engie Archieven - Utilities

Engie gebruikt de huidige turnaround van de Maximacentrale om zich voor te bereiden op een grote upgrade in 2023. Door diverse hardware aanpassingen kan de centrale dan op hogere bedrijfstemperaturen draaien, waarmee het combined cycle rendement toeneemt tot boven de zestig procent. De aanpassingen maken ook bijstook van waterstof tot vijftig procent mogelijk.

De ingenieurs van turbineleverancier Ansaldo Energia maken graag gebruik van de huidige turnaround van de Maximacentrale in Lelystad. Ze kunnen nu alvast een voorschot nemen op de aanpassingen die ze in 2023 willen doorvoeren. Nieuwe materialen, koelsystemen en een nieuw softwarepakket zorgen er dan voor dat de combined cycle gasturbine hogere temperaturen kan verdragen. En daarmee neemt het rendement aanzienlijk toe. Bovendien maken de aanpassingen ook bijstook van waterstofgas mogelijk. In ieder geval tot vijftig procent, maar hogere percentages zouden in de toekomst met extra aanpassingen en voortschrijdende technologische ontwikkeling ook geen probleem moeten vormen.

De Maxima-centrale is volgens plantmanager Harry Talen al een van de de meest efficiënte combined cycle gascentrale (CCGT) van Nederland. Maar de energietransitie stelt nog hogere eisen aan de efficiency, duurzaamheid en flexibiliteit van dit soort centrales in de nabije toekomst. ‘Het aandeel duurzaam vermogen neemt aardig toe’, zegt Talen. ‘Het aandeel wind- en zonne-energie loopt al op tot zo’n  25 procent van de elektriciteitsproductie. Dat zijn mooie cijfers, maar betekent ook dat nog steeds 75 procent van de elektriciteit van fossiel gestookte centrales komt. Het beste wat je op de korte termijn dan kan doen is om dat fossiele deel in ieder geval zo efficiënt mogelijk uit te voeren. Sommigen kiezen dan voor extra efficiency door ook warmte te leveren. Met het toenemende aanbod van intermitterende energiebronnen als wind- en zonne-energie wordt het wel steeds lastiger om die warmte altijd te leveren.’

Nieuwe rol

De upgrade van een van de twee 440 megawatt units van de centrale levert tot 35 megawatt meer vermogen op. Alleen al deze stap kan een jaarlijkse bespring moeten kunnen opleveren tot veertigduizend ton CO2. Deze besparing maakt de businesscase voor Engie iets aantrekkelijker, omdat het daarmee ETS-kosten vermijdt. De andere unit zou in een later stadium dezelfde aanpassingen kunnen krijgen. Maar die beslissing zal ook afhangen van de marktontwikkelingen.

Talen voorziet een andere rol voor gascentrales in het algemeen. ‘Gascentrales zullen steeds meer worden ingezet voor leveringszekerheid als zon en windenergie te weinig levert en netbalancering, om dips in de duurzame stroomopwekking op te vangen. Dat zou kunnen betekenen dat een gemiddelde centrale geen zesduizend uur meer draait, maar slechts tweeduizend uur. Bovendien zullen we vaker op en af moeten regelen, naar gelang het aanbod wisselt. De configuratie van onze twee units is wat dat aangaat gunstig voor dit soort marktomstandigheden. Door de upgrade wordt de centrale nog flexibeler en  kunnen we heel snel en efficiënt opstarten en weer afschakelen.

Je kunt je voorstellen dat zo’n wisselende belasting ook zijn uitwerking heeft op de levensduur van de assets. Het nieuwe softwarepakket dat we installeren helpt ons om keuzes te maken tussen de opbrengsten van flexcapaciteit en de kosten van extra onderhoud.’

Waterstof

Bijkomend voordeel van de upgrade is dat ook bijstook van waterstof geen probleem meer vormt. ‘De branders kunnen zonder grote aanpassingen tot vijftig procent waterstof bijstoken. Met aanpassingen in de toekomst zouden hogere percentages ook mogelijk moeten zijn.

Na de consultatie van minister Wiebes van EZK voor het sluiten van een kolencentrale lijkt alleen Riverstone interesse te hebben. Volgens de NOS kan het investeringsbedrijf dat de Rotterdamse centrale vorig jaar overnam van Engie 240 miljoen euro krijgen. Dat is een hoger bedrag dan Riverstone betaalde aan Engie.

Om de Urgenda-doelen te kunnen halen, moet Eric Wiebes alles uit de kast halen om de CO2-uitstoot te temperen. Met het uit bedrijf nemen van een van de moderne kolencentrales zou de minister in één klap een grote sprong daarin nemen. Vandaar dat Wiebes in September een rondje maakte langs de laatste grote Nederlandse centrales. Zowel RWE als Uniper meldden geen belangstelling te hebben voor de regeling die ze 328 duizend euro per megawatt zou opleveren.

RWE

De 1560 megawatts van de Eemshavencentrale van RWE zou het bedrijf ruim vijfhonderd miljoen euro opleveren. Dat is fors minder dan de investeringssom van 2,8 miljard euro. De centrale die nu vijf jaar draait, kan ook op alternatieve brandstoffen draaien zoals biomassa.

Uniper

Ook de Maasvlakte centrale van Uniper is gloednieuw. De in 2016 opgeleverde 731 megawatt centrale zou 360 miljoen euro opbrengen, wat een afschrijving betekent van ruim een miljard euro. Ook deze centrale zou deels op biomassa kunnen draaien. Daarnaast zijn er in Rotterdam plannen voor het afvangen en ondergronds opslaan voor CO2 (Porthos).

De Riverstone centrale ligt overigens al sinds begin dit jaar stil vanwege een technisch defect.

Strenge hygiënemaatregelen en kleinere teams die anderhalve meter afstand houden; de plantmanagers van de Nederlandse energiecentrales doen er alles aan om corona buiten de deur te houden. Zelfs het onderhoud aan de Eemscentrale gaat door. Maar dan wel wat voorzichtiger dan voorheen.

