financiering Archieven - Utilities

Hoewel de industrie wordt gezien als een belangrijke pion in de verduurzaming van de energievoorziening, blijven investeringen vooralsnog beperkt. Elektrificering van warmteprocessen is nog duur en de financiële sector kan risico’s maar moeilijk beoordelen. Ketenintegratie en nieuwe financieringsvormen bieden volgens Hans van der Spek van FME een oplossing.

In het energiesysteem van de toekomst moet rekening worden gehouden met de inpassing van intermitterende bronnen. Waar gas-, kolen- en kerncentrales continu stroom kunnen leveren, zijn wind- en zonne-energiesystemen afhankelijk van de weersomstandigheden. Een deel van die flexibiliteit kan worden geleverd door demand side management, ofwel het beperken of juist stimuleren van de elektriciteitsvraag. Een deel van de overcapaciteit kan ook naar het buitenland worden getransporteerd, net als tekorten kunnen worden geïmporteerd. Tot slot is er een aantal productiesystemen dat flexibel kan produceren. Met name gascentrales kunnen op- of afregelen waar nodig. Toch blijft er in dit systeem ook behoefte over aan opslag. En dat is bij elektriciteit nog steeds een uitdaging. Een uitdaging die FME graag oppakt omdat energieopslag nu eenmaal veel kansen biedt voor een innovatief deel van haar leden. In de Verenigde Staten, Australië, China en Duitsland is energieopslag al een zeer snel groeiende industrie en Nederland wil daar graag op aanhaken. De branchevereniging bespeurt echter nog een aantal verstoringen in de huidige wet- en regelgeving. Om die belemmeringen kenbaar te maken en tegelijkertijd de kansen te laten zien voor de Nederlandse technische sector op het gebied van energieopslag, publiceerde FME onlangs het Nationaal Actieplan Energieopslag. Hans van der Spek, programmadirecteur Cleantech van FME, licht de plannen toe.

Betonblokken

‘In de gebouwde omgeving kan de transitie naar duurzame energie heel snel gaan’, zegt Van der Spek. ‘Nieuwbouwhuizen kunnen nu al energieneutraal worden gebouwd met isolatie, zonnecellen op het dak en een warmtepomp komt men al heel ver. Als daar nog een beetje opslag bijkomt, of dat nu thermisch of elektrisch is, is zo’n huis zelfs zelfvoorzienend te maken.

Voor de industrie gelden echter heel andere volumes en temperaturen. Ook de industrie is geinteresseerd in energieopslag en flexibiliseringsopties, maar dan wel in de ordergrootte van megajoules of megawatts. Neem hogetemperatuur warmteopslag. Dan heb je het niet over warm water in de grond opslaan, maar het verhitten van betonnen blokken. Het Noorse bedrijf Energynest heeft daarvoor een techniek ontwikkeld dat de naam Heatcrete draagt. De techniek wordt tot nog toe voornamelijk toegepast bij zonnecentrales om zonnehitte op te slaan voor de nacht. De industrie kan zijn overtollige warmte opslaan om het vervolgens te gebruiken om momenten dat de energieprijzen zo hoog zijn dat het interessant wordt om het gebruik terug te draaien.’

