Klimaatakkoord Archieven - Utilities

Het ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) maakt 6,8 miljard euro vrij voor extra CO2-reductie om de klimaatdoelen in het vizier te houden. Tegelijkertijd wil ze ETS-plichtige bedrijven verplichten energiebesparende maatregelen te nemen die binnen vijf jaar kunnen worden terugverdiend.

De afgelopen jaren nam het kabinet forse maatregelen en kondigde nieuwe maatregelen aan om de CO2-uitstoot te verminderen. Desondanks is een extra inspanning nodig om de doelstelling van 49 procent broeikasgasreductie in 2030 (t.o.v. 1990) in het vizier te houden. Daarom investeert het kabinet 6,8 miljard euro extra in klimaatmaatregelen zonder lastenverzwaringen.

Extra CO2-reductie in de industrie

De industrie mag vanaf 2050 bijna geen schadelijke stoffen meer uitstoten. Het kabinet werkt aan maatregelen om de emissies, zoals de uitstoot van lachgas, naar beneden te brengen. Ook breidt het kabinet de plicht om energiebesparende maatregelen te nemen die binnen vijf jaar kunnen worden terugverdiend, uit naar grote industriële (ETS-)bedrijven. Er worden middelen vrijgemaakt zodat gemeenten en omgevingsdiensten de handhaving van deze plicht kunnen verbeteren.

1,3 miljard voor toekomstige energie-infrastructuur

De overheid wil dat bedrijven de noodzakelijke verduurzamingsslag hier in Nederland kunnen maken. Infrastructuur voor schone energie is hiervoor essentieel. Daarom reserveert het kabinet 1,3 miljard euro voor energie-infrastructuurprojecten die belangrijk zijn voor de klimaat- en energietransitie. Dit bestaat uit subsidie voor een warmtetransportnet in Zuid-Holland. En 750 miljoen euro voor het ombouwen van delen van het bestaande gasnet tot een landelijke ‘Waterstof backbone’ die de Nederlandse industrieclusters verbindt.

Hulp bij verduurzamen

De overheid komt Nederlanders die duurzame keuzes maken tegemoet in de kosten. Daarom worden bestaande subsidieregelingen uitgebreid zodat consumenten een tegemoetkoming van 1000 tot 2100 euro kunnen krijgen voor de aanschaf van een hybride warmtepomp. Ook werkt het kabinet maatregelen uit gericht op extra stimulering van (betaalbare) elektrische auto’s en helpt het kabinet (MKB-)bedrijven bij verduurzaming door de aanschaf van elektrische bestelbussen te subsidiëren. Ook verhoogt het kabinet het budget van de Stimuleringsregeling Duurzame Energieproductie (SDE++) met drie miljard euro.

Tijdens de openings-talkshow van de Europese Industry & Energy Summit 2020 zal moderator Joost Hoebink spreken met onder anderen Diederik Samsom (EC), Anja-Isabel Dotzenrath (RWE Renewables) en Klaus Schäfer (CTO Covestro). Onderwerp op 8 december is de rol van Europa in de industriële energietransitie.

Er is niet één enkele oplossing. Als we de klimaatverandering willen tegengaan, hebben we verschillende technologieën en ideeën nodig die elkaar ook kunnen versterken. Systeemintegratie en -inclusie lijken in dit opzicht zeer belangrijk. En ook een geïntegreerde internationale aanpak. Europese landen, bedrijven en onderzoeksinstellingen kunnen samen veel verder gaan dan alleen. Maar hoe? Wat is het perspectief? En wie neemt de voortrekkersrol op zich?

Programma opening EIES2020:

9.00 Kick off

9.05 Welkomstwoord van Victor Everardt (havenwethouder van de stad Amsterdam)

9.15 Interview André Faaij (wetenschappelijk directeur TNO energietransitie) om het thema in een deskundig perspectief te plaatsen.

Pitch stop

9.30 Interview Diederik Samsom (kabinetschef Frans Timmermans) over de Green Deal en het perspectief van de Europese Commissie op de industriële transitie.

9.45 Interview Anja-Isabel Dotzenrath (CEO RWE Renewables) over de Europese energietransitie vanuit het perspectief van een Europees bedrijf.

Pitch stop

10.05 Interview Bert van der Lingen (Nederlandse Consul Generaal van Antwerpen) over de rol en de mogelijkheden van de buurlanden in de Europese energietransitie.

10.15 Interview Klaus Schäfer (CTO Covestro) over de rol en kansen van grote industriële bedrijven in de Europese energietransitie.

