Groningen Seaports Archieven - Utilities

De provincie Groningen en de gemeente Het Hogeland willen de Eemshaven uitbreiden door een bedrijventerrein te ontwikkelen in de Oostpolder. Hiermee willen provincie en gemeente vooral werkgelegenheid creëren.

De gemeente en provincie richten zich met name op bedrijven uit de sectoren waterstof, batterijen, datacenters, windenergie, automotive en ook op nieuwe vormen van high tech bedrijven. Op het moment wordt aan een masterplan gewerkt voor de Oostpolder. Een terrein van circa 600 hectare. Ook worden gesprekken gevoerd met direct omwonenden.

De provincie en gemeente stellen vier voorwaarden aan de nieuwe ontwikkeling van de Oostpolder. De woonfunctie in de omliggende dorpen moet zoveel mogelijk behouden blijven. De milieunormen uit de structuurvisie (voor geluid, externe veiligheid en luchtkwaliteit, zoals geur en stof) zijn hierbij het uitgangspunt. In de derde plaats moeten er goede overgangszones komen, als groen-blauwe buffers tussen het bedrijventerrein en de huizen. Ten slotte is het uitgangspunt voor de inrichting van het bedrijventerrein dat het nieuwe windpark behouden blijft.

Ruimte

Groningen Seaports ondersteunt de plannen laat ze op haar website weten. ‘Door uitbreiding ontstaat weer ruimte voor de marktvraag, want op dit moment hebben we te maken met schaarste aan grond in de Eemshaven. We kunnen in de Eemshaven, maar ook in Delfzijl, nauwelijks aaneengesloten kavels aanbieden. Deze uitbreiding in de Oostpolder maakt de komst van bedrijven, die veel ruimte nodig hebben, mogelijk. En daarmee wordt vanzelfsprekend werkgelegenheid gecreëerd’, zegt Groningen Seaports-CEO Cas König.

Het plangebied van de Oostpolder sluit aan de noordzijde aan op het bestaande bedrijventerrein Eemshaven en wordt verder begrensd door de spoorlijn (westzijde), de dijk en lintbebouwing van Oudeschip (zuidzijde) en de N33 (oostzijde).

RWE wil vanuit zijn kolencentrale in de Eemshaven warmte leveren aan de moutfabriek van Holland Malt. Daarmee bespaart de moutproducent twintig miljoen kuub gas. Het rendement van de Eemscentrale zou daarmee ook behoorlijk omhoog gaan.

Holland Malt, Groningen Seaports en RWE Eemshaven onderzoeken samen de haalbaarheid van warmtelevering van de RWE centrale aan Holland Malt. De moutfabriek uit de Eemshaven produceert hoogwaardige mout dat onder andere gebruikt wordt voor de productie van bier. Voor het maken van mout is warmte nodig waar tot nu toe Gronings aardgas voor wordt gebruikt.

Elektrolyser

Door gebruik te maken van warmte van de RWE centrale kan het gebruik van aardgas naar nul worden gereduceerd. Voor Holland Malt draagt dit bij tot een verminderde emissie van CO2 (kooldioxide) en NOx (stikstof) terwijl gelijktijdig het rendement van de RWE centrale zal toenemen. Daarnaast past deze samenwerking uitstekend bij de toekomstige ontwikkeling van RWE als warmteleverancier. RWE zou bijvoorbeeld ook warmte van een elektrolyser voor de productie van groene waterstof kunnen inzetten.

Leiding

Groningen Seaports ondersteunt dit initiatief van harte en brengt haar kennis van openbare infrastructuur in. Het havenbedrijf is gebiedsbeheerder en ontwikkelaar  en zal de inbreng van een leidingstelsel bestuderen.

Warm water stroomt door deze leiding onder het Doekegatkanaal door van RWE naar Holland Malt. Deze gebruikt de warmte in haar processen waarna het afgekoelde water terug stroomt naar de centrale. Door deze innovatie tracht ht Groningen Seaports de kosten zo laag mogelijk te houden om het project economisch aantrekkelijk te kunnen laten uitvoeren.

