Energiewet Archieven - Utilities

De nieuwe Omgevingswet combineert verschillende wetten in een overzichtelijke wet zodat het gemakkelijker wordt om nieuwe projecten zoals windparken te ontwikkelen. Helaas wordt de implementatiedatum van 1 juli 2019 niet gehaald. Het is aan de projectontwikkelaars om voort te bouwen op het Energieakkoord en de implementatie van de Omgevingswet niet af te wachten als het om participatie gaat.

 Sophie Dingenen, Margot Besseling & Sharon van de Kerkhof, Corporate Energy Team, Bird & Bird LLP

Op dit moment is de wetgever in Den Haag druk bezig met de herziening van het huidige omgevingsrecht. Alhoewel het wetsvoorstel voor de nieuwe Omgevingswet op 22 maart 2016 door de Eerste Kamer is aangenomen, is de wet anderhalf jaar later nog steeds niet in werking getreden. Wetsherzieningsprojecten van een omvang als deze zijn complex en hebben doorgaans een lange doorlooptijd, zowel tijdens de voorbereidings- als de implementatiefase. Op 21 september jl. heeft demissionair minister van Infrastructuur en Milieu, Melanie Schultz van Haegen, aan de Tweede Kamer laten weten dat de herziening van het omgevingsrecht nog langer gaat duren en de beoogde implementatiedatum van 1 juli 2019 niet haalbaar blijkt te zijn.

Dynamiek

De nieuwe Omgevingswet combineert onderdelen bodem, bouwen, geluid, infrastructuur, mijnbouw, milieu, monumentenzorg, natuur, ruimtelijke ordening en waterbeheer die voorheen in verschillende wetten vervat lagen in een overzichtelijke wet zodat het gemakkelijker wordt om nieuwe projecten zoals windparken te ontwikkelen. Dit betekent dat 26 bestaande wetten (à 4700 artikelen) worden vervangen door één Omgevingswet met 349 artikelen. Naast het vereenvoudigen en versnellen van vergunningsaanvragen voor projecten, beoogt de wetgever met de nieuwe Omgevingswet ook meer zekerheid en dynamiek te bieden en projectontwikkelaars, gemeenten, provincies en waterschappen meer ruimte te geven voor de ontwikkeling van duurzame initiatieven.

Omgevingsplan

Eén van de speerpunten van de Omgevingswet is het ondersteunen en bespoedigen van de duurzame doelstellingen uit het Energieakkoord. De Omgevingswet vergroot de efficiëntie van het ontwikkelingsproces van projecten en biedt meer stimulering aan innovatieve projecten. Zo hoeven projectontwikkelaars op grond van de Omgevingswet slechts één omgevingsplan voor diverse gebieden als natuur, water, milieu op te stellen. Daarnaast betekent de herziening van het omgevingsrecht voor projectontwikkelaars dat er over het algemeen minder onderzoekskosten hoeven worden gemaakt. De invoering van de Omgevingswet leidt ertoe dat onderzoeksgegevens van bijvoorbeeld bodemonderzoeken langer geldig zijn, bepaalde onderzoeken worden geschrapt en de digitale procedure en beschikbaarheid van plannen, besluiten en onderzoeken wordt bevorderd.

Internationaal

Het is duidelijk dat de wetgever op veel vlakken probeert de werkbaarheid van het Nederlandse omgevingsrecht te vergroten en zich daarbij ook richt op internationale projectontwikkelaars die overwegen om in Nederlandse ruimtelijke projecten te investeren. Zo heeft het ministerie van Infrastructuur en Milieu begin dit jaar een Engelse vertaling van de Omgevingswet gepubliceerd en zijn er door de overheid verschillende websites in het leven geroepen om meer informatie te verschaffen over de aanstaande veranderingen.