Industrialisering

Ook elektrificering van de warmtevraag is een thema die in de industrie postvat. Van der Spek: ‘In het ISPT-project Cruise wordt studie gedaan naar de inzet van warmtepompen voor hogetemperatuur warmte. De businesscases vallen echter nog tegen omdat de investering te hoog is.’ Met name dat laatste punt wil Van der Spek graag aanpakken. ‘De prijsopbouw van die warmtepompen heeft deels te maken met de ketenorganisatie in de procesindustrie. Een eindgebruiker, laten we zeggen een papierproducent, bestelt een fabriek bij een engineering, procurement and construction (EPC) contractor, die op zijn beurt technologie inkoopt bij apparatenbouwers. Deze topdown-benadering zorgt er echter voor dat innovatie die in de keten zit, verloren gaat. Een EPC-contractror is namelijk niet altijd op de hoogte van de mogelijkheden die de keten biedt. Als men al warmtepompen inzet in het nieuwe proces, dan wordt dit al gauw maatwerk, wat ze extra duur maakt. De oplossing ligt in het industrialiseren van technische oplossingen. Dat wil zeggen dat de toeleveringsketen geïntegreerd gaat samenwerken en standaard oplossingen van de plank kan leveren waardoor de kostprijs omlaag kan. De high techindustrie is een goed voorbeeld van ketenintegratie. Neem waferstepperbouwer ASML, dat een scala van leveranciers betrekt in de ontwikkeling van zijn apparaten. Het bedrijf gebruikt de specifieke kennis van zijn leveranciers om zeer geavanceerde apparaten aan zijn klanten te kunnen leveren. De eindproducten zijn vaak klantspecifiek, maar ze zijn wel opgebouwd uit standaardproducten. Een compressor is een compressor en ook instrumentatie is eenvoudig samen te stellen uit standaardproducten. Natuurlijk zegt iedere klant dat zijn proces uniek is, maar als je tachtig procent van een warmtepomp kunt opbouwen uit standaard onderdelen, dan hoef je maar twintig procent klantspecifiek te ontwerpen. Daarmee worden onnodige engineeringskosten voorkomen en pakt de businesscase voor warmtepompen heel anders uit.’

Financiering

Een tweede belemmering die Van der Spek ziet, is de financiering van duurzame energieprojecten. ‘Bij de overleggen die werden gevoerd rondom het SER Energieakkoord ontbrak in mijn ogen één belangrijke partij: de financiële sector. Want als een ding duidelijk is, dan is het dat we voor een enorme investeringsgolf staan. De transitie naar een duurzame energievoorziening kost veel geld, terwijl de risico’s ook groter worden. Nu is de procesindustrie van oudsher zeer voorzichtig in zijn investeringsoverwegingen en tot voor kort werden investeringen met terugverdientijden die langer dan twee jaar waren, nauwelijks uitgevoerd. Inmiddels is daar wel een kentering in gekomen. Ook de procesindustrie is tot inzicht gekomen dat investeringen in fossiele assets op den duur niet meer houdbaar zijn. Duurzame investeringen kennen vaak een hogere kapitaalsinvestering (Capex, red.), maar vaak ook lagere operationele kosten (Opex, red.). Ofwel de extra investeringen aan de voorkant, worden terugverdiend door de lagere operationele kosten. Maar dat betekent wel dat investeringen naar voren moeten worden gehaald en niet ieder bedrijf heeft de daarvoor benodigde financiële armslag. Banken of andere kredietinstellingen zouden hier een belangrijke rol kunnen spelen.

We hebben onderzoek gedaan naar de investeringsbereidheid van de industrie in besparingsprojecten. Daaruit bleek van de besparingsprojecten met een terugverdientijd van 2,5 jaar of minder, zo’n negentig procent daadwerkelijk werd uitgevoerd. Die tien procent die blijft liggen, is niet zo heel interessant. We richten onze aandacht met name op grotere projecten met een langere terugverdientijd, tussen de 2,5 en vijf jaar. Hier zit nog een enorm besparingspotentieel dat nu blijft liggen omdat de industrie geen investeringsruimte heeft en banken de industriële processen te complex vinden om de risico’s goed te kunnen inschatten. We kunnen kijken naar nieuwe financieringsvormen zoals een achtergestelde lening of een constructie die vergelijkbaar is met het leenvehicel voor het MKB: Qredits. Hier kunnen bedrijven tegen een hoge rente geld lenen voor risicovolle investeringen. Uiteindelijk is wel wat maatwerk nodig; het verschilt namelijk nogal of je een lening van veertigduizend of veertig miljoen euro wilt afsluiten. Overigens kijken we naar meerdere oplossingen voor de impasse waar duurzame investeringen nu voor staan. De financiering is maar een aspect, we kijken ook naar mogelijkheden om de clearing, ofwel de risicobeoordeling, te vereenvoudigen. Je zou kunnen denken aan een technisch instituut die het due diligence-onderzoek voor zijn rekening kan nemen. Maar we zijn ook samen met EnergieNederland bezig met de ontwikkeling van een label voor industriële apparatuur. Op die manier kan je de besparingsclaims van de fabrikanten verifiëren en vastleggen. Daarmee voorkom je het risico dat een investering in de praktijk minder rendeert dan was beloofd.’