Groningen Seaports is voornemens om op haar industrieterrein Oosterhorn twee zonneparken te ontwikkelen van gezamenlijk dertig hectare. Een belangrijk onderdeel van deze ontwikkeling is dat  bewoners van Delfzijl, Appingedam, Loppersum (DAL) zelf mee kunnen denken over de plannen en mee kunnen delen in de opbrengsten.

Groningen Seaports zal de zonneparken samen met Eneco, Wircon en een samenwerkingsverband van Natuur en Milieufederatie Groningen, de Groninger Energiekoepel en Grunneger Power ontwikkelen.

Inwoners van de toekomstige DAL-gemeente, maatschappelijke organisaties en lokale bedrijven kunnen op meerdere manieren participeren in het zonnepark.  Via de coöperatie(s) in oprichting kunnen zij meedenken over de plannen en delen in de opbrengsten.

Vestigingsfactor

Groningen Seaports heeft in haar Havenvisie 2030 vastgelegd om duurzame energie projecten in haar havengebieden te (laten) ontwikkelen en of hierin te participeren om zodoende het vestigingsklimaat voor nieuwe én bestaande bedrijvigheid te kunnen versterken. In toenemende mate blijkt dat (nieuwe) bedrijvigheid zich hier alleen vestigen of wil blijven als er voldoende groene stroom aanwezig is. Nieuw in deze ontwikkeling is de vroegtijdige participatie van de omgeving.

Projectpartners

Eneco is een ervaren energiebedrijf en ontwikkelt, bouwt en beheert duurzame energieprojecten. Ook Wircon heeft een ruime ervaring in het ontwerpen, realiseren en exploiteren van zonneparken. Het samenwerkingsverband van Natuur en Milieufederatie Groningen, Groninger Energiekoepel en Grunneger Power heeft ervaring met het coöperatief ontwikkelen van duurzame energieprojecten. Zij is er ter ondersteuning van de lokale initiatieven in het gebied, zodat bewoners en lokale bedrijven kunnen meedenken en meeprofiteren.

Beleid gemeente Delfzijl

De zonneparken zijn gelegen op het industrieterrein Oosterhorn van Groningen Seaports in Delfzijl. Daarom vallen de zonneparken niet onder de stop (moratorium) van nieuwe aanvragen van zonneparken op agrarische gronden die de gemeente Delfzijl onlangs heeft uitgesproken.

 

Er wordt gepoogd eind dit jaar de vergunning van dit park verleend te krijgen en de benodigde subsidie duurzame energie aan te vragen.

Windturbineontwikkelaars moeten zo nu en dan hun windturbines in en rond de Eemshaven stilzetten om het aantal vogelslachtoffers met 75 procent te reduceren. Hiervoor gaat de provincie Groningen maatregelen opnemen in de vergunningen voor windparken.

Voor het stilzetten van de windturbines wordt gebruikgemaakt van een voorspellingsmodel, een soort ‘buienradar’ waarmee je kunt zien wanneer er een zwerm vogels aan komt. De Eemshaven ligt op een belangrijke trekroute voor veel vogelsoorten.

Vogelvoorspellingsmodel

Het plotseling uitzetten van grote windparken heeft grote gevolgen voor de stabiliteit van het elektriciteitsnetwerk en brengt hoge onbalanskosten met zich mee. Het is daarom van belang dat er op tijd kan worden ingegrepen bij het stilzetten van de windturbines.

Daarom wordt er een  trekvogelvoorspellingsmodel ingevoerd, ontwikkeld door de Universiteit van Amsterdam (UvA). Hiermee kan mede op basis van meteorologische data vogeltrek worden voorspeld. Het kan worden vergeleken met een buienradar, maar dan voor vogels. Het model zou minstens dertig uur van tevoren kunnen voorspellen of en wanneer er een zwerm vogels richting de Eemshaven vliegt. Hierdoor worden onbalans en risico’s voor het energienetwerk vermeden.

Proef Eemshaven

In de Eemshaven worden de komende jaren nieuwe windturbineparken ontwikkeld, en worden oude windturbines vervangen door nieuwe. Die operatie moet medio 2020 zijn voltooid.  Doordat er veel windturbines in de Eemshaven worden geplaatst en doordat er veel vogels over de Eemshaven vliegen, is dit bij uitstek een interessant gebied om het trekvogelvoorspellingsmodel te testen.

