Port of Rotterdam Archieven - Utilities

Alle projecten op het gebied van havenontwikkeling in de Rotterdamse haven worden in een bepaalde mate vertraagd doordat er een streep is gezet door het huidige stikstofbeleid.

Onlangs oordeelde de Raad van State dat het Programma Aanpak Stikstof (PAS) niet langer mag worden gebruikt als basis voor het verlenen van vergunningen. De PAS zou de natuur onvoldoende beschermen. Het besluit heeft grote gevolgen voor de bouw van nieuwe industrie, wegen, huizen en bijvoorbeeld boerderijen. Projecten kunnen niet doorgaan of lopen vertraging op.

Alternatief

Voor de Rotterdamse haven resulteert het besluit in vertragingen van projecten en extra kosten laat een woordvoerder weten. Het bedrijf onderzoekt momenteel nog welke projecten en bedrijven er precies vertraging door oplopen. ‘Wij dreigen opdrachten te verliezen door het stikstofbeleid’, zegt de woordvoerder. ‘Projecten moeten worden uitgesteld of bedrijven blazen een project af omdat ze niet weten waar ze aan toe zijn. We hopen dat de overheid op korte termijn duidelijkheid geeft over alternatieven anders blijven er allerlei investeringen in de ijskast liggen. Dat zou jammer zijn.’

Fnuikend

Op de website van Havenbedrijf Rotterdam liet COO Ronald Paul al eerder weten dat hij de maatregel fnuikend vindt voor het vestigingsklimaat in de Rotterdamse haven en de voortgang van de energietransitie. ‘Er dient snel een alternatief te komen die ook de belangen van de Nederlandse havens en industrie behartigt.’

Volgens de woordvoerder is het voor de petrochemische industrie moeilijk om nog grote verbeteringen aan te brengen in het verlagen van de stikstofemissie. De afgelopen decennia is namelijk al veel gedaan om deze te reduceren.

Wij onderzoeken momenteel de gevolgen van het stikstofbeleid voor de industrie. Meer informatie volgt op onze website en in onze magazines.

Rotterdam wil op de Tweede Maasvlakte een megawindmolen bouwen, is te lezen op de website van de Gemeente Rotterdam. Het gaat om een windturbine van 10 megawatt waarmee tenminste 8.000 huishoudens van stroom worden voorzien.

De gemeente onderzoekt of de Tweede Maasvlakte een goede locatie is voor deze windturbine of windmolen. Als de vergunning snel rond komt, kan de bouw van de windturbine in 2019 afgerond worden. De eerste twee jaar draait de turbine op proef. Daarna kan hij structureel ingezet worden voor het opwekken van energie. Wethouder Haven en Duurzaamheid Adriaan Visser: ‘Met dit tweejarige pilotproject is Rotterdam koploper en willen we nieuwe ontwikkelingen op gebied van wind blijvend stimuleren.’

Op de website van de Port of Rotterdam is te lezen dat het Havenbedrijf open staat voor de komst van nieuwe windturbines. ‘Een belangrijke locatie om nieuwe windturbines te realiseren is de buitencontour van Maasvlakte 2. Deze bestaat uit zachte zeewering (strand) en harde zeewering (blokkendam). De zeewering is eigendom van het Rijk. Het Havenbedrijf heeft tot 2023 de verantwoordelijkheid voor de realisatie en het beheer van de zeewering. Daarna gaat het beheer naar Rijkswaterstaat. Het Rijk betrekt het Havenbedrijf bij de realisatie van windturbines op de zeewering.’

De komst van deze mega-windturbine sluit aan op de ambitie van Rotterdam om dé duurzame energiecentrale van Noordwest-Europa te zijn.

Havenbedrijf Rotterdam roept het kabinet op om met landen in Noordwest-Europa een coalitie te vormen voor de invoering van een gezamenlijke CO2-prijs. CEO Allard Castelein hield op de Energy in Transition Summit 2018 van het Havenbedrijf op het RDM-terrein in Rotterdam een krachtig pleidooi voor een veel hogere CO2-prijs, in samenhang met een nieuw industriebeleid voor ons land.

