CO2-opslag Archieven - Utilities

De cementindustrie is goed voor vier procent van de wereldwijde CO2-emissies. Vele ogen zijn dan ook gericht op de inspanningen van de sector om de uitstoot terug te dringen. Omdat er haast is geboden, bewandelt Jan Theulen van HeidelbergCement vele parallelle emissiebeperkende paden. CO2-opslag ziet hij daarbij als tussenstation: ‘We kunnen veel mooiere toepassingen verzinnen.’

Het is niet zo heel vreemd dat de cement­industrie goed is voor vier procent van de wereldwijde CO2-emissies. Het portlandcement, dat grotendeels in beton wordt verwerkt, is op water na de meest gebruikte commodity. Het proces van het sinteren van een mengsel van kalksteen, silicium, aluminiumoxyde en ijzeroxyde kost bovendien veel energie. Bij temperaturen van zo’n 1450 graden Celsius wordt de koolstofdioxide uit de kalksteen gedreven en daarna kunnen de grondstoffen kristalliseren en sinteren tot klinker. Hoewel de trommelovens behoorlijk wat energie verbruiken, is het proces zelf verantwoordelijk voor de meeste CO2-uitstoot. De uit de kalksteen vrijkomende koolstof komt immers als CO2 in de atmosfeer terecht.

Toch vindt het Duitse HeidelbergCement steeds meer alternatieven die de emissies kunnen terugdringen. Het bedrijf benoemde zelfs Jan Theulen tot groepsdirecteur alternatieve bronnen. Een functie die de Limburger als een maatpak lijkt te passen. Theulen begon bij de bekende ENCI-fabriek in Maastricht. Toen die de deuren sloot, werd hij steeds meer het duurzame geweten van het bedrijf. ‘Als Europese cementproducent zijn we ons zeer bewust van onze verantwoordelijkheid’, zegt Theulen.

‘We hebben dan ook harde targets gesteld voor de gehele groep. In die laatste toevoeging zit de grootste uitdaging omdat we ook productielocaties in Azië en Afrika hebben. Ongeveer de helft van onze omzet komt uit Europa en de Verenigde Staten, de rest komt van elders. Toch is het gelukt de flinke CO2-reductietargets voor 2030 voor ons gehele bedrijf vijf jaar naar voren halen. Misschien komt dat doordat we het eerste bedrijf binnen de cementsector zijn dat werkt met een bonussysteem dat is gerelateerd aan de CO2-prestaties. Dat zien we dus echt terug in de emissiereductie.’

Alternatieve brandstoffen

Theulen ziet dat de targets tot 2025 nog kunnen worden gehaald met de traditionele middelen. ‘We kunnen aan twee kanten van de productie sleutelen: aan de kant van de energievraag en de grondstoffen. De cementindustrie gebruikt al jaren afgedankte autobanden als brandstof voor de trommelovens. Dat klinkt misschien niet zo duurzaam, maar is eerlijk gezegd een van de beste manieren om autobanden te verwerken. De banden zijn binnen enkele minuten op een temperatuur van meer dan duizend graden en bevatten bovendien staal. Dat staal kunnen we weer gebruiken als hulpstof in het cement. We vermijden op deze manier de inzet van fossiel steenkool en de aanvoer van staal, terwijl de banden ook nog voor zo’n 28 procent uit een natuurproduct bestaan: rubber.’

Bioslib, het organische residu dat ontstaat bij rioolwaterzuivering, vormt een andere waardevolle alternatieve brandstof en grondstof voor de cementproductie. ‘Traditioneel laten waterschappen het slib in afvalenergiecentrales verbranden om de energie om te zetten in stroom. Vervelend voor de centrales is echter dat het slib voor veertig procent uit anorganische materialen bestaat. Wij kunnen het silicium, aluminium en calciumoxide in het slib juist goed gebruiken in ons cement. Ik vindt het dan ook vreemd dat waterschappen zich meer gaan richten op de productie van biogas. Dan benut je maar een deel van de waarde van het slib. In onze cementovens benutten we 93 procent van het thermisch vermogen plus de residuen.’heidelbergcement

‘We zijn het eerste bedrijf binnen de cement­sector dat werkt met een bonussysteem dat is gerelateerd aan de CO2-prestaties.’

