SDE Archieven - Utilities

Minister Wiebes broedt op een extra CO2-belasting. Bij de aankondiging ervan, deelde hij verder mee dat hij dit geld wel weer in een schone industrie wilde investeren. Hoewel nog niet zeker is of de belasting er daadwerkelijk komt, wilden we toch weten in welke technologie die minister het geld zou moeten steken. We vroegen het een aantal experts, die met verrassend veel voorstellen kwamen.

De meest voor de hand liggende partij om te vragen welke technologie het meest binnen de doelen van de SDE++ regeling valt is Navigant. De consultants kregen namelijk van de minister de opdracht uit te zoeken in hoeverre het mogelijk is industriële technologieën toe te voegen aan de SDE++ regeling. Navigant heeft dit voor een selectie van veertien technologieën in kaart gebracht. Managing consultant Paul Noothout van Navigant wil direct benadrukken dat het onderzoek niet direct was bedoeld om alle kosten en baten tot op de komma door te rekenen. ‘We kregen de opdracht voor een eerste marktverkenning naar mogelijke technologieën die voor de SDE++ in aanmerking zouden komen. Het idee was een inschatting te maken van de basisbedragen die voor een dergelijke subsidie nodig zijn. Voor een aantal technologieën zijn de kosten case-specifiek. Het is niet gelukt om voor alle technologieën een volledig representatieve marktconsultatie uit te voeren, waardoor kosteninschattingen te laag of te hoog kunnen uitvallen. Daarom moeten de kosten als indicatief worden gezien.’

Daarnaast werd de studie gebruikt om obstakels/knelpunten te detecteren die invloed kunnen hebben op het opnemen van de technologieën in een technologieneutraal subsidiesysteem. De overheid wil tenslotte geen technologie voortrekken, maar technologie stimuleren die het meeste bijdraagt aan CO2-emissiebeperking tegen de laagste kosten. Omdat de SDE++ een exploitatiesubsidie is, ligt de focus op technologieën die voldoende volwassen zijn om te implementeren en die een redelijk CO2-besparingspotentieel hebben.’

Een winnaar is niet zozeer uit het onderzoek naar voren gekomen, alhoewel wel duidelijk wordt dat een aantal CO2-besparende maatregelen onder het subsidiebedrag voor waterkracht uitkomt, één van de duurste technologieën in de huidige SDE+. Noothout: ‘Een SDE++ subsidie gebaseerd op CO2-emissie is een stuk complexer dan de SDE+ subsidie. Die laatste wordt gebaseerd op de opgewekte kilowattuur, die relatief eenvoudig en onafhankelijk kan worden vastgesteld. Het vaststellen van CO2-emissiereductie is veel complexer omdat het vaak lastig te meten is, zeker wanneer het geïntegreerde processen betreft. Daarom worden in de SDE++ CO2-referentietechnologieën gebruikt om de CO2-reductie in te kunnen schatten. Het vaststellen daarvan is een belangrijk onderdeel van de SDE++. De complexiteit is dat het niet altijd mogelijk is per technologie een eenduidige CO2-referentietechnologie vast te stellen: een warmtepomp kan namelijk zowel een standalone gasgestookte boiler vervangen, als worden gebruikt in een geïntegreerd proces. De CO2-emissiereductie kan daarom per toepassing verschillen. EZK streeft naar een uniform systeem met uniforme beoordeling, maar daarmee loop je het risico dat je zaken platslaat en de nuance mist van integratiemogelijkheden binnen het energiesysteem.’

Ook een punt van discussie is welke scope wordt aangehouden in de berekeningen. De uitkoppeling van warmte voorkomt met name emissies bij kwekers of huishoudens en niet bij de bedrijven die de warmte leveren. Hetzelfde geldt voor groene waterstof. Als deze alleen als aanvulling dient, heeft deze geen effect op de eigen emissie, maar wel op die van derden. Alleen: hoe meet je die vermeden emissies?’