Castelein wil met een aanzienlijke hogere CO2-prijs nieuwe investeringen in schone technologieën en innovatie stimuleren. ‘Een prijs in de range van 50-70 euro per ton CO2 stimuleert bedrijven om te investeren in oplossingen die we echt nodig hebben om de doelen uit het Klimaatakkoord van Parijs te realiseren.’

Daarbij waakt hij voor een ongelijk speelveld. ‘Ik ben geen voorstander van een solistische aanpak zoals Groot-Brittannië deed voor elektriciteitsproductie. Nederland is als doorvoerland sterk verbonden met ons omringende landen. Een Noordwest-Europese coalitie waarborgt een level playing field voor de industrie.’

Naast de vorming van zo’n coalitie onderstreept het Havenbedrijf het belang van een nieuw industriebeleid. ‘De overheid stuurt nu vooral op vermindering van broeikasgassen. Voor de overstap naar een nieuw energiesysteem moet je als overheid ook een integrale visie en bijpassend industriebeleid hebben voor de nieuwe economie, het toekomstige industrielandschap en wat voor R&D je daarvoor nodig hebt. Ook dit zie ik als een belangrijke opdracht voor het kabinet. Dus: internationaal beprijzen, nationaal stimuleren.’

Opgave voor Klimaatakkoord

Op de bijeenkomst maakte het Havenbedrijf ook de resultaten bekend van de CO2-impact van transport over zee en in het achterland. Het Havenbedrijf kondigde een stimuleringsregeling aan van 5 miljoen euro voor scheepseigenaren en charteraars die experimenteren met low-carbon of zero-carbon brandstoffen voor klimaatvriendelijke zeevaart.

Het havenindustriegebied Rotterdam/Moerdijk staat voor de opgave om per 2030 jaarlijks 20 miljoen ton CO2 te reduceren (-49 procent ten opzichte van 1990). Het Havenbedrijf is er van overtuigd dat dit doel kan worden gerealiseerd als bijdrage aan het nationale Klimaatakkoord.

‘We zijn in deze regio op tijd begonnen’, aldus Castelein die voorzitter is van de klimaattafel voor Rotterdam/Moerdijk. ‘In onze portfolio beschikken we nu over circa veertig projecten om de energietransitie vorm te geven. Het gaat daarbij zonder uitzondering om coalities van bedrijven die zich gezamenlijk inzetten voor de opdracht om én klimaatverandering een halt toe te roepen én een vitale haven van wereldklasse te behouden.’

De weg naar 2050 met een broeikasgasreductie van 95% is ingrijpender. Volgens Castelein is hiervoor een radicale verandering nodig. ‘Nu wordt veelal gekeken naar end-of-pipe oplossingen voor een optimalisatie van het bestaande energiesysteem, richting 2050 gaat het echt om een radicale verandering van het systeem.’

Nieuwe onderzoekscijfers

Op de Energy in Transition Summit 2018 presenteerde het Havenbedrijf ook nieuwe onderzoekscijfers. Waar het Wuppertal Institut vorig jaar in opdracht van het Havenbedrijf een studie verrichtte naar opties voor verduurzaming van de industrie in het havengebied, heeft het nu gekeken naar de sector transport en logistiek. Daaruit blijkt dat met transport over zee en in het achterland met Rotterdam als eind- of vertrekpunt jaarlijks circa 25 miljoen ton CO2 is gemoeid.

Het grootste deel hiervan (21,5 miljoen ton) kan aan zeetransport worden toegeschreven. Om ook deze sector te laten voldoen aan het Klimaatakkoord van Parijs dient de uitstoot in 2050 met 95 procent te zijn teruggebracht. Dit kan voor het eerste deel (tot vijftig procent) op basis van efficiency, maar daarna moeten andere brandstoffen worden ingezet.