In het najaar van 2018 wordt in de Eemshaven met deze aanpak een proef gedraaid. Het voorspellingsmodel zal in de komende jaren steeds nauwkeuriger worden en de verwachting is dat de eerste operationele versie medio 2020 wordt toegepast.

Verdere ontwikkeling

Met een groot aantal andere overheden en belanghebbenden, waaronder windturbineontwikkelaars en natuurorganisaties, wordt het trekvoorspellingsmodel van de UvA verder ontwikkeld. De proef in de Eemshaven heeft als bijkomend voordeel dat op korte termijn aanvullende kennis wordt opgedaan over trekroutes langs de Eemshaven. En dit levert meer inzicht op, juist ook voor windturbines op zee in Nederland en in Europa.

De industriewaterleiding aan tussen AkzoNobel en Zeolyst op het industrieterrein Oosterhorn in Delfzijl is technisch in gebruik genomen. Havenbedrijf Groningen Seaports bekostigde het vier kilometer lange tracé tussen de zoutchemiereus en de zeolietenproducent.

AkzoNobel haalt pekelwater uit Zuidwending en verdampt dat om er zout uit te halen. Voorheen zette AkzoNobel het condensaat van de zoutproductie af als industriewater binnen het ChemiePark Delfzijl. Met het verdwijnen van BrunnerMond verdween ook een grote afnemer van industriewater.  Met de bouw van een nieuwe zoutfabriek en de sluiting van de sodafabriek kwam veel meer water beschikbaar, dan AkzoNobel kon afzetten binnen het Chemie Park Delfzijl. Op het Chemie Park Delfzijl maken BioMCN, Delamine, Lubrizol, Teijin Aramid al gebruik van industriewater, maar er bleef nog veel over. Het water in de Waddenzee lozen, was destijds de enige optie. Al snel ontstonden plannen om het water van industriewaterkwaliteit te distribueren, over de bedrijfsgrenzen heen, naar bedrijven in de directe omgeving. In 2012/2013 werd de eerste industriewaterleiding in gebruik genomen en kon waterstof en waterstofperoxide-producent FMC chemicals beschikken over industriewater.

Herbert Colmer, projectleider Utilities en Henri Kats, Business Manager Chemie bij Groningen Seaports: ‘Het havenbedrijf Groningen Seaports heeft in haar havenvisie 2030 haar duurzame ambities vastgelegd en ondersteunt en investeert in  infrastructuur die bijdraagt om deze duurzame ambities van het havenbedrijf  mogelijk te maken. Zo investeerde Groningen Seaports al in 2008 in een stoomgrid, dat de afgelopen jaren qua omvang en capaciteit fors is uitgebreid met als laatste uitbreiding de aansluiting van Eneco Bio Golden Raand biomassa centrale.’

Overcapaciteit

Na de aansluiting van FMC Chemicals, tegenwoordig Evonik,  bestond het plan al om dit industriewaternet nog verder door te leggen naar andere afnemers. Nadat de businesscase voor het doortrekken van de leiding was doorgerekend, veranderde de marktsituatie zodanig dat het project in de ijskast werd gezet. Totdat twee jaar geleden de economie weer aantrok en men voorzichtig weer over uitbreiding kon nadenken.

Uiteindelijk vond AkzoNobel  in Zeolyst een nieuwe afnemer waardoor de uitbreiding van het net weer haalbaar werd. De producent van synthetische zeolieten, gebruikt op dit moment drinkwater voor zijn proces, terwijl water van industriekwaliteit volstaat. Kats: ‘Het bedrijf is vier kilometer verwijderd van de waterbron en dus besloten we opnieuw de businesscase te berekenen voor uitbreiding van de industriewaterleiding. Zeolyst gebruikt jaarlijks zo’n vierhonderd- tot vijfhonderdduizend kuub water, wat betekent dat er nog steeds overcapaciteit is. De leiding is zodanig ontworpen dat het voor andere partijen mogelijk blijft om aan te haken. Er is een aantal grotere watergebruikers dicht bij het tracé, dus wie weet kunnen we binnenkort nog meer aansluitingen bouwen.’