Noothout en zijn medeonderzoekers keken bewust alleen naar de beschikbare technologie en de kosten voor aansluiting, maar niet naar de bijbehorende infrastructuur. ‘We willen appels met appels vergelijken, maar de infrastructuur zal zeker bij de discussie betrokken moeten worden. Sommige CO2-besparende ingrepen kunnen standalone werken, maar warmtelevering, waterstof, CCS en elektrificatie hebben ook een belangrijke infrastructuurcomponent.’

 

 

FME

Ondernemersorganisatie voor de technologische industrie FME zegt de industrie te kunnen ondersteunen in het terugdringen van zijn CO2-emissies. Onlangs lanceerde het cluster Energy het project 6-25 waarin de ambitie wordt uitgesproken om in 2025 zes miljoen ton industriële CO2-uitstoot te verminderen. Hoewel de rekenmeesters nog bezig zijn de besparingspotentie te kwantificeren, publiceerde FME al een leaflet met een aantal veelbelovende technieken.

Clustermanager Hans van der Spek: ‘De industrie heeft een behoorlijke opgave voor 14,3 megaton extra CO2-reductie in 2030. In het Klimaatakkoord zijn dan ook een aantal routes aangegeven om dit te bereiken. De aanloop naar de daadwerkelijke besparing is echter best lang bij oplossingen als groene waterstof, elektrificatie met windenergie en CCS. Er zijn gelukkig genoeg procesefficiency maatregelen die nu al behoorlijke besparingen kunnen opleveren. In project 6-25 werken technologiebedrijven samen met adviseurs, installateurs engineering contractors, financiers en overheden samen om bestaande besparende technologie te implementeren. We willen met dit project vooral de industrie ontzorgen om de beschikbare besparingsoplossingen ook daadwerkelijk te gebruiken.’

Ook FME heeft nog wel wat wensen op het gebied van de SDE++ en de manier waarop emissiereductie wordt gehonoreerd. ‘De lijst met oplossingen van onze leden zou wat ons betreft in de SDE++ regeling moeten worden opgenomen. Daarbij is het ook belangrijk dat scope 2 emissies meetellen. Veel van de besparing zal namelijk niet direct bij de industrie worden bereikt, maar verder in de keten.’

 

DNVGL

Volgens Jillis Raadschelders van DNVGL biedt het Klimaatakkoord voldoende kansen voor de Nederlandse industrie om zich wereldwijd te onderscheiden. ‘De teneur rondom het Klimaatakkoord is bij de industrie momenteel wat negatief vanwege de aangekondigde CO2-belasting. De aanvulling dat de belasting terugvloeit naar de industrie in verduurzamingsprogramma’s zet de belasting in een ander perspectief.

De Nederlandse industrie scoort doorgaans in de internationale benchmarks erg hoog vanwege de specifieke omstandigheden in Nederland. De industriële sectoren zullen zich dan ook moeten afvragen hoe ze zich internationaal willen profileren. Tata Steel in IJmuiden is een goed voorbeeld van een bedrijf dat zich blijft ontwikkelen. Toen Corus destijds werd overgenomen, was men bang dat het bedrijf de koers zou veranderen, maar dat is niet gebeurd. Nu de volgende overname rond is, staat het bedrijf opnieuw voor de keuze voorop te blijven lopen.

Ook de petrochemie en maakindustrie zullen zich duidelijk moeten onderscheiden in de wereldmarkt als meest efficiënt en duurzaam. We kunnen ons wel blijven focussen op operational excellence, maar in een zeer efficiënte industrie zitten er snel grenzen aan de optimalisatie van bestaande processen. We zullen naar product leadership toe moeten en het hele energiesysteem kantelen om echt slagen te kunnen maken in CO2-emissiereductie.