Hoewel vorige week nog niet geheel duidelijk was of de energiecentrales tot de vitale sector behoren, is Nederland meer dan ooit afhankelijk van elektriciteit. Natuurlijk kunnen ziekenhuizen altijd terugvallen op hun noodstroomvoorzieningen, maar dat is een scenario dat ze liever niet er bij willen krijgen. Bovendien werken veel Nederlanders thuis en zijn afhankelijk geworden van digitale communicatiemiddelen. Stroomuitval zou echt de maatschappij ontwrichten. Dat gaat volgens de plantmanagers dan ook niet gebeuren.

Kleinere ploegen

Ook Harry Talen werkt zoveel mogelijk vanuit huis, om de kans op besmetting zoveel mogelijk te voorkomen. De plantmanager van Engie heeft meerdere centrales onder zijn hoede en hoeft daarvoor niet altijd ter plekke aanwezig te zijn. ‘We volgen natuurlijk de richtlijnen van het RIVM, maar we hebben weinig moeite gehad de nieuwe werkwijzen tussen de oren van onze medewerkers te krijgen. Iedereen is zeer doordrongen van de ernst van de situatie. En dus werken we met kleinere ploegen zodat we anderhalve meter afstand kunnen houden, maken toetsenborden schoon als een ander er aan gaat werken en zo voorts.’

Revisie

‘We stellen dezelfde hoge eisen aan onze contractors’, vervolgt Talen. ‘We zijn al eerder begonnen met de revisie van twee turbines die een tijdlang in de mottenballen hebben gestaan. Na zorgvuldig overwegen besloten we de onderhoudswerkzaamheden wel door te laten gaan. Dat betekent echter wel dat er maar een kwart van de mensen op de site aanwezig is van wat er normaal gesproken zou rondlopen. Alleen wie fysiek aanwezig moet zijn, mag op de site rondlopen. Op die manier kunnen ze de noodzakelijke afstand bewaren. Wie ook maar de lichtste ziekteverschijnselen vertoont wordt naar huis gestuurd. Maar ook hier geldt dat mensen het zelf zeer serieus nemen en zelf al thuis blijven bij twijfel over hun gezondheid.

Meerdere scenario’s

De plantmanager van de Eemshavencentrale van RWE Marinus Tabak vertelt dat ook RWE maatregelen heeft genomen. Toen een medewerker na een wintersportvakantie in Oostenrijk besmet bleek te zijn met corona, werd direct de hele ploeg naar huis gestuurd. De ploeg heeft inmiddels veertien dagen in quarantaine gezeten en niemand is besmet geraakt. En gelukkig maakt de medewerker en zijn gezin het ook goed.

Volgens Tabak zijn van de 350 medewerkers op de centrale een zestigtal onmisbaar voor het bewaken en bedienen van de centrale. Die werken in vijf ploegendiensten. Mochten er mensen om wat voor reden ook thuis moeten blijven, dan heeft hij de scenario’s al klaarliggen.

Uniper

Een rondje langs de andere energiebedrijven levert hetzelfde beeld op als bij RWE en Engie. Ook Uniper heeft inmiddels maatregelen getroffen om het risico op besmetting met het coronavirus tot een minimum te beperken. Het bedrijf kent tot nog toe geen coronagevallen. Woordvoerder Michel Groeneveld: ‘De mensen die niet per se op de locatie hoeven te werken, werken thuis. Mensen die op kritieke functies zitten, proberen we zoveel mogelijk te isoleren. En uiteraard bekijken we per project die in de planning staat of deze echt nodig is of ook kan worden uitgesteld.’

E.ON

E.ON baas Johannes Teyssen ging bij bekendmaking van de jaarcijfers ook in op de mogelijke gevolgen van de coronacrisis voor de onderneming. ‘Over het geheel genomen zal de energie-industrie ongetwijfeld niet zo hard getroffen worden als andere industrieën’, aldus Teyssen. ‘Maar we verwachten nog steeds dat de crisis zijn stempel zal drukken op ons resultaat. Industriële en commerciële klanten verbruiken beduidend minder energie. Dit zal een tijdelijke impact hebben op ons netwerk en onze verkoopactiviteiten. Er kunnen vertragingen optreden in ons vermogen om energie-infrastructuurprojecten op te leveren.’

Vattenfall meldt dat het al een paar weken maatregelen treft om de energieproductie en de overige essentiële activiteiten veilig te stellen. Dat gebeurt aan de hand van bedrijfscontinuïteitsplannen die Vattenfall voor zijn bedrijfsonderdelen opstelde en die het bedrijf in werking stelt bij buitengewone situaties, zoals de huidige verspreiding van COVID-19.

Het doel is om de bezetting veilig te stellen en de leveringszekerheid van elektriciteit, gas en warmte in stand te houden. Daarmee ligt de focus op het operationeel houden van de centrales van Vattenfall in Nederland en de overige markten.

Genoeg elektriciteit

Over tekorten hoeft Nederland zich in ieder geval voorlopig nog geen zorgen te maken. Talen: ‘De afgelopen weken hebben we veel wind en zon gehad, wat natuurlijk gunstig is voor het elektriciteitsaanbod. We verwachten bovendien dat de industriële elektriciteitsvraag dankzij de crisis zal afnemen. Dat zelfde beeld was ook in Italië te zien.’

ENGIE heeft een overeenkomst afgesloten voor de verkoop van al haar aandelen in de kolencentrales in Nederland en Duitsland. Riverstone Holdings LLC, een wereldwijde op energie gerichte investeringsmaatschappij, wordt de nieuwe eigenaar van de kolencentrale in Rotterdam.

In Nederland is de kolencentrale van Rotterdam onderdeel van de verkoop. In Duitsland betreft het de centrales van Farge, Zolling en Wilhelmshaven. Het totale vermogen van de centrales is 2.345 megawatt. Door de transactie neemt de geconsolideerde schuld van ENGIE af met ongeveer tweehonderd miljoen euro. De verkoop is gehouden aan gebruikelijke voorwaarden en zal naar verwachting in het tweede semester 2019 worden voltooid.

