Energie Nederland Archieven - Utilities

Vanaf 2021 mogen huiseigenaren hun cv-ketel alléén nog vervangen in combinatie met een  hybride warmtepomp, een zonneboiler of een ander duurzaam alternatief. Dat staat in een manifest dat installateurskoepel UNETO-VNI, Energie Nederland, Greenpeace en een groot aantal andere organisaties vandaag presenteren. De brede klimaatcoalitie wil op die manier woningen en andere gebouwen sneller verduurzamen. In Nederland zijn jaarlijks circa 350.000 cv-ketels aan vervanging toe. UNETO-VNI-voorzitter Doekle Terpstra: ‘Een energiezuinig huis is binnenkort haalbaar voor alle Nederlanders.’

Om het klimaatverdrag van Parijs te kunnen realiseren én de aardgaswinning in Groningen te verlagen, moet Nederland het aardgasverbruik fors terugdringen. Daarvoor zijn hogere rendementseisen aan nieuwe cv-ketels onvermijdelijk. De traditionele, gasgestookte installaties kunnen aan die eisen niet voldoen. Het manifest dat de brede klimaatcoalitie heeft opgesteld, pleit er daarom voor al vanaf 2021 alleen nog cv-ketels te plaatsen in combinatie met energiezuinige (hybride) warmtepompen of andere duurzame alternatieven te plaatsen, zoals zonneboilers.

Voorzitter Terpstra van installateurskoepel UNETO-VNI wijst erop dat de toepassing van hybride warmtepompen inmiddels relatief eenvoudig is: ‘Als woningen straks grotendeels hun eigen, duurzame energie opwekken is de cv-ketel als onderdeel van een hybride systeem alleen nog nodig om piekbelasting op te vangen, zoals bij strenge vorst en op momenten dat er geen groene stroom beschikbaar is.’ Om de plaatsing van duurzame cv-systemen voor iedereen financieel haalbaar te maken, pleit het manifest ook voor de snelle introductie van gebouw-gebonden financiering. De woningeigenaar betaalt daarbij op basis van een servicecontract een vast bedrag per maand voor de installaties die voor warmte en stroom zorgen. Bij verkoop van de woning neemt de koper het servicecontract over.

Om de alternatieven voor de traditionele cv-ketel snel te kunnen ontwikkelen en op grote schaal te plaatsen, wijst de brede coalitie op een aantal randvoorwaarden. Zo staat in het manifest de toezegging om de (hybride) warmtepomp te verbeteren als het gaat om bijvoorbeeld het geluidsniveau, de netbelasting en het ruimtebeslag. Bij de uitvoering van de plannen kan het gebrek aan geschoolde technici een belangrijk knelpunt vormen. Zonder voldoende vakmensen om de alternatieve technieken en systemen te installeren, komen de klimaatdoelstellingen in gevaar.

Directeur Greenpeace Anna Schoemakers namens de deelnemende milieuorganisaties: ‘Veel van de initiatiefnemers nemen deel aan de totstandkoming van het Klimaat- en Energieakkoord, waar de komende maanden afspraken gemaakt worden om de CO2-uitstoot met 49 tot 55 procent terug te brengen. Het stellen van een verplichtende maatregel zoals een rendementseis, is nodig om sneller om te schakelen naar duurzame energie.’

Dat de energietransitie zich over de gehele maatschappij uitstrekt, blijkt wel uit de diverse belangengroepen die zich allemaal over dezelfde vraagstelling bogen: Hoe kunnen we zo snel mogelijk de uitstoot van broeikasgassen terugdringen. Hoever dat terugdringen gaat, daar zijn de meningen nog over verdeeld maar ratificatie van de COP21-afspraken is in ieder geval gewenst.

Het regende de afgelopen maand rapporten. PBL kwam al in maart met zijn rapport over energieneutrale warmtenetten in Nederland terwijl het niet veel later de kosten doorberekende van de energietransitie. Als een ding duidelijk is uit deze rapporten, dan is het dat een centrale regie vanuit een sterke overheid gewenst is. Het doel is in ieder geval duidelijk: de CO2-emissies met 95 tot honderd procent verlagen.