Op het gebied van elektrificatie van de industrie zou Nederland een voortrekkersrol kunnen spelen. Dat kost geld en moeite, maar eerlijk gezegd hebben we geen keus omdat het huidige fossiele energiesysteem niet lang meer houdbaar is. Je moet daarin wel verstandige keuzes maken. Er zitten namelijk nogal wat paradoxen in de energietransitie. Zo is het uitkoppelen van warmte op dit moment een rendabele keuze, maar als de industrie efficiënter met zijn warmte omgaat en kolen- en gascentrales plaatsmaken voor zonnepanelen en windenergie, valt die warmte weg. De kans op stranded assets wordt daarmee groter. Hetzelfde geldt voor CCS, dat een behoorlijke investering in infrastructuur vergt. Dat wil niet zeggen dat je dan maar niets moet doen, maar je kunt er wel rekening mee houden in de keuzes.

Het is in mijn ogen dan ook verstandig meer naar energiesystemen te kijken dan naar individuele technologieën. Integratie van de huidige elektriciteits- en gassystemen is daar een voorbeeld van. Power to heat kan interessant zijn in een volatiel systeem waar elektriciteit zo nu en dan overtollig is. In een keer overschakelen is echter een te grote systeemsprong. Met hybride ketels of parallelle systemen kunnen bedrijven gemakkelijker meeveren met de markt en langzaamaan het zwaartepunt verschuiven richting schone energiebronnen. Op den duur zou daar ook groene waterstof nog een rol kunnen spelen. Dat betekent wel dat bedrijven dubbele investeringen moeten doen. Daar zou een SDE++ of andere subsidie dan ook met name op gericht moeten zijn.’

TNO

Wetenschappelijk directeur bij ECN part of TNO en hoogleraar energiesysteemanalyse aan de RUG André Faaij geeft aan dat een belasting op CO2 niet automatisch tot de noodzakelijke implementatie van innovatieve, CO2-neutrale industriële processen leidt. Hij waarschuwt ervoor dat de prikkel die de overheid wil bereiken om CO2-emissies te beperken kan omslaan in een verzwakking van de industrie. ‘De tien bedrijven die verantwoordelijk zijn voor vijftig procent van de industriële emissies zijn allemaal grote internationale bedrijven. Het omvormen van die bedrijven kost jaren waarin ze moeten investeren in innovatieve technologieën en het bouwen van compleet nieuwe fabrieken. Dan moet ook nog de energie-infrastructuur worden aangepast op die nieuwe processen. Het kost al snel vijftien tot twintig jaar om zo’n systeemverandering voor elkaar te krijgen. Het goede nieuws is dat als je dit traject volgt, de energietransitie geld kan opleveren. Terwijl rigoureuze doelstellingen op de korte termijn vaak veel geld zullen kosten. Een hoge CO2 belasting kan voor Tata Steel bijvoorbeeld betekenen dat ze niet meer kunnen concurreren en staalproductie naar elders vertrekt. En dat terwijl het bedrijf investeerde in de Hisarna technologie die dertig procent zuiniger is en CO2 afvang tegen lage kosten mogelijk maakt Wanneer bijvoorbeeld de Hoogovens over vijftien jaar zijn afgeschreven en daar komt een fabriek van het nieuwe type met CCS voor terug met negentig procent lagere emissies, levert dat meer op en hoeft staalproductie niet duurder te worden dan nu. Belasten van CO2 koppelen aan innovatie is daarmee het devies.

De opgave is zo groot dat we alle opties moeten gebruiken. Dat is de koele wetenschappelijke boodschap die we moeten verkondigen als tegengewicht voor de emoties die gepaard gaan met de energietransitie. Het is te gemakkelijk te zeggen dat we geen CCS, geen biomassa en geen wind op land wensen. Terwijl een biomassacentrale mét CCS zelfs voor negatieve emissies kan zorgen. Door slimme combinaties te maken tussen industrie en energiesector, bijvoorbeeld door processen te elektrificeren met groene stroom, inzet van groene waterstof en ook circulair te produceren wat indirect weer veel energie en grondstoffen bespaart.

