opleiding Archieven - Utilities

John Kapteijn is service engineer bij Holland Water. Bij klanten installeert hij systemen waardoor bacteriën zoals legionella zich niet kunnen ontwikkelen, vermeerderen en verspreiden in watersystemen. Dat doet hij zowel in de industrie bij bijvoorbeeld koeltorens, maar ook bij drinkwaterleidingen van hotels en ziekenhuizen.

Hoe zorgt jullie installatie ervoor dat legionella niet kan ontstaan?

‘We plaatsen onze installatie waar het water binnenkomt. In ons systeem zitten koperen en zilveren elektroden. Die geven koper- en zilverionen af aan het water. Die materie gaat door het hele waterleidingnetwerk.’ Deze koper- en zilverionen zijn schadelijk voor bacteriën, waardoor ze zich niet kunnen ontwikkelen.

Wat doe jij bij Holland Water?

‘Ik werk zowel in onze werkplaats als bij klanten. In de werkplaats bouwen en testen we de systemen voordat ze naar een klant toe gaan. Bij klanten installeer, activeer en onderhoud ik de systemen. Daarnaast train ik onze klanten in wat ze zelf moeten doen om de werking van ons systeem te optimaliseren. De installatie is namelijk geen tovermachine. De klant moet zorgen dat het water in beweging blijft om de koper- en zilverionen op hun plek te krijgen. Als er bij ons nieuwe medewerkers komen, dan train ik ze. En ik geef ook training aan buitenlandse klanten. Ik leer ze hoe ze de installatie kunnen onderhouden.’

Wat voor onderhoud is er nodig?

‘Twee tot vier keer per jaar gaan we bij klanten langs voor onderhoud. Tijdens het onderhoud verwijderen we bijvoorbeeld eventuele aanslag, reinigen we het systeem en vervangen we elektrodes als dat nodig is. En als er nieuwe mensen bij de technische dienst van een klant zijn komen werken, geef ik die een kleine training.’

Hoe groot is de installatie waarmee je een watersysteem legionellavrij kunt maken?

‘We hebben verschillende soorten. Een klein systeem voor bijvoorbeeld een b&b met twee kamers past in de meterkast. Maar een systeem voor een hotel waar duizend kubieke meter per jaar doorheen gaat, is zo groot als een groot whiteboard. We kunnen dat vlak tegen de muur hangen, vaak in de kelder van een gebouw. Mensen zijn verbaasd hoe weinig ruimte het inneemt.’

Wat vind je leuk aan jouw werk?

‘Ik ben graag met mensen bezig en met techniek. Als ik een training geef, mag ik altijd graag alle neuzen dezelfde kant op krijgen. Ze noemen ons soms service engineers plus. Ook leuk is dat we behoorlijk aan het groeien zijn en we een steeds breder portfolio krijgen. Nu zijn we bijvoorbeeld bezig met UV-installaties waarmee je ook kunt voorkomen dat er legionella in het water komt. Je krijgt nieuwe producten en nieuwe mensen en daar zit ook weer educatie bij. Zo blijf je aan de gang.’

Techniekhelden

De industrie wemelt van de techniekhelden. Want hoe kunnen we producten maken voor auto’s, smartphones of medicijnen zonder technici die de machines en installaties in conditie houden? De techniekheld mag wat ons betreft best eens op het podium worden gehesen. Ben of ken jij iemand in de procesindustrie of energiesector die enthousiast kan vertellen over hun beroep? Laat het ons weten via redactie@industrielinqs.nl. In ons magazine tonen we de grote verscheidenheid aan beroepen in de industriële omgeving.

Met een bijdrage van drie miljoen euro van Nationaal Programma Groningen kan het opleidingsprogramma Waterstof Werkt van start gaan. Met de subsidie uit het provinciaal programma stellen de projectpartners een breed opleidingsprogramma samen op het gebied van waterstof. Het gaat dan om opleidingen, trainingen, traineeships en stageplekken op mbo-, hbo-, wo- en professioneel niveau.

Afgelopen vrijdag overhandigden Adriaan Beenen (regioambassadeur Noord bij het ministerie van Economische Zaken en Klimaat) en Nienke Homan (gedeputeerde van de provincie Groningen en bestuurslid Nationaal Programma Groningen) een symbolische cheque aan de betrokken partners.

De provincie Groningen is enorm bezig met de waterstofeconomie. Ze krijgt investeringen van de overheid en het bedrijfsleven. Dit creëert kansen voor de regio op het gebied van groei, innovatie en werkgelegenheid. Om deze nieuwe energie-economie te laten slagen, is de beschikbaarheid van voldoende geschoolde mensen in de regio heel belangrijk. Onderwijsinstellingen werken daarom samen aan een gecoördineerde aanpak en programma in de noordelijke regio. Er wordt onder meer een leergemeenschap met het bedrijfsleven opgezet, met aandacht voor om- en bijscholing. Ook een kennisdatabank voor waterstof is in de maak.

