FME Archieven - Utilities

Netbeheerders moeten vaker een beroep doen op verbruikers om tijdelijk het elektriciteitsverbruik aan te passen als er sprake is van ‘netcongestie’, in ruil voor financiële vergoeding. En als we daarnaast meer energie opslaan om de pieken bij zonne- en windparken op te vangen, is de filevorming op het elektriciteitsnetwerk zo opgelost. Dat zegt FME-voorzitter Ineke Dezentjé.

‘Verduurzaming van onze industrie is alleen mogelijk als er voldoende duurzame elektriciteit beschikbaar is’, zegt FME-voorzitter Ineke Dezentjé. ‘Verstopping van het elektriciteitsnetwerk staat de energietransitie flink in de weg.’

Filevorming

In een steeds groter deel van Nederland kunnen nieuwe zonne- en windparken geen aansluiting meer krijgen. Er is geen capaciteit om op piekmomenten alle opgewekte stroom te kunnen transporteren. Deze filevorming op het elektriciteitsnet dreigt een flink aantal duurzame energieprojecten onmogelijk te maken. Dezentjé: ‘Op deze manier wordt het elektriciteitsnet de flessenhals van de energietransitie.’

Capaciteit

Netbeheerders hebben genoeg mogelijkheden om congestie te verminderen, maar passen deze nog weinig toe. Zo kunnen netbeheerders een beroep doen op producenten en verbruikers om, in ruil voor een financiële vergoeding, hun productie en verbruik tijdelijk aan te passen als blijkt dat de stroom niet kan worden getransporteerd.

Opslag

Energieopslag, in de vorm van batterijen, waterstof of warmte, moet meer ingezet worden om de pieken bij zonne- en windparken op te vangen en deze op te slaan. Op die manier hebben deze parken minder aansluitcapaciteit nodig. Als bestaande parken opslag toepassen, en daarmee de aansluitcapaciteit verkleinen, kunnen er op hetzelfde netwerk meer parken worden aangesloten.

Er hangt letterlijk en figuurlijk een donkere wolk in de lucht. Nederland moet in tien jaar tijd de CO2-uitstoot bijna halveren. Dat betekent dat de industrie staat voor de (onmogelijke?) opgave om 14,3 miljoen ton extra CO2-uitstoot te reduceren in 2030. Is dit haalbaar? Hans van der Spek van FME is optimistisch. ‘Mits wij alle ruimte geven aan procesefficiëntie.’

De klokt tikt door. Eind 2015 is het Klimaatakkoord ondertekend en toen leek 2030 nog redelijk ver weg. Over een paar weken is het 2020 en dan is het tijdspad naar 2030 slechts een decennium. Is die gestelde CO2-reductie wel een haalbare kaart? Als we kijken naar de snelheid – of liever gezegd traagheid – waarmee de mogelijkheden en benodigdheden om in te kunnen zetten op elektrificatie, waterstof en CO2-afvang en -opslag zich ontwikkelen, dan moeten we concluderen dat de daadwerkelijke uitstootreductie pas na 2025 op gang komt. Dan gaan we de doelstelling niet halen.

6 miljoen ton in 2025

Hans van der Spek, programmadirecteur CleanTech bij FME, erkent dit. ‘De grote transities die op stapel staan, daar geloof ik in. We moeten ook niet stoppen met het aanleggen van nieuwe infrastructuur, het aanpassen van de wet- en regelgeving en het uitdenken van nieuwe businessmodellen. Dit zijn echter langdurige en ook kostbare trajecten.’ En toch is Van der Spek optimistisch. Sterker nog: FME en VEMW hebben een nieuwe stip op een horizon gezet, die nota bene dichterbij is. ‘Met ‘Project 6-25’ hebben we de ambitie neergelegd om voor 2025 minimaal 6 miljoen ton CO2 te besparen door versnelde uitrol van innovatieve technologie met bewezen impact.’ Voor dit project werd de samenwerking gezocht met bedrijven die werken aan nieuwe, innovatieve technologie die nog niet grootschalig wordt toegepast en die significante impact heeft of gaat hebben op reductie of flexibilisering van energieverbruik en/of broeikasgasuitstoot. Deze baanbrekende technologieën om processen in de industrie efficiënter te maken, worden nu al succesvol geïmplementeerd. Project 6-25 zoekt verbinding binnen de keten zodat samen, stap voor stap, snelle en concrete resultaten worden behaald.