Participatie

In het Energieakkoord is vastgelegd dat er in 2020 veertien procent aan hernieuwbare energie en een totaal aan zesduizend megawatt (54 petajoule) aan operationeel vermogen door middel van windenergie op land dient te worden gerealiseerd. Om deze capaciteit van wind op land te verwezenlijken, is in het Energieakkoord vastgelegd dat ontwikkelaars van windmolenparken van meer dan vijftien megawatt een participatieplan dienen te creëren om omwonenden een kans te bieden om te participeren in de ontwikkeling en exploitatie van windparken. Daarnaast stelt het Energieakkoord dat de vergroting van de participatie in projecten door omwonenden, burgers, bedrijven en maatschappelijke organisaties in de Omgevingswet moet worden verankerd door deze partijen meer mogelijkheden te bieden om deel te nemen aan ruimtelijke beleid- en besluitvormingsprocessen. Door omwonenden en naastgelegen bedrijven te betrekken bij bijvoorbeeld de bouw van een wind- of zonnepark wordt het gevoel van betrokkenheid vergroot en eventuele weerstand of onbegrip verminderd.

De manier waarop invulling moet worden gegeven aan deze participatiedoelstellingen is echter niet concreet vastgelegd in de Omgevingswet. Dit betekent dat individuele projectontwikkelaars grotendeels zelf een invulling zullen moeten geven aan de mate van participatie en daarbij veel vrijheid krijgen om een op maat gemaakt participatieplan op te stellen. De behoefte aan participatie kan per gebied en type project verschillen en daardoor in veel verschillende gradaties en vormen plaatsvinden. Er is participatie denkbaar in zowel het besluitvormingsproces of in de vorm van financiële of organisatorische betrokkenheid.

Windpark Westermeerwind is een goed voorbeeld van een project waarbij het participatieplan is omgezet in concrete participatiemogelijkheden. Het windpark biedt namelijk de mogelijkheid om te participeren door middel van aandelen en obligaties, die naar verwachting in 2017 worden aangeboden. Er is specifiek voor gekozen om dit ongeveer een jaar na de afronding van de bouw van het windpark te doen om zo de financiële risico’s voor de aandeel- en obligatiehouders te beperken.

Dat participatie een grote rol van betekenis kan spelen werd ook onderkend in een recentelijke bijeenkomst van de Nederlandse Vereniging Duurzame Energie (NVDE) en de Nederlandse Wind Energie Associatie (NWEA). De NWEA bevestigt dat er een grote mate van vrijheid geldt voor ontwikkelaars van duurzame energieprojecten om invulling te geven aan effectieve vormen van participatie. Om initiatiefnemers te ondersteunen zijn er ook hulpmiddelen gepubliceerd, zoals de Toolbox actieve betrokkenheid bij windenergie, Inspiratiegids Participatie en de Handleiding Participatieplan.

Conclusie

Na het Energieakkoord uit 2013 is de vervolgstap naar het bevorderen van duurzame energieprojecten door het vereenvoudigen van het Nederlandse omgevingsrecht gezet. Maar het traject is nog niet afgerond en de vraag is of deze nog op tijd komt. De beoogde implementatiedatum van de Omgevingswet van 1 juli 2019 zal niet worden gehaald, en er is ook geen nieuwe concrete deadline door de demissionair minister toegezegd. Dat betekent overigens niet dat de ontwikkeling van duurzame energieprojecten in de aanloop naar de implementatie van de Omgevingswet stil staat. Het ministerie van Infrastructuur en Milieu geeft aan dat in de tussentijd diverse gemeenten, provincies en waterschappen al zijn begonnen met het nastreven van de principes van de herziening van het omgevingsrecht en dat de huidige Crisis- en Herstelwet projectontwikkelaars hierin ondersteunt. Het is aan de projectontwikkelaars om voort te bouwen op het Energieakkoord en de implementatie van de Omgevingswet niet af te wachten als het om participatie gaat. Deze vrijheid om zelf invulling te geven aan de participatiemogelijkheden kan zowel in het belang van de omwonenden en andere betrokkenen zijn als de projectontwikkelaars zelf.

Al jaren rust op ondernemingen de verplichting om alle beschikbare energiebesparende maatregelen met een terugverdientijd van vijf jaar of minder te treffen. Daar is van recenter datum de verplichting bijgekomen om door middel van het uitvoeren van een energie-audit inzicht te geven in de energiehuishouding van een onderneming. De handhaving loopt tot op heden achter, maar daar lijkt verandering in te komen. De handhavingsinstrumenten die het gezag ter beschikking staan liegen er in ieder geval niet om.