Besparing

Het water gebruikt Zeolyst in de productie van zeolieten. Deze mineralen worden voornamelijk ingezet als katalysator in tal van chemische en kraakprocessen. Directeur Jos Leuvelt van Zeolyst: ‘Normaal gesproken gebruiken we leidingwater in ons productieproces. Zonder dit water zouden we niet kunnen produceren. We kunnen het leidingwater eenvoudig vervangen voor het water uit de zoutproductie, maar we houden de leidingwaterverbinding wel als backup. We zijn daarmee minder afhankelijk van de levering van AkzoNobel. We hebben goede afspraken gemaakt over de kwantiteit en kwaliteit van het geleverde water en besparen in ieder geval een significante hoeveelheid leidingwater. Bijkomend voordeel is dat het water dat AkzoNobel levert warmer is dan leidingwater. Aangezien we het water moeten opwarmen, besparen we ook een beperkte hoeveelheid energie.’

Havenbedrijf Groningen Seaports is eigenaar van de 4.400 meter lange Via de nieuwe leiding kan jaarlijks ongeveer twee miljoen kubieke meter industriewater worden aangevoerd. AkzoNobel is de operator aan de aanbodkant en zorgt voor de levering van voldoende proceswater. Het project kostte het havenbedrijf in totaal 512.700 euro, waar het Waddenfonds 132.700 euro voor zijn rekening nam. ‘De positieve impact op het milieu was genoeg reden voor het Waddenfonds om mee te investeren in de leiding’, zegt Colmer. ‘De vervanging van leidingwater voor industriewater scheelt namelijk in het gebruik van chemicaliën voor de ontharding van het leidingwater. Daarmee draagt het project bij aan de doelen van het Waddenfonds: duurzame economische ontwikkeling in het Waddengebied en het terugdringen van de ecologische belasting van de Waddenzee.’

Over Groningen Seaports

Groningen Seaports levert al stikstof, stoom en perslucht aan de verschillende bedrijven op het Industrieterrein Oosterhorn te Delfzijl. Het Groningse havenbedrijf is continu op zoek naar nieuwe projecten die de synergie tussen de aanwezige bedrijven kunnen vergroten. Te denken valt bijvoorbeeld aan het gebruik van productstromen die op dit moment nog niet worden benut. Zo bestaan er plannen om een buizenzone aan te leggen tussen de Eemshaven en Delfzijl, de ontwikkeling van een waterstofnet voor de industrie en de inzet van gelijkstroom afkomstig van duurzame opwekking.

 

De havenbedrijven van Groningen en Zeeland kijken alle twee naar meer synergie tussen de aanwezige bedrijven. Met name het delen van utilities zoals industriële gassen, stoom, warmte, perslucht, afval- en proceswater staat hoog op de agenda.

De Nederlandse chemische industrie kan ondanks de hoge energie- en loonprijzen op mondiale schaal concurreren. Veel van dat succes is te danken aan de clusters die zijn ontstaan rondom een aantal grote spelers. Zo wordt het industriegebied in de Groningse Eemsdelta voornamelijk gedomineerd door AkzoNobel. Maar ook Tejin en bijvoorbeeld DOW profiteren van de concentratie van bedrijvigheid en de daarbij behorende leveranciers van producten en diensten. In Terneuzen en Bergen op Zoom is DOW Benelux de meest dominante partij, maar ook kunststofproducent Yara Sluiskil en een aantal kleinere spelers zijn onderdeel van het cluster. Rotterdam en Moerdijk kennen iets meer grote spelers zoals Shell, ExxonMobil, BP Huntsman, AkzoNobel, Lyondell en sinds kort Gunvor (voormalig Q8-raffinaderij). Havenbedrijf Rotterdam clustert de bedrijven door een groot aantal gedeelde pijpleidingen, utilitiesvoorzieningen en sinds kort ook een stoom- en warmtenet.

Het laatste grote cluster staat in Geleen waar DSM nog steeds een grote productielocatie heeft, maar waar ook een deel van de oude activiteiten van het Nederlandse life sciences-bedrijf worden voortgezet door andere partijen op chemiepark Chemelot. Zo zijn Sabic, OCI Nitrogen, maar ook Borealis en Arlanxeo te vinden op het grootste chemiecluster van Europa. Voor de volledigheid moet ook nog Emmtec aan het rijtje worden toegevoegd. Het terrein waar onder andere DSM en Tejin Aramid is gevestigd.

