Grünfeld Archieven - Utilities

Minister Wiebes stuurde de industriële grootverbruikers van Groningengas twee brieven. Of de bedrijven maar binnen vier jaar hun G-gas consumptie wilden afbouwen. Of dit technisch en organisatorisch haalbaar is, is nog maar zeer de vraag. In ieder geval vraagt de afbouw van laagcalorisch gas om een strakke regie.

De brief die Minister Eric Wiebes van Economische Zaken en Klimaat begin dit jaar stuurde, is een logisch vervolg van de ontwikkelingen rondom het Groningen gasveld. Een uitdaging voor zowel de Rijksoverheid als voor de industrie is het feit dat veel partijen afhankelijk zijn van het laagcalorisch of G-gas. Vandaar dat Wiebes de tweehonderd grootste verbruikers van dit G-gas de in het kader gepubliceerde brief stuurde. Nu weet ook de industrie al langer dat er een einde komt aan de productie van het Groningenveld, maar een tijdsbestek van vier jaar om een systeem volledig om te gooien vindt een aantal partijen wel heel kort.

Gezamenlijke aanpak

Belangenvereniging VEMW is een van de partijen die zijn vraagtekens zet bij de koers die de minister is ingeslagen. Met name de eerste benadering kwam volgens algemeen directeur Hans Grünfeld van VEMW intimiderend over. ‘De tweede brief was al wat zorgvuldiger opgesteld, maar de boodschap bleef wel staan: de minister wil dat de individuele bedrijven zelf maatregelen nemen om hun G-gas consumptie in vier jaar tijd af te bouwen naar nul. Die vraag is natuurlijk redelijk eenvoudig geformuleerd en ook de VEMW-leden zijn bereid gezamenlijk naar een oplossing te zoeken. Het beantwoorden van de vraag is echter een stuk complexer.

Bovendien gaat de individuele benadering voorbij aan een aantal kwesties die de industrie beter gezamenlijk kan aanpakken. We hebben dan ook niet zozeer moeite met het feit dat de industriële afnemers op het GTS-net op termijn geen G-gas meer gaan gebruiken, maar we moeten nu wel de juiste keuzes maken om de overgang ook haalbaar en betaalbaar te houden.’

Revisies

De implicaties van de overgang van een G-gasinstallatie naar een H-gas zijn technisch te overzien, vindt Bert Kiewiet, Principal consultant Gas System Management van DNV GL. ‘Maar er zijn wel degelijk verschillen tussen H-gas en G-gas waar je rekening mee moet houden. Zo heeft G-gas een heel nauwe bandbreedte, wat doorgaans gunstig is voor het afstellen van branders. H-gas staat er om bekend dat het meer variatie kent in de Wobbe-index.

Toekomstbestendig

Desondanks denkt Kiewiet dat de industriële gebruikers er toch niet aan ontkomen hun installaties om te bouwen. ‘Nederland heeft een redelijk geïsoleerde positie waar het Groningengas betreft. De rest van de wereld is ingesteld op H-gas en zelfs België gaat massaal over op het hoogcalorische gas. We kunnen ons dan ook niet in lengte van dagen vasthouden aan laagcalorisch gas. Natuurlijk kan de calorische waarde van H-gas worden verlaagd met stikstofbijmenging, maar dat is altijd duurder dan puur H-gas inzetten in daarop afgestemde installaties.

Dit bericht is een fragment van een artikel uit de komende editie van Utilities. Begin mei kunt u Utilities 3, met het thema: schoon gas en biomasse, op de mat verwachen. Nog geen abonnee: meldt u zich snel hier aan.

De Nederlandse overheid heeft een sterke partner gevonden in zijn ambitie de uitstoot van kooldioxide in 2050 80 tot 95 procent terug de dringen: de industrie. Belangenvereniging van de energiegrootverbruikers VEMW overhandigde tijdens de viering van zijn honderdjarig jubileum een propositie aan directeur Generaal Mark Dierickx van Economische Zaken. Het voorstel van de achterban van VEMW is duidelijk: De industrie wil investeren als de overheid wil faciliteren.

