoorbeeld op de Green Chemistry Campus binnen Shared Research Center Biorizon aan de opschaling van bio-aromaten uit die cellulose.’

Tegelijkertijd zijn er natuurlijk biologische reststromen die lastiger zijn te converteren. ‘Die zijn misschien nog wel interessanter omdat ze per definitie niet concurreren met de voedselvoorziening. Via vergassing of partiële pyrolyse is het mogelijk de biomassa terug te brengen tot bruikbare moleculen de basismoleculen.’

Binnen Biorizon onderzoekt TNO de productie van aromaten uit biomassa reststromen zoals dierlijke mest, gft en landbouwafval. Zowel C5-suikers als lignine en zelfs de houtachtige residuen kunnen via diverse technieken worden omgezet. Niet alleen in de bulkaromaten benzeen, tolueen en xyleen (BTX), maar ook in nieuwe functionele aromaten die bijvoorbeeld zorgen voor een betere UV-stabiliteit, meer glans of hogere weerbestendigheid. Er is dan ook veel interesse vanuit onder meer fabrikanten van coatings, lijmen, polyurethaanschuim en high-end smeermiddelen. Daarnaast worden de aromaten gebruikt voor diverse soorten plastic.

Nieuwe grenzen

Paasse is dan ook zeer positief over de voedingsbodem in Nederland voor groene chemie. ‘We merken dat steeds meer klanten willen betalen voor duurzamere oplossingen die vaak beter presteren en dat de overheid steeds meer durft te sturen. We gaan niet over op duurzame grondstoffen omdat de olie opraakt, maar omdat de alternatieven beter zijn. Veel hangt dan ook af van een eerlijke CO2-prijs, maar ook van de ruimte die ondernemers krijgen om de grenzen op te zoeken. Ik zou zelfs willen zeggen dat we met zijn allen nieuwe grenzen moeten definiëren. We moeten als samenleving durven bepalen wat logische oplossingen zijn en niet direct in de verdediging schieten als zaken net iets anders uitpakken. We gaan een onzekere toekomst tegemoet, maar als we dat goed aanpakken wel een veel mooiere en schonere.’

De verwachtingen voor waterstof als toekomstige, schone energiedrager zijn hooggespannen. Zowel voor het zware vracht transport als voor chemische processen en industriële hogetemperatuurwarmte lijkt het lichtste element de beste kandidaat. Voordat de markt van blauwe en groene waterstof echter tot wasdom is gekomen, zijn er nog heel wat obstakels te overwinnen. De ombouw van een deel van het gasnet naar een waterstofbackbone zou een mooie eerste stap zijn.
Business development manager groene waterstof Lennart van der Burg van TNO ziet dat er nog heel wat werk te verzetten is om de doelstellingen voor 2024 te halen. Laat staan de enorme opschaling die daarna moet plaatsvinden. ‘In de Europese Green Deal en het innovatiefonds is geld vrijgemaakt voor groene waterstof’, zegt Van der Burg. ‘In de Green Deal worden de investeringskosten voor zo’n tweehonderd megawatt vermogen aan elektrolysecapaciteit deels gedekt. De Europese Unie streeft echter naar zes gigawatt aan waterstofproductie in 2024. Er zit dus nog een behoorlijk gat. Nu staan er in Europa meerdere tenders uit voor waterstofprojecten van enkele honderden megawatts, maar dat is lang niet voldoende om de doelstellingen te halen.’

Blauwe waterstof

Wat volumes betreft zet blauwe waterstof heel wat meer zoden aan de dijk. De anderhalve gigawatt die het Rotterdamse Hyvision-project kan leveren, helpt in ieder geval de kritische massa te verhogen. Het slagen van dit project staat of valt met de financiering van het Porthos-project, dat de afgevangen CO2 naar velden in de Noordzee moet krijgen. Het voornemen van de Europese Commissie om het project 102 miljoen euro subsidie te geven, maakt de realisatie in ieder geval een stuk reëler. De initiatiefnemers Gasunie, Havenbedrijf Rotterdam en EBN schatten de totale investering op 450 tot 500 miljoen euro. Dus mocht de EU subsidie daadwerkelijk doorgaan, is één vijfde van het bedrag al binnen.