Alle rapporten naast elkaar gelegd, laten zien dat de partijen het eens zijn over een aantal thema’s: terugdringing van fossiele brandstoffen, een hogere bijdrage van warmte, een hoge integratie van  de energiesystemen en een sterkere regie op de energiemarkt. Energiebesparing levert in de plannen nog steeds de grootste bijdrage, terwijl flexibilisering en de grotere marktdynamiek de grootste uitdagingen zijn. Uit de doorberekeningen van PBL blijkt dat de CO2-besparingsmogelijkheden in de industrie zoals de inzet van biomassa, CCS, recycling en efficiencyverbetering de hoogste opbrengsten genereren tegen de laagste kosten.

VEMW

Misschien de meest praktische bijdrage komt van de industriële grootverbruikers die een onderzoek lieten uitvoeren door onderzoeksbureau McKinsey. Geen conceptuele vergezichten, maar een achttal tastbarre maatregelen die de koolstofemissies van de zware industrie met 95 procent kunnen terugdringen. De industrie is verantwoordelijk voor veertig procent van de totale emissies in Nederland en de genoemde percentages kunnen dan ook een belangrijke stap zijn in de terugdringing van CO2-emissies in Nederland. Energiebesparing staat daarbij op nummer één. Met warmtepompen, netwerken voor restwarmte en mechanische damprecompressie kan de industrie nog veel van de warmte die verloren gaat nuttig inzetten.

De industrie kan volgens onderzoeksbureau McKinsey ook een rol spelen in loadbalancing door gebruik te maken van hybride boilers die zowel op elektriciteit als gas kunnen draaien. In processen waar CO2-uitstoot onvermijdelijk lijkt, pleit men voor afvang van CO2 om dit ondergronds op te slaan of eventueel nuttig in te zetten als grondstof.

Een meer circulaire benadering van industriële productieprocessen, kan de industrie helpen bij het terugdringen van de CO2-emissies. Praktische voorbeelden zijn een hub in Rotterdam voor het recyclen van plastic en het inzetten van meer staalschroot voor de productie van staal. Maar ook de inzet van biogas of syngas helpt de industrie zijn uitstoot te beperken. Een stap verder dan biomassa inzetten voor de opwekking van warmte, is het gebruik ervan als grondstof voor chemicaliën zoals azijnzuur of etheen.

McKinsey ziet ook mogelijkheden voor een aantal technieken voor de verdere toekomst. Die projecten kunnen echter pas rendabel worden na een aantal technische doorbraken. Zo heeft industrie op zich interesse in power to gas, waar overtollige elektriciteit via elektrolyse kan worden ingezet om water te splitsen in waterstof en zuurstof. Om dit rendabel te maken, is wel onderzoek nodig naar efficiencyverbetering.

Hetzelfde geldt voor de inzet van warmtepompen voor middelhoge temperaturen, elektrische fornuizen voor hoge temperaturen en a chemische processen met een lagere warmtevraag. De bijdrage in CO2-besparing kan groot zijn, maar de technieken vragen om meer onderzoek.

De staalindustrie, in Nederland met name Tata Steel, kan ook elektrische processen inzetten om staal te smelten. Dit zogenaamde Electric Arc Furnace proces kan echter alleen worden ingezet om schroot om te smelten in staal. Tata is inmiddels bezig met proefprojecten om de CO2-uitstoot van de staalproductie terug te dringen, maar nog wel op basis van cokes. Als dit wordt gecombineerd met CO2 afvang en opslag, zijn hier toch behoorlijke emissieverlagingen te bereiken.

Energie Nederland

Ook Energie Nederland ziet de terugdringing van CO2-emissies als uitgangspunt voor zijn kompas. Energie Nederland kijkt daarbij tot 2030, waar het zich richt op een halvering van de uitstoot. Met dit uitgangspunt wordt niet de inzet van renewables leidend, waardoor ook schoon fossiel nog een plek kan krijgen in de overgang naar volledig duurzame energieproductie. Dit uitgangspunt is met name ingegeven vanuit de leverings- en voorzieningszekerheid en de betaalbaarheid van energie. Met name de onvoorspelbaarheid van wind- en zonne-energie baart de energieproducten zorgen en de opslag van elektriciteit is nog te duur. Energie Nederland pleit dan ook om vooral het instrument emissiehandel (ETS) te blijven gebruiken, maar wel met een aangescherpt plafond en hogere CO2-prijzen.

