onderzoek Archieven - Utilities

Onderzoekers in Delft hebben een katalysator ontwikkeld die zelfs in verwaarloosbare hoeveelheden effectief is. De vorm en de robuustheid van de katalysator zorgen ervoor dat deze veel langer meegaat in reacties, waardoor veel energie, afval en kosten kunnen worden bespaard. De resultaten zijn gepubliceerd in Nature Communications.

Een katalysator is aanwezig in het reactiemengsel, maar is geen onderdeel van de chemische reactievergelijking. In theorie zouden katalysatoren dus eeuwig kunnen werken, maar in de praktijk zien chemici dat ze na verloop van tijd minder actief worden. Hierdoor is een grote hoeveelheid van de katalysator nodig om het reactieproces soepel te laten verlopen. De hulpstoffen moeten vervolgens weer uit het reactiemengsel worden gezuiverd, wat een intensief, kostbaar en vervuilend proces is.

Delftse onderzoekers hebben een nieuwe hulpstof ontdekt die volgens hen ongekend efficiënt is. In het onderzoek werkten de chemici met een mangaan katalysator, die moleculen hydrogeneert. Dat wil zeggen dat een dubbele verbinding in het molecuul wordt verbroken en waterstof op die plek in het molecuul komt. Deze reactie wordt vooral ingezet bij het verharden van oliën en vetten.

Zuiveringsstap

Onderzoeker Evgeny Pidko: ‘Om de katalysator effectiever te maken, zijn we gaan sleutelen om zo meer bindingsplekken per molecuul te creëren. Toen merkten we dat de reactie opeens stukken beter verliep.’ Met behulp van spectroscopie zagen de onderzoekers dat de nieuwe katalysator ideale eigenschappen vertoont. In geactiveerde toestand opent het zich om de vereiste reactie aan te drijven. In rusttoestand sluit de katalysator zijn pincet-achtige armen, wat het actieve deel beschermt. Het onderzoek van het team van Pidko laat zien dat de katalysator tot wel 200.000 ‘cycles’ gebruikt kan worden. Pidko: ‘Zelfs bij temperaturen van 120 graden Celsius valt hij niet uit elkaar.’ In plaats van de gebruikelijke 1000 ppm (delen per miljoen) is er van de nieuwe hulpstof maar 5 ppm nodig. Met zulke minieme hoeveelheden kan de zuiveringsstap die normaal nodig is worden overgeslagen.

De ontwikkeling is volgens de onderzoekers belangrijk voor het verduurzamen van de chemische industrie, maar kan niet direct op bestaande chemische processen worden toegepast. Daar is verder onderzoek voor nodig.

Het TKI Nieuw Gas stelt 2,5 miljoen euro beschikbaar voor onderzoek naar diepe geothermie. Het TKI hoopt daarmee kosten te verlagen, efficiency te verhogen, risico’s te verminderen en transparantie en veiligheid te vergroten van (ultra) diepe geothermie.  

De programmalijn Geo-Energie richt zich op veilig en duurzaam gebruik van de diepe ondergrond voor energiewinning en energieopslag. Dat doet zij via het ontwikkelen, testen, demonstreren en implementeren van kennis en innovatieve technieken.

Projectvoorstellen

Belangrijke voorwaarden voor dit soort innovaties is dat ze de ondergrond gebruiken met minimale impact op milieu en leefomgeving en maximale operationele veiligheid. Het TKI Nieuw Gas nodigt daarom projectvoorstellen uit die zich specifiek richten op het onderzoeksgebied Geo Energie voor de energietransitie.

Deze call voor projectvoorstellen richt zich inhoudelijk op het gebruik van de diepe ondergrond voor duurzame energiewinning (zoals geothermie) en energieopslag. Voor verschillende toepassingen is er sprake van onzekerheden als het gaat om kosten en risico’s en spelen vragen omtrent veiligheid van productie en opslag een grote rol.

Voorwaarden

De innovaties die  een projectvoorstel kunnen indienen, moeten bijdragen aan kostenverlaging, efficiencyverhoging en risicovermindering. Daarnaast moeten ze de transparantie vergroten en de veiligheid garanderen van duurzame toepassingen in de ondergrond. Qua positionering in de innovatieketen gaat het hierbij om TRL3 – TRL6.