‘Een ambitieus plan’, dat geeft algemeen directeur van VEMW Hans Grünfeld direct toe. ‘Maar het is geen luchtfietserij. Het is bijzonder dat industriële grootverbruikers van energie zich zo eensgezind uitspreken over emissiereductie en ik ken geen land met een industrie met vergelijkbare plannen. Wat ook duidelijk moet zijn: we zitten niet op geld van de overheid te wachten. We willen vooraleerst  dat de overheid een visie en strategie voor de lange termijn  vastlegt en zich daar ook aan houdt. De Nederlandse industrie heeft echt zijn nek uitgestoken met deze propositie en we hopen natuurlijk dat de overheid evenveel lef toont. Zo’n lange termijnvisie is namelijk een voorwaarde voor het investeringsklimaat voor verduurzaming van de industrie. Veel bedrijven zijn nu eenmaal afhankelijk van private investeerders en veel kapitaal komt vanuit het buitenland. Die investeerders krijg je alleen maar mee als ze zeker zijn van een consistent beleid en gegarandeerde rendementen over de lange termijn.’

Hoe die emissiebesparing tot stand komt, is voor een deel wel te voorspellen. Grünfeld: ‘De industrie investeerde de afgelopen jaren al in energiebesparende maatregelen, in de opwaardering of nuttige inzet van restwarmte en zet steeds vaker duurzame grondstoffen en energie in. Die investeringen leidden tot incrementele verbeteringen en ik verwacht dat die de komende jaren nog wel door zullen gaan. Als je deze trend doortrekt naar 2050 kom je nog niet tot de helft van de ambitie van een vrijwel emissie loze industrie. Om echt grote sprongen te maken, is een trendbreuk nodig en om dat te bereiken, is op diverse vlakken innovatie nodig. Niet alleen op het gebied van energietechniek en duurzame grondstoffen, maar bijvoorbeeld ook op het gebied van grensoverschrijdende samenwerking en financiering. Met alleen maar optimaliseren wat we al hebben, komen we er niet.’

Twee gedachten

Dat de overheid een leidende rol heeft genomen in de verduurzaming van de energievoorziening, ziet Grünfeld als een goed teken. ‘De ondertekening van het SER Energieakkoord door industrie, bedrijfsleven, overheid én maatschappelijke organisaties laat zien dat het mogelijk is de agenda’s gelijk te krijgen. Die afspraken gaan echter tot 2023 terwijl wij juist naar de langere termijndoelstellingen kijken. Daar komt bij dat de afspraken in dit akkoord op twee gedachten hinken: de inzet van duurzame energie en energiebesparing. Het hoofddoel waar de industrie voor gaat, is het vermijden van de uitstoot van kooldioxide. Daarmee voorkom je discussies over de mate van duurzaamheid van oplossingen. Het aantal ton vermeden CO2 is namelijk gemakkelijk te meten. En waar dat niet mogelijk is, houden we ook nog end of pipe-oplossingen open zoals CO2-afvang en -opslag. Die optie hebben we tijdens de transitiefase nog steeds nodig.’

De energiegrootverbruikers merken dat het enthousiasme bij de overheden toeneemt en dat men steeds meer oog krijgt voor de behoefte van de industrie. Een aantal jaren geleden leek het er nog op dat een aantal politieke partijen de industrie liever uit Nederland zag verdwijnen, maar dat tij lijkt gekeerd. ‘We hopen natuurlijk dat men de daad bij het woord voegt en zorgdraagt voor een betaalbare en betrouwbare energievoorziening. Politieke keuzes bepalen uiteindelijk of de energiemix toereikend is, of er voldoende netwerkcapaciteit beschikbaar is en of de energie-infrastructuur ook betrouwbaar is. In de tarifering van zowel energie als transport zal men daarbij rekening moeten houden met de concurrentieverhoudingen in een mondialiserende economie. CO2-beprijzing kan een instrument zijn om energiebesparende maatregelen te realiseren, maar te hoge prijzen kunnen ook carbon leakage in de hand werken. We vragen dan ook vooral om de markt zijn werk te laten doen.’