Jan Theulen, groepsdirecteur alternatieve bronnen HeidelbergCement

Ook aan de grondstofkant weet Heidelberg al veel alternatieven voor klinker te vinden. Denk bijvoorbeeld aan vliegas, het residu dat overblijft uit de verbranding van steenkool. ‘Gezien de marktomstandigheden zal de beschikbaarheid van die grondstof de komende jaren wel afnemen, maar we hebben inmiddels ook daar weer alternatieven voor. Zo zijn er bepaalde kleisoorten met dezelfde eigenschappen als klinker, maar die dus geen koolstof bevatten. En dan weten gespecialiseerde bedrijven ook steeds beter gesloopt beton terug te brengen naar de oorspronkelijke grondstoffen, waaronder de cementfractie.’

CO2-afvang

Toch zal ook Heidelberg meer moeten doen om CO2-emissies te beperken. Vandaar dat de site in het Noorse Brevik al vanaf 2011 experimenteert met post combustion CO2-afvang en opslag. In 2023 wordt de pilot uitgebouwd, alhoewel een installatie die jaarlijks vierhonderdduizend ton CO2 zal afvangen eigenlijk de pilot-fase wel is ontgroeid. ‘Ook bij dit soort technologie moeten we heel goed naar de lange en korte termijn kijken’, zegt Theulen.

‘In Noorwegen kunnen we aansluiten bij het Northern Lights CCS-project en zetten we in op traditionele afvangmethoden. Bij een project met een investeringssom van driehonderd miljoen euro wil je geen experimentele technologie inzetten. Tegelijkertijd kijken we bijvoorbeeld in België en Polen naar andere vormen van CO2-afvang. Zo werken we mee aan het zogenaamde Leilac-onderzoek, wat staat voor Low Emissions Intensity Lime And Cement, waar de CO2 uit het calciumcarbonaat direct wordt afgevangen. Doordat de CO2 niet mengt met de andere procesgassen, is deze heel zuivere stroom eenvoudig af te vangen en op te slaan. In het Belgische Lixhe draait al sinds 2016 een redelijk grote pilotinstallatie met succes. Ik ben vanaf het begin zeer nauw betrokken geweest bij dit project en het is dan ook een beetje een kindje geworden. De installatie vangt de proces-uitstoot tot 95 procent af, dat is zestig procent van de CO2 die vrijkomt bij de cementproductie.’

Ook in het Poolse Górazdze zoekt Heidelberg naar nieuwe mogelijkheden om de CO2-uitstoot te beperken. Het is volgens Theulen een eerste stap om ook Oost-Europa te mobiliseren om een bijdrage te leveren aan decarbonisatie. Hier beproeft men een op enzymen gebaseerd CCS-proces dat gebruikmaakt van restwarmte uit het proces. Ze onderzoeken ook of kan worden aangesloten op het Northern Lights project, met een leiding richting Noorwegen. ‘In de basis verschillen cementovens niet heel veel van elkaar’, zegt Theulen. ‘Door een breed portfolio op te bouwen van verschillende technieken, kunnen we redelijk snel zien welke techniek onder welke omstandigheden het meeste oplevert. Door deze parallelle aanpak denken we snel te kunnen schakelen en de beste technieken doorontwikkelen voor de overige sites.’

Oxyfuel

Een andere kansrijke ontwikkeling is het zogenaamde Oxyfuel-concept. Theulen: ‘De afvang van CO2 met aminen is redelijk kostbaar, wat dat aangaat levert het Leilac-project al behoorlijke kostenbesparingen op. Maar daarmee vang je alleen de CO2 af uit het klinker. Bij Oxyfuel recirculeren we de rookgassen uit de productie en voegen daar zuurstof aan toe. Daardoor kan je het gas recirculeren en verbranden totdat een mengsel met een CO2-percentage van zeventig procent overblijft. Je houdt dus bijna pure CO2 over op onderdruk dat je heel eenvoudig onder druk kunt zetten en afvoeren. We bouwen nu met vier cementconcerns een proeffabriek om de technologie te testen. Die samenwerking is niet voor niets: we bouwen een installatie van honderd meter lang en tachtig meter hoog. Dat vergt toch een behoorlijke investering. In die zin zijn we ook geen concurrenten van elkaar. We hebben allemaal dezelfde uitdagingen.’

heidelbergcement

‘In onze cementovens benutten we 93 procent van het thermisch vermogen van slib.’