Alhoewel het TKI verwacht dat ondergrondse activiteiten tot een diepte van vier kilometer voorang krijgen, heeft de call geen restrictie als het gaat om een maximale diepte.

Enkele belangrijke gegevens

  • In totaal stelt het TKI Nieuw Gas € 2,5 miljoen aan budget beschikbaar
  • Projectvoorstellen ontvangen een maximale bijdrage van € 500.000
  • Opening call: 15 juli 2020
  • Sluiting 1e ronde (Expression of Interest): 6 oktober 2020, 17.00 uur
  • Opening 2e ronde (Volledig projectvoorstel): 13 oktober 2020, 17.00 uur
  • Sluiting call: 24 november 2020, 17.00 uur
  • De PPS-toeslagregeling is van toepassing
  • Een deskundige en onafhankelijke expertcommissie beoordeeld elke ingediende Expression of Interest (1e ronde) en alle project voorstellen (2e ronde). Hun oordeel is bindend
  • Projectvoorstellen worden op vier criteria beoordeeld: Bijdrage aan de doelstelling, slaagkans, mate van innovatie, kwaliteit van het project

Zie voor verdere vragen de bijlage

Op donderdag 5 maart 2020 is het ‘Rijswijk Centre for Sustainable Geo-energy’ (RCSG) geopend. Het RCSG is een fieldlab voor aardwarmte onderzoeken op ware schaal. Aardwarmte kan een belangrijke rol spelen in de energietransitie; in 2050 kan met aardwarmte in een kwart van de warmtebehoefte in Nederland voorzien. Om die ontwikkeling te versnellen, hebben het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, Energie Beheer Nederland, Provincie Zuid-Holland, Gemeente Rijswijk en TNO het RCSG opgericht.

Het RCSG bevindt zich in het voormalige ‘boorput onderzoeks- en testcentrum’ van Shell in Rijswijk. Bedrijven die aardwarmte onderzoeken kunnen gebruik maken van het laboratorium. Alle faciliteiten zijn aanwezig om onder hoge druk en temperatuur te testen en te experimenteren met nieuwe boortechnieken en materialen. Bijna alle ondergrondse condities in Nederland kunnen worden nagebootst. Wereldwijd bestaan er slechts enkele vergelijkbare centra.

Nabootsen praktijk

Het centrum beschikt over 20 installaties die het hele spectrum van boren in de ondergrond bestrijken. Er staat een grote boorinstallatie boven een bijna 400 meter diepe put, waarin nieuwe materialen en technieken zijn te testen. Er zijn hydraulische persen van 300 en 400 ton, drukvaten tot 1.000 bar en leidingenstelsels om vloeistoffen in te pompen en te testen. Ondergrondse condities zijn reëel na te bootsen om vast te stellen hoe materialen en componenten zich onder hoge druk of bij hoge temperaturen gedragen op kilometers diepte.

Belang van aardwarmte

De winning van aardwarmte kan een belangrijke rol spelen in de energietransitie. Het is een van de belangrijke bronnen binnen de duurzame energievoorziening. In Nederland produceren we nu 3,5 petajoule aan aardwarmte per jaar maar dat aandeel moet in de toekomst groeien. De verwachting is dat geothermie in 2050 ongeveer een kwart (200 PJ) van de totale vraag naar warmte in ons land produceert. Er moet nog veel gebeuren als het gaat om efficiënter boren. Het moet kosteneffectiever worden, met blijvende aandacht voor veiligheid. Er zijn veel technische innovaties nodig. Het RCSG biedt de mogelijkheid deze innovaties onder de condities die aanwezig zijn in de ondergrond (zoals hoge druk en hoge temperatuur) te ontwikkelen en te beproeven.

Testcentrum bedrijven

Het centrum is toegankelijk voor bedrijven die willen experimenteren met nieuwe boortechnieken en materialen (of deze willen testen), voor aardwarmte of andere duurzame toepassingen. Het verschaft ze toegang tot moderne faciliteiten waar ze anders niet of moeilijk gebruik van kunnen maken. De bedrijven hoeven nu niet zelf te investeren in testfaciliteiten. Dat is normaal gesproken veel te duur waardoor potentieel mooie vindingen ongebruikt blijven.

 

 

Shell Geothermal BV en het Havenbedrijf Rotterdam houden een onderzoek naar geothermie in het westelijk deel van de Rotterdamse haven. De bedrijven hebben hiervoor een opsporingsvergunning gekregen van het ministerie van EZK.