 Piet-Hein Eijssen, Energy Team, Bird & Bird

Al jaren rust op ondernemingen met een jaarverbruik van ongeveer 50.000 kilowattuur elektriciteit de energiebesparingsverplichting van artikel 2:15 Activiteitenbesluit. Op grond hiervan zijn ondernemingen verplicht om alle beschikbare energiebesparende maatregelen met een terugverdientijd van vijf jaar of minder ook daadwerkelijk te treffen. Van recenter datum is de verplichting voor ondernemingen met een bepaalde omvang om een energie-audit uit te voeren. De energie-audit is verplicht voor ondernemingen met een Nederlands personeelsbestand van meer dan 250 FTE of voor ondernemingen met een jaaromzet in Nederland van minimaal 50 miljoen euro die bovendien in Nederland een balanstotaal hebben van minimaal 43 miljoen euro.

Energie-auditplicht

In een energie-audit verschaft de onderneming een totaaloverzicht van haar totale energiehuishouding. Ook dient de onderneming inzichtelijke te maken voor het bevoegd gezag (het College van B&W binnen de gemeente of Gedeputeerde Staten op provincie niveau) op welke termijn welke kosteneffectieve en energiebesparende maatregelen worden genomen.

Er bestaan verschillende vrijstellingsmogelijkheden van de energie-auditplicht. Zo zijn bijvoorbeeld ondernemingen die deelnemen aan de energieconvenanten Meerjarenafspraken energie-efficiëntie (MJA3) en Energie-efficiëntie ETS-ondernemingen (ETS) vrijgesteld van de energie-auditplicht. Ook bestaan er een aantal mogelijkheden om op een alternatieve wijze te voldoen aan de energie-auditverplichting. Zo kan bijvoorbeeld een energiekeurmerk of het feit dat in het verleden (op bevel van het bevoegd gezag) een energiebesparingsonderzoek is uitgevoerd reeds volledig of gedeeltelijk invulling geven aan de energie-auditplicht. Het is echter steeds ter beoordeling van het bevoegd gezag in hoeverre een vrijstelling of alternatieve invulling voldoet aan de energie-auditverplichting.

Al enkele jaren zijn de energiebesparingsverplichting en de energie-auditverplichting een papieren tijger gebleken. Het oorspronkelijk streven van de wetgever was dat energie-audits reeds voor 5 december 2015 moesten zijn ingediend bij de bevoegde gezagen. Onduidelijkheden ten aanzien van de toepasselijke regelgeving en beperkte capaciteit bij handhavers leidde er uiteindelijk toe dat de beoordeling van energie-audits volgens de Nederlandse Vereniging van Gemeenten (VNG) nu eindelijk in de loop van 2017 op gang gaat komen. Dat is rijkelijk laat aangezien het Ministerie van Economische Zaken in april 2017 aan de Europese Commissie dient te rapporteren hoeveel energie-audits al daadwerkelijk zijn beoordeeld. Ook de algemene energiebesparingsverplichting werd tot op heden slechts mondjesmaat gehandhaafd.

Handhaving

Bevoegde gezagen zullen de opgelopen achterstanden met betrekking tot de handhaving echter steeds meer inhalen en onder druk van Brussel en wellicht ook van het nieuw te vormen kabinet komt het moment van handhaving van de energieverplichtingen in zicht. Bevoegde gezagen hebben wat dit betreft de verwachting uitgesproken dat ingediende energie-audits en de beroepen op vrijstelling van deze verplichting in de loop van 2017 zullen worden beoordeeld en dat vanaf 1 januari 2018 de bevoegde gezagen zullen gaan handhaven op de maatregelen die in de energie-audit staan omschreven.

Ter handhaving van de energiebesparingsverplichting, het uitvoeren van een energie-audit en het uitvoeren van de maatregelen die volgen uit een energie-audit beschikken de bevoegde gezagen over een flink aantal handhavingsinstrumenten. Om vast te stellen of een onderneming aan zijn verplichtingen voldoet beschikt het bevoegd gezag in de eerste plaats over de algemene toezichtsbevoegdheden van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Denk aan de bevoegdheid om plaatsen te betreden en inlichtingen (mondeling) en gegevens (schriftlelijk) te vorderen. Voor de onderneming en zijn werknemers geldt wat dit betreft een algemene verplichting om mee te werken aan een dergelijk onderzoek op straffe van bestuurlijke maar ook zelfs strafrechtelijke sancties.