De weg der geleidelijkheid is misschien lastig om politiek de handen voor op elkaar te krijgen, maar wel de manier om de transitie betaalbaar te houden. De doelen voor 2050 zijn duidelijk, maar het helpt niet om daar vrij rigide tussendoelen  bij te halen. De overheid kan zich beter richten op een infrastructuurvisie om de energietransitie te ondersteunen. Gemeenten worstelen met het aansluiten van duurzame initiatieven en missen het overzicht om slimme koppelingen te maken met bestaande en nieuwe infrastructuur of andere projecten. Het is jammer dat het Klimaatakkoord niet is ingegaan op een masterplan voor de energie-infrastructuur. Want dat is zowel voor Nederland als Europa een voorwaarde voor een pijnloze transitie. En daar stel je niets mee uit. Er zijn al voldoende no regret-opties voorhanden waar nu al volop in kan worden geïnvesteerd: renovatie van de gebouwde omgeving, duurzame stroomproductie. Tegelijk moet er komende jaren volop worden geïnnoveerd om kosten te reduceren van opties die later een grote rol gaan spelen, zoals nieuwe industriële processen. Maar ook een CCS-infrastructuur bouw je voor deze eeuw. Een warmtenet in een stedelijke omgeving kan nog heel lang toegevoegde waarde hebben. En als de warmteproductie van industrie en energiebedrijven wegvalt, zouden de netten met geothermie kunnen worden gevoed. Maar ook hier geldt weer dat er een vorm van regie nodig is om dit in goede banen te leiden.’

CO2-reductie moet volgens Faaij dan ook niet als losse doelstelling worden gezien. ‘Ook energiebesparing en materiaalbesparing leiden tot reductie. Industriële ecologie staat nog in de kinderschoenen en kan nog veel bijdragen aan zowel versteviging van de positie van de industrie als de klimaatdoelen.

Nederland moet ook niet denken dat ze alleen staat in deze opgave. De landen rondom de Noordzee kijken al steeds meer naar mogelijkheden voor samenwerking op het gebied van duurzame energie. Wij werken ook veel samen met het Duitse Frauenhofer Instituut. Het Klimaatakkoord mag dan een Nederlandse aangelegenheid zijn, om echt slagen te maken zullen we allianties in Europa verder moeten uitbouwen.’

 

Een rendabele businesscase voor zonnepanelen, is dat mogelijk? Hoewel zonnepanelen steeds meer concurreren met fossiele brandstoffen, blijft subsidie cruciaal voor het behalen van een rendabele businesscase.

De belangrijkste subsidieregeling voor het stimuleren van zonnepanelen is de Stimulering Duurzame Energieproductie, oftewel SDE+ regeling. De regeling vergoedt het verschil tussen de relatief lage kostprijs van grijze energie en de relatief hoge kostprijs van groene energie. Afhankelijk van het type project vergoedt de overheid dit verschil in kostprijzen voor een periode van acht, twaalf tot vijftien jaar. Bedrijven en (non-profit) instellingen kunnen een beroep doen op de regeling.

Voorjaarsopenstelling | € 6 miljard beschikbaar

Op 13 maart gaat de voorjaarsopenstelling van de SDE+ van start met als deadline 5 april 2018. Er is in totaal € 6 miljard beschikbaar gesteld door de Nederlandse overheid. Hoewel u ruim drie weken de tijd heeft om een aanvraag in te dienen, is het moment van indienen mede bepalend voor de hoogte van het voordeel. De regeling kenmerkt zich namelijk door een gefaseerde openstelling, waarbij het subsidiebedrag per fase oploopt. Naarmate u langer wacht wordt het voordeel hoger, maar ook het risico dat het budget op is en u helemaal geen subsidie toegekend krijgt. Aan de hand van een aantal factoren, die afhankelijk zijn van het specifieke project, kan een indienstrategie worden bepaald die uw kans op slagen vergroot.