De opsporingsvergunning betekent dat Shell en het Havenbedrijf de komende jaren de tijd hebben om hun plan verder uit te werken. Hiermee kunnen ze in het westelijk deel van de haven aardwarmteprojecten ontwikkelen. De komende circa twee jaar ligt het accent op het maken van afspraken met mogelijke afnemers van de aardwarmte. Daarnaast focussen ze zich op het uitwerken van de kosten, het bepalen van een mogelijke locatie voor een proefboring en het uitzoeken hoe de infrastructuur eruit kan zien. Essentieel is ook dat de aardwarmte kan concurreren met energie uit andere bronnen. Een (proef)boring is nog niet aan de orde.

Zeven projecten met onderzoek naar geothermie

De afgelopen jaren is de ondergrond goed in kaart gebracht. Dit gebeurde mede als onderdeel van de green deal Ultra Diepe Geothermie (UDG). Het doel van UDG is uiteindelijk 30% van de industriële warmte te laten komen van ultra diepe aardwarmte, zoals eerder bij Petrochem is beschreven. Zeven consortia werken aan voorstudies op dit gebied. De verwachting is dat dit jaar de resultaten van onderzoek naar geothermie bekend worden. De eerste pilotprojecten, waaronder een in de haven van Rotterdam, worden dan ook gestart.

De Rotterdamse industrie verbruikt veel energie. Als aardwarmte in de vorm van heet water naar boven kan worden gebracht, kan dat een goede duurzame energiebron zijn. Denk daarbij met name aan de productie van stoom voor de industrie. Daarbij wordt het enigszins afgekoeld. Het water kan dan gebruikt worden voor verwarming van woningen en kassen via een regionaal warmtenet.

Shell en Havenbedrijf zullen EBN (Energie Beheer Nederland) betrekken bij de uitwerking van de plannen.

Paulien Herder, hoogleraar Energy Systems aan de TU Delft, en haar onderzoeksteam binnen het interdisciplinaire consortium Reversible Large-scale Energy Storage (Release), krijgen ruim tien miljoen euro toegekend van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) voor hun onderzoek naar grootschalige energieopslag.

Release werkt aan nieuwe technologische mogelijkheden op het gebied van energieopslag. Het project concentreert zich op drie technologieën voor de korte (2030) en lange termijn (2050): waterstofproductie, koolwaterstofproductie uit CO2 en flowbatterijen.

Herder: ‘Het doel van ons consortium is om de handen ineen te slaan op het gebied van energieopslag en versnelling van de verduurzaming. TU Delft werkt daarvoor samen met wetenschappers uit sterk uiteenlopende disciplines en publieke -en private partners. Voor het bereiken van wetenschappelijke doorbraken op dit gebied is een actieve samenwerking binnen de kennisketen van groot belang. Met elkaar willen wij voor 2030 en 2050 technologische oplossingen en beleidsmaatregelen realiseren die essentieel zijn voor het verbeteren van de prestaties. Maar ook voor het verlagen van de kosten van grootschalige energieopslag, gebaseerd op elektrochemische omzettingen.’

Alliantie

Het consortium bestaat uit universiteiten, hogescholen, bedrijven, field-labs en overheden, in een ongeëvenaarde alliantie van lab schaal tot implementatie. Ruim 40 onderzoekers van zeven universiteiten en 25 partners kunnen binnen dit consortium met hun teams aan de slag met interdisciplinair onderzoek waarmee maatschappelijke en wetenschappelijke doorbraken binnen bereik komen. Het onderzoek binnen het Release project past ook mooi binnen het Delftse onderzoeksinitiatief e-Refinery.

Crossover-programma NWO

NWO steekt vanuit het Crossover-programma in totaal 39 miljoen euro in vijf grote, interdisciplinaire onderzoek consortia om vooruitgang te boeken binnen diverse maatschappelijke en economische uitdagingen.

Het Crossover-programma is nieuw binnen NWO en is onderdeel van de NWO-bijdrage aan het Kennis- en Innovatie Contract 2018-2019. Met dit contract onderschrijven overheid, bedrijfsleven en kennisinstellingen de inhoudelijke ambities voor de topsectoren, met als doel het Nederlandse kennis- en innovatiesysteem te versterken.  In vergelijking met de ‘reguliere’ publiek-private samenwerkingen bestrijken de projecten in het Crossover-programma een breder palet van topsectoren en andere onderzoeksagenda’s.