10.30 Einde talkshow

European Industry & Energy Summit 2020

Tijdens European Industry & Energy Summit 2020 op 8 en 9 december zenden wij uit vanuit vier studio’s: Amsterdam, Eemshaven (Groningen Seaports), Rotterdam (Plant One Rotterdam) en Geleen (Brightsite Chemelot Campus).  We bespreken thema’s als Europese plannen, waterstof, infrastructuur, innovatie en systeemintegratie. Verschillende partners presenteren in side-events hun visie op onderwerpen als CCUS, elektrificatie, elektrochemie, energiebesparing- en opslag, en veel meer.

Inschrijven voor de livestreams is kosteloos (pay as you like).

Niet alleen de luchtvaart en de transportsector over land, maar ook de scheepvaart moet de CO2-uitstoot drastisch gaan verminderen. Als het aan het Europees Parlement ligt, dan moet de maritieme transportbranche in 2030 jaarlijks zeker veertig procent minder uitstoot produceren. Verder komt er een speciaal ‘Oceaanfonds’ om schepen energiezuiniger te maken en te investeren in nieuwe technologieën.

Het Europees Parlement kwam woensdag bijeen in Brussel om te praten over de toestand in de scheepvaart. Die sector is, ondanks de wens van de Europese Commissie, nog lang niet groen genoeg. Daardoor blijft ze achter bij andere transportsectoren. Zodoende wil de Commissie een klimaatrichtlijnen voor de maritieme transportbranche aanscherpen. De Internationale Maritieme Organisatie (IMO) moet rapporteren over de voortgang in het groener maken van de sector. Maar komt volgens parlementariërs haar afspraken nog onvoldoende na.

Verdrag

De IMO werkt momenteel aan een wereldwijd en ambitieus akkoord voor terugdringing van de uitstoot van broeikasgassen. Maar volgens bepaalde Europarlementariërs gaat dat niet snel genoeg. Zij vragen de Commissie daarom om de integriteit van de IMO-maatregelen te onderzoeken. Zoals het halen van de doelen van het Parijsakkoord. Een internationaal verdrag over broeikasgassenuitstoot van de scheepvaart is dringend nodig, vinden leden van het Europees Parlement. Voortaan gaat de grote maritieme scheepvaart ook Europese emissierechten betalen, zo bepaalde het Europarlement. De grote maritieme scheepvaart deed dat als enige nog niet. Voor alle schepen moet de uitstoot van CO2 sowieso met veertig procent per jaar omlaag. In 2030 moet dit doel bereikt zijn.

Oceaanfonds

Daarnaast willen leden van het Europees Parlement dat er een speciaal ‘Oceaanfonds’. Deze moet worden gefinancierd uit de opbrengsten van emissieveilingen. Het is de bedoeling dat van 2023 tot 2030 geld uit deze pot getrokken kan worden om de scheepvaart energiezuiniger te maken en om in nieuwe technologie te investeren. Verder moet het fonds geld uittrekken voor alternatieve brandstoffen en groene zeehavens. Zeker twintig procent van de inkomsten van het fonds moet worden gebruikt voor het beschermen, herstellen en beheren van mariene ecosystemen die worden beïnvloed door de opwarming van de aarde, zoals koraal.

Sterk signaal

De Nederlandse Europarlementariër Bas Eickhout (GroenLinks) is tevreden met de bereikte resultaten, maar pleit ook voor meer dadendrang. ‘In de Green Deal heeft de Europese Commissie al aangeven dat het Europese ETS ook moet gelden voor internationale scheepvaart, zonder in te gaan op het wanneer en hoe. Voordat zoiets vervolgens het gehele wetgevende proces doorlopen is, gaat er een heleboel kostbare tijd verloren. Het Europees Parlement vult het daarom nu in en besparen we een hoop tijd. Het is tijd voor daadkracht, scheepvaartemissies lopen de klauwen uit.’

Een overgrote meerderheid van het Europees Parlement stemde donderdag voor de maatregelen. ‘Vandaag sturen we een sterk signaal overeenkomstig met de Green Deal en de klimaatnoodtoestand. Monitoring en rapportage van CO2-uitstoot is belangrijk, maar statistieken alleen besparen geen gram broeikasgas!’ aldus rapporteur en Europarlementariër Jutta Paulus (Groenen) uit Duitsland.

Het PBL berekende de nationale kosten van het energieakkoord . Tot 2023 zullen de kosten voor de uitvoering van het akkoord jaarlijks zo’n drie miljard euro bedragen. Daarna dalen de kosten weer. Uitvoering van het Klimaatakkoord zal nog vele malen duurder zijn.

