ESCO Archieven - Utilities

Industriële bedrijven hebben moeite met het implementeren van maatregelen in hun utilities die de energie-efficiency van het productieproces verhogen. Energy service companies (Esco’s) kunnen hier een helpende hand bieden. Esco-experts Paul Stroomer (ENGIE Ventures & Integrated Solutions) en Giovanni Bartucci (Alperia Bartucci) vertellen over de kansen en over de uitdagingen.

Institutionele investeerders zijn altijd op zoek naar geschikte investeringsprojecten die financiering behoeven. Tegelijkertijd heeft de industrie volop mogelijkheden om op een financieel aantrekkelijke manier energie efficiency te vergroten. Het lukt deze partijen echter niet goed om elkaar te vinden. Esco’s hebben voeten in beide werelden en zijn daarom een aangewezen partij om de twee te verbinden, zo blijkt uit de recente studie ‘A model approach to finance industrial energy efficiency projects’, die werd uitgevoerd door onderzoeksbureau CO2-Net in opdracht van Topsector Energie, TKI Energie & Industrie en de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland in samenwerking met Deltalinqs, FME, NLII, Energie Nederland en de Universiteit van Utrecht. ‘Fabrikanten focussen op hun core business, en dat is het maken van hun product’, zegt Erica Dioguardi, die namens CO2-Net betrokken was bij de studie. ‘Esco’s ontdekken mogelijkheden die fabrikanten over het hoofd zien. Juist door hun expertise en core-business in energie efficiency.’

Die conclusie wordt gedeeld door Giovanni Bartucci. ‘Om de verbinding tussen die twee werelden te bewerkstelligen heb je kennis nodig op veel verschillende terreinen’, zegt hij. ‘Kennis van wetgeving en lokale regels, financiële en technische knowhow en je moet kunnen engineeren, en je moet ook sterk zijn in het maken van risicoanalyses. Dat maakt het behoorlijk complex.’

Giovanni Bartucci is Executive Vice president in de raad van bestuur van Alperia Bartucci, een Esco-bedrijf met het operationele hoofdkantoor in het Noord Italiaanse Soave, bij Verona. Het bedrijf is opgericht in 2005 en er werken nu ongeveer vijftig man. Alperia Bartucci sloot in de dertien jaar van zijn bestaan tientallen Esco-contracten af, waarvan twee bekroond werden met prijzen voor het beste energy efficiency project.

White certificates

In 2005 besloot de Italiaanse politiek om energie efficiency af te dwingen door een systeem op te tuigen waarin white certificates een belangrijke rol spelen. Energiedistributiebedrijven moeten elk jaar een hoeveelheid energie besparen, door zelf maatregelen te initiëren bij bedrijven. Als ze dat niet lukt, kunnen ze white certificates kopen op een speciale marktplaats, waarbij elk certificaat garant staat voor een energiedreductie van ongeveer één ton olie equivalent. Die markt wordt bevoorraad door bedrijven die energie efficiency maatregelen ontwikkelen. Als zij energie besparen, dan verkrijgen ze white certificates, die ze aan de energiedistributiebedrijven kunnen verkopen. De prijs van deze certificaten was jaren lang rond de 100 euro per stuk. In de laatste twee jaar is de prijs verhoogd door wijzigingen in regelgeving.

Ook Esco’s kunnen deze certificaten verdienen en dat maakt dat er een dubbele geldstroom is: van de bespaarde energie en de verkochte certificaten. De industrie is veranwoordelijk voor dertig procent van de totale energie efficiency investeringen. Van die dertig procent wordt weer dertig procent gerealiseerd via ESCO’s en utilities.

‘Dit systeem heeft de ontwikkeling van Esco’s in Italië in het begin een flinke boost gegeven’, zegt Bartucci. ‘Het hielp bij het bouwen van een solide business case.’ De laatste jaren, zegt hij, zijn er veranderingen doorgevoerd in het systeem van witte certificaten en is het complexer om ze te krijgen. ‘Sinds een jaar of drie gebruiken we witte certificaten niet meer om onze business case door te rekenen.’

Vertrouwen

Bartucci heeft het zwaartepunt van zijn activiteiten in Italië liggen, maar opereert inmiddels ook in andere landen als Zwitserland en Frankrijk. ‘Bedrijven met wie je een Esco-contract afsluit, worden partners. We zien ze niet meer als klant. Het is een lang proces van elkaar goed leren kennen, elkaar vertrouwen. En voor iedereen een handtekening onder een contract heeft gezet, ben je zo een jaar verder. Dat is logisch, het is allemaal delicaat. Je komt in het hart van het productieproces.’