Concurrentiestrijd

Hoewel het geen wedstrijd is, lijkt er wel een gezonde concurrentiestrijd gaande tussen de vier grote industriële clusters. De aanzet tot die concurrentie gaf voormalig Shell-directeur en voorzitter van het Topteam Chemie Rein Willems. In 2013 organiseerde het Topteam Chemie samen met EZ, VNO-NCW, FNV en de VNCI een rondetafelconferentie om de concurrentiedruk uit de Verenigde Staten het hoofd te bieden. In die tijd was de schalierevolutie in volle gang en de gasprijzen in de VS waren ongeveer de helft van die in Europa. Energiebesparing zou een uitkomst moeten bieden en de weg daar naartoe was vooral door de clusters nog meer te integreren. Bijkomend voordeel was dat ook roep om verduurzaming van de industrie steeds sterker werd. Die wens kan hand in hand gaan met energiebesparing en verduurzaming van de energie- en brandstofmix.

Eemsdelta

De twee Groningse chemieclusters, die voor het gemak worden ondergebracht onder chemiecluster Eemsdelta, hebben als voordeel dat zowel het Rijk als de Provincie een fonds beschikbaar heeft gesteld om de chemische industrie in Groningen te stimuleren. Het rapport van Rein Willems was aanleiding om zestig miljoen euro beschikbaar te stellen voor de uitvoering ervan. Daar bovenop kwam nog eens twintig miljoen euro voor stimulering van de werkgelegenheid in het gebied.

Een deel van het geld wordt beschikbaar gesteld om een zogenaamde Utiliteiten Entiteit (UE) op te richten. Volgens het rapport van Willems zorgen de beschikbaarheid van collectieve, betrouwbare en betaalbare utiliteiten en onderlinge verbindingen voor samenhang, kostenverlaging, flexibiliteit en een lagere milieubelasting. De utilities die nu nog door AkzoNobel worden beheerd, zouden op den duur moeten worden overgedragen aan de UE. Volgens de commissie zijn daarnaast investeringen nodig in de integratie van het stoomgrid, de realisatie van de buizenzone Eemsdelta, industriewater en een syngasnetwerk. In totaal zal de investering zo’n 27,3 miljoen euro vergen. Bovendien zouden de bedrijven van de fondsgelden gebruik kunnen maken om de onrendabele top te compenseren.

Op middellange termijn (twee tot vijf jaar) kan de infrastructuur verder worden versterkt door investeringen in het lokale elektriciteitsnet, een restwarmtedistributienet en een biomassahub alsmede door een mogelijke aansluiting met het Duitse elektriciteitsnet.

Investeringsplannen van bedrijven uit de regio kunnen nu rekenen op veertig miljoen euro. Het geld is bedoeld om nieuwe plannen voor investeringen een extra steun in de rug te geven. Zo zijn er al voorstellen gedaan voor het vergroten van de productie van chloor en het beter benutten van restgas dat vrijkomt bij chemische processen. Ook zijn er plannen voor een terminal voor het ontvangen van tankers met vloeibaar gas (LNG).

Programmamanager

Gedeputeerde Patrick Brouns van de Provincie Groningen ziet dat de investeringen inmiddels hun vruchten beginnen af te werpen. ‘De eerste stappen naar groene chemie zijn genomen, een aantal bedrijven is gaan investeren en de werkgelegenheid is toegenomen. In ieder geval is het besef geland dat de aardolie gebaseerde chemie geen toekomst heeft en dat investeringen op dat gebied niet meer in Europa zullen plaatsvinden. Er is dan ook een duidelijke toekomstvisie uitgewerkt met groene chemie als einddoel. Nu dat doel duidelijk is, kunnen we dat terugvertalen naar beleid en een industrieagenda. Het bedrijfsleven heeft het deel van de uitbreiding van het stoomnet goed opgepakt, maar nu is het tijd om te gaan versnellen.

We weten wat er moet gebeuren en moeten nu aanwijzen wie wat gaat doen. De vrijblijvendheid is er dus vanaf en om ervoor te zorgen dat provincie, havenbedrijf en het bedrijfsleven zich aan de afspraken houdt, is Chris Henny benoemd tot programmamanager. We hebben er bewust voor gekozen geen ambtenaar hiervoor aan te stellen, maar iemand die uit het bedrijfsleven komt. De voormalige Stork-directeur Henny kent het speelveld goed en heeft bewezen complexe plannen om te kunnen zetten in concrete oplossingen. Met deze aanstelling gaan we dan ook fase 2.0 in van het plan Chemiecluster op stoom.