Over het project

Het programma Waterstof Werkt is een initiatief van New Energy Coalition in samenwerking met onderwijsinstellingen en bedrijfsleven. Het programma heeft een totale omvang van ruim zeven miljoen euro. Verder wordt het gefinancierd door betrokken partners uit het bedrijfsleven, de onderwijsinstellingen en New Energy Coalition. Waterstof Werkt moet de komende jaren een impuls geven aan het regionale onderwijs om in te spelen op de kennisvraag voor banen in de duurzame energiesector en de waterstofeconomie in het bijzonder. Het project loopt van 2022 tot 2027.

Het projectconsortium bestaat uit: ROC Alfa-college, ROC Noorderpoort, Hanzehogeschool  Groningen, Rijksuniversiteit Groningen, New Energy Coalition.

Twaalf vakmensen uit de Belgische chemie- en farmasector geven dit schooljaar een aantal uur per week les op het middelbaar onderwijs. Door enkele uren per week voor de klas te staan, kunnen ze hun praktijkervaring doorgeven, meer meisjes en jongens warm maken voor wetenschappelijke en technische studies of beroepen en het lerarentekort een beetje helpen verzachten.

Vakmensen uit het bedrijfsleven die naast hun job ook deeltijds lesgeven in het secundair onderwijs. Dat is duaal lesgeven in een notendop. Dit schooljaar start het eerste proefproject dat de weg kan vrijmaken voor een bredere uitrol de komende jaren. Zo geeft Steven Rusch, procesingenieur bij Janssen Pharmaceutica, vanaf deze maand het vak ‘Scheidingstechnieken’ aan de TSO-leerlingen van het 6de jaar Chemie en het 7de jaar Productie- en Procestechnologie en Chemische Procestechnieken in het Stedelijk Lyceum Eilandje in Antwerpen.

Praktische toepassingen

Het voordeel is dat leerling les krijgen van experts uit de chemie- en farmasector die de formules uit theoretische handboeken kunnen illustreren met praktische toepassingen. Bedrijven kunnen de wisselwerking met het onderwijs versterken en hun medewerkers een waardevolle educatieve ervaring bieden die hun loopbaan verrijkt. Middelbare scholen uit ASO (Algemeen Secundair Onderwijs) en TSO (Technisch Secundair Onderwijs) kunnen via duaal lesgeven dan weer een beroep doen op lesgevers met praktijkervaring die ze momenteel moeilijk vinden.

Proefproject

Duaal lesgeven is een twee jaar durend proefproject gelanceerd door Vlaams minister van Werk en Economie Hilde Crevits en Vlaams minister van Onderwijs Ben Weyts, uitgewerkt in nauwe samenwerking met onder andere sectorfederatie essenscia vlaanderen en de bedrijven uit de chemie en life sciences. Het initiatief ontvangt onder de projecttitel ‘Teach Up’ financiële steun vanuit het Europees Sociaal Fonds (ESF) en de Vlaamse Overheid en wordt inhoudelijk opgevolgd door een expertenpanel van academici en vertegenwoordigers uit het onderwijsveld, het bedrijfsleven en de overheid.

De eerste lichting van twaalf pioniers in duaal lesgeven zijn afkomstig van zes pioniersbedrijven: BASF, Eastman, INEOS, Janssen Pharmaceutica, Pfizer en Vynova. Ze volgden eerst een verplichte didactische en pedagogische vooropleiding. Ze geven onder andere les in biotechnieken, chemie, mechanica, systeemhydraulica en toegepaste fysica.

Foto ter illustratie

Groene waterstof gaat zorgen voor werkgelegenheid in Nederland. Dat blijkt uit onderzoek van de onafhankelijke denktank CE Delft.

De arbeidsvraag ligt volgens CE Delft in 2030 tussen de 6.000 en 17.300 fte en in 2050 tussen de 16.400 en 92.400 fte. Het gaat om banen die ontstaan door een eenmalige vraag naar arbeid vanwege bouw en aanleg, maar ook om banen door onderhoud en exploitatie.

CE Delft heeft per sector, voor een laag en hoog scenario onderzocht wat de potentiële arbeidsvraag is gerelateerd aan groene waterstof. Het lage en hoge scenario zijn beide klimaatneutraal, maar zijn anders opgebouwd. Het lage scenario heeft zowel minimale toepassing als minimale (Nederlandse) productie van groene waterstof. Het hoge scenario heeft zowel maximale toepassing als maximale eigen productie.