Doorpakken

Of de geplande maatregelen leiden tot een investeringsgolf? Van der Spek denkt dat de politieke druk steeds groter wordt. ‘Bedrijven die meedoen met het MJA2-convenant zijn verplicht jaarlijks twee procent energie te besparen. Tot nog toe haalt men maar maximaal 1,4 procent (RvO cijfers over 2015, red.). Daar komt nog eens een extra negen Petajoule bij voor de deelnemers aan het MEE-convenant. Als die besparingen verplicht worden gesteld, moet men heel snel meters maken . Ook de ondertekening van het klimaatakkoord in Parijs heeft consequenties voor de Nederlandse procesindustrie. We hebben ons gecommitteerd aan serieuze emissiereducties. De overheid heeft de industrie hard nodig om die te halen. De langetermijnvisies van de meeste bedrijven, zelfs die van bedrijven met sterke fossiele wortels, laten allemaal zien dat we op weg zijn naar CO2-emissieloze productie. Die bedrijven vragen zelf om een sterke overheid die heldere eisen stelt op het gebied van CO2-emissies.’

Van der Spek is redelijk optimistisch over de kansen die de industrie krijgt aangereikt vanuit de toeleveranciers. ‘Verduurzaming van industrie is geen trend die overwaait, daar is iedereen wel van overtuigd. Iedereen moet daarin zijn verantwoordelijkheid nemen: de overheid, de financiële sector, maar vooral de procesindustrie. Bedrijven willen ook wel investeren in verduurzaming, maar worden vaak geremd door de aandeelhouders. Als energiebesparing verplicht wordt, is het eenvoudiger aan het moederbedrijf of de aandeelhouders uit te leggen dat bepaalde investeringen nodig zijn. Het feit dat een aantal bedrijven zelf om een klimaatwet vraagt, zou de overheid voldoende vertrouwen moeten geven om echt door te pakken.’

 

Maar liefst éen Petajoule aan plannen voor energiebesparing en verduurzaming leverde Gert-jan de Geus van OCI Nitrogen in bij het ministerie van Economische Zaken. Gek genoeg werden ze allemaal afgekeurd. ‘We hoopten dat de overheid ons kon helpen bij de financiering van deze voor ons onrendabele projecten. Helaas dachten zij daar anders over.’ De Geus legt de achilleshiel bloot van de verduurzamingsplannen van veel bedrijven: de financiering. 

Gert-Jan de Geus, CEO van OCI Nitrogen, is er van overtuigd dat de industrie een significante bijdrage kan leveren aan terugdringing van de CO2-uistoot. ‘Maar tegelijkertijd is het terugdringen van kooldioxide niet de primaire doelstelling van een industrieel bedrijf’, voegt hij daar aan toe. ‘OCI is een commercieel bedrijf met aandeelhouders die zoveel mogelijk waarde uit hun investering willen krijgen. We nemen beslissingen dan ook op bedrijfseconomische grond. Investeringen die de energieconsumptie verlagen, beoordelen we dan ook als eerste op de netto toegevoegde waarde. Dat daar een CO2-component aan vast zit, is een pluspunt omdat ook de CO2-prijs onze marges drukt.’

