dsm Archieven - Utilities

Een aantal Nederlandse chemieclusters kijkt naar de mogelijkheden voor een gedeeld utilities-bedrijf. Chemelot kent zo’n bedrijf: USG. Directeur Jos Visser ziet met name de integratie van processen en utilities-voorzieningen als concurrentiefactor voor Chemelot. De ambities reiken echter nog verder.

De bedrijven op industrieterrein Chemelot profiteren nog steeds van het feit dat het terrein ooit van één gebruiker was. Anders dan de andere grote chemieclusters in Nederland, was de site in Geleen ooit ingericht voor de chemische activiteiten van DSM. Toen DSM zich herprofileerde als life sciences-bedrijf, pasten deze activiteiten niet meer in het portfolio. Op dat moment verscheen Sabic ten tonele en deze Saoedische chemiereus nam een groot aantal fabrieken van DSM over. Al snel volgden een aantal andere partijen zoals Borealis, Arlanxeo -een samenwerking tussen Lanxess en Saudi Aramco, OCI Nitrogen en ChemicaInvest. Inmiddels telt het terrein een vijftigtal bedrijven dat zich grotendeels concentreert op de productie van chemicaliën, kunststoffen en kunstmest.

Utility-bedrijf

Wat de nieuwkomers aantroffen, was een volledig geïntegreerde site, met een uitgebreid utility-netwerk. De Utility Support Group (USG), in 1996 opgericht door DSM, bedrijft op Chemelot een uitgebreid netwerk van utility productie-installaties en distributie-infrastructuur. Aanvankelijk waren veel van de assets ondergebracht in een joint venture met Essent, inmiddels dochter van RWE, maar een jaar geleden heeft RWE besloten haar aandeel aan USG te verkopen.

‘Dankzij de overname van de aandelen van RWE is USG een volwaardig en volledig utility-bedrijf’, zegt Visser, directeur van het nieuwe USG. ‘We zijn zowel verantwoordelijk voor het asset management aan de stoom, stroom, gas en water-assets, inclusief infrastructuur, maar ook voor inkoop van grondstoffen, energiehandel en het contractmanagement voor de energiecontracten. Anders dan veel utility services bedrijven, nemen we daarbij nog de verantwoordelijkheid van de blussystemen op het park voor onze rekening. Daardoor worden de bedrijven op het terrein zo veel mogelijk ontzorgd op het gebied van utilities.’

Integraal

De hoge mate van integratie is gebleven op de site, ondanks het feit dat de vijftig fabrieken in handen zijn van een tiental bedrijven. ‘We hebben een verzameling van fabrieken met verschillende energiebehoeftes’, zegt Visser. ‘De een maakt gebruik van endotherme processen en heeft energie nodig om de reactie in gang te zetten, terwijl andere bedrijven juist exotherme processen bedrijven die energie opleveren. Door de processen goed op elkaar af te stemmen en reststromen zoals warmte uit te wisselen, is het energieverbruik van die bedrijven vele malen efficiënter dan als ze stand alone zouden opereren.

Ook de stoombehoefte verschilt en door stoom te cascaderen van hogedrukstoom naar lage druk, is de site zeer efficiënt in zijn energieverbruik. Om een beeld te geven: we produceren met z’n allen meer dan duizend ton stoom per uur, waarvan gemiddeld minder dan drie ton wordt afgeblazen. Dat betekent dat we 99,7 procent van de opgewekte warmte nuttig inzetten in het complex. Dat is redelijk uniek te noemen. We streven er uiteindelijk naar om de energiebalans op nul te krijgen, maar je zult begrijpen dat onze focus ligt op energie-efficiëntie. Verduurzaming komt pas daarna, alhoewel we daar over nadenken in de toekomstvisie van het chemiepark Chemelot.’

Coöperatie

Andere chemische sites kijken intussen ook naar de mogelijkheden voor een gedeeld utilitybedrijf en Visser kan die wens heel goed begrijpen. ‘Er hangt namelijk een groot aantal voordelen aan onze manier van samenwerken. Alleen al de schaalgrootte zorgt voor betere inkoopcondities en een betere handelspositie op de energiemarkt. Daarbij is het goedkoper om een zestal stoomketels te bedrijven dan vijftig aparte ketels. Wat voor dit soort bedrijven heel belangrijk is, is de leveringszekerheid. Mochten er onverhoopt installaties uitvallen, dan kunnen ze altijd terugvallen op voldoende reservecapaciteit in het systeem.

Misschien nog wel het grootste voordeel van een gezamenlijke beheerorganisatie, is dat wij als energiemakelaar kunnen fungeren tussen de partijen. Het is best complex om de balans te handhaven tussen klanten die energie leveren en klanten die energie verbruiken. We zijn een non profit bedrijf, dus hebben er geen belang bij om partijen voor te trekken. De grootste klanten zijn tevens aandeelhouder en hebben zodoende een stem in de opbouw van het tariefsysteem en de allocatie van kosten. De vergoeding die bedrijven betalen, bestaat voor een deel uit vaste kosten, die nu eenmaal gepaard gaan met de afschrijving en instandhouding van de assets, en een variabel deel dat is gerelateerd aan het directe energieverbruik.

De aandeelhouders hebben uiteraard ook een stem in de investeringen in uitbreiding en vernieuwing van de assets. Daar geven we jaarlijks toch enkele tientallen miljoenen aan uit. Zo bouwden we vorig jaar een aantal nieuwe boilers en investeren we in de uitbreiding van een van onze demiwaterfabrieken. De andere, oudere demiwaterfabriek wordt afgebroken. Dat scheelt uiteindelijk weer in het energieverbruik, maar ook de chemicaliëndoseringen zullen flink omlaag gaan.’