Tekort technisch personeel

In vrijwel alle sectoren die in het rapport zijn genoemd bestaat de arbeidsvraag voor een groot gedeelte uit technisch geschoold personeel (mbo-techniek). Volgens de onderzoekers toont een studie (Ecorys, 2021) dat er in de energietransitie in 2030 een tekort zal zijn aan 23.000 tot 28.000 werknemers. Maar terwijl het tekort oploopt, daalt het aanbod van mensen met technische kwalificaties juist sterk. ‘Als Nederland de ambities op klimaatgebied wil waarmaken, dient er geïnvesteerd te worden in het technisch lager beroepsonderwijs. Hiernaast kan bij- en omscholing bijdragen om de arbeidsvraag en het aanbod op elkaar aan laten sluiten’, aldus CE Delft in zijn rapport.

In 2018 heeft CE Delft een onderzoek uitgevoerd naar werkgelegenheidseffecten door groene waterstof. Het huidige rapport is een uitbreiding en update van dat onderzoek en is op verzoek van Shell uitgevoerd.

 

Ik ben zeer voor diversiteit. Het doet me dan ook een deugd dat we bij onze evenementen en in onze bladen bijvoorbeeld steeds meer deskundige vrouwen aan het woord krijgen. Bij ons Watervisiecongres hadden we in het hoofdprogramma evenveel vrouwen als mannen aan tafel, mijzelf als witte man meegerekend. Hopelijk krijgen we daarnaast ook steeds meer kleur in de industrie en we hebben ons voorgenomen om nog meer op zoek te gaan naar jonge wijze mensen, om te interviewen.

Inclusiviteit en diversiteit heeft echter niet alleen met gender, kleur, leeftijd en afkomst te maken. Maar ook met variatie in kennis en inzichten. Standpunten worden immers ook bepaald door de positie die mensen innemen. Sta je buiten een gebouw, dan zie je wat anders dan wanneer je binnen loopt. Dat is zeer van invloed.

De industrie bestaat vooral uit – meestal witte, mannelijke – technici, die elkaar wel vinden in hoe de wereld is opgebouwd. Daar mag best wel wat meer verscheidenheid in komen. En misschien is dat ook al een tijdje gaande. Gezien ook de toenemende variatie in onze kolommen en bij onze evenementen.

Echter de wereld van alpha’s mag daarentegen wel een extra snufje logica van de bèta’s gebruiken. Neem bijvoorbeeld de politiek. Op de kieslijsten van de parlementsverkiezingen staan misschien twaalf mensen met een technische achtergrond die straks op het pluche terecht kunnen komen. Maximaal, want meer dan de helft staat op een net-wel-net-niet-positie op een lijst. Dus maximaal acht procent van de volksvertegenwoordigers straks is bèta. Zes procent is waarschijnlijker.

Het lijkt me sterk dat dat een goede afspiegeling is van de samenleving. Sowieso heeft meer dan een zesde van de werkende Nederlanders een technisch beroep, ongeveer 17 procent. Dus daar zit al een factor twee tot drie. Maar wat nog belangrijker is; klimaat en energietransitie staan hoog op de agenda. Een beetje meer bèta-inzicht kan dan geen kwaad. Dus mijn pleidooi: meer vrouwen in de industrie en meer bèta’s in de politiek. Lijkt me een prima deal!

Jan van Dinther van Siemens is onlangs uitgeroepen tot Jong Haventalent 2021. Een jaar lang is hij de ambassadeur en het rolmodel voor jong talent in de haven van Rotterdam. Hij wil concrete energietransitie-projecten in de haven zichtbaar maken en jongeren helpen de juiste studie te kiezen om daaraan bij te kunnen dragen in de toekomst. Volgens hem kunnen jongeren met hun digitale vaardigheden en brutaliteit een grote bijdrage leveren aan de energietransitie.

Jan van Dinther (26 jaar) is energy transition developer bij Siemens. ‘De energietransitie is een heel complex vraagstuk. Daarom vind ik mijn vak ook erg interessant. Ik maak softwaremodellen die kunnen helpen bij allerlei problemen in de energietransitie. Complexe problemen kun je nabouwen in de vorm van een simulatiemodel. Aan de hand van zo’n model, kun je besluitvormers beter inzicht geven in wat het probleem is, waar de pijnpunten van een dilemma liggen en assisteren om betere oplossing te bedenken. In simulatiemodellen kun je spelen zonder dat je de echte wereld beïnvloedt.’ Denk bijvoorbeeld aan een digital twin. Dat is niet alleen de exacte kopie waar een bedrijf zijn operatie op kan managen. Maar je kunt daarin ook kijken naar de toekomst en onderzoeken wat bepaalde maatregelen voor invloed op jouw systeem hebben.

Investeren of niet?