Volgens het Wuppertal Institut kunnen LNG en biofuels de komende decennia helpen om de transitie vorm te geven, maar het uiteindelijke doel kan alleen worden bereikt op basis van elektrificatie, waterstof en ook de inzet van synthetische brandstoffen zoals methanol.

Havenbedrijf Rotterdam, Gasunie en EBN onderzoeken gezamenlijk de mogelijkheden om een basisinfrastructuur te realiseren voor het verzamelen en transporteren van CO₂ in het Rotterdamse havengebied, dat vervolgens opgeslagen kan worden in (lege) olie- en gasvelden onder de Noordzee.

Carbon Capture and Storage (CCS) wordt zowel internationaal als in het regeerakkoord genoemd als een belangrijk instrument om tijdig de CO₂-uitstoot terug te dringen. Internationale energieadviesorganen zoals IPCC, IEA en PBL noemen CCS als essentieel middel om de klimaatafspraken van Parijs te realiseren. Met name olieraffinaderijen en de chemiesector beschikken op korte termijn over onvoldoende hernieuwbare of circulaire alternatieven om tijdig de hoeveelheid CO2-uitstoot te reduceren die nodig is voor het behalen van klimaatdoelstellingen. Met afvang en opslag van CO₂ krijgen deze voor Nederland maatschappelijk en economisch belangrijke sectoren mogelijkheden om de CO₂-uitstoot te verminderen in de periode dat ze de transitie naar biobased, hernieuwbaar of circulair nog niet gemaakt hebben.

Snel toepasbaar

CCS is onderdeel van een breed palet maatregelen voor CO₂-reductie, naast fundamentele innovaties in productieprocessen en –ketens, zoals biobased industrie, hernieuwbare energie, elektrificatie van de industrie, recycling, ontwikkeling van waterstof als energiedrager, geothermie enzovoorts. om de economie te verduurzamen. CCS wordt vooral beschouwd als een kosteneffectieve en snel toepasbare oplossing die er gedurende de transitie voor zorgt dat klimaatdoelstellingen kunnen worden gehaald.

Havenbedrijf Rotterdam, Gasunie en EBN onderzoeken daarom gezamenlijk de mogelijkheden om een basisinfrastructuur te realiseren voor het verzamelen en transporteren van CO₂ in het Rotterdamse havengebied, dat vervolgens opgeslagen kan worden in (lege) olie- en gasvelden onder de Noordzee.

Twee miljoen ton CO2-afvang in 2020

Planning is deze haalbaarheidsstudie rond de jaarwisseling af te ronden. Bij een positieve uitkomst volgt dan verdere uitwerking van het project voor bijvoorbeeld engineering, governance, aansprakelijkheden en een eventuele business case. De partijen streven er naar om in 2018 een investeringsbeslissing te nemen. Het systeem kan dan in 2020 operatoneel zijn. De ambitie is om vanaf 2020 twee miljoen ton CO₂ per jaar op te slaan oplopend naar vijf miljoen ton per jaar in 2030. Alle industrieën in Rotterdam samen stootten in 2015 bijna 30 miljoen ton CO₂ uit.

Backbone

Gasunie, Havenbedrijf en EBN gaan in het kader van de studie uit van een robuuste basisinfrastructuur voor transport en opslag (een ‘backbone’), waar diverse bedrijven hun CO₂ in kwijt kunnen. Door deze ringleiding (‘backbone’) en opslaginfrastructuur als een ‘collectieve voorziening’ op te zetten, zijn er belangrijke kostenvoordelen. De verwachting is dat dit ook gunstig doorwerkt in het Rotterdamse vestigingsklimaat, waar industrie straks met een lagere CO₂-footprint zal kunnen produceren dan elders.

Er lopen gesprekken met verschillende bedrijven in de chemie en raffinagesector over het afvangen en leveren van CO₂. Tot aanleg van de infrastructuur wordt pas overgegaan als duidelijk is dat bedrijven ook daadwerkelijk van het systeem gebruik gaan maken.