De gekozen organisatievorm levert een fiscale vrijstelling op, die voorkomt dat de belastingdienst aanklopt op het moment dat bedrijven reststromen uitwisselen. Visser: ‘Er wordt niets in de weg gelegd om de integratie van de processen zo ver mogelijk door te voeren. De enige uitdaging is om nieuwe partijen te vinden die complementair zijn aan de bestaande industriële activiteiten. Daar zullen we dus actief naar op zoek moeten gaan. Gelukkig hebben we op het terrein een eigen snel groeiende Campus: Brightlands. Daar kunnen we in de toekomst wellicht een aantal startups van verwelkomen.’

Elektrificering

Net als de andere industriële grootverbruikers hebben de bedrijven op het Chemelot-terrein zich gecommitteerd aan het MEE-convenant. In onze visie Chemelot 2025 is een duidelijke duurzame ambitie uitgesproken’, zegt Visser. ‘ Niet alleen streven we ernaar om de meest competitieve site van Nederland te zijn, tegelijkertijd willen we de meest duurzame zijn. We hebben daarvoor de juiste kaarten in handen, ook al realiseren we ons dat de industrie in Europa en dus in Nederland zeer kwetsbaar is. Energiebesparing is eerder een overlevingsstrategie dan een luxe en we hebben samen met onze klanten al heel wat energie kunnen besparen. Voor ons zit de uitdaging er vooral in, om zoveel mogelijk energie te besparen zonder dat de tarieven voor onze klanten omhoog gaan. Hoe beter wij ons werk doen, hoe lager de volumes worden die wij produceren of inkopen. Daarmee loop je het gevaar dat dit de tarieven gaat opdrijven. We moeten ervoor zorgen dat we onze efficiency blijven verbeteren.

Daar komt bij dat twintig procent van de totale CO2-productie op de site is gerelateerd aan de energieproductie, wat wil zeggen dat we zelf ook kijken naar besparingsmogelijkheden of verduurzaming van het energieportfolio. Elektrificering is zo’n thema dat in sommige gevallen interessant kan zijn, al lenen petrochemische processen zich minder goed voor loadbalancing dan bijvoorbeeld de chloorchemie. In veel gevallen hebben we hogedruk en hoge temperatuur stoom nodig. In veel toekomstscenario’s wordt ook ammoniak aangewezen als opslagmedium voor overtollige duurzame energie. Nu hebben we hier toevallig een aantal grote ammoniakfabrieken, dus wie weet kunnen we daar ook slagen maken. Uiteraard maken de betrokken partijen zelf hun beslissingen daar in. Maar het geeft wel aan dat de industrie een rol kan spelen in de volatiele energiemarkt.’

Investeringen

Intussen kijken we wel degelijk naar de mogelijkheden van biomassagestookte boilers of variabele speed elektromotoren. Helaas zijn dit oplossingen die hoge investeringen vragen terwijl de terugverdientijden langer zijn dan de meeste aandeelhouders van onze leden goedkeuren. Dit is een probleem voor veel energiebesparingsprojecten in Nederland en daarom hoor je overal geluiden opgaan voor revolverende fondsen. Gelukkig vonden wij hierin steun bij de Provincie Limburg en de Europese Unie. Het zal niet lang duren voordat we gebruik kunnen maken van een dergelijk fonds. Nog mooier is dat er al veel projecten min of meer klaarstaan die in het verleden waren gesneuveld op de financiering.’

Op het besparingspotentieel wil Visser niet al te specifiek ingaan, ‘maar meer dan een Peta joule besparing moet mogelijk zijn. Dat is in de taakstelling van de overheid voor in totaal negen Peta joule energiebesparing bij de ETS-bedrijven best een grote brok. Wellicht zit er meer in het vat, maar ook wij moeten balanceren tussen verduurzaming en de concurrentiepositie in en buiten Europa. Er zijn nu eenmaal factoren die lastig te voorspellen zijn, zoals de CO2-prijs en de energieprijzen. En dan werkt het subsidiebeleid van de overheid niet altijd in ons voordeel. Als energiebedrijven subsidie krijgen voor biomassa als brandstof voor energiecentrales, waarom zouden wij daar dan geen gebruik van kunnen maken. De chemische industrie is zeer geïnteresseerd in biomassa als grondstof voor chemische producten. Net zoals we stoom cascaderen, kunnen we ook cascades inrichten voor biomassastromen of zelfs circulaire ketens inrichten.’

Onderscheiden

Toch wil Visser niet klagen: ‘Ik heb het idee dat de overheid meer begrip heeft voor de industrie en wel degelijk wil meedenken met oplossingen voor de barrières waar we als industrie tegenaan lopen. Het Topsectorenbeleid pakt voor de chemische industrie wel degelijk goed uit. Nu is het zaak door te pakken en ook andere sectoren te betrekken bij de clusters. De agrosector is zeer interessant omdat we daar CO2 en warmte naar toe kunnen vervoeren, maar tegelijkertijd kunnen we ook veel halen. Door de productie van biomassa af te stemmen op de behoefte van de chemische industrie aan nieuwe grondstoffen, kunnen we hoogwaardige biobased kunststofproducten maken. De leidende consumentenmerken vragen steeds vaker naar de footprint van de grondstoffen die zij in hun producten stoppen. Daar kan de Nederlandse industrie zich in onderscheiden.’