Van Dinther is momenteel betrokken bij het Gridmaster-project. Een project waarbij met behulp van een simulatiemodel wordt gekeken naar investeringen in de energie-infrastructuur in de Rotterdamse haven (zie ook kader). ‘Netbeheerders leveren daar modellen voor aan’, legt Van Dinther uit. ‘Die koppelen wij aan modellen van de industrie. Met Gridmaster kijken wij wat de operatie van de industrie voor effect heeft op de infrastructuur.’

energietransitie

‘Als je jongeren wat laat bouwen, denken ze misschien verder dan management kan of durft.’

Jan van Dinther, energy transition developer Siemens en Jong Haventalent 2021

En dat is uitdagend. Hoe de industrie opereert, kan namelijk nogal verschillen nu en in de toekomst. Van Dinther: ‘Er spelen heel veel factoren mee. In het Gridmaster-model kunnen we met algoritmes en slimme analysestappen veel verschillende scenario’s opstellen en doorrekenen die zich kunnen afspelen in de onzekere toekomst. Aan de hand van de door Gridmaster verkregen inzichten kunnen netbeheerders beter beslissen waar ze in investeren en waarin niet.’

Gridmaster

Het is een bekend kip-ei-probleem: netbeheerders en industrie wachten op elkaars plannen. Een consortium met partijen uit de energie-infrastructuurmarkt in de Rotterdamse haven heeft er een oplossing voor bedacht. Het consortium, Gridmaster genaamd, ontwikkelde een simulatiemodel waarin verschillende (toekomst)scenario’s kunnen worden geanalyseerd. Het project duurt tien maanden.

De zogenoemde Gridmaster-methode moet leiden tot kansrijke investeringsplannen voor de energie-infrastructuur in de Rotterdamse haven. Denk hierbij aan aardgas, waterstof en elektriciteit. De Gridmaster-methode bestaat uit een adaptief simulatiemodel van het energiesysteem van de Rotterdamse haven waarmee de prestaties van investeringsplannen voor grote hoeveelheden verschillende (toekomst)scenario’s kunnen worden geanalyseerd. Met dit zogenaamde stresstesten krijgt het consortium inzicht in de toekomstbestendigheid van een investering over bijvoorbeeld tien of dertig jaar.

Bij de Gridmaster-methode wordt het integrale energiesysteem voor de komende decennia (2020–2050) in een computermodel omgezet. Alle instrumenten, modellen en resultaten die in het kader van het project worden gecreëerd, worden openbaar gemaakt. Omdat het integrale energiesysteem in één gedigitaliseerd model is ondergebracht, biedt dit veel onderzoeksmogelijkheden naar investeringen in andere delen van het energiesysteem, zoals de landelijke infrastructuur. Daar spelen vergelijkbare uitdagingen rond investeringen onder grote onzekerheid.

Aantrekkelijk

Ook kunnen netbeheerders zien onder welke omstandigheden een investering een goed idee is. Zo kunnen ze bijvoorbeeld zien dat als er ontwikkeling a, b of c gaande is in de waterstofeconomie, ze rekening moeten houden met investering x, y, of z. Van Dinther: ‘Die signalen kun je uit het simulatiemodel halen die je dan vervolgens ook in het echt gaat monitoren en opvangen. Dat maakt het adaptief.’

Dit soort projecten zijn volgens Van Dinther een goed voorbeeld van digitalisering in de energietransitie en aantrekkelijk voor jongeren. ‘Ik ben ervan overtuigd dat jongeren graag een maatschappelijke bijdrage willen leveren. De energietransitie is natuurlijk een mooie kans dat te doen. Maar vaak weten ze niet wat ze kunnen doen, hoe ze dat kunnen doen en wat ze ervoor moeten kunnen.’

energietransitie

Als Jong Haventalent wil hij jongeren inspireren om voor een studie te kiezen waarmee ze kunnen bijdragen aan de energietransitie. Dat doet hij door in gesprek te gaan met opleidingen en jongeren zelf. Hij wil hen inspireren door concrete projecten te laten zien (zie kader op de volgende pagina). ‘Hierdoor kun je jongeren iets specifieker laten nadenken over wat ze kunnen gaan doen. Zo kun je wat meer richting geven over studies die daarbij horen op mbo, hbo of de universiteit.’

Brutaliteit

Van Dinther denkt ook dat de digitale vaardigheden en brutaliteit van jongeren een grote bijdrage kunnen leveren aan de energietransitie. ‘Jongeren groeien anders op dan het meeste senior management is opgegroeid. Het is vanzelfsprekend dat ze digitale vaardigheden hebben. Bepaalde concepten zien ze makkelijker voor zich. Als je hen wat laat bouwen, denken ze misschien verder dan management kan of durft. Met brutaliteit van jongeren bedoel ik dat je niet altijd de huidige status quo volgt. Brutaliteit is ook hoe je nadenkt over het nemen van risico’s. Je hoort nu vaak dat er een onrendabele top is en de vraag hoe de overheid dat op gaat lossen. Maar bij innovatie hoort het om durfkapitaal in te zetten. Dat is in Nederland nog relatief schaars.’