‘Vooralsnog helpt groene waterstof niet met het reduceren van de CO2-uitstoot.’

Lennart van der Burg, business development manager TNO

Backbone

Mochten alle plannen doorgaan, dan is er wel transportcapaciteit nodig om de gasmoleculen bij de gebruikers te krijgen. Onder de naam HyWay 27 onderzoekt het ministerie van Economische Zaken en Klimaat samen met Gasunie en Tennet of ze een deel van het bestaande gasnet hiervoor kunnen inzetten. Van der Burg: ‘Ook dit project zal niet van de grond komen zonder overheidssteun. Het zou de partijen helpen als de backbone als Important Project of Common European Interest (IPCEI, red.) wordt aangemerkt. Als dit namelijk niet het geval is, ziet Europa dit soort investeringen als ongeoorloofde overheidssteun.’

Voor het zover is, willen de betrokken partijen natuurlijk eerst wel weten of er wel behoefte is aan waterstofgas, welke transportvolumes nodig zijn en welke kwaliteit men wenst zowel aan productie- als afnamekant. ‘Om maar bij die laatste vraag te beginnen: het maakt nogal uit of partijen 99,5 procent zuiver waterstof willen of dat 98 procent of nog lager ook goed is. Hoe hoger de kwaliteit namelijk, hoe hoger de waarde. Groene waterstof is van zichzelf al zuiver en het is zonde deze bij te mengen bij blauwe waterstof die onder andere ook koolstoffen bevatten. Voor industriële processen of bijvoorbeeld de opwekking van warmte zou dat geen probleem moeten zijn. In een brandstofcel is vervuiling destructief. Het is dus verstandiger om voor de automotive alleen groene waterstof te gebruiken of nog een extra zuiveringsstap te nemen.’

tekst gaat verder onder de afbeelding
backbone

Gasunie publiceerde onlangs de route van de backbone. Het merendeel van zowel productie als gebruik van waterstof zal zich binnen de industriële clusters afspelen. (c) Gasunie

Compressorcapaciteit

Gasunie publiceerde onlangs al de route van de backbone. Aangezien het merendeel van zowel productie als gebruik van waterstof zich binnen de industriële clusters zal afspelen, is het traject redelijk eenvoudig uit te tekenen. In de basis gaat de ringleiding langs alle clusters, met enkele aftakkingen naar België en Duitsland. Gasunie kan met enige aanpassingen zijn bestaande netwerk gebruiken, al zal de Transport Service Operators (TSO) behoorlijk moeten investeren als de volumes serieuze proporties gaan aannemen. Van den Burg: ‘Gasunie berekende al dat ze momenteel capaciteit heeft voor vijftien gigawatt aan waterstof. Bij hogere volumes zal de netbeheerder de compressie omhoog moeten gooien van tien naar vijftig bar. Mocht dat nodig zijn, dan zal het netbedrijf moeten investeren in extra compressorstations. Daarmee kunnen de investeringen, die eerder werden geschat op 750 miljoen euro, wel eens oplopen tot anderhalf tot twee miljard euro.’

‘Het voordeel van gasleidingen is dat ze intrinsiek al kunnen bufferen, maar daar zitten wel grenzen aan.’

Lennart van der Burg, business development manager TNO

Bij dergelijke volumes moet ook rekening worden gehouden met de opslagcapaciteit. ‘Het voordeel van gasleidingen is dat ze intrinsiek al kunnen bufferen, maar daar zitten wel grenzen aan. In dat geval zullen de gascavernes in Zuidwending een belangrijkere rol gaan spelen. Gasunie’s dochter EnergyStock experimenteert al met het Hystock-project en berekende eerder dat het 240.000 megawattuur aan waterstof kan opslaan, ofwel 6.500 ton. Ook hier zijn natuurlijk kosten aan verbonden.’