Het in 2019 tot stand gekomen Klimaatakkoord is op dit moment het uitgangspunt voor het nationale klimaatbeleid. Het PBL raamde de nationale kosten hiervan ten opzichte van het daarvóór al ingezette beleid vanwege het Energieakkoord uit 2013. De kosten van het eerdere beleid, inclusief de kosten om de doelen uit het Energieakkoord vast te houden, belopen in totaal ongeveer 52 miljard euro in de periode 2000 – 2050. Omgerekend is dat ruim één miljard euro per jaar of 0,1 procent van het Bruto Binnenlands Product (BBP).

De totale nationale kosten voor de periode 2013 – 2023 (looptijd Energieakkoord) raamt het PBL op 23 miljard euro, gemiddeld is dit 2,1 miljard euro per jaar. Uitgedrukt als percentage van het Bruto Binnenlands Product hebben ze een omvang van respectievelijk 0,1 en 0,3 procent van het BBP.

Prijsdalingen

Tot 2023 lopen de jaarlijkse nationale kosten op, maar daarna dalen ze weer. Veel hernieuwbare energievormen zoals wind op land, wind op zee en zonnepanelen hebben tussen 2000 en 2020 forse kostendalingen doorgemaakt. Herinvesteringen in de periode 2024 – 2050 om de effecten van het beschouwde beleid vast te houden vallen daarom lager uit dan de investeringen die tot nu toe zijn gedaan.

Het PBL verwacht bovendien dat de energieprijzen in de toekomst hoger zullen liggen dan in het verleden, waardoor de kosten voor hernieuwbare energie ten opzichte van fossiele energie gunstiger uitvallen.

Vermeden CO2-uitstoot

De maatregelen hebben geleid tot een afname van de CO2-uitstoot. In totaal bedraagt de vermeden CO2-uitstoot circa veertig megaton per jaar vanaf 2020. Dat is ongeveer een kwart van de huidige CO2-uitstoot in Nederland.

Nationale kosten

Nationale kosten worden in deze studie gedefinieerd als het saldo van jaarlijkse directe kosten en directe baten van maatregelen vanuit maatschappelijk kostenperspectief. Directe kosten zijn bijvoorbeeld de jaarlijkse rente en afschrijvingen op investeringen (kapitaalskosten) voor installaties of apparatuur voor de opwekking van hernieuwbare energie en kosten voor de bediening en onderhoud daarvan. Denk aan investeringen in windturbines, zonnepanelen en andere installaties en apparatuur om hernieuwbare energie op te wekken. Directe baten kunnen baten zijn als gevolg van bespaarde of geproduceerde energie. Denk aan de waarde van de door windturbines geproduceerde elektriciteit.

Eindelijk lijkt er een aanzetje voor een duidelijk industriebeleid in Nederland. ‘Nederland heeft de ambitie en de kans om de (Europese) vestigingsplaats te zijn voor duurzame (basis)industrie,’ stelt minister Wiebes van EZK 15 mei in een brief aan de Tweede Kamer. Een kabinetsvisie als aanzet voor industriebeleid?

Decennialang leken Nederlandse regeringen meer oog te hebben voor de dienstensector, dan voor de “vieze en gevaarlijke” industrie. Dat terwijl de Nederlandse economie ook voor een groot deel dreef op de industrie in en rond Rotterdam, Zuid Limburg, Zeeuws-Vlaanderen, het Noordzee-kanaal, de Eemsdelta en meer clusters. Als dat al werd onderkend, dan werd de industrie vooral gezien als noodzakelijk kwaad. Hooguit een moetje.

De afgelopen jaren zag ik regelmatig optredens van minister Wiebes, die daarover gelukkig net iets anders lijkt te denken. Dat bleek telkens weer als hij sprak voor een industrieel publiek, zoals bij het Deltalinqs Diner, de opening van nieuwe fabrieken of tijdens ons eigen congres Eemsdeltavisie 2019. Hij ziet wel een belangrijke rol voor de industrie, met name ook bij de energietransitie en het realiseren van de klimaatambities.

Mondjesmaat

Ook voor hem is dat regelmatig zwemmen tegen de maatschappelijke stroom in. Het imago liep de afgelopen jaren extra deuken op. De discussies over het klimaatakkoord, de plastic soup, mogelijke afschaffing van dividendbelasting, hoge salarissen in de top en meer deden het – toch al niet geweldige – imago van de industrie geen goed. Soms terecht, soms ook niet. Natuurlijk deed de industrie zelf pogingen om het imago wat op te vijzelen. Door te laten zien dat ze aan veel mooie producten bijdraagt. Dat auto’s lichter en dus zuiniger worden door kunststoffen en dat windmolens en zonnepanelen niet zonder composieten kunnen. Maar de boodschap kwam vaak niet aan.