Het jonge haventalent denkt dat jongeren kunnen helpen om projecten op te durven starten zonder dat precies bekend is hoe ze gaan eindigen. ‘Puur omdat we technologisch vooruit willen. Ik denk dat we van sommige energietransitieprojecten nooit helemaal gaan bewijzen dat de businesscase rond is totdat we het een aantal keer hebben geprobeerd.’

Voorbeeldprojecten

Jan van Dinther inspireert jongeren graag voor studies die kunnen bijdragen aan de energietransitie door over projecten in de haven van Rotterdam te vertellen waar Siemens bij is betrokken. Volgens hem zouden bedrijven echter zelf ook meer aan jongeren kunnen vertellen wat ze doen en hoe er bij hun gewerkt kan worden aan de energietransitie.

Walstroom

Een van de projecten waar Van Dinther over vertelt, is walstroom voor de grootste kraanschepen ter wereld. Hierdoor hoeven deze schepen hun motor niet meer te laten draaien. Wat geluidsoverlast en CO2-uitstoot scheelt. Dieselgeneratoren die normaal gesproken aan staan om een schip van elektriciteit te voorzien, kunnen door de walstroom aansluiting uitgeschakeld blijven.

Locomotive workshop Rotterdam

Locomotive Workshop Rotterdam (LWR) op de Tweede Maasvlakte is een hypermoderne werkplaats voor het onderhoud aan elektrische locomotieven. Het is onderdeel van een Europees netwerk van onderhoudswerkplaatsen. Rotterdam is als grootste zeehaven van Europa de logistieke toegangspoort tot het Europese spoorwegennet. De komst van LWR maakt het voor exploitanten van goederentreindiensten aantrekkelijker meer goederen over het spoor te vervoeren van en naar de Rotterdamse haven.

Gemaal van de toekomst 

In Prinsenland is een gemaal omgebouwd tot het ‘Gemaal van de Toekomst’. Naast schone energieopwekking kunnen de prestaties van het gemaal real time worden gemonitord en geoptimaliseerd. De ombouw reduceert het energieverbruik en de CO2-uitstoot. Zuinige motoren, slimme pompen, zonnepanelen, duurzame verlichting en groene daken dragen hieraan bij. Dit pilotproject is ook een voorbereiding op de gevolgen van de klimaatverandering. Extremere perioden van neerslag, hitte, droogte en overstroming maken het uitdagender de waterhuishouding op orde te houden.

Hoe zorg je in een woonwijk voor een goede balans tussen vraag naar en aanbod van duurzaam opgewekte energie? Hoe zorg je dat een woning met zonnepanelen op het dak een energieoverschot kan doorsluizen naar een andere woning? Hbo-studenten van hogeschool Saxion testen een nieuwe batterij die overdag energie opslaat en in de avond weer afgeeft.

De batterijtest is onderdeel van het grensoverschrijdende project Clean Tech Energy Crossing. Hierin werken overheden, bedrijven, organisaties en studenten samen aan nieuwe technologie en diensten om het energieverbruik te verduurzamen of te verminderen. Woningen en gebouwen in ons land verbruiken namelijk 30 tot 40 procent van het totale energieaanbod. Om de energietransitie te laten slagen, is het belangrijk dat deze woningen en gebouwen overgaan op duurzame energie of minder energie verbruiken.

Kennis verder ontwikkelen

‘Het lectoraat Duurzame Energievoorziening levert een belangrijke bijdrage aan dit maatschappelijke onderwerp’, vertelt Richard van Leeuwen. Hij is lector bij Hogeschool Saxion en lid van het Lectorenplatform Energievoorziening in Evenwicht (LEVE). ‘De energievoorziening omvat een heel breed gebied en lectoraten zijn vaak niet zo groot om dat te kunnen behappen. Daarom werken binnen het lectorenplatform lectoren van verschillende hogescholen samen. Onze docent-onderzoekers werken nauw samen met studenten. Die leiden wij op tot ingenieurs die straks in de praktijk het verschil maken in ontwerp en toepassing van nieuwe, duurzame energiesystemen. Het is ontzettend belangrijk dat deze kennis zich aan de bedrijvenkant verder ontwikkelt in Nederland.’