Gasunie staat in Europa niet alleen in zijn uitdagingen. Onlangs verscheen nog een plan van elf Europese TSO’s dat de individuele backbones met elkaar verbindt. In dit plan zouden twee parallelle Europese backbones ontstaan: één voor (bio)methaan en één voor waterstof. De TSO’s schatten dat 75 procent van het traject kan bestaan uit bestaande aardgasleidingen, terwijl de overige 25 procent nieuw moet worden aangelegd. Ook in deze projecten zijn de kosten met name afhankelijk van de noodzakelijke uitbreiding van de compressorcapaciteit.

Noord-Afrika

Een Europese backbone is sowieso goed voor de Nederlandse verduurzamingsagenda. Van der Burg: ‘Als we zowel de zware transportsector als de huishoudens en industrie willen laten overstappen naar duurzame bronnen, ontkomen we niet aan import. Volgens een studie van Voltachem naar e-fuels is de geschatte brandstofvraag van de transportsector in 2050 alleen al 1.200 petajoule per jaar. We hebben 70 gigawatt aan geïnstalleerd windvermogen nodig om alleen de transportvraag in te vullen. Met dat vermogen ligt de Noordzee voor 28 procent vol, dus veel ruimte voor uitbreiding is er ook niet.’

We zullen dus ook het brandstofverbruik moeten verlagen door minder, slimmer en anders te gaan reizen. Mogelijk dat corona voor een blijvende verandering in de vraag gaat zorgen. Echter dan nog zullen we een deel van de energie mogelijk via waterstof gaan importeren uit bijvoorbeeld Portugal. In het zuiden van Europa is nu eenmaal meer zonne-energie beschikbaar dan hier. Van der Burg: ‘Zelfs Noord-Afrika is geografisch een interessant gebied. Er zijn inmiddels gesprekken met Marokko, dat niet alleen vlak bij Europa ligt, maar wel potentie heeft voor zon en wind energie. Het ligt echter minder voor de hand om de daar geproduceerde waterstof via pijpleidingen naar Europa te brengen. Dan is het veel interessanter om schepen in te zetten.’

tekst gaat verder onder de afbeelding
backbone

Hystock-project (c) David van Baarle

De uitdaging daarbij is dat het comprimeren van waterstofgas veel energie kost. Gelukkig zijn er andere oplossingen om het gas vloeibaar te maken. Bijvoorbeeld door het te binden met stikstof en er ammoniak van te maken of met koolstof om er ethanol van te maken. Er zijn zelfs speciale liquid organic hydrogen carriers die waterstof opnemen en gemakkelijk weer afgeven.

Innovatie

Van der Burg waarschuwt ervoor dat waterstof voor sommige sectoren wellicht kansen biedt, maar niet dé oplossing is voor de energietransitie. ‘Vooralsnog helpt groene waterstof niet met het reduceren van de CO2-uitstoot. Daarvoor is het aandeel duurzame energie in het elektriciteitsnet met zo’n vijftien procent nog veel te laag.’

Het is wel nodig om nu al de voorwaarden te scheppen om groene waterstof tot wasdom te laten komen. ‘Dat zit in technische zaken als infrastructuur en elektrolyzers, maar ook in keuzes voor stimulering, het bepalen van doelstellingen en de certificering van groene waterstof. Zo zou de overheid bijmenging van duurzame brandstoffen in vliegtuigen kunnen afdwingen. Waarmee een solide investeringsbodem wordt gelegd voor waterstofprojecten.’

De technische innovatie zal voornamelijk gericht moeten zijn op het verlagen van de kostprijs van de elektrolyzer. ‘De capex van een alkaline elektrolyzer zit nu op 1.400 euro per kilowatt, voor PEM is dat zelfs 1.800. Dit zijn de kosten voor volledig operationele plant op gigawatt-schaal zoals berekend in het ISPT GW-project. Die kosten moeten met ongeveer tachtig procent dalen om concurrerend te worden met huidige grijze waterstof. Aan de andere kant heeft de systeemfunctie die waterstof speelt door onder andere de mogelijkheid tot opslag van waterstof ook een waarde. Die waarde zou tot uiting kunnen komen in combinatietenders voor offshore-windparken. Als biedende partijen ook moeten nadenken over het transport en opslag van de opgewekte stroom, kan waterstof weer interessanter worden als optie.’