En industriële bedrijven blinken doorgaans niet uit in transparantie. Ze werken vaak achter gesloten deuren aan energiezuinige processen en verschillende innovaties die fabrieken minder “vies en gevaarlijk”  maken. Dat komt maar mondjesmaat naar buiten. Veel te voorzichtig, of bang voor wat dan ook. De communicatie-afdelingen zitten vaak op dezelfde gang als legal. En meer dan eens zit het hoofdkantoor vast in de houdgreep van de aandelenbeurs of private equity. Open en enthousiaste vertegenwoordigers van bedrijven worden al gauw de mond gesnoerd. Dat is allemaal niet best voor het imago… Onbekend maakt onbemind.

Nieuwe realiteit

Je mag het misschien niet zeggen, maar de huidige coronacrisis is haast een reddende engel voor de industrie. Of op zijn minst een blessing in disguise. Het laat zien dat plastic veel meer is dan alleen het afval in de oceanen. Het materiaal kan ook levens redden en de basisindustrie blijkt vitaler voor de samenleving is dan vaak lijkt. Of zoals de minister het in zijn brief verwoordt: ‘De COVID-19-uitbraak heeft ons laten zien dat de basisindustrie ook tal van producten levert die noodzakelijk zijn voor het voorkomen en bestrijden van besmetting en het behandelen van patiënten. Gezien de belangrijke functie in de keten behoren de beroepen in de basisindustrie tot de cruciale beroepsgroepen ten tijde van de COVID-19-uitbraak.’ De minister is alvast wakker.

Tegelijkertijd grijpt hij dit momentum handig aan om de vitale industrie te koppelen aan de uitdagingen op het gebied van het klimaat. ‘De Nederlandse basisindustrie heeft nu een goede positie op wereldwijde markten. De wereldwijde spelregels veranderen echter sterk door de invoering van klimaatbeleid. Uiteindelijk worden alle landen hierdoor geraakt; de toekomst van deze industrieën zal in belangrijke mate bepaald worden door de snelheid waarmee landen zich kunnen aanpassen aan deze nieuwe realiteit.’

Experts

Uiteraard gaan we nog heel wat discussies krijgen over de richtingen die de minister kiest. Met enige nuance kiest de minister wel een duidelijke lijn, waarbij hij oplossingen niet op voorhand uitsluit. In de discussie over CO2-opslag bijvoorbeeld: ‘Het kabinet zet in op grootschalige opwekking en omzetting van groene energiedragers (waterstof, groene elektriciteit) en verwerking van CO2 in nieuwe producten (CCU) of zolang dat niet kan CCS in lege gasvelden op zee.’

Voor het eerst sinds lange tijd laat een minister zien dat hij ook op de hoogte is van belangrijke nieuwe technologieën. Waterstof, groen gas, CCUS kon hij natuurlijk niet missen. Maar dat hij ook uitgebreide aandacht besteedt aan elektrificatie, elektrochemische conversie en chemische recycling geeft aan dat hij niet over één nacht ijs gaat, of in ieder geval aandachtig heeft geluisterd naar experts in de industrie.

Veertig tot vijftig miljard

Ook lijkt de minister het advies van Taskforce Industrie Klimaatakkoord Infrastructuur serieus te nemen. Dat presenteerde daags voor de brief van de minister een uitgebreid rapport. Daarin raadt ze aan om een centrale energie-infrastructuur te ontwikkelen en een gezamenlijk CCUS-netwerk aan te leggen. Daarnaast zou Nederland moeten investeren in een grensoverschrijdend waterstofnet. Het gaat bij deze investeringen in de infrastructuur al gauw om veertig tot vijftig miljard euro.

Of dat geld zo maar op de plank ligt, is natuurlijk zeer de vraag in deze bijzondere periode. Vast staat wel dat vitale sectoren in de huidige crisis veel zichtbaarder zijn geworden. De zorg, het onderwijs, de voedselvoorziening, maar ook de procesindustrie. En dat een stevig beleid en ook ondersteuning nodig is om deze sectoren te versterken en waar nodig ook richting te geven, moge ook duidelijk zijn.

De Taskforce Industrie Klimaatakkoord Infrastructuur bood haar rapport aan minister Erik Wiebes aan. De taskforce raadt aan om een centrale energie-infrastructur te ontwikkelen en een gezamenlijk CCUS-netwerk aan te leggen. Daarnaast zou Nederland moeten investeren in een grensoverschrijdend waterstofnet. De kosten hiervoor zullen tot 2030 neerkomen op zo’n veertig tot vijftig miljard euro.