De Universiteit Twente gaat een grote rol spelen in het terugdringen van het zoute water in de deltagebieden. Wetenschapsfinancier NWO stelt voor het project SALTISolutions zo’n vier miljoen euro beschikbaar aan verschillende kennisinstellingen. Daarnaast dragen private partijen en de overheid ook 2,5 miljoen bij.

De inmenging van zout zeewater met de zoete wateren in onze deltagebieden zorgt voor problemen. De klimaatverandering en zeespiegelstijging versterken deze ook nog eens. Alleen al in de Nieuwe Waterweg, de verbinding met de zee bij Rotterdam, is zo’n achthonderd kubieke meter Rijnwater per seconde nodig om het zoute zeewater tegen te houden. Dat is bijna al het water dat nu via de Rijn ons land binnenkomt. Het tegenhouden van het zoute water met de tegendruk van het rivierwater is nodig omdat het zeewater anders de plaatsen bereikt waar zoet water wordt ingelaten naar de binnendijkse boezems.

Zoet water in onze rivieren is belangrijk voor de landbouw, natuur en onze drinkwatervoorziening. Bovendien zorgt zout water in de rivieren voor ongewenste erosie van materialen in bijvoorbeeld sluizen en havens.

De Universiteit Twente richt zich binnen SALTISolutions op drie projecten: Nature-based processen en oplossingen (coördinator: Suzanne Hulscher) Een serious game (coördinator: Mascha van der Voort) Een ‘digital twin model’ (coördinator: Jaap Kwadijk)

Natuurlijke processen

Suzanne Huslcher: ‘Hier onderzoeken we maatregelen die gebaseerd zijn op de natuurlijke processen. Het zware zoute water kruipt via de bodem de zoete wateren binnen. Er is daarom meer turbulentie nodig, een mechanisme dat het zoute en zoute water beter – in de waterkolom – met elkaar laat mengen. Hierdoor kan de zouttong niet verder kruipen. We kijken hier naar bodemvormen; golvende patronen op de bodem voorkomen de verzilting. Verder kijken we bij estuaria, de verbrede en vaak trechtervormige monding van de rivier in zee, of we met kwelders (begroeid stuk land dat aan de zee grenst) en andere oevermaatregelen via de oevers menging kunnen vergoten. In sluiscomplexen gaan we uitzoeken hoe de zoutindringing precies werkt en dit modelleren we vervolgens.’

Serious game

Bij besluitvorming over maatregelen om verzilting tegen te gaan zijn veel partijen betrokken. Daarom ontwikkelt prof. Mascha van der Voort een ‘Delta Management Game’. ‘Dit is een game die alle belanghebbenden betrekt en ondersteunt bij het nemen van beslissingen’, zegt Van der Voort. ‘De game geeft inzicht in elkaars perspectief. Ook bevordert de game de relatie en het vertrouwen in de uitkomst en in elkaar. We bouwen hiermee voort op de ‘Virtual River’ die eerder is ontwikkeld binnen het project RiverCare. Daarmee zijn we momenteel volop workshops aan het houden bij partners.”

Digital twin

Prof. Jaap Kwadijk, tevens wetenschappelijk directeur van waterinstituut Deltares, ontwikkelt een model dat het effect van alle Maatregelen binnen SALTISolutions inzichtelijk maakt.

Een artikel van de European Academies’ Science Advisory Council (EASAC) zet het grootschalige gebruik van biomassa als brandstof in een nieuw daglicht. Hoewel biomassa als hernieuwbare energie is geclassificeerd, is de massale inzet ervan volgens de auteurs slechter voor het milieu dan steenkool of aardgas. Met name subsidiëring van biomassa leidde tot het op industriële schaal exploiteren van bossen.

RWE bouwt zijn Nederlandse kolencentrales om naar biomassacentrales. Ook lokale warmtekrachtprojecten maken steeds meer gebruik van bio-wkk met biomassa als brandstof. De Europese Renewable Energy Directive (RED) duidt biomassa ook aan als hernieuwbaar. De Nederlandse overheid baseert zijn subsidiebeleid met name op deze richtlijn.