In Nederland is het vanaf 2030 verboden om nog energie op te wekken met kolencentrales. Duitsland heeft een zelfde soort moratorium voor kolenstroom in het leven geroepen in 2038. Het is de vraag hoe de investeringsmaatschappij hier mee om denkt te gaan. Het ligt in de lijn der verwachting dat de centrales gecompenseert worden voor de vervroegde afschrijving. Wellicht dat daar nu op wordt geanticipeerd.

Twaalf miljard investeringen

De verkoop van de kolencentrales past in de in 2015 ingezette strategie van ENGIE. Onderdeel daarvan is het afstoten of sluiten van de bestaande kolencentrales en inmiddels is de elektriciteitsopwekking met kolen met 75 procent teruggebracht. Het aandeel van kolen in de totale opwekcapaciteit neemt door deze verkoop in drie jaar tijd af van dertien naar vier procent.

Isabelle Kocher, ENGIE CEO: ‘Wij richten ons op investeringen in integrale energieoplossingen voor onze klanten, ondernemingen en overheden, grootschalige ontwikkeling van hernieuwbare energie en de aanpassing van energienetwerken, die voor de energietransitie noodzakelijk is. Voor deze activiteiten maken we twaalf miljard euro beschikbaar in de periode 2019-2021.’

Industriële bedrijven hebben moeite met het implementeren van maatregelen in hun utilities die de energie-efficiency van het productieproces verhogen. Energy service companies (Esco’s) kunnen hier een helpende hand bieden. Esco-experts Paul Stroomer (ENGIE Ventures & Integrated Solutions) en Giovanni Bartucci (Alperia Bartucci) vertellen over de kansen en over de uitdagingen.

Institutionele investeerders zijn altijd op zoek naar geschikte investeringsprojecten die financiering behoeven. Tegelijkertijd heeft de industrie volop mogelijkheden om op een financieel aantrekkelijke manier energie efficiency te vergroten. Het lukt deze partijen echter niet goed om elkaar te vinden. Esco’s hebben voeten in beide werelden en zijn daarom een aangewezen partij om de twee te verbinden, zo blijkt uit de recente studie ‘A model approach to finance industrial energy efficiency projects’, die werd uitgevoerd door onderzoeksbureau CO2-Net in opdracht van Topsector Energie, TKI Energie & Industrie en de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland in samenwerking met Deltalinqs, FME, NLII, Energie Nederland en de Universiteit van Utrecht. ‘Fabrikanten focussen op hun core business, en dat is het maken van hun product’, zegt Erica Dioguardi, die namens CO2-Net betrokken was bij de studie. ‘Esco’s ontdekken mogelijkheden die fabrikanten over het hoofd zien. Juist door hun expertise en core-business in energie efficiency.’

Die conclusie wordt gedeeld door Giovanni Bartucci. ‘Om de verbinding tussen die twee werelden te bewerkstelligen heb je kennis nodig op veel verschillende terreinen’, zegt hij. ‘Kennis van wetgeving en lokale regels, financiële en technische knowhow en je moet kunnen engineeren, en je moet ook sterk zijn in het maken van risicoanalyses. Dat maakt het behoorlijk complex.’

Giovanni Bartucci is Executive Vice president in de raad van bestuur van Alperia Bartucci, een Esco-bedrijf met het operationele hoofdkantoor in het Noord Italiaanse Soave, bij Verona. Het bedrijf is opgericht in 2005 en er werken nu ongeveer vijftig man. Alperia Bartucci sloot in de dertien jaar van zijn bestaan tientallen Esco-contracten af, waarvan twee bekroond werden met prijzen voor het beste energy efficiency project.

White certificates

In 2005 besloot de Italiaanse politiek om energie efficiency af te dwingen door een systeem op te tuigen waarin white certificates een belangrijke rol spelen. Energiedistributiebedrijven moeten elk jaar een hoeveelheid energie besparen, door zelf maatregelen te initiëren bij bedrijven. Als ze dat niet lukt, kunnen ze white certificates kopen op een speciale marktplaats, waarbij elk certificaat garant staat voor een energiedreductie van ongeveer één ton olie equivalent. Die markt wordt bevoorraad door bedrijven die energie efficiency maatregelen ontwikkelen. Als zij energie besparen, dan verkrijgen ze white certificates, die ze aan de energiedistributiebedrijven kunnen verkopen. De prijs van deze certificaten was jaren lang rond de 100 euro per stuk. In de laatste twee jaar is de prijs verhoogd door wijzigingen in regelgeving.

Ook Esco’s kunnen deze certificaten verdienen en dat maakt dat er een dubbele geldstroom is: van de bespaarde energie en de verkochte certificaten. De industrie is veranwoordelijk voor dertig procent van de totale energie efficiency investeringen. Van die dertig procent wordt weer dertig procent gerealiseerd via ESCO’s en utilities.

‘Dit systeem heeft de ontwikkeling van Esco’s in Italië in het begin een flinke boost gegeven’, zegt Bartucci. ‘Het hielp bij het bouwen van een solide business case.’ De laatste jaren, zegt hij, zijn er veranderingen doorgevoerd in het systeem van witte certificaten en is het complexer om ze te krijgen. ‘Sinds een jaar of drie gebruiken we witte certificaten niet meer om onze business case door te rekenen.’

Vertrouwen

Bartucci heeft het zwaartepunt van zijn activiteiten in Italië liggen, maar opereert inmiddels ook in andere landen als Zwitserland en Frankrijk. ‘Bedrijven met wie je een Esco-contract afsluit, worden partners. We zien ze niet meer als klant. Het is een lang proces van elkaar goed leren kennen, elkaar vertrouwen. En voor iedereen een handtekening onder een contract heeft gezet, ben je zo een jaar verder. Dat is logisch, het is allemaal delicaat. Je komt in het hart van het productieproces.’

Het identificeren van potentiële besparingen begint doorgaans met een energy audit, het doorlichten van alle energiestromen binnen het productieproces. Het voordeel voor een bedrijf als Bartucci is dat ze de processen voor energie audits en structureren van contracten redelijk goed kennen. Dat maakt het identificeren van mogelijkheden wat eenvoudiger. Bartucci: ‘Maar vergis je niet, het blijft altijd maatwerk. Je zal versteld staan van de verschillen die je tegenkomt tussen bedrijven die hetzelfde produceren.’