Innovaties

Het optimisme van Van der Spek wordt aangewakkerd door de resultaten die een aantal van deze partijen hebben aangetoond. Zonder anderen tekort te willen doen, wil Van der Spek twee voorbeelden uitlichten. ‘Het bedrijf EnerGQ benadert het industriële proces als een menselijk lichaam waarbij je de energiestromen kunt vergelijken met de bloedsomloop . Beide geven signalen af, als er ergens iets aan de hand is. Als je gericht gaat meten, ontdek je waar de pijnpunten zitten. Op basis van data, worden patronen geïdentificeerd en wordt onderzocht welke aanpassingen leiden tot verbeteringen. Het menselijk lichaam heeft wellicht fysiotherapeutische handelingen nodig en in een fabriek kun je processen bijsturen.’ De KLM gebruikt deze techniek in hun Boeing vliegtuigen, weet Van der Spek. ‘Uit de data bleek bijvoorbeeld dat de ene piloot zuiniger vloog dan de ander. EnerGQ zette deze bevindingen om in concrete vlieginstructies en inderdaad, er werd minder brandstof verbruikt.’ EnerGQ richt zich in de eerste plaats op energiebesparende maatregelen, maar de data kan natuurlijk ook worden benut om kosten te verlagen, de veiligheid te verbeteren of storingen te voorkomen.

Het tweede voorbeeld is Qpinch. ‘Dit bedrijf heeft een technologie ontwikkeld waarmee zij langs de chemische weg, dus niet met mechanische warmtepomp technologie, laagwaardige restwarmte kunnen omzetten in hoogwaardige proceswarmte.’ Waar restwarmte nu massaal wordt weggekoeld, onbenut wordt gelaten, kan het nu met duurzame elektriciteit worden opgewaardeerd tot bruikbare proceswarmte. ‘In de regio Rotterdam gaat jaarlijks voor 6 miljoen euro aan restwarmte verloren. Met hergebruik kunnen we zoveel winnen en enorm veel besparen.’

Financiering

Dit klinkt bijna te mooi om waar te zijn. Je zou haast verwachten dat bedrijven in de rij staan om hierin te investeren, maar volgens Van der Spek zijn bedrijven voorzichtig. Hij begrijpt dit ook. ‘Je kunt je geld maar een keer uitgeven en investeren in innovaties is spannend.’ Om dergelijke hobbels en bobbels weg te kunnen nemen, is gekozen voor deze zorgvuldige, projectmatige aanpak. ‘Het vooronderzoek, waarin werd nagegaan in hoeverre de industrie behoefte heeft aan deze aanvliegroute, is afgerond. Dit traject vindt weerklank, dus we zijn nu dit programma verder aan het ontwikkelen. Het is meer dan het samenbrengen van partijen.’ Een van de stappen die moeten worden gezet is het valideren van de technologieën. Hiervoor wordt een onafhankelijk bureau ingeschakeld. ‘Zij gaan na in hoeverre de impact van de gepresenteerde technologie geen luchtfietserij is. Heeft datgene dat wordt geclaimd, reëel potentieel? Kunnen ze het waarmaken?’ Dit is uiteraard ook weer een belangrijk aspect voor het rondkrijgen van de financiering. ‘We zijn enorm blij met de Rabobank als partner. Ook zij geloven in deze manier om CO2-reductie versneld voor elkaar te krijgen.’ Een andere hobbel voor bedrijven om te investeren in innovaties, is de druk op het Capex budget. ‘Ook deze hindernis kan overwonnen worden. Allereerst: de technologieën uit het 6-25 portfolio hebben vrijwel altijd een terugverdientijd van minder dan vijf jaar. Verder is het mogelijk de besparing als een service in te kopen. Dit drukt dan op het Opex en niet op het Capex budget.’ Uitdaging voor het project is dus om te bewerkstelligen dat in samenwerking met private en/of publieke partijen nieuwe financieringsconstructies of tijdelijk additioneel Capex-budget beschikbaar wordt gesteld.