Meer CO2

Het Europese wetenschappelijke adviesorgaan EASAC publiceerde echter onlangs een artikel met een waarschuwing voor grootschalige inzet van biomassa. De wetenschappers maken zich vooral zorgen om geïmporteerde biomassa dat over grote afstanden wordt vervoerd.

Het probleem is dat alle in het hout opgeslagen CO2 in één keer in de atmosfeer terecht komt. De energetische inhoud van hout is bovendien lager dan dat van steenkool, waardoor er dus meer van nodig is, wat de CO2-uitsstoot verhoogt.

Bomenkap

De wetenschappers benadrukken wel dat de problemen zich vooral voordoen bij het kappen van bomen. Veel Nederlandse biomassacentrales draaien op snoei- of afvalhout. Het omkappen van bomen om die vervolgens opnieuw aan te planten, heeft wel effect, maar pas over enkele decennia of zelfs eeuwen. Een volwassen boom gebruikt nu eenmaal meer CO2 dan een jonge soortgenoot.

Denkfout

Tot nog toe tellen overheden de CO2-uitstoot van biomassa niet mee omdat de kooldioxide uit de lucht is opgenomen. Dat is volgens de onderzoekers een denkfout omdat het jaren duurt voordat de geëmitteerde CO2 weer in biomassa is omgezet. In het kader van klimaatverandering is deze tijd er niet.

Het panel adviseert dan ook de subsidie voor biomassa te beperken tot restproducten uit de bosbouw, agrarische restproducten of snelgroeiende grassen.

In een nieuwe studie onderzoekt Voltachem de haalbaarheid van waterstofproductie door afvalverbrandingsinstallaties. De studie richt zich op de ReEnergy centrale in Roosendaal. Door ongeveer een derde van de 20 megawatt elektrische stroomopwekking voor de productie van waterstof te gebruiken, zou de installatie substantieel kunnen bijdragen aan de energietransitie, met name in de regio Roosendaal.

Ruim de helft van het verbrande afval in Roosendaal is biogeen. Daardoor kan ongeveer 53 procent in 2019 en 54 procent in 2018 van de elektriciteit van ReEnergy als duurzaam worden beschouwd. De studie ReFuel richt zich op de omzetting van deze duurzame elektriciteit in koolstofarme waterstof, transportbrandstoffen en chemische grondstoffen.

Pilot-schaal

Het uiteindelijke doel van de studie is de bouw van een industriële elektrolyse-installatie. Die moet in staat is om met een volledige belasting van 8000 uur per jaar te draaien. Daardoor moet de investering zo effectief mogelijk worden ingezet. Om dit te bereiken, moet de technologie eerst op pilot-schaal worden getest en de haalbaarheid van het ReFuel-concept worden aangetoond.

De studie wordt gecoördineerd door ECN onderdeel van TNO – mede-initiatiefnemer van VoltaChem – en wordt uitgevoerd samen met SUEZ, Engie, Odura en Sunfire.

Afval- en energiebedrijf HVC kreeg toestemming om te gaan zoeken naar goede aardwarmtebronnen in de zogenaamde IJmondgemeenten. Bewoners van Beverwijk, Heemskerk en Velsen zouden naast aardwarmte ook restwarmte van Tata Steel en thermische energie uit afval- en oppervlaktewater kunnen gebruiken.

Aardwarmte is een goed en betrouwbaar alternatief voor fossiel gas en kan een forse bijdrage leveren aan de lokale verduurzaming. Daarom gaat HVC de potentie voor aardwarmte in de IJmondgemeenten gedetailleerd in kaart brengen. Onlangs heeft het ministerie van Economische Zaken en Klimaat een opsporingsvergunning voor aardwarmte aan HVC toegekend. HVC gaat verkennen óf en onder welke voorwaarden de ondergrond geschikt is voor de winning van aardwarmte.

Nederland aardgasvrij

De overheid heeft bepaald dat onze energievoorziening in 2050 volledig aardgasvrij moet zijn. Dat is een enorme opgave waarbij alle Nederlandse gemeenten een belangrijke rol gaan vervullen. Ruim 7 miljoen huishoudens moeten in Nederland van het aardgas af omdat aardgas een fossiele brandstof is die verantwoordelijk is voor de opwarming van de aarde. We moeten daarom over op een nieuwe manier van verwarmen, douchen en koken.