Houd er daarnaast rekening mee dat uw project aan een aantal eisen moet voldoen om in aanmerking te komen voor SDE+ subsidie. Zo moet u beschikken over een grootverbruikersaansluiting en in sommige situaties is een omgevingsvergunning en haalbaarheidsstudie noodzakelijk.

Subsidieadviesbureau Hezelburcht helpt u graag bij het realiseren van uw zon-pv project door een goede indienstrategie. Daarnaast ondersteunen wij u ook bij de voorbereidings- en realisatiefase. Neem contact op voor meer informatie.

De stimuleringsregeling voor hernieuwbare energieproductie (SDE+ regeling) is opnieuw opengesteld. Er komt in het voorjaar van 2018 zes miljard euro beschikbaar voor nieuwe projecten voor opwekking van energie uit duurzame bronnen zoals wind, zon, biomassa, geothermie en water. Voor het najaar van 2018 komt naar verwachting opnieuw een bedrag van zes miljard euro beschikbaar.

Duurzame energieopwekking wordt door schaalvergroting en technische ontwikkelingen steeds goedkoper, waardoor er steeds minder subsidie nodig is. De SDE+ versnelt die ontwikkeling, wat past in de lijn van het regeerakkoord, waar wordt ingezet op de meest kostenefficiënte oplossingen. Deelnemers aan de SDE+ worden geprikkeld zoveel mogelijk hernieuwbare energie op te wekken tegen zo laag mogelijke kosten. De regeling werkt als een veiling en stimuleert aanvragers om projecten voor een zo laag mogelijke subsidie in te dienen, waarbij alle projecten en technologieën met elkaar concurreren. Dat lokt innovatie en kostenreductie uit; positief voor het klimaat én voor de energierekening van burgers en bedrijven. Met name wind- en zonne-energie is de afgelopen jaren fors goedkoper geworden.

Windenergie op zee zonder subsidie

Energieopwekking door wind op zee is niet opgenomen in de reguliere SDE+ openstelling. Hiervoor worden aparte tenders uitgezet. Ook gaf minister Wiebes van Economische Zaken en Klimaat eerder aan dat de afvang en opslag van kooldioxide ook buiten de SDE+-regeling valt.

Na de tenders van de afgelopen jaren is wind op zee steeds goedkoper geworden. Mogelijk is er bij de komende tender zelfs helemaal geen subsidie meer nodig is. De eerstvolgende tender loopt van 15  tot en met 21 december. Marktpartijen kunnen een bod uitbrengen voor de realisatie van een windpark (zonder subsidie) in het windenergiegebied Hollandse Kust (zuid) kavels I en II. Van 2 tot en met 18 januari loopt een tender voor de ontwikkeling van Kavel V van het windenergiegebied Borssele. Dit is een kavel waar innovatie en het testen van nieuwe technologie centraal staat.

Aan een recordaantal van 4.530 projecten is in het voorjaar 2017 ondersteuning vanuit de Stimuleringsregeling Duurzame Energie (SDE+) toegezegd. Dit is een verdubbeling ten opzichte van de vorige ronde afgelopen najaar (2.197) en een verviervoudiging ten opzichte van de voorjaarsronde 2016 (986).

Voor het eerst zijn projecten met opgewekte elektriciteit uit zonnepanelen qua verstrekt budget (2,8 miljard euro) koploper. Het Ministerie van Economische Zaken ondersteunt duurzaam opgewekte energie uit zon, wind, water, geothermie en biomassa in Nederland via deze SDE+ ronde met maximaal 5,8 miljard euro.

Minister Kamp: “Technologieën om elektriciteit uit zonlicht op te wekken, hebben een steeds lagere kostprijs. Het is goed om te zien dat mede als gevolg daarvan de bijdrage van zonnestroom aan de Nederlandse energieproductie duidelijk is toegenomen en nu zelfs het grootste aandeel heeft binnen deze ronde van de Stimuleringsregeling Duurzame Energie. Met bovendien een recordaantal projecten dragen bedrijven en instellingen fors bij aan het behalen van de doelstellingen uit het Energieakkoord.”

