EU Archieven - Utilities

De klimaatministers en hun vertegenwoordigers van Frankrijk, Nederland, Zweden, Finland, Portugal, Duitsland en Luxemburg willen dat het Europese klimaatbeleid ‘Paris Proof’ wordt. Deze landen die bijeenkwamen in Parijs, vinden het noodzakelijk dat in alle landen, en in het bijzonder in de Europese Unie, een ambitieuze langetermijnstrategie voor het klimaat wordt opgesteld en uitgevoerd, in lijn met de doelstellingen met de Overeenkomst van Parijs.

Uit de alarmerende wetenschappelijke analyse van klimaatverandering blijkt dat meer actie door alle landen dringend nodig is om de doelen van de Overeenkomst van Parijs te halen. Het komende IPCC-rapport over temperatuurstijging tot 1,5 graad Celsius, zal dit onderschrijven. De groep landen vindt dat de Europese Unie haar leiderschap op het gebied van klimaat moet tonen door alle partijen te mobiliseren in de strijd tegen klimaatverandering.

De Europese Raad van regeringsleiders heeft op 22 maart de Europese Commissie opgeroepen om uiterlijk in het eerste kwartaal van 2019 een langetermijnstrategie te presenteren. De Europese Commissie, ook aanwezig in Parijs, heeft een voorstel voor een dergelijke strategie toegezegd.

De verantwoordelijke bestuurders en vertegenwoordigers van Frankrijk (Brune Poirson), Nederland (Marcel Beukeboom, klimaatgezant), Zweden (Eva Svedling) Finland (Kimmo Tiilikainen), Portugal (Jose Mendes), Duitsland (Karsten Sach) en Luxemburg (André Weitenhaupt) vragen de Commissie te overwegen om het ambitieniveau in de Europese Unie te verhogen, met tussenliggende doelen. Het einddoel is een klimaatneutrale samenleving, in lijn met de Overeenkomst van Parijs. De landen committeren zich aan een aanpak hiervoor in hun eigen land, in alle sectoren.

Beukeboom: ‘Nederland wil vooroplopen bij de aanpak van het klimaatprobleem en zoekt daarbij nauwe samenwerking met andere lidstaten, op zoek naar mogelijkheden voor meer ambitieuze aanpak in Europa. Nederland heeft een nationaal klimaatdoel van 49 procent CO2-reductie in 2030 en zoekt kansen om het EU-doel te verhogen tot 55 procent.’

De emissies in sectoren zoals vervoer, landbouw, gebouwen en afvalbeheer moeten tegen 2030 verminderen met dertig procent ten opzichte van 2005. Deze sectoren zijn goed voor de grootste uitstoot van broeikasgassen in de EU, ongeveer zestig procent van de totale uitstoot in de EU in 2014.

Om klimaatverandering te voorkomen, hebben de regeringsleiders in oktober 2014 het klimaat- en energiekader 2030 aangenomen dat een bindende doelstelling bevat om de uitstoot op EU-grondgebied tegen 2030 met minimaal veertig procent onder het niveau van 1990 te brengen. De EU neemt verschillende maatregelen om dit te bereiken. De verordening voor de verdeling van de inspanningen is hier een van.

Dertig procent reductie

De CO2-uitstoot in sectoren zoals vervoer, landbouw, gebouwen en afvalbeheer moet tegen 2030 verminderen met dertig procent ten opzichte van 2005. Deze sectoren zijn goed voor de grootste uitstoot van broeikasgassen in de EU, ongeveer zestig procent van de totale uitstoot in de EU in 2014.

Om te garanderen dat alle landen deelnemen aan de inspanningen van de EU om de uitstoot van genoemde sectoren te verlagen, zijn er jaarlijkse bindende doelstellingen voor de verlaging van de broeikasgasuitstoot voor de lidstaten vastgelegd voor de periode 2013-2020.

In april 2018 hebben de leden van het Europees Parlement de nieuwe verordening aangenomen, die de opvolger is van de beschikking over de verdeling van de inspanningen. Het legt de minimale bijdragen van de lidstaten aan de vermindering van de uitstoot vast voor de periode van 2021 tot 2030, evenals de regels voor het bepalen van de jaarlijkse emissietoewijzingen en de regels voor evaluatie van de voortgang.

Doelen

De uiteenlopende capaciteiten van de lidstaten om actie te ondernemen, worden onderkend door doelstellingen te differentiëren volgens het bbp per hoofd van de bevolking. De hieruit voortvloeiende 2030-doelstellingen variëren van nul tot veertig procent in vergelijking met het niveau van 2005 en zijn in overeenstemming met de algemene EU-reductiedoelstelling van dertig procent. Nederland bekleedt met zijn ambities om 36 procent CO2 te besparen een achtste positie.

Er wordt een plan voor het verminderen van de uitstoot vastgesteld voor lidstaten om ervoor te zorgen dat ze de uitstoot in een constant tempo verlagen in de periode van 2021 tot 2030.

Een veiligheidsreserve met een totaal van 105 miljoen ton CO2-equivalent wordt gecreëerd en zal beschikbaar zijn in 2032. Het is bedoeld om minder rijke lidstaten te helpen die mogelijk moeite hebben om hun 2030-doelstellingen te halen. De reserve is alleen toegankelijk als de EU haar streefcijfer van 2030 bereikt.

Er wordt ook enige flexibiliteit toegestaan. De lidstaten kunnen bijvoorbeeld jaarlijks uitstootrechten in reserve houden, lenen of aan een andere lidstaat overdragen.