Warmtenet IJmond

De realisatie van een warmtenet IJmond is een grote wens van de regio. In de IJmondgemeenten (Beverwijk, Heemskerk en Velsen) wordt de haalbaarheid van een regionaal warmtenet al enige jaren onderzocht. Dit warmtenet zou een schaalsprong betekenen voor de duurzame energievoorziening van de IJmond en een belangrijke bijdrage leveren aan de regionale klimaatdoelstellingen. Naast een nieuw te ontwikkelen aardwarmtebron kan het warmtenet ook worden gevoed met aardwarmte van de bestaande bron van Floricultura en restwarmte van Tata Steel. Ook worden de mogelijkheden van Thermische Energie uit Oppervlaktewater (TEO), Thermische Energie uit Afvalwater (TEA) en riothermie onderzocht.

Onderzoek potentie aardwarmte

HVC gaat onderzoeken of er warm water in de grond zit en hoe we deze op veilige en verantwoorde wijze kunnen benutten voor het verwarmen van woningen, bedrijven en kassen. Het onderzoek brengt in beeld hoeveel warmte er in potentie kan worden gewonnen, met welke risico’s rekening gehouden moet worden en of deze afdoende beheersbaar zijn. HVC heeft de vergunning in overleg met de IJmond gemeenten aangevraagd. De opsporingsvergunning van het ministerie van Economische Zaken en Klimaat is verkregen na advies van TNO, toezichthouder Staatstoezicht op de Mijnen (SodM), college van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Holland en de Mijnraad.

Voor zonnepaneel-eigenaren was 2018 een recordjaar. De opbrengst is ruim 10 tot 25 procent hoger dan verwacht, laten berekeningen van de Universiteit Utrecht zien. Het is opvallend dat eigenaren in het oosten van Nederland het meeste profiteren.

‘We zeiden het al in oktober, toen veel eigenaren al evenveel energie hadden opgewekt met hun zonnepanelen als normaal gesproken in een heel jaar. Met de zonnige weken in het laatste kwartaal, vooral in oktober, zien we nu een recordopbrengst’, zegt Wilfried van Sark, hoogleraar zonne-energie aan de Universiteit Utrecht.

Gedurende 2018 brachten zonnepanelen vergeleken met het langjarig gemiddelde van 1981 tot 2010 zo’n tien tot vijfentwintig procent meer op, afhankelijk van waar je woont in Nederland. De landelijk gemiddelde meeropbrengst in 2018 t.o.v. 1981-2010 is 18,9 procent.

Tien panelen is genoeg

Onderzoekers Nick Nortier, Geert Litjens en Wilfried van Sark van de Universiteit Utrecht gebruikten in hun berekening gegevens van het KNMI van alle meetstations in Nederland. Voor de berekening van energieopbrengst namen zij een optimaal georiënteerd zonnepaneelsysteem.

De opbrengst van zonnepanelen wordt vaak weergegeven in kWh/kWp – een rekenstandaard onafhankelijk van het aantal panelen op het dak. De capaciteit van een gemiddeld systeem van ongeveer vier panelen ligt tegenwoordig wat hoger dan 1 kilowattpiek (kWp). In De Bilt was de opbrengst in 2018 1090 kWh/kWp, in Den Helder 1109 kWh/kWp, in Twente 1115 kWh/kWp en in Maastricht 1177 kWh/kWp. Het landelijke gemiddelde kwam uit op 1111 kWh/kWp. Dat betekent dat een gemiddeld huishouden in Nederland in 2018 met tien panelen al zijn elektriciteit had op kunnen wekken.

Honderd euro

In Nederland mag men normaal gesproken rekenen op 875 kWh/kWp als kental voor opwekking van energie met zonnepanelen, dat getal gebruikt het CBS ook om het aandeel zonne-energie in de Nederlandse elektriciteitsvoorziening te bepalen. In 2018 werden voor een optimaal systeem ruim hogere opbrengsten gevonden, met een duidelijk regionaal verschil. Meer energie levert ook meer geld op voor de eigenaar, in 2018 zo’n honderd euro voor een systeem van tien panelen.

Opbrengst zonnepanelen

‘Op dit moment draagt zonne-energie zo’n drie procent bij aan de elektriciteitsvoorziening in Nederland’, aldus Van Sark. ‘Die groei zet gestaag door. In 2030 zal ongeveer een-derde van onze elektriciteit van de zon komen.’