Jan Theulen, groepsdirecteur alternatieve bronnen HeidelbergCement

Tegelijkertijd is cement wel een commodity en ligt carbon leakage op de loer. Het is dan ook zeer belangrijk dat de Europese wet- en regelgeving meegroeit met de eisen die de Europese Commissie stelt aan de industrie. ‘Je kunt cement eenvoudig verschepen en dus zal een carbon border adjustment mechanism ook voor onze industrie noodzakelijk zijn om te overleven.’

Grondstof

Intussen kijkt Theulen ook naar de volgende stappen in de koolstofketen: het nuttig inzetten van CO2 als grondstof. ‘We zien het onder de grond stoppen van CO2 als noodzakelijke tussenoplossing, maar niet als einddoel. Nu al experimenteren we in Marokko met het telen van algen die worden gevoed met koolstofdioxide. Die algen worden weer ingezet als visvoer. Hoewel dit een mooie toepassing is, heb je wel veel ruimte nodig en ruime hoeveelheden hernieuwbare energie. Er zijn niet heel veel plekken op de wereld waar dit samenkomt.’

Dan is de opslag van CO2 in betonproducten wellicht een meer voor de hand liggende oplossing. ‘Hoewel nog veel in de R&D-fase zit, zijn er al goede resultaten behaald met betonrecycling. Slimme brekers kunnen beton terugbrengen naar de oorspronkelijke elementen zand, grof grind en cement. Dat cement heeft natuurlijk al gereageerd met water en bestaat dus grotendeels uit calciumhydroxide. Wanneer je dat calciumhydroxide laat reageren met CO2, ontstaat weer een product dat met water kan uitharden en sterkte kan leveren. Natuurlijk zouden we liever alle CO2 op deze manier opslaan, maar dit is wel een traject met een lange adem.’

Een ander traject is CO2-opslag in zogenaamde precast betonelementen. Door de elementen in conditioneringskamers aan het broeikasgas bloot te stellen, nemen ze CO2 op, wat gunstig is voor de sterkte van het beton. De mogelijkheden binnen de eigen sector, weerhouden Theulen er niet van om ook over de grenzen te kijken. ‘De CO2 uit de Oxyfuelcentrale zouden we natuurlijk ook kunnen gebruiken als basis voor de productie van synthetische brandstoffen. Met name de luchtvaart heeft weinig alternatieven voor fossiele kerosine. Of en wanneer we die route bewandelen, is met name afhankelijk van de beschikbaarheid van groene waterstof. Helaas hebben we geen oneindige hoeveelheid groene elektriciteit, wat de productie van groene waterstof zal beperken.’

heidelbergcement

Marktvraag

Hoewel de prijs voor cement maar een fractie is van de totale kosten van een gebouw, ziet Theulen wel dat steeds meer klanten de CO2-voetafdruk meenemen in hun overwegingen. ‘Met name de overheidsdiensten zoals Rijkswaterstaat trekken nu de kar bij aanbestedingen. Door de ecologische voetafdruk mee te nemen in de gunning, krijgen CO2-besparende producten ook een economische waarde. Gelukkig zien we ook steeds meer aannemers die om een Environmental Product Declaration (EPD, red.) vragen. We hebben de overheid keihard nodig, zowel als launching customer als voor bescherming van de duurzame cementmarkt. Ik denk dat de richting die zowel de EU als de rijksoverheid heeft gekozen met bijvoorbeeld Fit for 55 aardig in onze lijn ligt. Ik snap ook de overweging van de Nederlandse regering om een cap te zetten op CCS. Op de korte termijn hebben we het zeker nodig, maar op de langere termijn hebben we mooie alternatieven met CCU. Zolang de beleidslijnen helder blijven, kunnen we in 2050 echt CO2-neutraal produceren.’

Het Duitse olie- en gasbedrijf Wintershall Dea onderzoekt hoe bestaande gaspijpleidingen in de Noordzee gebruikt kunnen worden voor het transporteren van vloeibaar CO2. Het bedrijf ziet groot potentieel voor CO2-opslag in het Nederlandse gedeelte van de Noordzee, waar 1200 kilometer aan leidingen ligt.