Die donkere wolk hangt er nu eenmaal. De verplichting om het komende decennium 14,3 miljoen ton CO2-uitstoot extra te besparen ligt er. ‘Het moment dat het pijpenstelen gaat regenen met verplichtingen en ‘gij moet’ en ‘gij zult’ zit er aan te komen. Dan kun je beter nu zelf de regie pakken en stappen gaan zetten met behulp van bewezen technieken. Het project-platform wordt een learning community waarbinnen we leren van ervaringen en succesverhalen. Met uiteindelijk niet een doel, groener worden, maar ook slimmer en energie-efficiënter. Wie zegt daar nu ‘nee’ tegen?’

European Industry & Energy Summit

Tijdens de European Industry & Energy Summit op 10 en 11 december in de Kromhouthal in Amsterdam, organiseert FME op woensdag 11 december een side event over Project 6-25. Met de presentatie ‘supporting industry to become greener, smarter and energy-efficient’ wordt een ontdekkingsreis gemaakt langs de keten van nieuwe technologie, projectaanpak en financieringsvormen voor industriële verduurzaming.

Hoewel de industrie wordt gezien als een belangrijke pion in de verduurzaming van de energievoorziening, blijven investeringen vooralsnog beperkt. Elektrificering van warmteprocessen is nog duur en de financiële sector kan risico’s maar moeilijk beoordelen. Ketenintegratie en nieuwe financieringsvormen bieden volgens Hans van der Spek van FME een oplossing.

In het energiesysteem van de toekomst moet rekening worden gehouden met de inpassing van intermitterende bronnen. Waar gas-, kolen- en kerncentrales continu stroom kunnen leveren, zijn wind- en zonne-energiesystemen afhankelijk van de weersomstandigheden. Een deel van die flexibiliteit kan worden geleverd door demand side management, ofwel het beperken of juist stimuleren van de elektriciteitsvraag. Een deel van de overcapaciteit kan ook naar het buitenland worden getransporteerd, net als tekorten kunnen worden geïmporteerd. Tot slot is er een aantal productiesystemen dat flexibel kan produceren. Met name gascentrales kunnen op- of afregelen waar nodig. Toch blijft er in dit systeem ook behoefte over aan opslag. En dat is bij elektriciteit nog steeds een uitdaging. Een uitdaging die FME graag oppakt omdat energieopslag nu eenmaal veel kansen biedt voor een innovatief deel van haar leden. In de Verenigde Staten, Australië, China en Duitsland is energieopslag al een zeer snel groeiende industrie en Nederland wil daar graag op aanhaken. De branchevereniging bespeurt echter nog een aantal verstoringen in de huidige wet- en regelgeving. Om die belemmeringen kenbaar te maken en tegelijkertijd de kansen te laten zien voor de Nederlandse technische sector op het gebied van energieopslag, publiceerde FME onlangs het Nationaal Actieplan Energieopslag. Hans van der Spek, programmadirecteur Cleantech van FME, licht de plannen toe.

Betonblokken

‘In de gebouwde omgeving kan de transitie naar duurzame energie heel snel gaan’, zegt Van der Spek. ‘Nieuwbouwhuizen kunnen nu al energieneutraal worden gebouwd met isolatie, zonnecellen op het dak en een warmtepomp komt men al heel ver. Als daar nog een beetje opslag bijkomt, of dat nu thermisch of elektrisch is, is zo’n huis zelfs zelfvoorzienend te maken.