Uiteraard blijft de provincie betrokken bij het project, al was het maar om struikelblokken in wet- en regelgeving zoveel mogelijk weg te nemen. Ik zie met name grote kansen in het koppelen van sectoren. Met name de koppeling van agro, chemie en energie heb je nodig om tot een duurzame en rendabele groene chemiesector te komen. De randvoorwaarden daarvoor zijn een goede infrastructuur en utilitiesvoorziening. Indien nodig kunnen we meefinancieren of investeringen vlottrekken via een revolverend fonds. Wat in ieder geval duidelijk moet zijn, dat bedrijven geen excuses meer hebben om hun activiteiten te integreren met die van hun buren. Mochten ze toch tegen barrières aanlopen, dan kunnen ze altijd aankloppen bij de programmamanager.’

Zeeland Seaports

De industrieclusters van Zeeland Seaports, die zich concentreren rondom de havens van Vlissingen en Terneuzen, zijn wat kleiner in omvang dan Rotterdam en de Eemsdelta, maar kennen toch een aantal grote spelers. Met name DOW Terneuzen en Yara Sluiskil zijn grootverbruikers van energie, gas en industriewater. De bedrijven zijn al langer bezig met het uitwisselen van reststromen, waardoor bijvoorbeeld in Terneuzen een glastuinbouwgebied is ontstaan dat kooldioxide en warmte krijgt van de naastgelegen industrie (Warmco). Een ander voorbeeld is de overdracht van restwarmte vanuit Zeeland Refinery naar Martens Cleaning en COVRA.

Om dezelfde redenen als de andere clusters meer integratie en samenwerking willen, zijn ook in Zeeland de betrokken bedrijven elkaar gaan opzoeken. ‘Maar anders dan bij de andere clusters kwam het initiatief tot samenwerken uit de betrokken bedrijven zelf’, zegt Daniël Goedhuis van Impuls Zeeland. ‘Een aantal bedrijven was al in overleg met elkaar om te evalueren welke energiestromen, reststromen en grondstoffen er circuleerden binnen en buiten de bedrijfsgrenzen. In totaal is een elftal bedrijven betrokken bij Smart Delta Resources (SDR, red.). In 2013 zijn deze bedrijven een platform gestart om te kijken of het mogelijk is om onderling energie en grondstoffen uit te wisselen. Men begon met een technische analyse van de grondstof- en energiestromen. Daarna kwamen de technische experts van de bedrijven bijeen om de mogelijkheden te bespreken van eventuele samenwerking en onderlinge waarde creatie. Uiteindelijk rolde uit die overleggen een 160 tal ideeën waarvan we een tiental direct als kansrijk bestempelden. ‘

Waterstofgas

Het tot nog toe meest kansrijke en op korte termijn uitvoerbare idee is de uitwisseling van waterstofgas via een pijpleiding. Dow Benelux heeft namelijk waterstof over als restproduct, terwijl kunstmestmultinational Yara en broomproducent ICL-IP waterstof nodig hebben als grondstof voor hun eindproducten.’

De waterstof wordt uitgewisseld via een bestaande gaspijpleiding van Gasunie onder het Kanaal bij Terneuzen. De leiding die van DOW, via ICL-IP naar Yara loopt, wordt nu nog maar incidenteel gebruikt. Door het uitwisselen van waterstof kunnen de chemiebedrijven hun CO2-uitstoot en gasverbruik fors verminderen. De besparing is ongeveer net zo groot als het gebruik van drieduizend huishoudens. In een volgende fase nemen de besparingen verder toe. Ook wordt het transport van waterstof over de weg naar ICL-IP met zeventig tot tachtig procent teruggedrongen.

Andere voorbeelden van business cases van de SDR-bedrijven liggen op het terrein van uitwisseling van restwarmte, zouten, synthesegas en chemische grondstoffen. Wanneer deze worden uitgewerkt, is nog niet duidelijk, maar de synergetische kansen liggen voor het oprapen.