De toegewezen projecten in deze voorjaarronde dragen, bij volledige realisatie, met een productie van 21,4 petajoule (PJ) per jaar bij aan de Nederlandse energievoorziening. Dit komt overeen met een bijdrage van 1,1 procentpunt aan het aandeel hernieuwbare energie. Nederland heeft in het Energieakkoord een aandeel van veertien procent hernieuwbare energie als doel in 2020 en zestien procent in 2023 afgesproken. Voor deze ronde van de SDE+  was voor bijna 7,1 miljard euro aan projecten ingediend.

Zoveel mogelijk duurzame energie voor zo laag mogelijke kosten

De SDE+ is zo ingericht dat zoveel mogelijk hernieuwbare energie wordt opgewekt tegen zo laag mogelijke kosten. De regeling prikkelt aanvragers om projecten voor een zo laag mogelijke subsidie in te dienen. Het totale budget van de SDE+ (twaalf miljard euro) is dit jaar met drie miljard euro verhoogd ten opzichte van 2016.

In totaal is er met de SDE+ rondes, inclusief wind op zee vanaf 2008 tot en met de voorjaarsronde 2017 in totaal aan circa 29.500 projecten subsidie toegekend. Bijna een kwart van deze projecten is inmiddels gerealiseerd. 62 procent van de projecten is in de ontwikkelings- of bouwfase. Bij veertien van de projecten waarvoor een subsidiebeschikking is afgegeven, is geconcludeerd dat realisatie niet mogelijk bleek. Deze beschikkingen zijn vervolgens ingetrokken. Sommige van deze projecten hebben in latere rondes opnieuw een subsidiebeschikking aangevraagd en gekregen.

Najaarsronde SDE+ in oktober 2017 open

Ook in het najaar kunnen bedrijven en (non-profit) instellingen die hernieuwbare energie gaan produceren, weer gebruik maken van de SDE+ regeling. Inschrijving voor de najaarsronde van de SDE+ is geopend van 3 oktober tot 26 oktober 2017. Er is voor de projecten een budget van zes miljard euro beschikbaar.

Een rapport van het Europees Parlement over de subsidiering van fossiele brandstoffen gaf aanleiding tot kamervragen. Het rapport meldt onder andere dat Nederland in 2015 tien miljard dollar in fossiele subsidies stak. Het verweer van Minister Kamp geeft een mooi overzicht van de verhoudingen in Nederland, waar met name het vliegverkeer en de scheepvaart uit de wind wordt gehouden. De industrie profiteert ook van volumekortingen om de concurrentiepositie te waarborgen.

Kamp: ‘Kortheidshalve merk ik op dat het rapport van het Europees Parlement onder andere refereert aan eerdere studies van het IMF en het IEA waarin aandacht werd gevraagd voor – vermeende – subsidies voor fossiele brandstoffen. Het is een bekend feit dat met name in ontwikkelingslanden de prijzen voor  motorbrandstoffen aan de pomp kunstmatig laag worden gehouden. In Nederland worden de motorbrandstoffen juist relatief zwaar belast en wordt het gebruik van fossiele brandstoffen niet gestimuleerd. Integendeel, Nederland is een van de koplopers binnen de OESO-landen wat milieubelastingen betreft. Uit een recent rapport van de OESO onder de titel “Effective Carbon Rates” blijkt dat Nederland als enige OESO-lidstaat meer dan vijftig procent van de totale broeikasgasemissies beprijst boven de in het rapport gehanteerde prijs van dertig euro per ton CO2.’