Er ligt meer dan 4800 kilometer pijpleiding in de zuidelijke Noordzee, waarvan 1200 kilometer wordt geëxploiteerd door Wintershall Noordzee in het Nederlandse gedeelte van het water. Delen van dit netwerk zouden voor CO2-transport kunnen worden gebruikt. Wintershall Noordzee exploiteert ook veel uitgeputte reservoirs. Deze zijn potentieel geschikt voor de opslag van CO2. Deskundigen schatten volgens Wintershall dat er ongeveer achthonderd miljoen ton CO2 kan worden opgeslagen in het Nederlands continentaal plat. Dat is genoeg om de volledige jaarlijkse uitstoot van de hele Nederlandse industrie dertig keer op te slaan.

CCS

Voor Wintershall Dea maakt het onderzoek, dat ze samen met de OTH Regensburg Universiteit doet, deel uit van de maatregelen van het bedrijf om de energietransitie te bevorderen. In november 2020 heeft Wintershall Dea zich klimaatdoelstellingen gesteld. Deze omvatten de vermindering van de Scope 1- en Scope 2-emissies van broeikasgassen in alle eigen en niet-eigen geëxploiteerde exploratie- en productieactiviteiten tegen 2030. Na 2030 wil de onderneming haar netto koolstofintensiteit, met inbegrip van de Scope 3-emissies, op significante wijze verminderen. CCS en waterstof zijn daarbij belangrijke technologieën.

Digitaal magazine Industrielinqs: CO2-emissies moeten snel drastisch omlaag. Het aandeel duurzame energie is echter nog zo laag, dat deze het fossiele energieverbruik nog maar nauwelijks kan vervangen. CO2-opslag (CCS) biedt hiervoor op de korte en middellange termijn een sneller en goedkoper alternatief.

Verder in dit nummer

Schaarste aan grondstoffen kan energietransitie hinderen, leggen energietransitie-consultants Anastasia Gavrilova en Sara Wieclawska van TNO uit. Hygro onderzoekt het inbouwen van een elektrolyzer in de voet van een windturbine. Plasmatechnologie in een Californische fabriek zet afval om in waterstof.

Dit en meer leest u in Industrielinqs 6, 2021!

Met de overname door Trafigura, krijgt Nyrstar de financiële slagkracht die het nodig heeft om zijn processen te blijven stroomlijnen en verduurzamen. Vice President European Operations Guido Janssen ziet dan ook een rol weggelegd voor het zinkbedrijf als leverancier van flexcapaciteit. De eenzijdige keuze van de Nederlandse overheid om compensatie voor de CO2-opslag op elektriciteit vooralsnog af te schaffen, helpt daar niet bij.

Verder in dit nummer:

Met het toenemende aandeel groene stroom is industriële elektrificatie een belangrijke stap in decarbonisatie van de industrie. Het is de vraag wat deze elektrificatietrend betekent voor het asset management van de procesindustrie.

Nadat eerder bekend werd dat er een rechtszaak op stapel staat tegen Tata Steel in Velsen-Noord meldt de staalreus zijn Roadmap 2030 naar voren te halen.

Als alle plannen doorgaan, zou medio 2030 bijna één gigawatt aan elektrolysevermogen beschikbaar kunnen zijn voor de productie van groene waterstof. Nog lang niet genoeg om de toenemende vraag te vergroenen, maar het kan een steeds belangrijkere rol spelen in het balanceren van de energievraag.

Techport special: Als er één bedrijfstak is die zichzelf continu heruitvindt, dan is het wel de papierbranche. Crown van Gelder is daar zeker geen uitzondering op.
Technieken die zijn ontwikkeld voor het meten van bewegingen bij paarden worden nu ingezet in de staalfabriek in IJmuiden om de fabriek slimmer te maken, en in het Fieldlab Smart Maintenance Techport werkt de voorhoede van bedrijven, asset owners, mkb’ers, start-ups, ROC en universiteit samen om te experimenteren met nieuwe, slimme technologie.

Dit en veel meer lees je in Industrielinqs 5, op 8 juni bij de lezers en nu tijdelijk alvast online door te bladeren!

De Nederlandse overheid stelt 2 miljard euro beschikbaar voor CCUS-project Porthos. Porthos wil CO2 van de industrie in de Rotterdamse opslaan in lege gasvelden onder de Noordzee. Dat meldt NOS.

De CO2 die door Porthos wordt getransporteerd en opgeslagen, wordt afgevangen door verschillende bedrijven. De bedrijven leveren hun CO2 aan een verzamelleiding die door het Rotterdamse havengebied loopt. Vervolgens wordt de CO2 in een compressorstation op druk gebracht.