Voor de industrie gelden echter heel andere volumes en temperaturen. Ook de industrie is geinteresseerd in energieopslag en flexibiliseringsopties, maar dan wel in de ordergrootte van megajoules of megawatts. Neem hogetemperatuur warmteopslag. Dan heb je het niet over warm water in de grond opslaan, maar het verhitten van betonnen blokken. Het Noorse bedrijf Energynest heeft daarvoor een techniek ontwikkeld dat de naam Heatcrete draagt. De techniek wordt tot nog toe voornamelijk toegepast bij zonnecentrales om zonnehitte op te slaan voor de nacht. De industrie kan zijn overtollige warmte opslaan om het vervolgens te gebruiken om momenten dat de energieprijzen zo hoog zijn dat het interessant wordt om het gebruik terug te draaien.’

Industrialisering

Ook elektrificering van de warmtevraag is een thema die in de industrie postvat. Van der Spek: ‘In het ISPT-project Cruise wordt studie gedaan naar de inzet van warmtepompen voor hogetemperatuur warmte. De businesscases vallen echter nog tegen omdat de investering te hoog is.’ Met name dat laatste punt wil Van der Spek graag aanpakken. ‘De prijsopbouw van die warmtepompen heeft deels te maken met de ketenorganisatie in de procesindustrie. Een eindgebruiker, laten we zeggen een papierproducent, bestelt een fabriek bij een engineering, procurement and construction (EPC) contractor, die op zijn beurt technologie inkoopt bij apparatenbouwers. Deze topdown-benadering zorgt er echter voor dat innovatie die in de keten zit, verloren gaat. Een EPC-contractror is namelijk niet altijd op de hoogte van de mogelijkheden die de keten biedt. Als men al warmtepompen inzet in het nieuwe proces, dan wordt dit al gauw maatwerk, wat ze extra duur maakt. De oplossing ligt in het industrialiseren van technische oplossingen. Dat wil zeggen dat de toeleveringsketen geïntegreerd gaat samenwerken en standaard oplossingen van de plank kan leveren waardoor de kostprijs omlaag kan. De high techindustrie is een goed voorbeeld van ketenintegratie. Neem waferstepperbouwer ASML, dat een scala van leveranciers betrekt in de ontwikkeling van zijn apparaten. Het bedrijf gebruikt de specifieke kennis van zijn leveranciers om zeer geavanceerde apparaten aan zijn klanten te kunnen leveren. De eindproducten zijn vaak klantspecifiek, maar ze zijn wel opgebouwd uit standaardproducten. Een compressor is een compressor en ook instrumentatie is eenvoudig samen te stellen uit standaardproducten. Natuurlijk zegt iedere klant dat zijn proces uniek is, maar als je tachtig procent van een warmtepomp kunt opbouwen uit standaard onderdelen, dan hoef je maar twintig procent klantspecifiek te ontwerpen. Daarmee worden onnodige engineeringskosten voorkomen en pakt de businesscase voor warmtepompen heel anders uit.’

Financiering

Een tweede belemmering die Van der Spek ziet, is de financiering van duurzame energieprojecten. ‘Bij de overleggen die werden gevoerd rondom het SER Energieakkoord ontbrak in mijn ogen één belangrijke partij: de financiële sector. Want als een ding duidelijk is, dan is het dat we voor een enorme investeringsgolf staan. De transitie naar een duurzame energievoorziening kost veel geld, terwijl de risico’s ook groter worden. Nu is de procesindustrie van oudsher zeer voorzichtig in zijn investeringsoverwegingen en tot voor kort werden investeringen met terugverdientijden die langer dan twee jaar waren, nauwelijks uitgevoerd. Inmiddels is daar wel een kentering in gekomen. Ook de procesindustrie is tot inzicht gekomen dat investeringen in fossiele assets op den duur niet meer houdbaar zijn. Duurzame investeringen kennen vaak een hogere kapitaalsinvestering (Capex, red.), maar vaak ook lagere operationele kosten (Opex, red.). Ofwel de extra investeringen aan de voorkant, worden terugverdiend door de lagere operationele kosten. Maar dat betekent wel dat investeringen naar voren moeten worden gehaald en niet ieder bedrijf heeft de daarvoor benodigde financiële armslag. Banken of andere kredietinstellingen zouden hier een belangrijke rol kunnen spelen.