Koppositie in wereld

Van Leeuwen vervolgt: ‘We hebben in ons land behoefte aan slimme en milieuvriendelijke opslagsystemen van energie. Daarmee kunnen we echt een koppositie in de wereld innemen. Dat geldt overigens ook voor de ontwikkeling van slimme ICT-systemen. Daarom is het ontwikkelen van een goede business case ook zo belangrijk. Dat doen we onder meer met deze batterijtest in de woonwijk Aardehuizen in Olst. Deze wijk biedt fantastische mogelijkheden en de bewoners staan helemaal achter wat wij doen. De door het bedrijf Dr Ten ontwikkelde zeezoutbatterij zorgt voor tijdelijke opslag van bijvoorbeeld zonne-energie, windenergie of elektriciteit uit het net. De batterij is uitgebreid in het laboratorium getest. Nu gaan we deze geschikt maken voor een marktintroductie.’

Samenwerking hogescholen

Aan het project werken studententeams van de hogescholen Saxion en Zuyd. De teams zijn multidisciplinair: van softwareprogrammeurs en studenten Werktuigbouwkunde tot studenten Elektrotechniek. De universiteit Twente is via een promotieonderzoek naar een slim sturingssysteem met algoritmen bij het project betrokken.
‘Hogeschool Zuyd in Heerlen heeft de testen op labniveau gedaan en de Saxion-studenten gaan de batterij nu testen bij Aardehuizen. Ze onderzoeken hoe groot de batterij moet zijn en hoe deze moet worden aangestuurd’, aldus Van Leeuwen. In de woonwijk staan 23 woningen. Voor die woningen moet de zonne-energie van de daken overdag in de batterij worden opgeslagen. Zo kunnen bewoners de energie ’s avonds weer gebruiken. Van Leeuwen: ‘De studenten hebben daarbij veel werk op de hogeschool zelf verricht en reisden tijdens de proefperiode voor de installatie naar de wijk toe. Andere studenten hebben in een aantal woningen meetsystemen geïnstalleerd om op afstand de vraag- en aanbodbalans in de gaten te houden.’

Najaar 2019: tweede proef

Dit najaar is het plan om de batterij te plaatsen in een smart grid. Dat is een energienet met een slim meet- en regelsysteem. Studenten en bewoners kijken samen naar een geschikte behuizing van de batterij. De bewoners denken daarbij aan een soort schuur op de parkeerplaats in de wijk. Op het dak komen zonnepanelen. ‘Dan start ook in dezelfde wijk een tweede proef. Daarbij kijken we hoe we andere apparaten als elektrische auto’s en warmtepompen aan het smart grid kunnen koppelen. En welke apparaten we het beste overdag aan en uit kunnen zetten.’

(Dit artikel is onderdeel van een verhalenreeks rond de energietransitie/arbeidsmarkt geschreven door EMMA – Experts in Media en Maatschappij – in opdracht van de Topsector Energie/The Human Capital Agenda.)

De Stichting Schilthuisfonds benoemde Herman Havekes van de Unie van Waterschappen tot bijzonder hoogleraar voor de nieuwe leerstoel Publieke organisatie van het (decentrale) waterbeheer aan de Universiteit Utrecht.

Peter Glas, voorzitter van de Stichting Schilthuisfonds: ‘Wereldwijd neemt de aandacht voor de bestuurlijk-organisatorische aspecten van duurzaam waterbeheer sterk toe. Nederland speelt een belangrijke rol bij de uitwisseling van kennis en ervaring. Vanwege zijn verregaande kennis over de organisatie van het decentrale waterbeheer in Nederland ziet het Schilthuisfonds in de heer Havekes een uitstekende kandidaat om deze nieuwe leerstoel vorm te geven. Zowel voor het onderwijs als het onderzoek, en in de verbinding met de praktijk, liggen er duidelijke kansen.’

Nieuwe leerstoel

De benoeming van Havekes is voor de periode van 1 september 2019 tot 1 september 2024 aan de faculteit Recht, Economie, Bestuur en Organisatie. De nieuwe leerstoel is gericht op de institutionele aspecten van het waterbeheer en in het bijzonder de publieke organisatie ervan. Het is de bedoeling dat de leerstoel nadrukkelijk de relatie met de praktijk van het waterbeheer legt.

Havekes is staats- en bestuursrechtkundige en werkzaam als strategisch adviseur van bestuur en directie bij de Unie van Waterschappen. In 2009 promoveerde hij aan de Universiteit Utrecht op het thema functioneel decentraal waterbestuur en is hij door de minister van Infrastructuur en Milieu onderscheiden met de Schilthuispenning.

Net als vele andere bedrijven staan ook de energiebedrijven te springen om elektrotechnici en werktuigbouwkundigen met kennis van duurzame energietechniek. Openstaande vacatures kunnen niet of nauwelijks worden ingevuld. Daarom sloegen het bedrijfsleven en de hogeschool van Arnhem en Nijmegen (HAN) de handen ineen en lanceerden het onderwijstraject Werken en Leren met Energie. ‘Ons programma is volledig afgestemd op de praktijk.’