Het soort maatregelen dat Alperia Bartucci voorstelt is divers. Soms bestaat een investering vooral uit het aanbrengen van sensoren, het installeren van software en wat engineering. Andere keren investeert het bedrijf in grote machines. Giovanni Bartucci geeft wat voorbeelden. ‘Bij een staalbedrijf worden stalen staven verhit, zodat ze makkelijker platgewalst kunnen worden. Soms kwamen die net uit de vorige oven en waren ze dus nog erg heet. Andere keren waren de staven al behoorlijk afgekoeld. De oven hield hier echter geen rekening mee. Die behandelde elke staaf hetzelfde. Nu hebben we een real time multivariable controle technologie geïmplementeerd die de oven afstemt op elke staaf die langs komt. We hebben die technologie opgepikt uit de olie- en gassector.’

Deze economisch zeer aantrekkelijke maatregel levert een energiebesparing op van ‘vijf tot zeven procent in sommige van onze installaties, oftewel jaarlijks tien miljoen kuub gas’. Een voorbeeld waarbij de investering wel in machines zit: ‘De staalpannen, die vloeibaar staal door de fabrieken heen transporteren, moeten zelf eerst worden voorverwarmd. Als je dat niet doet, is het temperatuurverschil te groot en gaan ze kapot. De ovens die dat doen hebben wij vervangen door veel efficiëntere exemplaren.’

 Lastige rekensom

De contracten van Bartucci lopen vaak vijf jaar en in die tijd delen klant en ESCO de bespaarde energiekosten. Bartucci: ‘Het is een lastige rekensom. Je moet het risico dat je loopt goed inschatten. Om verschillende redenen vallen de besparingen bij projecten soms tegen. Maar het gaat om het risisco dat je loopt op het hele portfolio van je projecten. Dat moet in een goede verhouding staan tot de inkomsten. En dan zit je goed.’

Italië was in 2005 het eerste land dat een dergelijk systeem ontwikkelde met een flinke dosis verplichting er in. In Nederland is men nog niet zo ver dat energie efficiency verplicht gesteld is. Uiteraard zitten aan het ETS en aan deelname aan de MJA-afspraken wel verplichtende kenmerken, maar zoals in Italië is het hier nog niet. ‘Drie manieren zijn er. De preek, de stok en de wortel’, zegt Paul Stroomer van ENGIE Ventures & Integrated Solutions. ‘Preken doe ik tot ik een ons weeg. Dat het goed is voor de spin off en voor je public relations. Maar erg veel effect heeft het niet.’ De maatregelen zoals die in Italië zijn toegepast, daar ziet Stroomer wel wat in.

‘Naast de druk vanuit de overheid, de brancheorganisaties en de publieke opinie kan men de vorming van esco’s in de industrie economisch aantrekkelijk maken. Innovatieve financiering kan samen met een CO2-belasting en stijgende prijzen voor fossiele brandstoffen een enorme boost geven aan voorbereiding van energieprojecten. Optimaliseren van warmte- en koudestromen en de alternatieve opwekking ervan in de industrie, daar zijn we met ENGIE volop mee bezig. En de landelijke ambitie om afscheid te nemen van laagcalorisch aardgas helpt hierbij natuurlijk zeker.’

 Verfijnd productieproces

Het probleem is, zegt Stroomer, dat energiebesparingen voor een fabrikant vaak niet veel prioriteit hebben. ‘Een gemiddeld product in de industrie heeft een energiekostenpost van tussen de vijf en zeven procent. Voor energieintensieve industrie, die zeer sterk vertegenwoordigd is in Nederland, kan dat oplopen van twintig tot veertig procent. Veel bedrijven zijn al tientallen jaren bezig om hun productieproces te verfijnen. Je kan daar niet zomaar tussenkomen. Laten we zeggen dat je twintig procent van het verbruik kan beïnvloeden. En als je heel erg je best doet, dat je daar dan twintig procent van bespaart, dan verlaag je de energiekosten dus met vier procent. Dat is twaalf procent meer inkomsten bij een productiemarge van tien procent en een dertig procents aandeel energiekosten in variabele productiekosten..’

Dat gezegd hebbende, vindt Stroomer wel degelijk dat er het nodige is te doen. ‘Ik zie veel bedrijven die stoom gebruiken, voor processen die eigenlijk heet water nodig hebben. Ze hebben een stoomketel staan en voor tien procent van de processen hebben ze ook echt stoom nodig. En dan gebruiken ze voor de overige negentig procent voor het gemak ook maar stoom, terwijl dat eigenlijk niet nodig is.’

‘Als je daar heet water van bijvoorbeeld negentig graden voor gaat gebruiken, dan komen andere technieken om de hoek kijken, zoals warmtepompen. Dan moet je wel wat doen aan je verwarmd oppervlak. Dat kan best ingrijpend zijn hoor, met behoorlijke investeringen. Je kunt je voorstellen dat als je stoom van 160 graden gaat vervangen door heet water van negentig graden, dat je dan je leidingen moet vergroten, net als je warmtewisselaars. Het is een behoorlijke stap terug in energieinhoud. Je moet kijken of je daar fysieke ruimte voor hebt op de site én of je er het geld voor hebt.’

Andere drivers

Wat Stroomer heeft gemerkt, is dat zuivere Esco’s, die puur gebaseerd zijn op energiebesparing, lastig te maken zijn. Hij heeft wel een oplossing. ‘Je hebt andere drivers nodig naast energiebesparing. Vaak krijg je bijkomende voordelen op het gebied van bijvoorbeeld kwaliteit of veiligheid. Als je daar een concrete waarde aan weet te hangen, kan je dat meenemen in het model en levert het je net die extra opbrengsten op waardoor het een haalbare businesscase wordt.’ Daar staat tegenover dat zo’n contract wel weer wat complexer wordt, omdat er andere afdelingen bij betrokken zijn dan alleen energie-inkoop. ‘En ze moeten die waarde erkennen; wat is een stukje extra kwaliteit of veiligheid waard?’