Carbon leakage

OCI Nitrogen is een grote speler in de wereld van kunstmest voor de landbouw en melamine, een grondstof voor coatings en harsen. De voormalige DSM-fabrieken staan er inmiddels een aantal jaren, maar zijn in de tussentijd constant uitgebreid, verbeterd en gestroomlijnd. De Geus: ‘We hebben misschien niet de meest nieuwe kunstmestfabriek van Europa, maar we spelen zeker in de top twintig procent mee wat betreft energie-efficiency. Die efficiency is cruciaal omdat we aardgas zowel als grondstof als brandstof gebruiken waardoor de energieprijs in combinatie met de CO2-prijs direct in onze prijsmarge reflecteert. We hebben de afgelopen jaren dan ook behoorlijk geïnvesteerd in het verbeteren van die efficiëntie en het echte laaghangende fruit is dan ook wel geplukt.’ Ook deed het bedrijf de nodige investeringen om een antwoord te hebben op de volatiele en kwetsbare kunstmestprijzen. ‘We hebben geïnvesteerd in een terminal in Rotterdam en een nieuwe haven in Limburg om schommelingen op de markt op te vangen.’

Uiteraard beseft De Geus zich heel goed dat OCI Nitrogen ook een maatschappelijke verantwoordelijkheid heeft. ‘We onderschrijven de doelstellingen van het klimaatakkoord in Parijs en ik geloof er heilig in dat als de CO2-prijs stijgt, bedrijven meer hun best zullen doen om uitstoot te voorkomen. Ik ben alleen bang dat als de prijs te hoog wordt, dat tot gevolg heeft dat onze klanten hun aandacht verschuiven naar landen met minder strikte regels. Onze producten zijn wereldwijd verkrijgbaar en onze business is dan ook zeer gevoelig. Wat dat aangaat is de kunstmestsector beter te vergelijken met de staalindustrie, waar klanten steeds op zoek zijn naar de laagste prijzen, dan met de chemische sector. Wij zijn gedwongen door de hoge energie- en loonprijzen om zeer energie-efficiënt te produceren. In landen waar de prijzen significant lager liggen, is de CO2-uitstoot navenant hoger. Het gevaar van carbon leakage ligt dan ook om de hoek en dat werkt uiteindelijk averechts voor de wensen van de Europese Unie om de uitstoot van CO2 terug te dringen.’

Complexe processen

Dat het bedrijf het milieu serieus neemt, blijkt bijvoorbeeld uit de investering die het deed om de uitstoot van lachgas, een groter broeikasgas dan kooldioxide, terug te dringen. Ook het COOL-project, waarbij kunstmestkorrels indirect met water worden gekoeld leverde naast het terugdringen van stofemissies ook een 75 procent reductie op van het energieverbruik in de koelsectie. ‘Men vergeet echter nog wel eens dat wij heel complexe processen hebben en dat een investering soms lang nodig heeft om terug te verdienen’, zegt De Geus. ‘We doen significante vervangingsinvesteringen, maar die presteren pas optimaal als de laatste bottleneck eruit is gehaald. Zo levert een nieuw type warmtewisselaar de eerste tien a twaalf jaar geen directe efficiencywinst op. Het is dan soms best lastig om aan de aandeelhouder uit te leggen dat we die tijdspanne nodig hebben om de rendementen in de toekomst veilig te stellen.’

Bureau van onrendabele projecten

De Geus is dan ook blij dat de overheid prioriteit stelt aan energiebesparing binnen de industrie. ‘We werken graag mee aan de uitvoering van convenanten, mits deze niet onze positie op de internationale markt bedreigen. De een-op-een afspraken die het ministerie van Economische Zaken met de industrie maakte, waren voor ons dan ook een kans om de onrendabele projecten aan te pakken.’ Die laatste opmerking wil de Geus nog even verduidelijken: ‘Zoals ik al eerder zei, verwachten onze aandeelhouders een bepaald rendement. Ze kunnen hun geld maar één keer uitgeven en niets is dan logischer om dat te investeren in zaken die het hoogste rendement opleveren. Nu zijn er projecten die op den duur een behoorlijk besparingspotentieel hebben, maar die terugverdientijden van soms langer dan vijf jaar hebben. Zo’n tijdsspanne is te lang voor een private investeerder. Desondanks is de CO2-besparing interessant voor de overheid die zich gecommitteerd heeft aan EU-doelstellingen. En de energiegrootverbruikers die emissiehandelsplichtig zijn, hebben weer een convenant afgesproken om de overheid te steunen in zijn doelstellingen. In het Energieakkoord is zelfs afgesproken dat de partijen gezamenlijk op zoek gingen naar negen Petajoule energiebesparing.