Wat in ieder geval duidelijk is, dat zowel de TSO’s als de Rijksoverheid snel keuzes moeten maken. Gasunie verwacht medio december de capex-berekeningen rond te hebben voor de Nederlandse waterstofbackbone. Daarna is het aan de politiek om keuzes te maken.

In het tweede kwartaal van 2020 lag de omzet van de industrie, mede door de effecten van de coronacrisis, 16,6 procent lager dan een jaar eerder. De negatieve omzetontwikkeling was het grootst voor aardolieproducenten. Zij boekten dertig procent minder omzet vergeleken met het eerste kwartaal van 2019. Dit meldt het CBS op basis van nieuwe cijfers over de industrie.

De omzet nam in het tweede kwartaal zowel in het binnenland als in het buitenland af met 16,6 procent. Halverwege maart zijn door de Nederlandse overheid maatregelen getroffen om het coronavirus te bestrijden. Vooral in de maanden april en mei van het tweede kwartaal hebben industriële producenten minder omzet gegenereerd dan een jaar eerder. De afzetprijzen lagen in het tweede kwartaal 7,1 procent lager dan een jaar eerder.

Klappen raffinage en chemie

De voornaamste negatieve omzetontwikkelingen in het tweede kwartaal van 2020 zijn te zien in de transportmiddelenindustrie (-38,6 procent vergeleken met een jaar eerder), de raffinaderijen en chemie (-30,1 procent) en de textiel-, kleding- en lederindustrie (-27,4 procent).

In de raffinaderijen en chemie hebben de producenten van aardolie, van chemische producten en van rubber- en kunststofproducten minder omzet geboekt dan een jaar eerder. De grootste min was te zien bij de producenten van aardolie die 53,6 procent minder omzet genereerden dan een jaar eerder. De prijzen van aardolieproducten zijn in het tweede kwartaal gedaald met 46,4 procent.

Transport

In de transportmiddelenindustrie heeft een aantal bedrijven hun fabrieken op 19 maart volledig gesloten. De omzet lag ten opzichte van een jaar eerder voornamelijk lager in april en mei, toen de omzet respectievelijk 50,7 en 49,5 procent lager was. Producenten van auto’s en aanhangwagens zetten 51,0 procent minder om in het tweede kwartaal van 2020. Van alle producenten in de maakindustrie lieten deze producenten de grootste omzetafnames zien in april en mei. In deze twee maanden lag de omzet respectievelijk 72,4 procent en 61,6 procent lager dan in dezelfde periode een jaar eerder.

Farma stijgt

Er waren industriële branches die meer omzet genereerden dan een jaar eerder. Binnen de voedings- en genotsmiddelenindustrie sprongen de tabaksproducenten eruit met een positieve omzetontwikkeling van 10,7 procent. Ook de producenten van farmaceutische producten en de producenten van machines noteerden een hogere omzet dan een jaar eerder.

 

De Industrie draait doorrrr! Maar hoe? Tijdens de tweede Industrielinqs LIVE gaan we op 6 mei (09:00 – 10:30 uur)  in op de olie-industrie en de koppeling met de chemie.

Het gaat de komende maanden mogelijk spannend worden als verschillende raffinaderijen hun productie mogelijk terug moeten schroeven. Met name de vraag naar kerosine en benzine is enorm gekelderd. De vraag naar diesel minder omdat alle vitale sectoren diesel als brandstof gebruiken voor hun vrachtwagens, bestelwagens en ambulances. Kunnen raffinaderijen nog wat aan de knoppen draaien?

En hoe afhankelijk is de chemie van de olie-industrie? Immers de vraag naar chemische producten daalt veel minder hard. Is dit een tijd om over een versnelde ontkoppeling na te denken? Biomassa, aardgas en plastic-afval bieden alternatieven.

Kraker

Aan de digitale tafel ontvangen Wim Raaijen en Jan Peter Kruiger verschillende gasten uit de industrie en andere experts. Waaronder Frank Kuijpers, mondiaal Sabic’s hoogste man op het gebied van sustainability. Onder zijn hoede gaat de kraker in Geleen steeds meer afvalplastic als grondstof gebruiken. Ook prof. Earl Goetheer van TNO en de TU Delft zal aanschuiven. Lees hier een interview met hem.