Het identificeren van potentiële besparingen begint doorgaans met een energy audit, het doorlichten van alle energiestromen binnen het productieproces. Het voordeel voor een bedrijf als Bartucci is dat ze de processen voor energie audits en structureren van contracten redelijk goed kennen. Dat maakt het identificeren van mogelijkheden wat eenvoudiger. Bartucci: ‘Maar vergis je niet, het blijft altijd maatwerk. Je zal versteld staan van de verschillen die je tegenkomt tussen bedrijven die hetzelfde produceren.’

Het soort maatregelen dat Alperia Bartucci voorstelt is divers. Soms bestaat een investering vooral uit het aanbrengen van sensoren, het installeren van software en wat engineering. Andere keren investeert het bedrijf in grote machines. Giovanni Bartucci geeft wat voorbeelden. ‘Bij een staalbedrijf worden stalen staven verhit, zodat ze makkelijker platgewalst kunnen worden. Soms kwamen die net uit de vorige oven en waren ze dus nog erg heet. Andere keren waren de staven al behoorlijk afgekoeld. De oven hield hier echter geen rekening mee. Die behandelde elke staaf hetzelfde. Nu hebben we een real time multivariable controle technologie geïmplementeerd die de oven afstemt op elke staaf die langs komt. We hebben die technologie opgepikt uit de olie- en gassector.’

Deze economisch zeer aantrekkelijke maatregel levert een energiebesparing op van ‘vijf tot zeven procent in sommige van onze installaties, oftewel jaarlijks tien miljoen kuub gas’. Een voorbeeld waarbij de investering wel in machines zit: ‘De staalpannen, die vloeibaar staal door de fabrieken heen transporteren, moeten zelf eerst worden voorverwarmd. Als je dat niet doet, is het temperatuurverschil te groot en gaan ze kapot. De ovens die dat doen hebben wij vervangen door veel efficiëntere exemplaren.’

 Lastige rekensom

De contracten van Bartucci lopen vaak vijf jaar en in die tijd delen klant en ESCO de bespaarde energiekosten. Bartucci: ‘Het is een lastige rekensom. Je moet het risico dat je loopt goed inschatten. Om verschillende redenen vallen de besparingen bij projecten soms tegen. Maar het gaat om het risisco dat je loopt op het hele portfolio van je projecten. Dat moet in een goede verhouding staan tot de inkomsten. En dan zit je goed.’

Italië was in 2005 het eerste land dat een dergelijk systeem ontwikkelde met een flinke dosis verplichting er in. In Nederland is men nog niet zo ver dat energie efficiency verplicht gesteld is. Uiteraard zitten aan het ETS en aan deelname aan de MJA-afspraken wel verplichtende kenmerken, maar zoals in Italië is het hier nog niet. ‘Drie manieren zijn er. De preek, de stok en de wortel’, zegt Paul Stroomer van ENGIE Ventures & Integrated Solutions. ‘Preken doe ik tot ik een ons weeg. Dat het goed is voor de spin off en voor je public relations. Maar erg veel effect heeft het niet.’ De maatregelen zoals die in Italië zijn toegepast, daar ziet Stroomer wel wat in.

‘Naast de druk vanuit de overheid, de brancheorganisaties en de publieke opinie kan men de vorming van esco’s in de industrie economisch aantrekkelijk maken. Innovatieve financiering kan samen met een CO2-belasting en stijgende prijzen voor fossiele brandstoffen een enorme boost geven aan voorbereiding van energieprojecten. Optimaliseren van warmte- en koudestromen en de alternatieve opwekking ervan in de industrie, daar zijn we met ENGIE volop mee bezig. En de landelijke ambitie om afscheid te nemen van laagcalorisch aardgas helpt hierbij natuurlijk zeker.’

 Verfijnd productieproces

Het probleem is, zegt Stroomer, dat energiebesparingen voor een fabrikant vaak niet veel prioriteit hebben. ‘Een gemiddeld product in de industrie heeft een energiekostenpost van tussen de vijf en zeven procent. Voor energieintensieve industrie, die zeer sterk vertegenwoordigd is in Nederland, kan dat oplopen van twintig tot veertig procent. Veel bedrijven zijn al tientallen jaren bezig om hun productieproces te verfijnen. Je kan daar niet zomaar tussenkomen. Laten we zeggen dat je twintig procent van het verbruik kan beïnvloeden. En als je heel erg je best doet, dat je daar dan twintig procent van bespaart, dan verlaag je de energiekosten dus met vier procent. Dat is twaalf procent meer inkomsten bij een productiemarge van tien procent en een dertig procents aandeel energiekosten in variabele productiekosten..’