Overheid, industrie en infrastructuurbedrijven dragen bij aan de realisatie van de transitie. Om deze te laten slagen is een integrale aanpak nodig. De industrie investeert in de verduurzaming van haar processen en producten en infrastructuurbedrijven investeren in de noodzakelijke kabels en leidingen. De taak van de overheid hierbij is verantwoordelijkheid te dragen voor de juiste randvoorwaarden. Met dat uitgangspunt stelde de Taskforce Industrie Klimaatakkoord Infrastructuur (TIKI) een advies op in opdracht van minister Wiebes van EZK.

Afstemming

Om het centrale doel van het nationaal klimaatakkoord te kunnen realiseren, is alleen al tot 2030 een investering in de infrastructuur nodig van veertig tot vijftig miljard euro. Die infrastructuur is nodig om aan de toenemende vraag naar klimaatneutrale waterstof, elektrificatie en de afvang en opslag en hergebruik van CO2 te kunnen voldoen.

Daarvoor zijn samenwerking tussen de industrie, netwerkbedrijven en overheden essentieel. Maar ook een afstemming tussen netwerkcapaciteitsplanning en de zes industriële clusterstrategieën. Met een afsprakenstelsel over onder meer data-uitwisseling en financieringsarrangementen.

Taskforce

Minister Wiebes startte de Taskforce Industrie Klimaatakkoord Infrastructuur (TIKI) in 2019. De energie, industrie en infra-experts kregen de opdracht de knelpunten in de infrastructuur te benoemen. Ook vroeg de minister met oplossingen te komen. In december 2019 rapporteerde de taskforce, bestaande uit Carolien Gehrels (Arcadis), Marc van der Linden (Stedin) en Hans Grünfeld (VEMW) haar tussentijdse analyse. Ondertussen is de wereld veranderd door de Corona-crisis. Volgens de taskforce kan uitvoering van de adviezen na de crisis een handvat zijn om te starten met investeren in de energie- en industrietransitie.

Oplossingsrichtingen

De adviezen van de taskforce zijn samen te vatten in vier oplossingsrichtingen. Op de eerste plaats is de ontwikkeling van een integrale energiehoofdinfrastructuur nodig. Deze infrastructuur moet een oplossing bieden voor de toenemende vraag naar klimaatneutrale waterstof, elektrificatie en de afvang, opslag of hergebruik van CO2.

CO2-netwerk

Volgens de taskforce moet er ook infrastructuur komen voor carbon capture and storage (CCS) en carbon capture and usage (CCU). Een snelle realisatie kan door voort te bouwen op de vlagschip-projecten Porthos en Athos. Dat is van belang omdat CCS op relatief korte termijn een doelmatige manier is om een substantiële bijdrage te leveren aan de industriële reductieopgave van 14,3 megaton CO2.

Waterstof

Daarnaast dient onderzoek plaats te vinden naar een grensoverschrijdend waterstof /CO2-netwerk. Hierin zit een verdienpotentieel door aansluiting op Duitse en Vlaamse onderdelen van het zogenaamde ARRRA-cluster, dat het grootste chemisch industriële complex op het continent omvat.

Om de uitdagingen rond het klimaat en plastic afval aan te pakken zullen meerdere oplossingen nodig zijn. Dat stelt Frank Kuijpers van Sabic in een beeldinterview met Industrielinqs. De technologische oplossingen van Avantium, mechanische recycling maar ook het voeden van krakers met bio-olie en afvalplastic kunnen een bijdrage leveren. 

Daarmee reageert hij op uitspraken die Tom van Aken, CEO van Avantium, deed in de Talkshow Industrielinqs LIVE op woensdag 6 mei. Van Aken vroeg zich af het terugbrengen van afvalplastic en biomassa en krakers een goede weg is. Het kost namelijk veel energie. Avantium kiest ervoor met haar technologieën om dichter bij de materialen te blijven die de natuur ons biedt. Bijvoorbeeld bij de productie van de biogebaseerde kunststof PEF. Waarvoor  ze momenteel in Delfzijl een fabriek bouwt.

Puntje van zijn stoel

Volgens Kuijpers, wereldwijd Sabic’s hoogste man op het gebied van duurzaamheid, is er niet slechts één weg die naar Rome leidt. De technologische oplossingen van Avantium, mechanische recycling maar ook onze routes zijn allemaal essentieel en nodig. Kuijpers zat af en toe op het puntje van zijn stoel toen hij naar Industrielinqs LIVE keek. Hij was ook als gast aan de digitale tafel aangekondigd, maar kon door technische problemen niet inschakelen.