Aan de digitale tafel zal verder Tom van Aken, CEO van Avantium aanschuiven. Dat Nederlandse bedrijf bouwt in Delfzijl een bioraffinaderij en gaat ook asfalt uit lignine, een restproduct van biomassa, produceren. En uiteraard is het ook interessant hoe de raffinagesector zelf tegen de extreme huidige omstandigheden aankijkt. Daarom zit ook Erik Klooster, directeur van VNPI aan tafel.

Schrijf je nu in. Deelname is kosteloos en we zenden deze keer uit vanuit Microsoft Teams!

 

 

 

VoltaChem, het grootste nationale open innovatie programma gericht op industriële elektrificatie staat alweer voor zijn eerste lustrum en volgens Reinier Grimbergen, senior business developer, is er alle reden om dit te vieren. De inzet van elektriciteit voor recarbonisatie van de industrie is nu al voor veel processen haalbaar. En naarmate er meer duurzaam opgewekte elektriciteit beschikbaar komt, wordt ook de businesscase aantrekkelijker. Voltachem blijft dan ook innoveren om de conversie naar waardevolle chemicaliën, waterstof en warmte te kunnen maken op het moment dat er voldoende duurzame elektriciteit beschikbaar is. Het innovatieprogramma is in 2014 opgericht door TNO, ECN en de Topsector Chemie.

‘Laten we vooropstellen dat er niet veel technische belemmeringen zijn om te recarboniseren’, zegt Grimbergen. Hij spreekt bewust niet over decarboniseren omdat koolstof nu eenmaal de basis is van de organische chemie. ‘De energieproductie moet decarboniseren, maar wat betreft grondstoffen is recarbonisatie het streven. CO2 is ook niet het probleem dat we willen aanpakken, maar de uitstoot ervan in de atmosfeer. We zullen nu al moeten nadenken over alternatieve koolstofbronnen voor het geval fossiele koolwaterstoffen worden uitgefaseerd. En we hebben ook duurzame waterstof nodig om waardevolle producten van dat koolstof te kunnen maken. Ook hier geldt weer dat de techniek geen belemmering vormt. In principe kan je elke organische bron gebruiken om er brandstoffen of chemische grondstoffen van te maken. Doorgaans bepaalt de oxidatiegraad van de koolstofbron de energetische waarde ervan. Kortgezegd: hoe meer zuurstof je er afstript, hoe duurder het molecuul wordt. Neem het voorbeeld van CO2: koolstof met veel zuurstof. Je kunt hier elektrochemisch CO van maken en dat met waterstof omzetten naar diverse chemische grondstoffen of brandstoffen, zelfs kerosine voor de luchtvaart.’

Duurzame energie

Dit elektrochemisch strippen kost echter wel veel energie en daar kom je aan de crux van het onderzoek naar power to chemicals, een van de vier programmalijnen binnen Voltachem. We zoeken constant naar de optimale balans tussen waarde en energieverbruik. Daarom zie je bijvoorbeeld veel onderzoek naar de productie van mierenzuur, wat een waardevolle basisstof is voor de chemie waar nog relatief veel zuurstof in zit. Hoe selectiever en efficiënter je zo’n reductiereactie uitvoert, hoe goedkoper een molecuul wordt. Maar uiteindelijk stelt de wet van de thermodynamica dat je altijd energie moet toevoegen. Wil je echt naar een duurzame en circulaire economie overschakelen, dan zal die energie wel uit duurzame bronnen moeten komen. Anders streef je je doel voorbij. Hetzelfde geldt overigens voor power to hydrogen of power to heat. Eerst moet je de energieproductie verduurzamen voordat je elektriciteit inzet als vervanging voor fossiele brandstoffen.

Er is dus een wederzijdse afhankelijkheid tussen de energietransitie en de circulaire economie. Uiteindelijk moet je beide ontwikkelingen zo timen dat je reële doelen haalt tegen acceptabele kosten. Wat reëel en acceptabel is, zijn meer politieke dan wetenschappelijke vraagstukken. Wij als onderzoekers moeten wel de politiek zo goed mogelijk voorlichten over de opties waartussen ze kunnen kiezen. Momenteel zit er nog teveel emotie in de debatten, terwijl beslissingen op wetenschappelijk gestaafde feiten zouden moeten worden gebaseerd.