De energieproducenten geven in hun kompas aan graag in gesprek te gaan met de energie-intensieve industrie om een verhoogde klimaatambitie samen te laten gaan met internationale concurrentiekracht. Hoe ze dat gaan doen, wordt nog niet uitgediept, maar inmiddels zijn er wel voorbeelden van succesvolle samenwerking tussen industrie en energiebedrijven.

Wat ook duidelijk is, is dat de energiebedrijven de overheid nog hard nodig hebben om hun ambities gestand te kunnen doen. De SDE+ subsidie blijft nodig, zolang ETS nog niet als volwaardig instrument kan worden ingezet. Maar ook een stabiel investeringsklimaat, wat nauw samenhangt met subsidies, maar ook ondersteunende wet- en regelgeving. De energiebedrijven spreken daarbij af meer te investeren in energiebesparing bij hun klanten.

Het faciliteren van capaciteit, of zoals Energie Nederland het noemt: de dienst leveringszekerheid, kost geld. De energiebedrijven zouden dan ook het liefste een capaciteitsmarkt zien waarin het leveren van flexibele capaciteit wordt beloond. Voorwaarde voor een dergelijke markt is een flexibele infrastructuur met navenante prijsstructuren. De overheid moet in deze turbulente en dynamische markt meer regie voeren en keuzes maken die de leveringszekerheid, maar ook betaalbaarheid van de energievoorziening veilig stellen.

KVGN

Inmiddels heeft ook de gassector, verenigd in de Nederlandse gasassociatie KVGN, zich verbonden aan het SER Energieakkoord voor duurzame groei. De belangenvereniging presenteerde onlangs zijn strategische agenda met als doe het CO2-neutraal maken van de energievoorziening in 2050. De plannen richten zich op verschillende gebieden, zoals de gebouwde omgeving, de industrie, mobiliteit/transport, het aanbod van hernieuwbaar gas en systeemintegratie op de Noordzee.

Hoewel ook de gasproducenten een grote rol zien voor stadswarmte, ziet men dat voor één à twee miljoen woningen in Nederland  warmtelevering via warmtenetten niet weggelegd is en een volledig elektrische verwarming economisch niet haalbaar is. Hier zouden hybride warmtepompen een goede tussenoplossing kunnen bieden.

Uitgangpunt voor de KVGN-leden is het begrip ‘gas-op-maat’, waarbij de energiebron met de minste CO2-uitstoot voorrang krijgt. Dit betekent dat aardgas vooral daar bijspringt waar nog geen duurzame alternatieven voorhanden zijn. Of waar die nu niet haalbaar zijn vanuit technisch of economisch oogpunt. Waar mogelijk wil men groen gas inzetten. De gasproducenten hopen natuurlijk ook een schoner alternatief te bieden voor steenkool, stookolie en diesel.

Isolatie

De rol van isolatie is opvallend afwezig in de rapporten van de belangenpartijen. En dit terwijl het besparingspotentieel op een slordige 31 Petajoule wordt geschat. Bij de meeste bedrijven  liggen nog kansen voor het thermisch isoleren van leidingen, flenzen, kleppen, kranen enzovoorts. Angst voor corrosie onder isolatie of andere procesverstoringen houdt de industrie tot nog toe tegen. Wellicht helpt het nieuwe akkoord dat de energie-intensieve industrie sloot met minister Kamp om 9 petajoule energie te besparen ook dit struikelblok te overbruggen.

De Europese lidstaten hebben de koppeling van de elektriciteitsmarkten in Europa een flinke stap verder gebracht. Ze hebben ingestemd met nieuwe regelgeving waarmee landelijk netbeheerders vraag en aanbod van elektriciteit nog beter op elkaar kunnen afstemmen. Dat wordt steeds belangrijker vanwege de toename van duurzame zonne- en windenergie, waarvan het aanbod per locatie en per moment sterk kan wisselen. Als in Nederland de zon niet schijnt en er geen wind is, moeten andere Europese landen kunnen bijspringen en omgekeerd.