Getemporiseerd

Hij is enthousiast over het format van de talkshow. Er werd volgens hem een interessant gesprek gevoerd. Wel is het voor hem duidelijk dat het gesprek eerder een vertrekpunt dan het eindpunt van een veel breder dialoog kan zijn. De huidige coronacrisis drukt de aandacht voor klimaat en plastic afval niet naar de achtergrond. Wel zou het volgens hem kunnen dat de snelheid waarmee stappen zijn te zetten iets wordt getemporiseerd.

Volg hieronder het hele interview met Frank Kuijpers. Ook is de talkshow van 6 mei volledig terug te kijken. 

Onderzoekers van de Universiteit Utrecht en het PBL presenteren een nieuw metamodel voor het schatten van de kosten voor het halen van de klimaatdoelen van het Parijsakkoord. De mondiale kosten liggen waarschijnlijk in de orde van twee tot vier procent van het gezamenlijk inkomen wereldwijd in de periode 2015 tot 2100.

De hoogte van de kosten hangt sterk af van sociaaleconomische ontwikkelingen en de kosten van technologieën om broeikasgasemissies terug te dringen. Het nieuwe model is bijzonder omdat het eerdere kostenschattingen in de literatuur samenvat in één transparant model.

Model

In het Parijsakkoord spraken wereldleiders af de mondiale temperatuurstijging te beperken tot ruim onder de twee graden Celsius. Of liever nog 1,5 graden. Om de kosten in te schatten van het behalen van dat doel is kennis nodig over sociaaleconomische ontwikkelingen, de kosten van het reduceren van broeikasgasemissies en het effect hiervan op klimaatverandering. Verschillende IPCC-rapporten en wetenschappelijke literatuur beschrijven deze relaties. De samenstellers van het metamodel maakten een eenvoudig en transparant klimaatmodel dat al deze relaties meeneemt. Dit klimaatmodel maakt zowel een kostenschatting mogelijk als inzicht geven in de onderliggende onzekerheid en de oorzaken hiervan.

Kostenschatting

De samenstellers van het model schatten de kosten op zo’n twee tot vier procent van het bruto mondiaal product. De onzekerheid van deze kostenschatting is echter groot. Voor een temperatuurstijging van maximaal 1,5 graden of twee graden Celsius kunnen de kosten drie keer zo groot of klein uitvallen.

De studie neemt de economische baten van vermeden schade door klimaatbeleid niet mee. Zowel de fysische onzekerheid als de sociaaleconomische onzekerheid draagt bij aan de grote onzekerheidsmarge in de kostenschatting. Voor minder ambitieuze klimaatdoelen (drie graden Celsius) bepalen fysische factoren, met name de relatie tussen broeikasgasemissies en temperatuurstijging, een belangrijk deel van deze onzekerheid.

Onzekerheid

Bij de ambitieuzere Parijsdoelen verklaren vooral sociaaleconomische factoren de onzekerheid. Het gaat hierbij om onzekerheid in de kosten van technologieën die broeikasgasemissies terugdringen, zoals de kosten van zonnecellen. Ook onzekerheden in sociaaleconomische ontwikkelingen spelen mee. Denk aan de groei van de wereldbevolking, economische groei en de ontwikkeling van levensstijl. De politiek zou dan ook in zijn keuzes steeds rekening moeten houden met de gevolgen voor het klimaat. Onder meer bij de inrichting van steden.

Verdere toepassing

Het nieuwe klimaatmodel ondersteunt beleidsmakers bij het inschatten van de kosten van klimaatmaatregelen en het prioriteren van onderzoek. Volgens de onderzoekers kunnen ze het model vrij gemakkelijk verder uitbreid. Bijvoorbeeld om ook de baten van klimaatbeleid en technologische ontwikkeling mee te nemen.

NVDE en Energie-Nederland hebben een plan van aanpak bekendgemaakt. Dit bevat acties om de kostprijs van elektriciteit uit windmolens op land en zonnestroom in Nederland verder omlaag te brengen. Dit actieplan voor lagere kosten is tot stand gekomen samen met bedrijven uit de windsector (verenigd in NWEA) en de zonnebranche (Holland Solar).

Het plan van aanpak richt zich op maatregelen die de kosten verlagen waarop de wind- en zonnesector zelf direct invloed hebben. Voor een deel lopen ze al. Over de kostprijsreductie voor wind op land en zon-pv zijn in het Klimaatakkoord diverse ambitieuze afspraken gemaakt.