 

CO2 als grondstof of voedingsstof

Het ligt in de bedoeling om, naast opslag onder de Noordzee, ook meer CO₂ aan tuinders te leveren en in de toekomst mogelijk ook aan andere (industriële) afnemers (CCU). Twee bedrijven, Alco en Shell, leveren nu al CO₂ aan de glastuinbouw in het Westland. Tuinders gebruiken dit om hun gewassen sneller te laten groeien. Onder invloed van zonlicht zetten planten CO₂ en water om in glucose en zuurstof.

Industriele CO2

CCS wordt op verschillende plaatsen in de wereld, met name buiten Europa, al succesvol toegepast. Eerdere initiatieven in Nederland vonden geen doorgang. De reden waarom dit nieuwe project als kansrijk wordt gezien is dat het nu gaat om opslag van CO₂ onder de Noordzee (niet onder land, zoals destijds beoogd bij Barendrecht), waarbij de CO₂ afkomstig is van industrie (niet van kolencentrales, zoals in het recent gestopte ROAD-initiatief) waarvoor op korte termijn geen volledig circulair of biobased alternatief is. Alle betrokken partijen zijn zich ervan bewust dat maatschappelijk draagvlak even wezenlijk is voor realisatie als technische, financiële en economische aspecten dat zijn.

Havenbedrijf Rotterdam is zeer teleurgesteld in de aankondiging van Uniper en Engie dat ze willen stoppen met het CO2-afvang en -opslagproject ROAD. Het Havenbedrijf en EBN gaan echter door met de verkenning naar een basisinfrastructuur voor het verzamelen en transporteren van CO2.

CCS is een van de belangrijkste manieren om de CO₂-uitstoot van de kolencentrales te verkleinen. De bedrijven komen de door hen gewekte verwachting voor een grootschalige proef met CCS niet na. Het Havenbedrijf is van mening dat de kolencentrales nog lange tijd open kunnen blijven mits zij de negatieve milieu-impact van de CO₂-uitstoot beperken door uitkoppeling van warmte voor met name de industrie, door CCS en/of door de bijstook van biomassa of lignine. Het Klimaatakkoord van Parijs noodzaakt immers de CO₂-uitstoot stelselmatig terug te dringen. Bedrijven kunnen daar de ogen niet voor sluiten.

CCS wordt internationaal, maar ook in de nationale Energieagenda, gezien als een belangrijk instrument om de CO₂-uitstoot terug te dringen. Met name olieraffinaderijen en de chemiesector beschikken nog over onvoldoende hernieuwbare of circulaire alternatieven. Met afvang en opslag van CO₂ krijgt deze economisch en maatschappelijk belangrijke sector mogelijkheden om de CO₂-uitstoot te verminderen.

Basisinfrastructuur

Havenbedrijf Rotterdam, Gasunie en EBN voeren daarom gezamenlijk een verkenning uit naar het realiseren van een basisinfrastructuur voor het verzamelen en transporteren van CO₂ in het Rotterdamse havengebied, dat vervolgens opgeslagen kan worden in lege gasvelden onder de Noordzee. Door deze ringleiding en opslaginfrastructuur als een ‘collectieve voorziening’ op te zetten, zijn er belangrijke kostenvoordelen.

Het streven is dat eind 2017/begin 2018 de beslissing genomen wordt voor de volgende stap. De partijen zijn in gesprek met het ministerie van Economische Zaken over dit concept. Ook met de Europese Commissie lopen gesprekken.

De Rotterdamse haven creëert ruimte voor een Offshore Center voor windenergie op zee, decommissioning en de ‘olie & gas’- markt. Daartoe wordt op Maasvlakte 2 in de Prinses Alexiahaven een nieuw haventerrein van maximaal zeventig hectare opgespoten. Er bestaat al zeer concrete belangstelling van het bedrijfsleven voor dit centrum. Het Havenbedrijf verwacht dat de eerste bedrijven zich hier binnen twee jaar vestigen.