Dat gezegd hebbende, vindt Stroomer wel degelijk dat er het nodige is te doen. ‘Ik zie veel bedrijven die stoom gebruiken, voor processen die eigenlijk heet water nodig hebben. Ze hebben een stoomketel staan en voor tien procent van de processen hebben ze ook echt stoom nodig. En dan gebruiken ze voor de overige negentig procent voor het gemak ook maar stoom, terwijl dat eigenlijk niet nodig is.’

‘Als je daar heet water van bijvoorbeeld negentig graden voor gaat gebruiken, dan komen andere technieken om de hoek kijken, zoals warmtepompen. Dan moet je wel wat doen aan je verwarmd oppervlak. Dat kan best ingrijpend zijn hoor, met behoorlijke investeringen. Je kunt je voorstellen dat als je stoom van 160 graden gaat vervangen door heet water van negentig graden, dat je dan je leidingen moet vergroten, net als je warmtewisselaars. Het is een behoorlijke stap terug in energieinhoud. Je moet kijken of je daar fysieke ruimte voor hebt op de site én of je er het geld voor hebt.’

Andere drivers

Wat Stroomer heeft gemerkt, is dat zuivere Esco’s, die puur gebaseerd zijn op energiebesparing, lastig te maken zijn. Hij heeft wel een oplossing. ‘Je hebt andere drivers nodig naast energiebesparing. Vaak krijg je bijkomende voordelen op het gebied van bijvoorbeeld kwaliteit of veiligheid. Als je daar een concrete waarde aan weet te hangen, kan je dat meenemen in het model en levert het je net die extra opbrengsten op waardoor het een haalbare businesscase wordt.’ Daar staat tegenover dat zo’n contract wel weer wat complexer wordt, omdat er andere afdelingen bij betrokken zijn dan alleen energie-inkoop. ‘En ze moeten die waarde erkennen; wat is een stukje extra kwaliteit of veiligheid waard?’

‘Het product dat een bedrijf maakt en het bijbehorende primaire proces bepalen vooral de ruimte die er is voor verduurzaming en alternatieve bronnen. Grote investeringen hangen bijna altijd samen met een vervangingsmoment. Dan zie je dat de installatie al die jaren niet is meegegroeid met de behoefte van het primaire proces en kun je de kwaliteit ervan verbeteren. En over veiligheid zegt hij: ‘Stel dat er sprake is van een brandstofopslag van waaruit de opwekking plaats vindt, en dat je die kan wegnemen door het toepassen van warmteterugwinning of elektrificatie. Dan is het dus die oplossingdie een stuk explosiegevaar wegneemt.’

Het rapport A model approach to finance industrial energy efficiency projects is ingebracht aan de klimaattafel voor elektriciteit en zal ook worden besproken met de vertegenwoordigers van o.a. klimaattafel industrie.

Meer informatie over energiebesparen in de industrie, het genoemde rapport en een overzicht van energiedienstverleners ESCO’s is te vinden op de site van RVO.

Met hulp van Energy Service Companies kunnen bedrijven hun energiekosten fors terugdringen. Uit Europees onderzoek blijkt echter dat eigenaren en beheerders van gebouwen nog veel potentieel laten liggen. Dat komt door gebrek aan ervaring met prestatiecontracten (EPC) en fiscale onzekerheden.

Gebouweigenaren kunnen een Energieprestatiecontract (EPC) afsluiten met een Energy Service Company – ESCo, een gespecialiseerde leverancier van energiediensten. Herfinanciering van de investeringen is mogelijk door de besparing op de energiekosten (een contractperiode van gewoonlijk 7 tot 12 jaar).

De uitvoerende partij draagt bovendien de financiële en technische risico’s. Dit in het geval dat investeringen duurder uitvallen dan gepland of vernieuwing of herstel van installaties nodig is.

Voordelen en knelpunten

Uit het Europese marktonderzoek komen als belangrijkste redenen voor het afsluiten van een EPC naar voren: de garantie op de beoogde prestaties, inschakelen van technische expertise en risicobeheersing. Als belangrijkste knelpunten geven respondenten aan: EPCs zijn complex en tijdrovend, er is wantrouwen bij de opdrachtgevende partijen, beperkte expertise bij zowel opdrachtgevers als ESCo’s, en behoefte aan regie.

Het onderzoek is gedaan in het kader van het EU-project GuarantEE. De marktanalyse is gebaseerd op een enquête onder 256 deelnemers in 14 landen.