De wind- en zonnesector zien goede mogelijkheden om onderling samen te werken en hun bijdrage te blijven leveren aan kostenverlaging. Dat zijn vier concrete sporen voor verbetering: efficiëntere bedrijfsvoering door normering en standaardisering, het verbeteren van de financierbaarheid van projecten, optimaliseren van de productie door betere voorspellingen en monitoring en tot slot het optimaliseren van de netaansluitkosten.

Euro’s per MWh lagere kosten

De kostprijsreductie die met deze acties wordt bereikt ligt in de orde van enkele euro’s per MWh. Verdere reductie komt van technologische ontwikkeling en andere afspraken uit het Klimaatakkoord, die direct leiden tot lagere kosten of de concurrentie tussen marktpartijen stimuleren. Met dit totaalpakket komt in 2025 een kostprijsniveau in zicht waarbij er geen subsidie meer nodig is voor wind op land en zon-pv.

 

Dow Benelux onderzoekt elke dag waar het duurzamer kan in haar bedrijfsvoering. Met de maatregelen die Dow doorvoert, draagt zij bij aan de klimaatdoelstellingen van 2050. Subsidies helpen het bedrijf hierbij. Bijvoorbeeld bij de ontwikkeling van de stoomrecompressor. Een systeem waarmee Dow weer een stap dichter bij CO2-neutraliteit komt. ‘We streven naar circulaire warmte zonder ecologische voetafdruk.’

In 2050 moet Nederland 95 procent minder CO2 uitstoten ten opzichte van 1990. In 2030 moet er al een afname van 49 procent zijn. Dat staat in de klimaatdoelstellingen. Op basis van deze doelen stelt de overheid eisen aan industriële bedrijven. Ze ondersteunt hen bij het voldoen aan die eisen – met kennis, netwerken en subsidies. Via de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl) biedt zij diverse nieuwe subsidies aan. Uniek en eenmalig zijn de subsidies Demonstratie Energie- en Klimaatinvestering (DEI+): Circulaire Economie en de Versnelde Klimaatinvestering Industrie (VeKI). Deze subsidieregelingen dragen bij aan het versneld behalen van de CO2-reductie doelstellingen van 2030. In 2020 opent daarnaast een heel nieuw soort regeling die innovatieve integrale oplossingen voor de industrie ondersteunt: de regeling Missiegedreven Onderzoek Ontwikkeling en Innovatie (MOOI).

‘De stoomrecompressor is een belangrijke oplossing voor warmtehergebruik,’ vertelt Kees Biesheuvel, technologie- en innovatiemanager bij Dow Benelux. ‘Met deze machine kunnen we de energie die we opwekken uit stoom steeds opnieuw gebruiken. De stoomrecompressor zet onze reststoom namelijk onder druk, waardoor de temperatuur en de energiewaarde hiervan weer stijgen.’

Subsidie voor innovatie

Het chemiebedrijf heeft op dit moment een proefopstelling van de machine staan. ‘Deze comprimeert pas één procent van ons totale stoomgebruik. Toch is dat al goed voor een afname van 20.000 ton CO2 per jaar. Een besparing van 0,5 procent op de totale CO2-uitstoot van ons bedrijf.’ Die getallen zullen hoger worden naarmate Dow Benelux de recompressor doorontwikkelt. ‘En dat zullen we met deze resultaten zeker blijven doen.’

De (door)ontwikkeling van de machine is onderdeel van het voortdurende onderzoek van Dow Benelux naar mogelijkheden om CO2-neutraal te zijn. ‘Ondersteuning vanuit de Rijksoverheid is heel welkom bij de stappen die we daarin zetten.’ De subsidie Demonstratie Energie- en Klimaatinvestering (DEI) hielp het bedrijf om de stoomrecompressor te ontwikkelen. ‘Die overheidsbijdrage van 1,3 miljoen euro heeft onze terugverdientijd met een derde verminderd.’

Lijstje met vervuilers

Voor zijn bedrijfsvoering combineert Dow Benelux wetenschappelijke inzichten met technologische kennis. Een succesformule: het bedrijf behoort tot de grootste twaalf industriële bedrijven van Nederland. Die status brengt verantwoordelijkheid met zich mee, stelt Biesheuvel. ‘Ongeveer 75 procent van de industriële CO2-uitstoot in Nederland komt van de twaalf grootste industriële bedrijven. Wij zijn vierde in dat lijstje. Niet een plek om trots op te zijn. We willen onze milieu- en klimaatimpact graag zoveel mogelijk beperken – en anderen inspireren datzelfde te doen.’