‘Het product dat een bedrijf maakt en het bijbehorende primaire proces bepalen vooral de ruimte die er is voor verduurzaming en alternatieve bronnen. Grote investeringen hangen bijna altijd samen met een vervangingsmoment. Dan zie je dat de installatie al die jaren niet is meegegroeid met de behoefte van het primaire proces en kun je de kwaliteit ervan verbeteren. En over veiligheid zegt hij: ‘Stel dat er sprake is van een brandstofopslag van waaruit de opwekking plaats vindt, en dat je die kan wegnemen door het toepassen van warmteterugwinning of elektrificatie. Dan is het dus die oplossingdie een stuk explosiegevaar wegneemt.’

Het rapport A model approach to finance industrial energy efficiency projects is ingebracht aan de klimaattafel voor elektriciteit en zal ook worden besproken met de vertegenwoordigers van o.a. klimaattafel industrie.

Meer informatie over energiebesparen in de industrie, het genoemde rapport en een overzicht van energiedienstverleners ESCO’s is te vinden op de site van RVO.

Tien jaar geleden besloot Fuji Film zijn eigen afvalwaterzuivering aan te leggen. Buurtgenoten Coca Cola, Agrist en IFF haakten al snel aan bij het plan, dat uiteindelijk de grootste private afvalwaterzuivering zou worden. Dick Nootenboom van Fujifilm geeft het geheim prijs van de voor alle partijen lucratieve samenwerking: ‘dit soort complexe contracten alleen maar succesvol kunnen zijn als partijen elkaar vertrouwen en het einddoel in beeld houden.’

De Tilburgse vestiging van het Japanse Fujifilm Manufacturing heeft een interessante geschiedenis in Nederland. Niet alleen is het een van de grootste productievestigingen van Fujifilm buiten Japan, maar het bedrijf vond zichzelf ook opnieuw uit toen fotorolletjes plaatsmaakten voor digitale fotografie. In 2006, het jaar dat het laatste fotorolletje in Tilburg  van de band rolde, opende het bedrijf ook zijn tweede lijn voor digitale offsetplaten. Het bedrijf produceert in Tilburg nu fotopapier, offsetplaten en membranen voor onder andere energieopwekking en ontzilting. Daarnaast werkt men in het Tilburg Research Laboratory aan de ontwikkeling van nieuwe technologieën en producten.

Met name voor de productie van fotopapier en offsetplaten gebruikt Fuji water. Op jaarbasis circa 1.600.000 kuub. Het bedrijf pompt het proceswater op uit de ondergrond, haalt het ijzer eruit en zet dit vervolgens in voor de productie van fotopapier en offsetplaten. Bij het produceren van offsetplaten wordt onder andere salpeterzuur, gebruikt, een stof die veel nitraat bevat. De uitbreiding van de offsetplaten-fabriek betekende een toename van het nitraatrijke afvalwater en Fuji vroeg bij waterschap Brabantse Delta een vergunning aan om meer nitraat te mogen lozen. Het waterschap de Brabantse Delta eiste echter dat het bedrijf een deel van het afvalwater zelf zou zuiveren. Samen met de vergunningverlener waterschap Brabantse Delta en de zuiveraar waterschap de Dommel, ging het bedrijf vervolgens op zoek naar de beste manier om nitraat uit het afvalwater te krijgen.

Samenwerking

ESH manager Dick Notenboom van Fujifim was vanaf het begin betrokken bij het traject dat uiteindelijk tien jaar zou duren. ‘Al snel werd duidelijk dat het waterschap Brabantse Delta andere ideeën over de waterbehandeling had  dan wij. Aangezien waterschap de Dommel in de praktijk de zuiveraar was van ons afvalwater zijn we in overleg met waterschap Brabantse Delta aan tafel gegaan met waterschap de Dommel. Vanaf dag één was er een klik met waterschap de Dommel. Die klik is een lopende rode draad in het project, dat niet zozeer een technisch ingewikkeld traject was, maar vooral een sociale innovatie. ‘Uiteindelijk draait samenwerking om individuen die ergens in geloven en die elkaar vertrouwen dat ze gezamenlijk het beste resultaat uit een project willen halen’, zegt Notenboom. ‘Twee mensen van waterschap De Dommel en twee vertegenwoordigers van Fujifilm keken dan ook met open blik naar de mogelijkheden in de omgeving. Al snel werd duidelijk dat buurman Agristo voor dezelfde uitdaging stond. De aardappelverwerker heeft veel zetmeel in zijn afvalwater, wilde uitbreiden en zou ook zelf moeten zuiveren. Gaandeweg ontstond het idee om samen te werken. En als we toch samen een zuivering zouden bouwen, waarom dan niet met nog meer partners. Een rondgang in de directe omgeving leverde nog twee kandidaten op voor de gezamenlijke afvalwaterzuivering: frisdrankproducent Coca Cola en smaak- en geurstoffenproducent IFF.’

De vier bedrijven produceren gezamenlijk zo’n 380 kubieke meter afvalwater per uur. Fujifilm is met een bijdrage van 170 kuub per uur de grootste afvalwaterlozer, gevolgd door Agristo met honderd kuub per uur. De afvalwaterstroom van Coca Cola en IFF, respectievelijk veertig en zeventig kuub per uur, zijn iets kleiner, maar nog steeds significant. Dat betekent dat de zuivering zo’n tien miljoen liter water per dag zuivert.

Notenboom: ‘Bijkomend voordeel was dat de afvalstromen complementair aan elkaar waren. Fujifim heeft nitraatrijk water en het afvalwater van Agristo bevat  zetmeel. In het water van Coca Cola zitten nog suikers enzovoorts. Kortom: waar de één veel stikstof had en weinig koolstof, hadden de anderen juist de omgekeerde afvalwaterstroom. Ook niet onbelangrijk was het feit dat Agristo, Coca Cola en IFF lagere zuiveringskosten zouden krijgen dan als ze op het riool zouden storten. Fujifilm betaalt meer per vervuilingseenheid dan voorheen, maar minder dan ze zou moeten doen als de andere drie partijen niet waren aangehaakt. Iedereen wint dus bij deze samenwerking en het milieu is er ook nog eens bij gebaat.’