Dit werkleertraject is een variant van de hbo-deeltijdopleidingen Elektrotechniek en Werktuigbouwkunde. ‘Niet-technische zij-instromers en technici op mbo-niveau worden opgeleid tot werktuigbouwkundige of elektrotechnisch ingenieur’, vertelt programmamanager Tinus Hammink van SEECE (Sustainable Electrical Energy Centre of Expertise). SEECE is een netwerkorganisatie die samenwerking tussen bedrijven in de energie- en milieutechnologiebranche en de HAN bevordert. ‘De opleiding trekt vooral wat wij ‘maatschappelijke bèta’s’ noemen.’

Overstappen naar techniek

Hammink vertelt wie aan het leerwerktraject deelnemen. ‘Mensen met affiniteit met techniek en die daar soms werkervaring in hebben. Ze waren op school goed in natuur- en scheikunde, maar zijn bijvoorbeeld communicatie gaan studeren. Om na een paar jaar te ontdekken dat ze techniek toch interessanter vinden.’ Het gaat over het algemeen om mensen die maatschappelijk relevant werk willen doen, maar niet helemaal terug naar de schoolbank willen. Hammink, opgewekt: ‘En wie nu de wereld wil verbeteren, gaat elektrotechniek studeren.’

Snel inzetbare werkkracht

Deelnemers kunnen kiezen voor een twee- of vierjarig programma. Ze starten met een voorbereidingsjaar, waarbij studenten bijgespijkerd worden in wis- en natuurkunde. Hierna volgen ze twee dagen per week een deeltijdopleiding bij de HAN en werken drie dagen per week bij één van de aangesloten bedrijven. Hammink: ‘SEECE werft studenten en helpt ze bij het vinden van een werkplek. Deelnemende bedrijven investeren door het studiegeld en salaris van de deelnemers te betalen en voor begeleiding op de werkvloer te zorgen. Alhoewel in het eerste jaar intensieve begeleiding nodig is, zijn studenten dankzij hun werkervaring meestal snel inzetbaar. Denk bijvoorbeeld aan iemand met commerciële ervaring; die kan mooi starten bij de afdeling technische inkoop.’

De juiste bedrijven én kandidaten

‘Een belangrijk voordeel van deze hechte samenwerking tussen bedrijven en hogescholen is dat het studieprogramma volledig op de praktijk afgestemd is’, vertelt Hammink. ‘En omdat de opleiding opgebouwd is uit modules van een half jaar die ook afzonderlijk te volgen zijn, kunnen studenten hun studie gemakkelijk onderbreken en later weer oppakken.’ De aanpak van dit leerwerktraject wordt op termijn ook op andere hogescholen ingevoerd.
Hammink: ‘Het is essentieel dat hogescholen met de juiste bedrijven samenwerken én kandidaten weten te vinden. Die kandidaten vind je niet in de kaartenbakken van het UWV, want vaak hebben ze al een baan. Studenten werven en ze vervolgens bij een geschikt bedrijf krijgen is maatwerk. Dat wil ik andere samenwerkingsverbanden meegeven.’

(Dit artikel is onderdeel van een verhalenreeks rond de energietransitie/arbeidsmarkt geschreven door EMMA – Experts in Media en Maatschappij – in opdracht van de Topsector Energie/The Human Capital Agenda.)

Op 12 juni wordt de scenariowedstrijd Northern Back From the Future officieel afgetrapt met een symposium. Vertegenwoordigers van het industriecluster in de Eemsdelta en Industrielinqs zullen hun visie geven op de toekomst van de industrie.  Teams en geïnteresseerden zijn van harte uitgenodigd om de presentaties kosteloos bij te wonen. 

Sprekers tijdens het aftrapsymposium zijn onder meer Edward Groen van chemiebedrijf Teijin Aramid, Frans Alting van de Samenwerkende Bedrijven Eemsdelta en hoofdredacteur Wim Raaijen van Industrielinqs. Aanvang van het symposium is 13.30 in zaal 0253 van het gebouw Bernoulliborg van de Rijksuniversiteit Groningen.

Studiereis

Northern Back from the Future is een scenariowedstrijd voor studenten en young professionals. Teams van drie personen beschrijven de toekomst van het industriecluster in de Eemsdelta en ze formuleren stappen die nu en op de middellange termijn nodig zijn. Het winnende team krijgt een geheel verzorgde studiereis, mogelijk naar Japan.

Centrale vraag

Met een speciale industrie-agenda en het noordelijke overleg over het Klimaatakkoord zijn de afgelopen twee jaar stevige doelstellingen geformuleerd voor de Eemsdelta. Scope is daarbij 2050 en 2030. Maar wat zijn de stappen die nu gezet moeten worden? Dat is de centrale vraag van de scenario-wedstrijd Northern Back from the Future.