Biesheuvel legt uit waarom de uitstoot nu zo hoog is. ‘Dow staat aan het begin van de waardeketen. Wij produceren chemische bestandsdelen waar later andere chemicaliën en kunststoffen mee gemaakt kunnen worden. Om dat te kunnen doen, moeten we moleculen transporteren, kraken of samenvoegen. Daar is veel energie voor nodig. Een deel van die energie gaat in de moleculen zitten. Van het teveel aan energie, maken we grotendeels stoom. Die stoom gebruiken we weer in andere delen van de fabriek. Dankzij de stoomrecompressor houden we straks die energie in onze fabriek in plaats van dat extra energie nodig hebben voor de opwekking van stoom. Zo streven we naar circulaire warmte zonder ecologische voetafdruk.’

Besparing op kosten

Hoe de machine werkt? ‘De eerst wet van de thermodynamica is dat energie nooit verloren gaat’, zegt Biesheuvel. ‘Energie verandert alleen van vorm. Wij gebruiken bijvoorbeeld energie om stoom op te wekken. En die stoom brengt weer energie voort. Met de stoomrecompressor kunnen we deze energie uit stoom op verschillende niveaus hergebruiken. Soms gebruiken we die energie wel vijf keer opnieuw!’

De stoomrecompressor zet reststoom die vrijkomt weer onder druk waardoor de temperatuur van de stoom en haar energiewaarde stijgen. De energie is dan geschikt voor hergebruik. Biesheuvel: ‘We behouden de energie in het systeem. Dat maakt de techniek zo efficiënt. Er is veel minder elektriciteit nodig om stoom op deze manier te comprimeren dan om het opnieuw uit water te maken. Daardoor hebben we niet alleen minder CO2-uitstoot, maar ook lagere energiekosten.’

Samenwerking met buren

‘Als Nederland de klimaatdoelstellingen van 2050 wil halen, moeten we als industrie onze processen opnieuw uitvinden en moeten onze installaties grondig op de schop’, zegt Biesheuvel. ‘De subsidies die de overheid beschikbaar stelt, stimuleren bedrijven innovatieve oplossingen te vinden om de uitstoot terug te dringen. Voor de versnelling en schaalvergroting van de verduurzaming van de industrie is dat heel belangrijk.’

Maar de échte kracht voor verandering ligt volgens Biesheuvel in samenwerking tussen bedrijven. ‘Hier in de regio helpen wij elkaar waar het kan. We hebben in Zeeland bijvoorbeeld Smart Delta Resources: een samenwerking van elf energie- en grondstofintensieve bedrijven uit de regio. Als goede buren bekijken we waar we elkaar kunnen helpen bij het behalen van de klimaatdoelstellingen. Bijvoorbeeld via het uitwisselen van reststromen. Of door samen relevant onderzoek te ondersteunen. Zelf kregen wij uit dit samenwerkingsverband hulp bij onze subsidieaanvraag. En op onze beurt leveren wij waterstof – een bijproduct van onze processen – aan een kunstmestbedrijf.’

Stok achter de deur

De klimaatdoelstellingen voor 2030 en 2050 stellen miljardenbedrijf Dow voor een groot dilemma. Biesheuvel: ‘We kúnnen voldoen aan de eisen voor 2050. Maar daarvoor moeten we wel ingrijpend onze processen veranderen. En die verandering moet in één keer goed gaan. De techniek die daarvoor nodig is, willen we implementeren – maar het lukt ons niet om dat al in 2030 zorgvuldig gedaan te hebben. Het gevolg is dat we een boete zullen krijgen. We betalen dan geld dat we eigenlijk nodig hebben om te investeren in het behalen van de eisen voor 2050.’

Er is wel een mogelijkheid om de eisen van 2030 te halen, zegt Biesheuvel. ‘Maar daarvoor moeten we een andere route inslaan. En die route zorgt ervoor dat we de doelstelling voor 2050 niet zullen halen.’ Het is voor Dow dus het één of het ander.

Hoewel de insteek van de klimaatdoelstellingen volgens Biesheuvel pragmatischer kan, helpt RVO.nl Dow en andere bedrijven. Biesheuvel: ‘De klimaatdoelstellingen zijn een goede stok achter de deur om verandering écht door te zetten. De subsidies helpen hierbij door de ontwikkeling te versnellen. Dat geldt voor ons, maar ook voor veel andere industriële bedrijven.’

Meer weten? Naast de DEI+ subsidie die Dow Benelux gebruikte, biedt RVO.nl nog meer subsidies voor CO2-reducerende maatregelen. Bijvoorbeeld de VeKI en de DEI+CE. Voor meer informatie ga naar RVO.nl.