Dwangsom

Wanneer het bevoegd gezag eenmaal vaststelt dat energiebesparingsmaatregelen die binnen vijf jaar kunnen worden terugverdiend niet worden geïmplementeerd of niet wordt voldaan aan de verplichting een energie-audit te verrichten kan het bevoegd gezag besluiten een last onder dwangsom op te leggen. Het bevoegd gezag legt met het opleggen van een last onder dwangsom de verplichting op aan een onderneming om een einde te maken aan een geconstateerde overtreding. Indien hier niet aan wordt voldaan, dan wordt bijvoorbeeld per tijdseenheid (bijvoorbeeld per dag) of per afzonderlijke overtreding in één keer een bedrag verbeurd verklaard dat de onderneming dient te betalen. In een uiterst geval heeft het bevoegd gezag de mogelijkheid om het Openbaar Ministerie te betrekken bij de handhaving en is het Openbaar Ministerie bevoegd om strafrechtelijke sancties op te leggen op grond van de Wet op de Economische Delicten.

Sancties

Nu in de loop van 2017 steeds meer energie-audits zullen worden ingediend en beoordeeld door de bevoegde gezagen kan het behulpzaam zijn om te bedenken dat ook de maatregelen die volgen uit een energie-audit door het bevoegd gezag kunnen worden afgedwongen. In het algemeen zal het bevoegd gezag eerst met de onderneming in gesprek treden over de vraag welke energiebesparende maatregelen uit de energie-audit op welke termijn zullen worden uitgevoerd. Deze afspraken worden op schrift bevestigd en op basis van de gemaakte afspraken kan het bevoegd gezag in een uiterst geval besluiten om middels het opleggen van bijvoorbeeld een last onder dwangsom de onderneming te verplichten de geplande energiebesparende maatregelen te treffen op straffe van een dwangsom. Mocht dit geen indruk maken dan kan ook op dit punt het Openbaar Ministerie worden betrokken bij de handhaving en bestaat de mogelijkheid tot het opleggen van strafrechtelijke sancties. U bent in ieder geval alvast gewaarschuwd!

 

Recentelijk trad een aantal wijzigingen van de mijnbouwwet- en regelgeving in werking, waaronder de wetswijziging in het kader van “versterking veiligheidsbelang mijnbouw en regie opsporings-, winnings-, en opslagvergunningen” en het bijbehorende besluit tot wijziging van het Mijnbouwbesluit. Genoemde wijzigingen beogen een veilige opsporing en winning van gas en andere delfstoffen, en bevatten daarnaast nieuwe regels over onder meer de afsplitsing van specifieke winningsvergunningen voor koolwaterstoffen en de mogelijkheid om kosten in verband met het verlenen van mijnbouwvergunningen alsmede bepaalde kosten van toezicht door te berekenen aan mijnbouwexploitanten en gasnetbeheerders.

Deborah Nizamoeddin (Bird & Bird)

Sinds 1 januari 2017 kent de Mijnbouwwet – naast de al eerder in de wet geregelde figuren ‘splitsing’ (waarbij een mijnbouwvergunning wordt gesplitst in twee of meer vergunningen voor twee of meer gebieden) en ‘samenvoeging’ (waarbij mijnbouwvergunningen worden samengevoegd waardoor één vergunning ontstaat voor het gehele gebied) – ook de nieuwe figuur ‘afsplitsing’. De regels voor afsplitsing komen vrijwel overeen met wat in de wet rondom splitsing is geregeld, maar bij afsplitsing zal het altijd moeten gaan om een zogenaamde ‘oude’ (vóór 1965 verleende) winningsvergunning voor koolwaterstoffen. Feitelijk gaat het om mijnconcessies die op grond van de oude Mijnwet 1810 zijn verleend voor Schoonebeek, Tubbergen, Rijswijk, Rossum-De Lutte en Groningen.