European Industry & Energy Summit

Tijdens het invitation-only Voltachem side event op de European Industry & energy Summit komt het hele spectrum van power-to-x technologie voorbij. De dag begint echter met een geschiedenisles. Grimbergen: ‘Hoewel Voltachem nog maar vijf jaar oud is, staan we op de schouders van generaties chemici vóór ons. Ernst Homburg weet daar alles van af als emeritus hoogleraar in de geschiedenis van wetenschap en technologie. We zitten zowel in een energie- als grondstoffentransitie, maar de industrie heeft al veel meer transformaties doorgemaakt.  Je moet het verleden kennen om het heden te begrijpen, maar ook om ervan te leren zodat we in de toekomst niet dezelfde fouten maken.’

Kunststoffen

De aftrap van Homburg wordt gevolgd door een bijdrage van Michael Carus van het door hemzelf opgerichte Nova Instituut. De Duitse chemicus houdt zich al meer dan twintig jaar bezig met kunststoffen, maar moet zich de afgelopen tijd meer verdedigen. ‘Kunststoffen zijn in het verdomhoekje geraakt, terwijl ze een belangrijke rol kunnen spelen in de circulaire economie’, zegt Grimbergen. ‘De inspanningen van het Nova Instituut passen heel goed in het recarbonisatie adagium van Voltachem. Mits gemaakt van biomassa, afgevangen CO2 of van gerecycled plastic, heeft kunststof unieke eigenschappen die het zeer waardevol maakt.’

Fenix

Een zelfde soort verhaal zal komen van Pierre Barthélemy van de Europese chemiefederatie Cefic. Barthélemy leidt namens Cefic het Fenix-project waar CO2-valorisatie het hoofddoel is. Volgens de chemici kan CO2 worden ingezet voor energieopslag, als grondstof voor diverse polymeren en chemicaliën, maar ook als minerale carbonaat. Voor de omzetting van CO2 naar nuttige grondstoffen kijkt men naar de biologische route (biomassa) maar ook naar directe conversie via zonlicht.

Parallelsessies

Na het plenaire programma, kunnen bezoekers nog kiezen tussen een drietal parallelsessies rondom de thema’s brandstoffen, kunstmest en plastics. ‘Het initiatief van ondermeer KLM om organische reststromen en groene waterstof te gebruiken voor de productie van kerosine, nafta en lpg laat zien dat zelfs de luchtvaart kan verduurzamen’, zegt Grimbergen. ‘SkyNRG kon dan ook niet ontbreken op een congres dat de energietransitie in al zijn facetten belicht. Zo hebben we een aantal partijen bereid gevonden om een pitch te verzorgen over hun bijdrage aan recarbonisatie. Een nieuwe ontwikkeling op dit gebied is geïntegreerde CO2-afvang en conversie. CO2-afvang gebeurt voornamelijk door rookgassen te wassen met amines, die de CO2 absorberen. Normaal gesproken kookt men de kooldioxide uit de amines om het absorbtiemiddel opnieuw in te zetten. Maar je kunt natuurlijk ook de kooldioxide in de amines direct omzetten in chemicaliën. Scheelt een energie-intensieve regeneratiestap.’

Als er één industrietak is die de gevolgen van de energietransitie merkt, dan is het de chemische industrie. Als vertegenwoordiger van deze industrie, denkt de VNCI dan ook mee met het invullen van de klimaatopgave. Volgens hoofd Klimaat & Energie Martijn Broekhof van VNCI is het Klimaatakkoord nog niet in beton gegoten. Maar dat er veel gaat veranderen, staat wel vast.