De vestiging van het eerste Offshore Center van Europa past in het beleid van het Havenbedrijf om de van oorsprong sterk ontwikkelde Rotterdamse cluster van bedrijven in offshore en maritieme sector verder te ontwikkelen. ‘De aanleg van windparken op zee is een enorme groeimarkt. Dat vraagt om een gespecialiseerd havengebied voor de aanleg en onderhoud van die parken. Daar willen we graag in voorzien. Dat past in ons treven om dé offshore hub van Europa te zijn en een leidende rol te spelen in de energietransitie’, aldus Allard Castelein, CEO van het Havenbedrijf.

Het Havenbedrijf vindt het belangrijk dat de bestaande cluster zich blijft ontwikkelen, zodat de aanwezige kennis op hetzelfde hoge niveau blijft en er nieuwe economische activiteiten komen voor stad en haven. Door de vestiging van het centrum, direct naast de zee aan diep vaarwater, kan een aantal activiteiten geclusterd worden en kunnen bedrijven van elkaars aanwezigheid profiteren.

Voldoende ruimte

Het Offshore Center Maasvlakte 2 (OCMV2) komt in de Prinses Alexiahaven tegen de zeewering te liggen ter hoogte van de ligplaats van de Pioneering Spirit. Het wordt een centrum waar topbedrijven samenwerken in de markten offshore wind, decommissioning en olie & gas met activiteiten als constructie, assemblage, heavy lift, logistiek en (de)mobilisaties. Zowel op het gebied van offshore windparken als decommissioning liggen de komende jaren volop kansen. Door het OCMV2 kan de haven nu daarop tijdig inspelen en de verwachte groei in de offshore aan Rotterdam binden.

Het Havenbedrijf start zo snel mogelijk met het opspuiten van de eerste dertig hectare en de aanleg van in eerste instantie zeshonderd meter ‘heavy load’ diepzeekade met de benodigde infrastructuur. Het is de bedoeling dat in de loop van 2019 de eerste bedrijven operationeel zijn op OCMV2. Het Center kan uitgebreid worden met nog eens veertig hectare en duizend meter kademuur.

Offshore in Rotterdam

Van oudsher is Rotterdam een toonaangevende haven voor de maritieme industrie. Er zijn zo’n negenhonderd bedrijven actief in deze sector. Die positie is gebaseerd op de scheepsbouw en olie- en gassector. Sinds enige tijd heeft het Havenbedrijf offshore als speerpunt van zijn beleid, met als belangrijkste aandachtsgebieden windenergie en decommissioning. Dat leidde onder meer tot de afbouw van de Pioneering Spirit en de vestiging van Sif (een bedrijf dat is gespecialiseerd in het produceren van funderingen van windturbines).

In dit verband hebben vorig jaar enkele Rotterdamse bedrijven ook een manifest getekend: ‘Rotterdam Offshore Wind Coalition’. Een volgende stap is de ontwikkeling van het Offshore Center Maasvlakte 2.

De Rotterdamse industrie kan haar CO2-uitstoot tot wel 98 procent reduceren. Dat is de belangrijkste uitkomst van een onderzoek van het Wuppertal Institut. Zij heeft inzichtelijk gemaakt langs welke transitiepaden de Rotterdamse industrie haar CO₂-uitstoot drastisch kan reduceren en tegelijkertijd de producten kan blijven maken waar de samenleving naar vraagt, zoals brandstoffen en chemische producten. Het onderzoek is gedaan in opdracht van het Havenbedrijf Rotterdam dat de ambitie heeft het havengebied tot koploper in de energietransitie te maken.

Allard Castelein, CEO Havenbedrijf Rotterdam: ‘Het onderzoek laat zien dat drastische CO₂-reductie mogelijk is en dat verschillende projecten waar we op dit moment aan werken heel goed in de uitgewerkte transitiepaden passen, met name de benutting van restwarmte en afvang en opslag van CO₂. Maar het rapport laat ook zien dat bedrijven in de komende decennia voor een groot deel op andere technologie moeten overstappen. De energietransitie is een proces van veel stappen, door veel partijen over een lange periode. Het onderzoek geeft aan dat het kan en is vooral een oproep om projecten te gaan starten. Klein beginnen en dan opschalen. Dat kan in Rotterdam, maar vraagt wel om een robuust langetermijnbeleid en ondersteuning vanuit het Rijk en Europa.’