We hebben dan ook een overzicht gemaakt van het besparingspotentieel in de fabriek en noemden dit gekscherend: het bureau van onrendabele projecten. Uiteindelijk konden we voor één Peta joule aan dit soort projecten indienen bij het ministerie van Economische Zaken, maar tot mijn verbazing werden deze allemaal afgewezen. Een deel werd afgewezen omdat die projecten zich concentreerden op verduurzaming van de energiemix en geen directe energiebesparing was. Wat ik op zich vreemd vind, omdat het doel uiteindelijk CO2-besparing is. Bij de andere besparingsprojecten werd het potentieel wel gezien, maar bleek er geen investeringsbereidheid van de overheid. En daar zit nu juist de crux. We kunnen ons geld maar één keer uitgeven en als we geld lenen voor dit soort projecten, drukt dat op onze balans. Daar komt bij dat investeringen met een dergelijke tijdspanne redelijk risicovol zijn en die risico’s kan een overheidspartij gemakkelijker dragen dan private investeerders. Laat een ding duidelijk zijn: we willen geen subsidie voor deze projecten, we zoeken naar financiering. Daarvoor ben ik bereid een behoorlijk rendement te bieden van, laten we zeggen, vier of vijf procent. Maar dan wel in de vorm van een onderhandse lening, zodat deze niet op onze kredietwaardigheid drukt.’

Met dit laatste punt, legt De Geus een grote zwakte bloot van de Meerjarenafspraken van de overheid: de financiering. Er gaan dan ook steeds meer geluiden op voor de oprichting van een investeringsfonds voor verduurzaming. De Geus: ‘Veel landen om ons heen hebben al een revolverend fonds waarin de overheid garant staat voor de rendementen op leningen. Het is niet dat het bedrijfsleven niet wil investeren, maar de financierders staan niet in de rij voor dit soort projecten.’

Financieringsstructuren

Inmiddels lijkt het erop dat de Provincie Limburg OCI Nitrogen een helpende hand toe wil steken en in een dergelijk fonds wil investeren. ‘Gelukkig zijn er een aantal provincies die geld hebben ontvangen uit de verkoop van hun nutsbedrijven. Wat is er dan mooier om dat geld in te zetten voor verduurzaming. Overigens wil ik benadrukken dat wij het ondernemersrisico blijven lopen. Ik stap in een project en als het niet blijkt te werken, betaal ik de kosten. Dat moet ook wel omdat we daardoor er aan blijven werken om er een succes van te maken. Natuurlijk is ons uitgangspunt dat we er uiteindelijk ook geld aan gaan verdienen, anders zouden we geen bestaansrecht hebben als onderneming.’

De Geus wil graag ervaring opdoen met nieuwe financieringsstructuren. ‘Ik kan me ook voorstellen dat derde partijen willen investeren in energiebesparingsprojecten. Wij nemen onze utilities af van USG en waarom zou die niet willen investeren in energiebesparing? De eerste stap zou kunnen zijn dat we een pomp gaan vervangen voor een zuiniger exemplaar. Al was het maar om te kijken hoe zo’n financiering in de praktijk gaat: hoe boek je hem, hoe schrijf je hem af en wie is verantwoordelijk voor de prestaties? Allemaal zaken die nieuw voor ons zijn en waar we graag ervaring mee op willen doen.’

De enige angst die De Geus nog heeft, is dat de overheid drastischer maatregelen gaat nemen en de negen Peta joule besparing gaat afdwingen. ‘Dat zou uiteindelijk averechts werken. We hebben ons gecommitteerd aan inspanningsverplichtingen om onze CO2-uitstoot zoveel mogelijk terug te dringen. Zodra het een verplichting wordt, verandert dat niets aan de financieringsproblemen die met dit soort projecten gepaard gaat. Dan hebben bedrijven alleen maar meer argumenten om Nederland te verlaten.’