De CO2 gaat per onderzeese pijpleiding naar een platform in de Noordzee, circa twintig kilometer uit de kust. Vanaf het platform wordt de CO2 in een leeg gasveld gepompt. De lege gasvelden bevinden zich in een afgesloten reservoir van poreus zandgesteente, ruim drie kilometer onder de Noordzee.

Naar verwachting wordt de eerste jaren van het project circa 2,5 miljoen ton CO2 per jaar opgeslagen. Porthos heeft samenwerkingsovereenkomsten getekend met vier bedrijven: Air Liquide, Air Products, ExxonMobil en Shell.

Shell, Equinor en Total hebben een definitief investeringsbesluit genomen voor een CO2-opslagproject in Noorwegen. Equinor leidt het Northern Lights project, dat moet zorgen voor de opslag van 1,5 miljoen ton CO2 per jaar.

Dankzij het project kunnen Europese industriële bedrijven die CO2-uitstoot moeilijk kunnen reduceren, hun CO2 opslaan. Northern Lights kan daardoor bijdragen aan het halen van de klimaatdoelstellingen.

Het project wordt in fases opgestart. Fase 1 moet het mogelijk maken om CO2 te transporteren, injecteren en op te slaan in een leeg gasveld 2500 meter onder de zeebodem. Om dit mogelijk te maken komt er een speciale terminal in Øygarden (in het westen van Noorwegen). In eerste instantie gaat het om 1,5 miljoen ton CO2 per jaar. De capaciteit kan later worden uitgebreid als er meer vraag is van CO2-uitstoters in Europa. De investering voor deze eerste fase is omgerekend 630 miljoen euro.

2024

Namens de drie partijen heeft Equinor al niet-bindende overeenkomsten gesloten met verschillende Europese bedrijven voor de ontwikkeling van een waardeketen voor de afvang en opslag van CO2.

De plannen voor het project liggen nu bij het ministerie van olie en energie. Die moet nog toestemming geven voor het project. Als die toestemming er is, dan is de verwachting dat fase 1 in 2024 operationeel is.

Athos is het gezamenlijke CCUS-project van Gasunie, EBN, Port of Amsterdam en Tata Steel gericht op afvang, transport, opslag en hergebruik (CCUS) van CO2 in de Noordzeekanaalregio. Het heeft in november 2019 een uitvraag gedaan naar mogelijk geïnteresseerde klanten en CO2-opslagpartners. Hierop zijn ruim voldoende reacties gekomen.

De reacties bieden voor Athos een positief perspectief voor de uitwerking van het CCUS-project en de vervolgstudies voor de opslaglocaties. Een haalbaarheidsstudie voor Athos liet geen technische belemmeringen zien voor afvang, hergebruik en opslag van CO2. De projectorganisatie heeft ook de interesse van partijen voor deelname aan het project gepolst. Dit is gebeurd via twee verschillende uitvragen.

De Request for Information (RFI) betrof informatie over geschikte locaties voor CO2-opslag onder de Nederlandse Noordzee op 3 tot 5 km diepte en het leveren van diensten daarin. Bij de Expression of Interest (EoI) was de vraag welke partijen gebruik zouden willen maken van het CO2 transport- en opslagnetwerk. Hierop hebben partijen gereageerd die CO2 willen leveren voor opslag en partijen die CO2 willen afnemen voor gebruik.

Diverse opties

De projectorganisatie van Athos is erg tevreden over de reacties. Zij worden betrekken bij de verdere onderzoeksfase, die momenteel loopt. Tijdens deze fase worden diverse opties voor opslaglocaties, infrastructuur en verbindingen nader onderzocht.

CO2-opslag en -hergebruik is een van de weinige manieren waarmee de industrie op korte termijn grote hoeveelheden CO2 tegen relatief lage kosten kan reduceren. CCUS is daarom een belangrijk onderdeel in het behalen van de doelen van het Nederlandse Klimaatakkoord. Athos kan hier een belangrijke bijdrage aan leveren.

 

Het project CO2 TransPorts krijgt waarschijnlijk EU-subsidie. Het Europees Parlement heeft het project de status van ‘Project of Common Interest’ gegeven. Deze Europese subsidie is belangrijk voor de voortgang van het project.