Whitepaper

Van teams wordt gevraagd om eerst hun eigen beeld te schetsen van de Eemsdelta in 2050. Daarbij worden ze onder andere geholpen door veel informatie uit de Industrie-agenda en de resultaten van het klimaatoverleg. In een whitepaper van maximaal 5000 woorden (ongeveer 10 pagina’s A4) moeten zij vervolgens schetsen welke stappen het industriële cluster in de Eemsdelta op de korte en middellange termijn moet en kan zetten. Om de doelstellingen voor de periode 2030-2050 te halen.

Opzet

  • Teams van drie personen schrijven samen een white paper van maximaal 5.000 woorden.
  • Maximale leeftijd van de teamleden is dertig jaar. Naast studenten mogen ook jonge promovendi en young professionals aan de wedstrijd meedoen.
  • Als achtergrondinformatie krijgt elk team ondermeer de beschikking over de Industrie-agenda en de rapportage van de Industrietafel Noord-Nederland. Daarin staan de doelstellingen voor de toekomst. Ook wordt op 12 juni in Groningen een aftrapsymposium georganiseerd.
  • Aanbevolen wordt om deze groepen heterogeen samen te stellen. Het kan verrijkend werken om verschillende studierichtingen of specialismen in te zetten. Ook hybride teams van studenten, onderzoekers en professionals zijn toegestaan.
  • Teams kunnen naast een wetenschappelijke begeleider ook een ervaren adviseur aanstellen vanuit de industrie in de Eemsdelta. De organisatie kan daarbij ook een bemiddelende rol spelen. Voordeel is dat de teams dan informatie uit de praktijk krijgen en ook bijvoorbeeld een bezoek kunnen brengen aan de industrie. Dat is kennis- en relatieversterkend en het kan extra inspirerend werken.
  • De white papers worden door een jury beoordeeld. Het is mogelijk dat er bij voldoende aanmeldingen net na de zomer (begin september) een voorronde wordt georganiseerd. Teams kunnen hun white paper dan aan de jury presenteren. Half september moeten de drie finalisten bekend zijn. Deze finalisten moeten gaan pitchen tijdens het congres Eemsdeltavisie 2019, half oktober in Delfzijl. Dat gebeurt met een film, die samen met de redactie van Industrielinqs wordt gemaakt, een korte presentatie, Q+A en een onderling debat. Elk team moet een ander team tijdens de Q+A het vuur aan de schenen leggen.
  • Uiteindelijk verdeelt de jury zestig punten. Twintig punten worden verdeeld door de congresbezoekers en twintig door internetstemmen.

Prijs en publicatie

  • Momenteel werkt de organisatie aan de funding voor een studiereis. Er wordt gedacht aan een bezoek aan de procesindustrie in Japan of de VS.
  • Van deze reis wordt uitgebreid verslag gedaan in de publicaties Petrochem en Het Nieuwe Produceren.
  • Ook is het de bedoeling dat kwalitatief goede white papers worden gepubliceerd. Dat kan via de media van Industrielinqs, maar ook de internetsites van bijvoorbeeld Chemport Europe, Groningen Seaports en meer.

Belangrijke data

  • Aftrapsymposium 12 juni 2019 aan de Rijksuniversiteit Groningen. Met presentaties van de industrie in de Eemsdelta.
  • Uiterste inschrijfdatum teams 17 juni
  • Uiterste inleverdatum white papers 1 september
  • Begin september mogelijke voorronde
  • 16 oktober finale en bekendmaking winnaar

Aanmelden

Teams kunnen zich aanmelden met een mail aan de hoofdredacteur van Het Nieuwe Produceren en Petrochem, Wim Raaijen (wim@industrielinqs.nl). Vermeld daarin de namen van de teamleden, hun e-mailadressen en de onderwijsinstelling, bedrijf of organisatie waaraan zij verbonden zijn. Geef verder aan wie begeleider is en of er interesse is in ondersteuning uit de industrie.

Eemsdeltavisie

Jaarlijks organiseert Industrielinqs (uitgever van onder andere Petrochem en Het Nieuwe Produceren) in het najaar het congres Eemsdeltavisie. Mede-initiatiefnemers zijn Chemport Europe, Groningen Seaports, SBE en Eemsdelta EZ. Het congres brengt ieder jaar 120-150 beslissers bij elkaar rond inspirerende thema’s en met interactieve programma’s. Dit jaar wordt het evenement samen georganiseerd met de VNCI, die gelijktijdig en geïntegreerd met Eemsdeltavisie  haar programma Behind the Scenes organiseert. Om de wedstrijd en de studiereis mogelijk te maken ondersteun EemsdeltaGreen het initiatief. Ook Chemie Park Delfzijl (CPD) draagt daar het nodige aan bij. Bovendien maakt het CPD andere extra onderdelen mogelijk, waaronder een bustour langs de chemiefabrieken in Delfzijl.