CO2-emissiereductie Archieven - Utilities

Het Kabinet Rutte III verlegt het zwaartepunt van de energietransitie naar de industrie. Met een CO2-heffing in 2021 van dertig euro per ton zou de industrie tweederde van de nationale CO2-lasten voor zijn rekening nemen. Een deel van dat geld vloeit terug naar de industrie via subsidies voor innovatieve energietechnologie. Zo zet minister Wiebes van EZK in op groene waterstof, groen gas, elektrificatie, uitkoppeling van reststromen én CCS/CCU.

Het klimaatakkoord dat minister Wiebes voorlegde aan de kamer laat een duidelijke verschuiving van de CO2-lasten zien naar de industrie. De minister hoopt hiermee een vlucht voorwaarts te creëren voor de industrie zodat deze meer investeert in schone energie, energiebesparing en schoon fossiel. Er komt wel een heffingsvrije voet voor bedrijven van wie de internationale positie verzwakt door een te hoge belasting.

14,3 megaton reductie

Met een opgave van 14,3 megaton CO2-reductie bovenop bestaand beleid komt de reductie voor de industrie neer op circa 59 procent ten opzichte van 1990. Richting 2030 moet de industrie nog 19,4 megaton reduceren. De kosten daarvoor lopen  tot en met 2030 op tot in totaal ruim vijf miljard euro via de opslag duurzame energie (ODE). Daarmee is de belastingdruk op het energetisch gebruik, van vooral gas, in de industrie hoger dan in andere landen. In diezelfde periode ontvangt de industrie naar verwachting ruim drie miljard euro uit de verbrede SDE+.

Emissievrije technologie

Het accent van het klimaatakkoord ligt op het realiseren van kostenreductie en versneld naar de markt brengen van technologieën. Daarbij kiest het kabinet voor groene waterstof, elektrificatie, CCU(S), circulaire processen, betere inzet van reststromen en groen gas en warmte-uitkoppeling.

Waterstof

Wiebes wil een voorsprong nemen in de waterstofeconomie. De plannen voor groene waterstof tellen al op tot een totale ambitie voor 2025 van meer dan achthonderd megawatt elektrolysevermogen en vijftien kiloton uit biogene brandstoffen. Om de ontwikkeling van groene waterstof in Nederland te versnellen, onderzoekt het Rijk de mogelijkheden voor een tender voor offshore wind. Hier zal extra groenestroomcapaciteit rechtstreeks worden ingezet voor versnelde opbouw van groene waterstofproductie en kostenreductie.

CCS

Het kabinet vindt dat de energietransitie niet zonder CCS kan. Maar kiest daarbij wel voor drie voorwaarden: Er wordt niet meer dan 7,2 megaton CCS gesubsidieerd en alleen waar geen kosteneffectieve alternatieven voorhanden zijn. Na 2035 worden geen SDE+-beschikkingen meer afgegeven voor CCS-aanvragen

Warmte

Het Rijk zal bij de ontwikkeling van Warmtewet 2.0 meer duidelijkheid geven over de marktordening bij warmtenetten. Mogelijk zullen ook de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet daarbij gewijzigd moeten worden. Het Rijk kijkt in 2019 op welke wijze financiële ondersteuning voor (industriële) warmtenetten kan worden vormgegeven.

Elektrificatie

Het Rijk spant zich in om elektrificatie van warmte een plek te geven binnen de verbrede SDE+. Daarbij wordt ook gekeken naar hybride elektrificatie. Het Rijk onderzoekt of in de Energiewet 1.0 meer ruimte kan worden geboden voor dynamische tariefstructuren in de nettarieven voor transport en distributie.

Instrumentarium

Wiebes kondigde een achttal beliedsinstrumenten aan om de industrie te helpen zijn CO2-uistoot terug te dringen:

  1. Een innovatieprogramma gericht op kostenreductie van kansrijke technieken, met ook een stevige publieke bijdrage;
  2. Normering, waarbij reductieopties met een terugverdientijd van vijf jaar of korter verplicht gesteld worden;
  3. Een programma Waterstof;
  4. Een stevige regionale clusteraanpak;
  5. Versterking van de arbeidsmarkt;
  6. Een prijsprikkel in de vorm van een verstandige CO2-heffing, waarbij de eventueel opgehaalde middelen worden benut voor vergroening van de industrie;
  7. Een verbreding van de SDE+ waarbij jaarlijks oplopend tot maximaal 550 miljoen euro in 2030 beschikbaar komt voor stimulering van CO2-reductie in de industrie;
  8. Subsidiëring van CCS, maar wel beperkt in tijd en omvang.

De subsidieloze aanbesteding van offshore windparken is een meevaller waar minister Wiebes van Economische Zaken en Klimaat eerder geen rekening had gehouden. En dat is goed nieuws voor de industrie, die waarschijnlijk maar 7,2 megaton in plaats van 18 megaton CO2 zou moeten afvangen en opslaan (CCS). In een kamerbrief licht de minister de voorgenomen wijzigingen toe.

In het regeerakkoord is een verdeling gemaakt van de bijdrage die vanuit de sectoren elektriciteit, industrie, gebouwde omgeving, mobiliteit en landgebruik & landbouw moet worden geleverd om 49 procent CO2-reductie te bereiken. De in het regeerakkoord geformuleerde opgave was echter gebaseerd op cijfers uit de Nationale Energieverkenning (NEV) 2016 en hield geen rekening met beleid dat na mei 2016 tot stand is gekomen. Sindsdien heeft het klimaat- en energiebeleid zich binnen en buiten Nederland verder ontwikkeld en zijn verschillende technieken aanzienlijk goedkoper geworden. Daarom besloot Wiebes de indicatieve tabel op basis van deze nieuwe inzichten te bestuderen.

Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) bracht aan de hand van de meest recente inzichten in beeld wat de kosteneffectiviteit (euro per ton vermeden CO2) van verschillende CO2-reducerende maatregelen zijn en het reductiepotentieel in 2030. Ten opzichte van het regeerakkoord komt het PBL nu op een bijgestelde indicatieve tabel.

Minder reductie

Het kabinet kiest onverminderd voor een ambitieuze doelstelling voor CO2-reductie van 49 procent. Het PBL concludeert dat deze doelstelling kan worden gerealiseerd met een minder grote reductieopgave in megatonnen en tegen aanzienlijk lagere kosten. In het Regeerakkoord wordt ervan uitgegaan dat een aanvullende daling van de CO2-emissies met 56 megaton nodig was om te komen tot 49 procent CO2-reductie ten opzichte van 1990. Uit de nadere analyse van het PBL blijkt echter dat als gevolg van recent ingezet en voorgenomen beleid de benodigde, aanvullende daling van emissies naar verwachting 45 megatonton bedraagt. Daarmee is de aanvullende opgave, die door de vijf sectortafels van het Klimaatakkoord moet worden gerealiseerd, wat kleiner geworden.

Subsidieloze aanbesteding

Het verschil van elf megaton wordt verklaard door een daling van vijftien megaton door de subsidieloze aanbesteding van wind op zee. Mede hierdoor blijken de kosten van een aantal zon- en wind-opties op basis van nieuwe inzichten onder de kosten van een aantal CCS-opties te duiken. De analyse geeft aan dat wanneer de inzet van CCS wordt beperkt tot de industrie, het totale potentieel van CCS minder groot is. De nu voorgestelde inzet van CCS in de industrie (7,2 Mton) is daarom lager dan die uit het regeerakkoord (18 Mton). In plaats daarvan wordt in sterkere mate ingezet op duurzame zon- en windopties, zo’n twintig Gigawatt.

Kolencentrales

Ook het lagere aantal draaiuren van de bestaande kolencentrales in Nederland draagt bij aan de verlichting van de CCS-opgave. Door meer hernieuwbare elektriciteitsproductie in Nederland en omringende landen en een lagere elektriciteitsvraag zullen kolencentrales de komende jaren minder produceren.

SDE+

Het kabinet blijft voornemens om na 2019 de SDE+ voort te zetten en te verbreden. Echter, door uit te gaan van het scenario waarin de SDE+ niet meer wordt opengesteld na 2019, ontstaat de mogelijkheid om de beschikbare middelen op een andere wijze in te zetten en kan het kabinet de besteding van de SDE+-middelen integraal afwegen ten behoeve van een kostenefficiënte invulling van de doelstelling van 49 procent broeikasgasreductie in 2030.

 

De klimaatministers en hun vertegenwoordigers van Frankrijk, Nederland, Zweden, Finland, Portugal, Duitsland en Luxemburg willen dat het Europese klimaatbeleid ‘Paris Proof’ wordt. Deze landen die bijeenkwamen in Parijs, vinden het noodzakelijk dat in alle landen, en in het bijzonder in de Europese Unie, een ambitieuze langetermijnstrategie voor het klimaat wordt opgesteld en uitgevoerd, in lijn met de doelstellingen met de Overeenkomst van Parijs.

Uit de alarmerende wetenschappelijke analyse van klimaatverandering blijkt dat meer actie door alle landen dringend nodig is om de doelen van de Overeenkomst van Parijs te halen. Het komende IPCC-rapport over temperatuurstijging tot 1,5 graad Celsius, zal dit onderschrijven. De groep landen vindt dat de Europese Unie haar leiderschap op het gebied van klimaat moet tonen door alle partijen te mobiliseren in de strijd tegen klimaatverandering.

De Europese Raad van regeringsleiders heeft op 22 maart de Europese Commissie opgeroepen om uiterlijk in het eerste kwartaal van 2019 een langetermijnstrategie te presenteren. De Europese Commissie, ook aanwezig in Parijs, heeft een voorstel voor een dergelijke strategie toegezegd.

De verantwoordelijke bestuurders en vertegenwoordigers van Frankrijk (Brune Poirson), Nederland (Marcel Beukeboom, klimaatgezant), Zweden (Eva Svedling) Finland (Kimmo Tiilikainen), Portugal (Jose Mendes), Duitsland (Karsten Sach) en Luxemburg (André Weitenhaupt) vragen de Commissie te overwegen om het ambitieniveau in de Europese Unie te verhogen, met tussenliggende doelen. Het einddoel is een klimaatneutrale samenleving, in lijn met de Overeenkomst van Parijs. De landen committeren zich aan een aanpak hiervoor in hun eigen land, in alle sectoren.

Beukeboom: ‘Nederland wil vooroplopen bij de aanpak van het klimaatprobleem en zoekt daarbij nauwe samenwerking met andere lidstaten, op zoek naar mogelijkheden voor meer ambitieuze aanpak in Europa. Nederland heeft een nationaal klimaatdoel van 49 procent CO2-reductie in 2030 en zoekt kansen om het EU-doel te verhogen tot 55 procent.’