De Autoriteit Consument & Markt (ACM), landelijk netbeheerder TenneT en Energie-Nederland hebben in Europa steeds gepleit voor het huidige Nederlandse systeem. De marktpartijen krijgen daarin sterke prijsprikkels om zelf de balans te herstellen op momenten dat dat nodig is. TenneT heeft hierdoor de laagste kosten voor ‘balancering’ in Europa. De nieuwe Europese regelgeving volgt het Nederlandse systeem grotendeels.

Nieuwe regels treden in najaar 2017 in werking

De nieuwe regelgeving treedt naar verwachting in het najaar van 2017 in werking. Daarmee wordt het Europese Derde Energiepakket uit 2011 afgerond. Doel van dit pakket is om de elektriciteits- en gasmarkten in Europa te laten samengaan.

Bouwen aan een Europese markt

De ACM ondersteunt een betaalbare, betrouwbare én duurzame energievoorziening. De toezichthouder bevordert vrije en eerlijke handel in elektriciteit en gas in Europa. En ze stimuleert het efficiënter gebruik van de netten. Europese marktintegratie zorgt voor meer leveringszekerheid, minder prijsverschillen tussen de Europese landen en meer welvaart.

Huishoudens en zakelijke gebruikers hadden vorig jaar gemiddeld 21 minuten geen stroom als gevolg van een storing. Dat is 17 procent korter dan het vijfjaarlijks gemiddelde. Gasstoringen zorgden ervoor dat een huishouden in 2016 gemiddeld 58 seconden geen gas had. Dit blijkt uit de jaarlijkse storingscijfers van Netbeheer Nederland.

Een stroomstoring trof gemiddeld 122 klanten. Ook dat is een afname ten opzichte van het vijfjaarlijks gemiddelde (-14 procent). Alle afnemers samen hadden dus minder overlast van de stroomstoringen, ondanks dat het aantal storingen wel iets toenam (+2 procent). Snel opsporen en verhelpen. De gasstroingen scoorden 40 procent onder het vijfjaarlijks gemiddelde. Gasstoringen zijn over het algemeen klein: een gasstoring trof gemiddeld slechts 1,5 klant.

Netbeheerders investeren jaarlijks ruim twee miljard euro in het energienet. Niet alleen in de kabels en leidingen, maar ook steeds meer in ICT. Die investeringen zijn enerzijds nodig om het net geschikt te maken voor de energietransitie en het steeds grotere gebruik van duurzame energiebronnen. Anderzijds helpen technologische toepassingen zoals sensoren om een storing snel op te sporen. Door snelle opsporing slagen netbeheerders erin om storingen snel te verhelpen en zo de overlast voor klanten te beperken.

99,995 betrouwbaarheid

Het Nederlandse energienet is één van de meest betrouwbare netten van de wereld. Het werkt 99,995 procent van de tijd. Netbeheerders vinden die betrouwbaarheid belangrijk en investeren daarin, en willen tegelijkertijd het net betaalbaar houden. Dat lukt; de tarieven zijn in de afgelopen jaren gelijk gebleven of zelfs gedaald.

Een betrouwbare, betaalbare en duurzame energievoorziening vormt een belangrijke voorwaarde voor het functioneren van de samenleving. Omdat het net zo betrouwbaar is, merken veel mensen pas hoe afhankelijk ze zijn van energie als er een storing is. Gelukkig is zo’n storing over het algemeen van korte duur. Een stroomstoring duurde in 2016 gemiddeld minder dan vijf kwartier, een gasonderbreking iets minder dan twee uur.

Oorzaken storingen

Graafschade is net als in voorgaande jaren de belangrijkste oorzaak van storingen. In het laagspanningsnet was 27 procent van de stroomstoringen het directe gevolg van graafschade. Een sluimerende storing en veroudering / slijtage zijn andere belangrijke oorzaken. Sluimerende storingen komen vaak door werkzaamheden of graafschades uit het verleden die pas later tot een storing leiden. Alle partijen hebben structureel aandacht voor het voorkomen van graafschade en proberen zo het aantal storingen door graafschade verder terug te dringen.