Geen juristen

Notenboom werd al snel aangewezen als projectleider van de gezamenlijke afvalwaterzuivering Tilburg en riep een studiegroep en werkgroep bijeen om de ideeën uit de hoofden in een plan van aanpak te krijgen. Notenboom: ‘We kozen er bewust voor om met technologen aan tafel te zitten en nog geen juristen er bij te betrekken. Het voordeel daarvan was dat we eerst naar oplossingen zochten voor ons probleem en niet direct vastliepen op taken, verantwoordelijkheden en risico’s. De vier deelnemende partijen werden dan ook naarmate het proces verder verliep steeds enthousiaster. Ook de waterschappen De Dommel en de Brabantse Delta schoven weer aan, want als vier bedrijven hun eigen zuivering zouden bouwen, scheelde hun dat een investering in uitbreiding van de rioolwaterzuiveringsinstallatie in Tilburg noord.’

Nadat de specificaties bekend waren, werd dan ook de eerste tender uitgeschreven. ‘Het was al snel duidelijk dat een membraan bioreactor de beste oplossingen was voor de zuivering van ons afvalwater. Uiteindelijk stuurde een achttal marktpartijen hun ontwerpvoorstel in en we kozen daaruit de in onze ogen beste oplossing voor de laagste prijs.’

Contacten

De partij die de bieding had gewonnen, bleek zijn uiteindelijk de financiering van het project niet rond te krijgen en dus werd opnieuw een tender uitgeschreven. Uiteindelijk won ENGIE het contract. De partijen sloten met hen een design, build, finance, maintain and operate (DBFMO) contract voor vijftien jaar af, met een optie op verlenging. De partijen betalen in die tijd een vaste prijs per vervuilingseenheid terwijl ENGIE zorgt dat het water zo wordt gezuiverd dat het op het Wilhelminakanaal kan worden geloosd.

Notenboom: ‘Ook in dit geval zijn de contacten waardevoller gebleken dan de contracten. ENGIE bouwde hier een van de grootste industriële MBR’s ter wereld.

Inmiddels draait de zuivering op zo’n zeventig procent van zijn capaciteit. De overige dertig procent wordt nog steeds op het riool geloosd, maar op den duur moet de zuivering al het water kunnen verwerken. ‘Het heeft gewoon even nodig om de biologie op gang te krijgen’, zegt Notenboom. ‘Als het goed is hebben we straks zelfs capaciteit over voor eventuele andere bedrijven in de buurt. We gunnen de installatie nu even rust om op gang te komen.’

Contracten

Notenboom blijft er op hameren dat dit soort complexe contracten alleen maar succesvol kunnen zijn als partijen elkaar vertrouwen en het einddoel in beeld houden. ‘Mensen vragen wel eens of ze ons contract mogen gebruiken als voorbeeld voor een vergelijkbarre samenwerking. Wat ons betreft is het prima om inzicht te geven in het contract, echter pas na dat partijen een concrete case hebben uitgewerkt die ze werkelijk willen realiseren. Ons voorbeeldcontract doornemen zonder concrete plannen zal alleen maar afschrikken. De onderlinge afhankelijkheid zorgt voor potentiële financiële en technische risico’s. Als een partij besluit af te haken, zal hij daar dan ook geld voor moeten betalen. Bovendien is een eigen zuivering kwetsbaarder dan een robuust systeem zoals een RWZI, die veel meer afvalwaterstromen heeft. Daar komt bij dat we hebben gekozen voor een groeicontract waarin nog niet alles tot op de komma nauwkeurig is vastgelegd. We willen immers voorkomen dat we elkaar juridisch de tent uitvechten terwijl we er allemaal bij gebaat zijn dat de installatie naar tevredenheid draait.

Veel partijen schrikken daarvan en besluiten dan maar helemaal niet aan zo’n samenwerking te beginnen. Wij hebben voor ogen gehouden dat de economische en ecologische voordelen te groot zijn om er niet aan te beginnen. Het zuiveringsrendement voor nitraat ligt op 96,8 procent en voor fosfor op 95,6 procent. Dankzij de geconcentreerdere afvalstromen in een compacte installatie is er bovendien veel minder zuurstof, en dus energie, nodig. Hetzelfde geldt voor het chemicaliënverbruik, dat is in deze geconcentreerde afvalwaterstroom veel lager dan als dezelfde vervuiling in een RWZI zou moeten worden verwijderd. Gecombineerd met lagere zuiveringskosten, is het de investering waard geweest.’

Intensief

Intussen denkt Notenboom ook na over de volgende stap. ‘Het mooiste is als we het gezuiverde water weer nuttig zouden kunnen inzetten. Bijvoorbeeld als proceswater in onze eigen fabrieken, maar wellicht ook als gietwater voorde boeren in de omgeving. Het slib wordt in ieder geval vergist tot biogas, wat ook weer positief bijdraagt aan het milieu.’

Notenboom kan het partijen die een vergelijkbare samenwerking overwegen dan ook van harte aanbevelen. ‘Maar hou er wel rekening mee dat het een intensief proces is waar je moet investeren in de samenwerking. Uiteindelijk werk je niet met bedrijven samen, maar met personen van deze bedrijven. En als het op persoonlijk vlak niet klikt, zal je ook nooit positieve resultaten bereiken. We ronden dit jaar een proces af dat we tien jaar geleden hebben ingezet. Het voordeel is dat de communicatie nu zeer vlot verloopt. Als iemand problemen verwacht, weet hij direct wie hij op de hoogte moet stellen. Dus zonder dat we naar contracten gaan wijzen, lossen we de problemen pragmatisch op. En dat werkt uiteindelijk een stuk fijner.’