CO2 TransPorts is een project om CO2 van de industrie in Antwerpen, Gent, Zeeland en Rotterdam op te slaan onder de Noordzee. Het sluit aan op het project Porthos dat in het Rotterdamse gebied al in voorbereiding is. Porthos is een initiatief van EBN, Gasunie en Havenbedrijf Rotterdam. Het is de bedoeling dat de Rotterdamse industrie CO2 gaat aanleveren aan een dwars door het havengebied lopende transportleiding. Via die leiding gaat de CO2 naar een leeg gasveld onder de Noordzee om permanent te worden opgeslagen.

De industrie in Antwerpen, Gent, Terneuzen en Vlissingen heeft echter geen lege gasvelden voor de kust. Daarom onderzoekt het project CO2 TransPorts of deze industrie via een pijpleiding kan worden aangesloten op het Rotterdamse systeem. Samen zijn ze van plan tot tien miljoen ton CO2 uit de havengebieden af te vangen en op te slaan in een leeg gasveld. En na 2030 mogelijk meer.

Het streven is om tegen 2026 het CO2-netwerk in de haven van Rotterdam aan te leggen. Tussen 2026 en 2030 zou er dan werk worden gemaakt van een grensoverschrijdende CO2-pijpleiding tussen de havens van Antwerpen en Rotterdam en een CO2-verbinding tussen Antwerpen en de havengebieden van North Sea Port.

Verschillende scenario’s

Een ander samenwerkingsverband – Smart Delta Resources – onderzoekt intussen de haalbaarheid van verschillende scenario’s om CO2 af te vangen en op te slaan. Het samenwerkingsverband omvat de grootschalige procesindustrie, Gasunie, Fluxys en North Sea Port. De scenario’s die zij onderzoeken omvatten zowel transport per schip als transport per leiding. Aansluiting op Porthos in Rotterdam behoort tot de mogelijkheden.

Ook acht grote spelers uit het havengebied in Antwerpen hebben hun krachten gebundeld om de technische en economische haalbaarheid van een CO2-infrastructuur in de haven te onderzoeken. Air Liquide, BASF, Borealis, ExxonMobil, Fluxys, Ineos, Port of Antwerp en Total voeren deze studie samen uit. Naar verwachting neemt die analyse ongeveer een jaar in beslag en zal deze begin 2021 rond zijn.

Athos

Los hiervan loopt in het Noordzeekanaalgebied eveneens een onderzoek naar opslag van CO2 in lege gasvelden. In dit onderzoek – Athos – hebben Gasunie, EBN, Port of Amsterdam en Tata Steel zich verenigd. Zij verwachten in 2030 tot 7,5 megaton CO₂ per jaar te kunnen opslaan. Daarvoor zijn ruim voldoende lege gasvelden onder de Noordzee aanwezig.

Project Athos richt zich daarnaast op hergebruik van CO2. Het meest concrete plan daarvoor is hergebruik van CO₂ in de glastuinbouw. Maar er zijn ook mogelijkheden tot mineralisatie en hergebruik in de vorm van synthetische brandstoffen.

Staatssecretaris Stientje van Veldhoven stuurde de Structuurvisie ondergrond naar de Tweede Kamer. De visie maakt duidelijk dat er onshore niet meer wordt gezocht naar aardgas. Wel wordt ruimte vrijgemaakt voor geothermie en offshore opslag van kooldioxide.

De ondergrond is belangrijk voor winning van drinkwater en energie. Het gebruik van de ondergrond moet dan ook op een veilige, duurzame en efficiënte manier wordt ingevuld. Het kabinet vindt het belangrijk dat gebruikers van de ondergrond mee denken over hoe die ondergrond eruit moet zien. Daarom kon iedereen reageren met een zienswijze op de Ontwerp Structuurvisie Ondergrond. De uiteindelijke visie is vandaag door staatssecretaris Van Veldhoven (IenW) mede namens minister Wiebes (EZK) naar de Tweede Kamer gestuurd. Nederland heeft met deze structuurvisie een primeur: de eerste ruimtelijke visie voor de ondergrond op nationale schaal.