Om maar direct de complexiteit te benadrukken, stelt Martijn Broekhof dat de chemische industrie op meerdere vlakken in transitie is. ‘Behalve dat we ons energieverbruik verduurzamen, stappen we ook wat betreft grondstoffen over op circulaire en biobased varianten. De diversiteit binnen deze industrietak is heel groot. We vertegenwoordigen zowel de coatings en kunststofsector als de food en pharma en alles wat chemische processen nog meer kunnen voortbrengen. Die diversiteit biedt een veelvoud aan oplossingen voor zowel de energie- als grondstoffentransitie. De industrie heeft bovendien veel meer mogelijkheden dan welke sector dan ook om zo’n transitie betaalbaar te houden. Maar dat wil echter niet zeggen dat de chemie ook alle kosten zou moeten dragen.’

Politiek akkoord

De presentatie van de Rijksbegroting tijdens Prinsjesdag maakte de verhoudingen weer duidelijk. De industrie zal tweederde van de CO2-besparingsopgave voor zijn rekening moeten nemen. Broekhof: ‘De dialoog die tot stand kwam in de aanloop naar het ontwerp Klimaatakkoord, leidde tot een mooi raamwerk. Vanuit de diverse belangen en inzichten kwamen industrie, politiek en niet gouvernementele organisaties tot een compromis. Helaas werd het breed gedragen akkoord toch weer een politiek spel waar het zwaartepunt bij de industrie is komen te liggen. De opgave van 59 procent CO2-reductie is behoorlijk en betekent dat de industrie meer moet doen dan de rest van de samenleving.

Het is niet direct dat de industrie die rol niet op zich wil nemen, maar wel onder bepaalde voorwaarden. We kunnen kosteneffectieve maatregelen nemen, maar ook die kennen een onrendabele top. We zullen daarvoor moeten worden gecompenseerd. De SDE++ regeling zou daarvoor moeten zorgen. Maar het is nog niet duidelijk hoe de fondsen daaruit weer terugvloeien. Bovendien is het maar de vraag hoe het stapelen van CO2-belastingen in de praktijk uitpakt. Bedrijven betaalden immers al voor hun CO2-emissierechten via ETS. We weten ook nog niet hoe de overheid de vermijdbare CO2-uitstoot gaat beoordelen. Wie bepaalt de norm en hoe weet een bedrijf dat hij beter of slechter presteert?

Planning

Dan zijn er ook nog wat praktische issues die de politiek vaak voor het gemak even vergeet. We hebben hier te maken met volcontinubedrijven die vaak drie keer in de tien jaar stilstaan. Dat betekent dat ze nu al plannen moeten maken voor projecten die ze over vijf jaar kunnen uitvoeren. Zodra nog niet duidelijk is welke technologie binnen de SDE++ regeling valt, kunnen ze niks plannen. Duurt dit te lang, dan is de eerstvolgende mogelijkheid dus over tien jaar.’

Industrial Heat & Power

Broekhof gaat tijdens de beurs Industrial Heat & Power samen met een aantal andere vertegenwoordigers van de industrie in discussie over deze onderwerpen. ‘Het voordeel van het Klimaatakkoord is dat de industrie in beweging is gezet. Nu wil de industrie weten waar ze aan toe is. Welke wetgeving vloeit er uit de verplichte CO2-besparing? En wie is er bijvoorbeeld verantwoordelijk voor de benodigde infrastructuur?

We gaan graag nog eens de dialoog aan om handen en voeten te geven aan het akkoord. We merken dat er nog teveel wordt gedacht in silo’s waardoor projecten tussen wal en schip vallen. Als we een chemische kraker op biomassa willen bouwen, kan dat niet omdat biomassa alleen in de energiesector als alternatief is meegenomen. Ook de credits van een steel to chemical proces vallen nu aan de kant van de elektriciteitssector.

Of neem de scope 2 en 3 emissies van industriële clusters. Als een chemisch cluster nu restwarmte uitkoppelt naar de gebouwde omgeving, ziet de industrie daar geen carbon credits voor terug. De VNCI heeft al oplossingsrichtingen aangedragen in zijn Roadmap naar 2050. Uiteindelijk beslist de politiek of ze de industrie wil bijstaan in zijn missie. Uiteindelijk bepaalt de politiek voor een groot deel het vestigingsklimaat. Het zou zonde zijn als bedrijven Nederland overslaan omdat ze teveel belemmeringen zien.’