Integratie

De zo gewenste trendbreuk is lastig te sturen, maar desondanks denkt Grünfeld dat het wel mogelijk is. ‘Innovatie kan je niet forceren, maar je kunt wel voor optimale omstandigheden zorgen om innovatie mogelijk te maken. We horen wel vaker de geluiden dat Nederland klein is en weinig volume heeft om verschil te maken op de mondiale CO2-uitstoot. Maar juist die kleine schaal in combinatie van een zeer geïntegreerde industrie kan ons voorop plaatsen in de wereldranglijst van duurzame industrielanden. De grote Nederlandse industrieclusters in Rotterdam, Geleen, Delfzijl en Terneuzen leveren een gigantisch voordeel op wat betreft uitwisseling van reststromen en bijvoorbeeld cascadering van warmte. De volgende stap is volgens ons dan ook om die integratie zo ver mogelijk door te voeren. Naar de gebouwde omgeving of naar andere sectoren. Wat dat aangaat denk ik dat het huidige topsectorenbeleid remmend is voor die gewenste trendbreuk. Momenteel kijkt men teveel naar uitbreiding van kennis en innovatie binnen de zuilen van bijvoorbeeld agri en food, de energiesector of de chemie, terwijl de grootste kansen op echte doorbraaktechnologie op het snijvlak ligt van die sectoren. Een aantal cross sectorale thema’s moet heel snel worden opgepakt. De komende jaren wordt bijvoorbeeld fors ingezet op de inzet van biomassa wat als vervanger van nafta kan dienen voor de chemische industrie, maar ook als grondstof voor de voedingsmiddelenindustrie. Als laatste kijkt ook de energiesector naar de mogelijkheden van biomassa voor de productie van stoom en elektriciteit. Samenwerking tussen deze partijen levert uiteindelijk meer op dan de som der delen.’

Natuurlijk zijn er nog wel wat knelpunten weg te werken, maar Grünfeld denkt dat ook daar wel oplossingen voor kunnen worden gevonden. ‘Grote uitdaging blijft de financiering van energiebesparende maatregelen. Dit soort projecten kennen vaak een langere terugverdientijd en concurreren met andere, meer rendabele projecten. Ook op dat vlak is innovatie nodig, met nieuwe financiële structuren of fondsen die de risico’s kunnen beperken.’

gelijke kansen

Ook de SDE+ projecten zouden beter kunnen worden afgestemd op de wensen van de industrie. ‘De overheid zou in zijn stimuleringsbeleid meer moeten kijken wat de nettobijdrage is aan de CO2-besparing. We snappen dat men terughoudend is in overheidsbemoeienis met commerciële bedrijven. Maar bio-wkk of bijvoorbeeld restwarmtebenutting uit afvalverbrandingsinstallaties hebben een groot CO2-besparingspotentieel. De industrie wil minstens dezelfde kansen krijgen als de energiesector momenteel krijgt. Zeker omdat we denken dat de bijdrage op het gebied van CO2-besparing van deze projecten hoger kan zijn dan bijvoorbeeld windenergie.’

In dat kader is het ook vreemd dat bedrijven die hun productie kunnen afstemmen op het elektriciteitsaanbod momenteel gestraft worden met een veel hoger transporttarief. ‘Dit zijn typische belemmeringen in wet- en regelgeving die vraagt om duidelijke keuzes van de overheid. Hetzelfde geldt voor de allocatie van CO2-rechten. De manier waarop dat nu is geregeld, ontmoedigt bedrijven om te investeren in CO2-beperkende maatregelen in de keten.’

Knut Schwalenberg, CEO AkzoNobel Nederland, overhandigde de propositie officieel aan, toen nog, Directeur Generaal Mark Dierikx van Economische Zaken. ‘De overheid vroeg om input voor de energiedialoog die ze in het najaar zal voeren om daarmee de energieagenda te kunnen samenstellen. Ik denk dat deze propositie een goed uitgangspunt is voor die dialoog. Wat we in ieder geval laten zien, is dat de industrie zijn defensieve houding heeft verlaten en proactief meedenkt om op verantwoorde wijze tot een nagenoeg emissieloze Nederlandse industrie te komen in 2050.’