We hebben onderzoek gedaan naar de investeringsbereidheid van de industrie in besparingsprojecten. Daaruit bleek van de besparingsprojecten met een terugverdientijd van 2,5 jaar of minder, zo’n negentig procent daadwerkelijk werd uitgevoerd. Die tien procent die blijft liggen, is niet zo heel interessant. We richten onze aandacht met name op grotere projecten met een langere terugverdientijd, tussen de 2,5 en vijf jaar. Hier zit nog een enorm besparingspotentieel dat nu blijft liggen omdat de industrie geen investeringsruimte heeft en banken de industriële processen te complex vinden om de risico’s goed te kunnen inschatten. We kunnen kijken naar nieuwe financieringsvormen zoals een achtergestelde lening of een constructie die vergelijkbaar is met het leenvehicel voor het MKB: Qredits. Hier kunnen bedrijven tegen een hoge rente geld lenen voor risicovolle investeringen. Uiteindelijk is wel wat maatwerk nodig; het verschilt namelijk nogal of je een lening van veertigduizend of veertig miljoen euro wilt afsluiten. Overigens kijken we naar meerdere oplossingen voor de impasse waar duurzame investeringen nu voor staan. De financiering is maar een aspect, we kijken ook naar mogelijkheden om de clearing, ofwel de risicobeoordeling, te vereenvoudigen. Je zou kunnen denken aan een technisch instituut die het due diligence-onderzoek voor zijn rekening kan nemen. Maar we zijn ook samen met EnergieNederland bezig met de ontwikkeling van een label voor industriële apparatuur. Op die manier kan je de besparingsclaims van de fabrikanten verifiëren en vastleggen. Daarmee voorkom je het risico dat een investering in de praktijk minder rendeert dan was beloofd.’

Doorpakken

Of de geplande maatregelen leiden tot een investeringsgolf? Van der Spek denkt dat de politieke druk steeds groter wordt. ‘Bedrijven die meedoen met het MJA2-convenant zijn verplicht jaarlijks twee procent energie te besparen. Tot nog toe haalt men maar maximaal 1,4 procent (RvO cijfers over 2015, red.). Daar komt nog eens een extra negen Petajoule bij voor de deelnemers aan het MEE-convenant. Als die besparingen verplicht worden gesteld, moet men heel snel meters maken . Ook de ondertekening van het klimaatakkoord in Parijs heeft consequenties voor de Nederlandse procesindustrie. We hebben ons gecommitteerd aan serieuze emissiereducties. De overheid heeft de industrie hard nodig om die te halen. De langetermijnvisies van de meeste bedrijven, zelfs die van bedrijven met sterke fossiele wortels, laten allemaal zien dat we op weg zijn naar CO2-emissieloze productie. Die bedrijven vragen zelf om een sterke overheid die heldere eisen stelt op het gebied van CO2-emissies.’

Van der Spek is redelijk optimistisch over de kansen die de industrie krijgt aangereikt vanuit de toeleveranciers. ‘Verduurzaming van industrie is geen trend die overwaait, daar is iedereen wel van overtuigd. Iedereen moet daarin zijn verantwoordelijkheid nemen: de overheid, de financiële sector, maar vooral de procesindustrie. Bedrijven willen ook wel investeren in verduurzaming, maar worden vaak geremd door de aandeelhouders. Als energiebesparing verplicht wordt, is het eenvoudiger aan het moederbedrijf of de aandeelhouders uit te leggen dat bepaalde investeringen nodig zijn. Het feit dat een aantal bedrijven zelf om een klimaatwet vraagt, zou de overheid voldoende vertrouwen moeten geven om echt door te pakken.’