Het Duitse Wuppertal Institut für Klima, Umwelt, Energie heeft onderzocht welke mogelijkheden er zijn om de Rotterdamse industrie in lijn te brengen met het klimaatakkoord van Parijs. Sluiting van industrie is niet aan de orde, omdat de samenleving ook op lange termijn behoefte heeft aan allerlei chemische producten en brandstoffen. Transport kan deels geëlektrificeerd worden, maar voor de luchtvaart en de zeescheepvaart is dat vooralsnog lastig. Sluiting van industrie in Europa zou leiden tot import van dit soort producten. Per saldo leidt dat er alleen maar toe dat industrie naar elders verhuist en dat hier veel mensen hun baan verliezen. Transitie naar productie met een veel lagere CO₂-footprint is dus logische stap. Het Wuppertal Institut heeft daarvoor vier mogelijke transitiepaden uitgewerkt.

Vier transitiepaden

Het eerste is het Business-as-Usual scenario. Zoals de naam al zegt kent dit scenario geen grote trendbreuken. Verbetering van de efficiency van de industrie door toepassing van ‘best available technology’ zorgt voor minder uitstoot. Daarnaast is de verwachting dat de productie vermindert omdat de vraag naar brandstoffen afneemt. De uitkomst is dertig procent minder CO₂-uitstoot in 2050. Dat is te weinig om de klimaatdoelstellingen te realiseren. Het tweede scenario, Technological Progress, komt met 75 procent een stuk dichter in de buurt. Belangrijkste element hierin is grootschalige afvang en opslag van CO₂.

In twee andere transitiepaden lijkt op dit moment een CO₂-reductie van 98 procent haalbaar. Het ene is Biomass and CCS (carbon capture and storage) en leunt sterk op de toepassing van CCS gecombineerd met biomassa als grondstof voor chemie. Het laatste pad is Closed Carbon Cycle en focust sterk op het sluiten van kringlopen. Er worden nog wel fossiele grondstoffen gebruikt, maar deze worden bijna volledig gerecycled.

Combinatie

Elk transitiepad kent zijn uitdagingen c.q. bottlenecks, zoals de beschikbaarheid van voldoende biomassa, 100 procent afvang van CO₂ of een volledig hernieuwbare elektriciteitsopwekking. Bovendien kent elk transitiepad onzekerheden op technisch vlak. Dat maakt dat er niet één beschreven transitiepad zaligmakend is, maar dat uiteindelijk een combinatie van verschillende paden nodig zal zijn om het beoogde doel te halen. Ook geldt dat in alle paden een aantal dezelfde technieken voorkomen, zoals waterstofproductie door elektrolyse met duurzame elektriciteit (bijvoorbeeld van wind op zee), elektrificatie van industriële processen en benutting van restwarmte.

In het Rotterdamse havengebied wordt gewerkt aan een aantal projecten die in deze transitiepaden passen, zoals de ontwikkeling van een regionaal warmtenet, een demonstratieproject voor afvang en opslag van CO₂ (CCS), omzetting van plastic afval in chemicaliën (waste-to-chemicals), biobased brandstoffen en chemie, aanlanding van windenergie vanaf de Noordzee, en waterstofproductie door elektrolyse. Dit soort projecten kan de economische vernieuwing van het Rotterdamse industriecomplex aanjagen.

In de energietransitie volgt het Havenbedrijf Rotterdam een én-én strategie. Het Havenbedrijf zet sterk in op de ontwikkeling van duurzame industrie zoals hernieuwbare energie, biobased productie en circulaire initiatieven. Tegelijkertijd werkt het Havenbedrijf met de bestaande op fossiel gebaseerde industrie samen aan een steeds lagere CO₂-footprint door bijvoorbeeld projecten om restwarmte te benutten en CO₂ af te vangen en op te slaan.