 

 

 

 

 

Gerard Jägers van Tata Steel spreekt tijdens Industrie & Energie over het initiatief Waste Radiation Heat to Power and Steam (WRAPS). Een consortium werkt samen om de restwarmte van hoge temperatuur (700-1200⁰C) te benutten, die vrijkomt bij de productie van onder andere staal, metaal en glas. Hittepanelen zetten stralingswarmte om in elektriciteit en warm water en een Qpinch hittetransformator zet het vrijgekomen warme water in het proces om in stoom.

Naast het grote, langjarige HIsarna project voert Tata Steel diverse kortere projecten uit. De meest belangrijke en recente, ondersteund met een DEI subsidie van 1,5 miljoen euro vanuit de Topsector Energie, is wel het WRAPS (Waste Radiation to Power and Steam) in combinatie met het Q Pinch project. WRAPS heeft tot doel om de stralingswarmte die bij hoge temperaturen (700 tot 1200 Celsius) tijdens het proces vrijkomt, opnieuw te benutten.

Kern van het project zijn vijftig innovatieve siliciumpanelen die de stralingswarmte in stroom omzetten. Aan de achterkant van de panelen wordt van het koelwater vervolgens stoom op circa 100 ºC gemaakt. RGS Development uit Broek op Langedijk, een start-up die is voortgekomen uit ECN, ontwikkelde de Thermagy hittepanelen, ENGIE bouwt in licentie de Q Pinch warmtetransformator die de warmte achter de panelen in stoom omzet.

Stralingswarmte

Gerard Jägers, programmamanager energie-efficiency van Tata Steel: ‘Je kan geen staal gieten zonder dat er stralingswarmte vrijkomt. Al jaren gebruiken we de restwarmte uit onze processen als voorverwarming voor gas en verbrandingslucht. Tot voor kort konden we echter niet de hoge temperatuur stralingwarmte, vrijkomend uit slak en plakken staal, op een goede manier hergebruiken. Met de Thermagy panelen wordt dat wel mogelijk.’

Dergelijke energieopwekking uit stralingswarmte is gebaseerd op het zogenaamde Seebeck-effect (genoemd naar de Letse ontdekker in 1821). Volgens dit principe wordt op het grensvlak van meerdere metalen (dus in een legering als staal) het temperatuursverschil direct omgezet in elektrische spanning (of stroom). Daarom is de warmtetransformator van ENGIE ook essentieel: het verschil wordt immers geschapen door de hittepanelen aan de achterkant te koelen met water (waarvan weer stoom wordt gemaakt).

Parallelsessie CO2-besparing door restwarmtebenutting in staalindustrie

Gerard Jägers zal op het congres ‘Industrie & Energie 2017’ op 12 december bij FME te Zoetermeer spreken over de vorderingen met WRAPS en Q Pinch. Andere onderwerpen die tijdens de parallelsessies aan bod komen zijn: elektrochemie, warmtebenutting via stoomrecompressie, de financiering van energiebesparing, waterstoftechnologie en industriële symbiose.

Industrie&Energie 2017

Datum: 12 december 2017

Plaats: FME Zoetermeer, Zilverstraat 69

Inschrijven: www.utilities.nl/inschrijfpagina/jaarcongres2017

 

Producent van siliciumcarbide ESD-SIC en energiebedrijf ENGIE gaan een unieke samenwerking aan. Engie mag vanaf nu bepalen wanneer het bedrijf wel of niet produceert. ENGIE is dan ook een van de kandidaten die meedingen naar de Energy Enlightenmentz of the Year 2017. Tijdens het Industrie&Energie Congres op 12 december in Zoetermeer zal duidelijk worden wie de vakjury en het publiek uiteindelijk als winnaar aanwijst.

Vanaf 1973 produceert Elektroschmelzwerk Delfzijl (ESD) siliciumcarbide op de bestaande locatie in Farmsum bij Delfzijl. Voor het produceren van siliciumcarbide is veel energie nodig is. ESD-SIC verbruikt jaarlijks zo’n 420.000 megawatt-
uur. Daarmee is het bedrijf in grootte de achtste stroomafnemer van Nederland. Alleen al om kosten te besparen heeft het bedrijf verschillende energiebesparende maatregelen getroffen.

Een belangrijke troef van ESD-SIC is dat het de productie van siliciumcarbide kan beginnen en stilleggen wanneer het maar wil. Dat biedt interessante mogelijkheden bij afname van overschotten duurzame energie. Tot voor kort kocht en verkocht ESD-SIC stroom op de onbalansmarkt. Het kocht bij zodra er een overschot aan stroom op het net was. Bijvoorbeeld als gevolg van een ‘teveel’ aan windenergie. Of andersom. De productie werd afgeschakeld zodra er zeer hoge prijzen werden gerekend omdat er onverwacht te weinig stroom werd geproduceerd. Op dat moment werd de stroom die eerder voor de productie was ingekocht weer verkocht.

Binnen twee minuten kan het volledige productieproces worden stilgelegd. De energiebehoefte van ESD-SIC is zo groot dat dit op het Nederlandse stroomnet een neutraliserend effect heeft. De twee inkopers die het bedrijf in dienst had, bespaarden ESD zodoende veel geld.

Energie-inkoop is niet de corebusiness van ESD. Na een lange zoektocht heeft het bedrijf in Engie een energiebedrijf gevonden dat mag ingrijpen in de energiehuishouding van ESD. Plat gezegd kan het energiebedrijf in de off-peak nu bepalen wanneer ESD al dan niet produceert. Op deze manier heeft het energiebedrijf een geweldig instrument in handen om vraag en aanbod van met name duurzaam opgewekte energie in het elektriciteitsnet te reguleren.

Het samenwerkingsverband gaat uit van een gezamenlijk optimum, waarbij niet alleen naar de klant en toeleverancier wordt gekeken. Ze zien het grotere belang. De stabiliteit in het net wordt bevorderd. Op korte termijn kan je hier al overschotten van duurzame energie mee opslaan. Door de enorme groei van duurzaam opgewekte energie zullen de komende jaren steeds meer van dit soort oplossingen nodig zijn om overschotten niet te laten vervliegen. Elektrochemische processen kunnen zodoende een essentiële rol spelen in de energietransitie.