Fossiele brandstoffen worden in Nederland, in tegenstelling tot hernieuwbare energie, niet gesubsidieerd, ook niet via fiscale maatregelen. Sommige leveringen zijn echter vrijgesteld van accijns op grond van internationale verdragen. Het gaat specifiek om het Verdrag van Chicago (accijnsvrijstelling motorbrandstoffen voor de internationale luchtvaart, uitgezonderd plezierluchtvaart) en de Akte van Mannheim (accijnsvrijstelling motorbrandstoffen voor de internationale binnenvaart, uitgezonderd pleziervaart). Kamp: ‘Tevens wordt de degressieve tariefstructuur in de energiebelasting regelmatig beschouwd als subsidie voor fossiele energie. Ten onrechte, omdat deze tariefstructuur geldig is ongeacht of het gaat om fossiele of om hernieuwbare energie. Er is gekozen voor deze tariefstructuur om de concurrentiepositie van het bedrijfsleven ten opzichte van buitenlandse concurrenten te waarborgen.’

Duurzame stimulering

Kamp: ‘Ook in andere landen gelden voor het bedrijfsleven per saldo lagere tarieven dan voor kleinverbruikers. Overigens zal ook de energie-intensieve industrie een bijdrage moeten leveren aan de noodzakelijke energietransitie die met het Energieakkoord in gang is gezet en in de Energieagenda een belangrijk vervolg krijgt. Onlangs zijn met de sector aanvullende afspraken gemaakt om extra energie te besparen. Wat betreft de subsidies voor hernieuwbare energie is er in de begroting van Economische Zaken ten aanzien van de regeling Stimulering Duurzame Energieproductie (SDE+) voorzien in oplopende kasuitgaven van 678 euro miljoen in 2017 naar 2,5 miljard euro in 2023. Daarnaast zijn in 2017 ook kasuitgaven van 70 miljoen euro voorzien voor de investeringssubsidie duurzame energie (ISDE) voor kleinschaliger vormen van hernieuwbare energieopties die niet voor de SDE+ in aanmerking komen. Tot slot wordt op deze plaats de subsidieregeling Demonstratie Energie Innovatie (DEI) genoemd als onderdeel van de regelingen binnen de Topsector Energie met een budget van jaarlijks 100 miljoen euro.’

ETS

Kamp ziet een belangrijke rol voor het Europees emissiehandelssysteem (ETS). ‘Het is de inzet van het kabinet om het ETS te versterken, zodat een sterkere prikkel ontstaat voor het nemen van CO2-reducerende maatregelen. Daarnaast wordt via subsidies, zoals de SDE+, de inzet van hernieuwbare energie bevorderd om deze concurrerend te laten zijn ten opzichte van fossiele energie. Tegelijk worden thans in het kader van de uitwerking van de Energieagenda zogenoemde transitiepaden verkend, gericht op een drastische reductie van het gebruik van fossiele energie richting 2050.

Industrie

Kamp gaat ook in op vragen over de industriële emissie, die tot nog toe nauwelijks is afgenomen. ‘Onder het Europese emissiehandelssysteem is het mogelijk dat de CO2-uitstoot van een sector of land (tijdelijk) toeneemt. Het uitstootplafond is immers een Europees plafond, waaronder verschuivingen mogelijk zijn. De Nederlandse bedrijven die aan het EU-emissiehandelssysteem deelnemen, hebben in 2016 in totaal 94 Mton CO2-equivalenten uitgestoten. Dit betekent een stabilisatie van de uitstoot ten opzichte van 2015. Daarbinnen heeft de chemiesector in 2016 18,5 Mton CO2-uitgestoten. Dit is zeven procent meer dan in 2015, toen de uitstoot 17,3 Mton was. Deze toename wordt vooral veroorzaakt door de hervatting van de productie bij één bedrijf.

Overigens wijkt bovenstaand beeld niet substantieel af van de ramingen in de Nationale Energieverkenning (NEV) 2016. In de NEV 2016 werd reeds een tijdelijke toename van de emissies in 2015/2016 gesignaleerd. In de NEV 2016 wordt echter ook geraamd dat, onder andere door de gestage groei van hernieuwbare energie, de broeikasgasemissies in de ETS-sectoren vanaf 2017 tot en met 2020 zullen afnemen.