Met de Structuurvisie Ondergrond (STRONG) geeft het kabinet zijn visie op duurzaam, veilig en efficiënt gebruik van de ondergrond. Hierbij is een balans gezocht tussen het beschermen van het grondwater met oog op het nationaal belang van de drinkwatervoorziening en het benutten van de ondergrond voor mijnbouwactiviteiten, met name in het licht van de transitie naar een duurzame energievoorziening. Naast de zienswijzen op de Ontwerp Structuurvisie Ondergrond is ook het advies van de commissie voor de milieueffectrapportage verwerkt. In de nieuwe structuurvisie is er aandacht voor veiligheid en het tijdig betrekken van de omgeving bij nieuwe activiteiten in de ondergrond. Provincies hebben het voortouw bij het aanwijzen van gebieden voor drinkwaterwinning. Met de energietransitie is gaswinning in de afbouwfase beland. Nieuwe opsporingsvergunningen voor het zoeken naar nieuwe gasvelden op land worden niet meer afgegeven. Verder legt de structuurvisie nu vast, dat schaliegaswinning in Nederland definitief van de baan is.

Diepe ondergrond in de praktijk

De Structuurvisie Ondergrond is het kompas voor afwegingen in de praktijk. De structuurvisie moet er voor zorgen dat er meer duidelijkheid komt voor initiatiefnemers en  overheden bij toekomstige projecten in de diepe ondergrond. Zo staat er in waar bedrijven vergunningen kunnen aanvragen voor activiteiten in de ondergrond en waar niet. Wanneer een activiteit niet is uitgesloten in de structuurvisie betekent dit niet dat de vergunning zonder meer wordt verleend. De Structuurvisie geeft overwegingen mee voor locatiespecifieke afwegingen. In dit proces spelen veiligheid en belangen van burgers een grote rol. Daarmee maakt het Rijk op voorhand duidelijk wat belangrijk is bij de uiteindelijke afweging.

Lees hier de Structuurvisie Ondergrond

Het opslaan van CO2 diep onder de Noordzee is technisch haalbaar. Dat blijkt uit onderzoek van Gasunie, Havenbedrijf Rotterdam en EBN. Het is bovendien kosteneffectief in vergelijking met andere maatregelen ter realisering van de klimaatdoelen van het kabinet, concludeert het onderzoek. Als het ook lukt de business case rond te krijgen, verwachten ze in 2019 een investeringsbeslissing worden gen.

Om aan het Klimaatakkoord van Parijs te kunnen voldoen heeft het kabinet in het regeerakkoord een reeks maatregelen vastgelegd die de uitstoot van broeikasgassen moeten beperken. Naast maatregelen die zijn gericht op groei van duurzame bronnen, het sluiten van kolencentrales, de inzet van restwarmte en geothermie, isolatie en efficiency in de procesindustrie, zet het kabinet ook in op afvang, transporteren en opslag van CO2 in lege gasvelden. Havenbedrijf Rotterdam, Gasunie en Energie Beheer Nederland (EBN) namen vorig jaar het initiatief voor een project dat dit, onder de naam Porthos, in het Rotterdamse havengebied kan realiseren. De drie bedrijven hebben onderzocht of op basis van de onderdelen techniek, marktsituatie, milieu, kosten, beleid en maatschappelijke acceptatie een volgende stap in het project gemaakt kan worden. Dat is dus positief uitgevallen.

Zandgesteente

Porthos onderzoekt niet alleen de mogelijkheid van opslag, maar ook van hergebruik van CO2 Daarbij wordt de mogelijkheid van verzamelleiding onderzocht in  het havengebied in Rotterdam. Die moet fungeren als een basisinfrastructuur waar verschillende bedrijven op kunnen aansluiten voor de levering van door hen afgevangen CO2.

Deze CO2 wordt dan deels gebruikt door de glastuinbouw in Zuid-Holland om planten in kassen sneller te laten groeien. Het overgrote deel gaat echter per pijpleiding naar een leeg gasveld dat circa 25 kilometer uit de kust is gelegen onder de Noordzee. Daar wordt de CO2 dan in de diepe ondergrond onder de zeebodem gepompt, in het afgesloten reservoir van zandgesteente waar zich voorheen aardgas bevond. De verwachting is dat voor dit project in Rotterdam jaarlijks 2 tot 5 miljoen ton CO2 kan worden opgeslagen.

Business case

De komende maanden richten Havenbedrijf, Gasunie en EBN zich op de verdere financiële en technische onderbouwing van het project. De partners doen dat elk vanuit de eigen expertise:  Havenbedrijf Rotterdam vanuit de lokale situatie en markt, EBN met haar deskundigheid op het gebied van de diepe ondergrond en offshore infrastructuur en Gasunie met de ervaring van gasinfrastructuurontwikkeling en gastransport.