In de regulering van netbeheerders speelt de energietransitie nog geen rol, terwijl de markt staat te springen om een moderne, faciliterende netbeheerder. Dat blijkt uit een rapport dat door onderzoeksbureau Ecorys is opgesteld in opdracht van een aantal energiebedrijven. In het onderzoek van Ecorys lieten Nuon, Essent, Eneco, Fastned, ENGIE en BudgetEnergie in kaart brengen op welke terreinen betere prestaties van netbeheerders gewenst zijn en hoe dit in de praktijk kan worden gebracht.

Het helpt de energietransitie wanneer er eenduidige, transparante en afdwingbare prestatie-eisen komen voor netbeheerders. Bijvoorbeeld als het gaat om de snelheid van aansluiten van nieuwe wind- of zonneparken en laadpunten voor elektrische auto’s. Of het voorzien van ieder huishouden in Nederland van een goed werkende slimme meter, zodat consumenten inzicht hebben in hun energieverbruik en eigen opwek. Om wind en zonne-energie in te passen is voldoende capaciteit op het elektriciteitsnet nodig; inzicht in verwachte congestie op het net maakt het mogelijk  dat de markt dit kan voorkomen met opslagdiensten. En waar aardgas vervangen gaat worden, kan de markt duurzame alternatieven aanbieden.

Versnellen

Allemaal terreinen waarop netbeheerders een cruciale rol spelen in de verduurzaming door consumenten en bedrijven, maar waar niet op wordt beoordeeld in de huidige regulering. Momenteel worden netbeheerders vooral beoordeeld op onderwerpen als storingsminuten. Het rapport gaat in op de manier waarop netbeheerders kunnen worden gestimuleerd, zodat marktpartijen de energietransitie kunnen versnellen. Om tot verandering te komen, is meer nodig dan vrijblijvend overleg. Wanneer de regulering van netbeheerders met heldere spelregels stuurt op prestaties die van belang zijn voor de energietransitie, zal deze ook sneller gaan.

Inzicht

Ecorys adviseert netbeheerders alvast aan de slag te gaan met het bieden van meer inzicht in prestaties en de noodzakelijke verbetering. De Autoriteit Consument & Markt en het Ministerie van Economische Zaken kunnen dan aanvullend transparantie- en prestatie-eisen opnemen in bestaande regelgeving en codes.

Versnelling van de energietransitie is nodig om de duurzame doelstellingen van het Parijs-akkoord te halen. Daarvoor moet de hele keten, van consument tot energiebedrijf en netbeheerder, goed geregeld zijn. De energieleveranciers zien dit rapport als een belangrijke stap om samen met de netbeheerders tot een plan te komen hoe de taken te verdelen en hoe de transitie te versnellen.

Maar liefst 65 procent van de Nederlandse kantoorgebouwen heeft een hoger energieverbruik dan het bijbehorende energielabel aangeeft. Hoe beter het energielabel, hoe slechter de prestatie zoals verwacht conform het energielabel. Van de panden met een energielabel C of beter presteert namelijk zelfs 70 procent slechter dan je op basis van het label zou verwachten. Dat blijkt uit onderzoek van e-nolis, uitgevoerd bij 119 gebouwen met een totaal vloeroppervlak van 1,1 miljoen vierkante meter.

De onderzochte kantoorpanden laten een gemiddelde kostenbesparingspotentie van 2,29 euro per vierkante meter zien en een energiebesparingspotentie van 0,37 petajoule. Voor de totale kantorensector betekent dit dat, als de besparingen worden geëxtrapoleerd, de besparingen op kunnen lopen tot maar liefst 17 petajoule. Dit is meer dan het totale energieverbruik van de gemeente Den Haag (inclusief duurzame warmte en snelwegen). Hiermee kan binnen de kantorensector een kostenbesparing van 120 miljoen euro en een CO2-besparing van 1,1 miljard kilogram CO2 worden verwezenlijkt.

Paradox

Vanaf 2023 is ieder kantoorgebouw vanaf honderd vierkante meter verplicht een energielabel C te hebben. Giel van Giersbergen van e-nolis: ‘Die verplichting is een goede stap om de energiezuinigheid te verbeteren, maar daarmee ben je er nog niet. Uit ons onderzoek komt een paradox naar voren: juist gebouwen met een beter energielabel presteren in de praktijk slechter dan je op basis van hun energielabel zou verwachten. Maar liefst zeventig procent van de gebouwen met een energielabel C of beter presteert ondermaats.

Complexe systemen

Gebouwen met een beter energielabel hebben complexere systemen dan gebouwen met een slechter energielabel. Die systemen blijken vaak niet optimaal ingesteld, waardoor niet het optimale rendement wordt gehaald. Zo blijken installaties soms onnodig door te draaien buiten gebruikstijd. Complexere systemen stellen andere eisen aan het personeel. Verder hebben deze systemen tot gevolg dat men andere vragen moet stellen aan de installateur en dat hier beter gestuurd moet worden op energieverbruik. ‘Een mogelijke oplossing is om in een contract met de installateur af te rekenen op prestaties. Dat gebeurt nog te weinig’, aldus Van Giersbergen.

Aanbevelingen

Het onderzoek biedt aanbevelingen voor de verschillende belanghebbenden. De overheid zou niet alleen moeten vasthouden aan het verbeteren van het energielabel, maar ook aandacht moeten schenken aan de prestatie conform het energielabel. Vanwege de verplichting van het energielabel C ligt daarop de focus, terwijl juist de operationele energiebesparingen bijdragen aan de doelstellingen van het Energieakkoord. Eigenaren maken gebouwen aantrekkelijker voor de huurders als ze presteren conform energielabel. Huurders weten dan beter welke kosten ze kunnen verwachten. Technische dienstverleners kunnen hun kennis en kunde inzetten om het verschil tussen energielabel en daadwerkelijke energieprestatie te verkleinen. Als banken meer naar de operationele energiebesparingen kijken, kunnen duurzaamheidsdoelstellingen makkelijker worden gehaald, wordt de verstrekte financiering beter betaalbaar of kunnen meer duurzame maatregelen worden gerealiseerd voor hetzelfde geld.