Een ander verschil is dat bij afsplitsing de oorspronkelijke winningsvergunning niet komt te vervallen, maar ongewijzigd in stand blijft en voor een kleiner gebiedsdeel gaat gelden. Bij splitsing komt de oorspronkelijke vergunning echter te vervallen. De onzekerheid over de gevolgen van splitsing voor de oorspronkelijke winningsvergunning en het (mogelijk) ook vervallen van de daaraan verbonden specifieke afdrachtverplichtingen aan de staat werden in de praktijk dan ook als grote belemmeringen gezien bij de overdracht op geïnteresseerde derden van niet-benutte delen van oude winningsvergunningen door middel van splitsing. Door de mogelijkheid tot afsplitsing in de wet op te nemen heeft de wetgever deze belemmeringen willen wegnemen, in de hoop dat dit uiteindelijk een doelmatige exploratie en exploitatie van de Nederlandse olie- en gasvoorraden ten goede zal komen.

Indien de houder van een dergelijke oude winningsvergunning een deel daarvan wil doen overgaan op een ander, dient hij – naast een verzoek tot schriftelijke toestemming van de Minister van Economische Zaken (de ‘Minister’) – tevens een aanvraag in te dienen tot afsplitsing van dat deel van de winningsvergunning. De Mijnbouwregeling regelt de wijze waarop een aanvraag om afsplitsing dient te worden ingediend.

Indien de Minister de aanvraag om afsplitsing inwilligt, wijzigt de Minister de winningsvergunning door het gebiedsdeel dat de vergunninghouder wil doen overgaan op een ander af te splitsen van het gebied waarop die vergunning betrekking heeft. Er ontstaan dan twee afzonderlijke vergunningen: 1. de oorspronkelijke winningsvergunning die ongewijzigd in stand blijft maar voor een kleiner gebied geldt en 2. een ‘nieuwe’ winningsvergunning voor het afgesplitste gebiedsdeel (waarop – behoudens een paar overgangsrechtelijke bepalingen – het overgangsrecht van de Mijnbouwwet niet van toepassing is).

De afgesplitste winningsvergunning is qua duur en karakter gelijk aan de oorspronkelijke winningsvergunning. Alleen eventuele afspraken en overeenkomsten tussen de staat en de vergunninghouder omtrent financiële afdrachten aan de staat die samenhangen met de oorspronkelijke winningsvergunning komen voor de afgesplitste winningsvergunning te vervallen. Op de afgesplitste winningsvergunning zal dan het generieke afdrachtenregime van afdeling 5.1.1 van de Mijnbouwwet van toepassing zijn. Staatsdeelneming ten aanzien van de afgesplitste winningsvergunning zal slechts van toepassing zijn (tevens onder dezelfde voorwaarden), indien staatsdeelneming ook uit de oorspronkelijke winningsvergunning blijkt.

In beginsel worden aan de afgesplitste winningsvergunning dezelfde beperkingen en voorschriften verbonden als die zijn verbonden aan de oorspronkelijke winningsvergunning, tenzij dit niet verenigbaar is met het bij en krachtens de wet bepaalde.

De afsplitsing treedt pas in werking op het moment dat de vergunning voor het afgesplitste gebiedsdeel onherroepelijk is overgegaan op een ander.

Retributies

Voorheen werden er aan mijnbouwondernemingen geen kosten in rekening gebracht in verband met het aanvragen van een vergunning, ontheffing of instemming. Onder de huidige mijnbouwwet- en regelgeving is dat nu anders. Mijnbouwexploitanten en gasnetbeheerders dienen momenteel rekening te houden met een nieuwe kostenpost in de vorm van retributies. Kosten van de Minister in verband met het verlenen van mijnbouwvergunningen alsmede bepaalde kosten (van toezicht) van Staatstoezicht op de mijnen worden namelijk sinds kort doorberekend aan mijnbouwexploitanten en gasnetbeheerders. Wel worden alleen die activiteiten in rekening gebracht, die individualiseerbaar zijn, oftewel duidelijk zijn te herleiden naar de activiteiten van de mijnbouwonderneming. De verschuldigde bedragen (het betreft vaste bedragen, vastgesteld bij ministeriële regeling) zullen bij beschikking van de Minister in rekening worden gebracht, maar komen toe aan de staat.