VEMW Archieven - Utilities

De zevende editie van het industriële watercongres Watervisie staat 14 februari in het teken van de energietransitie. Water en energie zijn namelijk onlosmakelijk met elkaar verbonden. Industrielinqs, Evides Industriewater en VEMW stelden daarom een programma samen met zowel beleidsvoerders die het klimaatakkoord gestalte geven, alsook industrieleiders die de energietransitie aangrijpen om hun waterstrategie te wijzigen.

Met het Klimaatakkoord zet de industrie grote stappen in de energietransitie. Water is de belangrijkste energie- en grondstoffendrager in industriële processen. Daarom kijken industriële leiders steeds vaker naar de wisselwerking tussen water, energie en grondstoffen. Een integrale visie levert ze extra waarde op door (kosten)besparingen in het gebruik en terugdringing van emissies. Temeer omdat water als medium ook een rol kan spelen in circulaire ketens.

Ook benieuwd hoe een integrale visie op uw water, energie- en grondstofstromen u helpen bij uw economische en ecologische uitdagingen? Kom dan naar Watervisie 2019. Heineken Nederland in Zoeterwoude is deze keer gastheer van het Watervisie Congres. De brouwer heeft zijn eigen watervisie vastgelegd in de Brewing a Better World strategie.

 

 

Volgens uitgelekte plannen van het kabinet moet een begrotingsgat van circa zeshonderd miljoen euro onder meer gedicht worden door verhoging van de Energiebelasting voor het gebruik van aardgas met tweehonderd miljoen euro. Volgens Hans Grünfeld van VEMW leidt dit niet tot een lager energiegebruik en verlaging van de CO2-emisies. ‘Het verslechtert louter de concurrentiepositie van bedrijven in Nederland.’

Op Prinsjesdag presenteert het kabinet het regeringsbeleid voor het komende jaar. Daarin zal zeker opgenomen zijn wat de inzet van kabinet is ten aanzien van het energie- en klimaatbeleid. Volgens vorige week uitgelekte plannen moet er kennelijk een begrotingsgat worden gedicht dat ontstaan is door hogere uitgaven voor afschaffing van de dividendbelasting. Die maatregel zou de Staatskas door aantrekking van de economie twee in plaats van 1,4 miljard euro per jaar kosten. Deel van de oplossing: verhoging van de Energiebelasting voor het gebruik van aardgas met tweehonderd miljoen euro voor de gasverbruikers in de industrie.

Begrotingsgat dichten

Algemeen directeur Hans Grünfeld van VEMW: ‘de maatregel is kennelijk bedoeld om een begrotingsgat te dichten en niet om minder energie te gebruiken en daarmee de CO2-uitstoot te verlagen. Voor bedrijven die deze extra belasting moeten opbrengen is het louter een verhoging van de productiekosten zonder dat daar iets tegenover staat. De bedrijven die gebruik kunnen maken van een verlaging van de dividendbelasting en de vennootschapsbelasting zijn namelijk niet dezelfde als zij die deze lastenverhoging gaan dragen. Het betreft de vestiging van de hoofdkantoren en niet de productievestigingen. Dat doet het Nederlandse investeringsklimaat geen goed, maar zorgt er ook voor dat het geld voor die extra kosten niet kan worden geïnvesteerd in maatregelen voor uitvoering van het Klimaatakkoord, dat in de maak is om de emissies van broeikasgassen tot 2030 te reduceren.

Minister Wiebes stuurde de industriële grootverbruikers van Groningengas twee brieven. Of de bedrijven maar binnen vier jaar hun G-gas consumptie wilden afbouwen. Of dit technisch en organisatorisch haalbaar is, is nog maar zeer de vraag. In ieder geval vraagt de afbouw van laagcalorisch gas om een strakke regie.

De brief die Minister Eric Wiebes van Economische Zaken en Klimaat begin dit jaar stuurde, is een logisch vervolg van de ontwikkelingen rondom het Groningen gasveld. Een uitdaging voor zowel de Rijksoverheid als voor de industrie is het feit dat veel partijen afhankelijk zijn van het laagcalorisch of G-gas. Vandaar dat Wiebes de tweehonderd grootste verbruikers van dit G-gas de in het kader gepubliceerde brief stuurde. Nu weet ook de industrie al langer dat er een einde komt aan de productie van het Groningenveld, maar een tijdsbestek van vier jaar om een systeem volledig om te gooien vindt een aantal partijen wel heel kort.

Gezamenlijke aanpak

Belangenvereniging VEMW is een van de partijen die zijn vraagtekens zet bij de koers die de minister is ingeslagen. Met name de eerste benadering kwam volgens algemeen directeur Hans Grünfeld van VEMW intimiderend over. ‘De tweede brief was al wat zorgvuldiger opgesteld, maar de boodschap bleef wel staan: de minister wil dat de individuele bedrijven zelf maatregelen nemen om hun G-gas consumptie in vier jaar tijd af te bouwen naar nul. Die vraag is natuurlijk redelijk eenvoudig geformuleerd en ook de VEMW-leden zijn bereid gezamenlijk naar een oplossing te zoeken. Het beantwoorden van de vraag is echter een stuk complexer.

Bovendien gaat de individuele benadering voorbij aan een aantal kwesties die de industrie beter gezamenlijk kan aanpakken. We hebben dan ook niet zozeer moeite met het feit dat de industriële afnemers op het GTS-net op termijn geen G-gas meer gaan gebruiken, maar we moeten nu wel de juiste keuzes maken om de overgang ook haalbaar en betaalbaar te houden.’

Revisies

De implicaties van de overgang van een G-gasinstallatie naar een H-gas zijn technisch te overzien, vindt Bert Kiewiet, Principal consultant Gas System Management van DNV GL. ‘Maar er zijn wel degelijk verschillen tussen H-gas en G-gas waar je rekening mee moet houden. Zo heeft G-gas een heel nauwe bandbreedte, wat doorgaans gunstig is voor het afstellen van branders. H-gas staat er om bekend dat het meer variatie kent in de Wobbe-index.

Toekomstbestendig

Desondanks denkt Kiewiet dat de industriële gebruikers er toch niet aan ontkomen hun installaties om te bouwen. ‘Nederland heeft een redelijk geïsoleerde positie waar het Groningengas betreft. De rest van de wereld is ingesteld op H-gas en zelfs België gaat massaal over op het hoogcalorische gas. We kunnen ons dan ook niet in lengte van dagen vasthouden aan laagcalorisch gas. Natuurlijk kan de calorische waarde van H-gas worden verlaagd met stikstofbijmenging, maar dat is altijd duurder dan puur H-gas inzetten in daarop afgestemde installaties.

Dit bericht is een fragment van een artikel uit de komende editie van Utilities. Begin mei kunt u Utilities 3, met het thema: schoon gas en biomasse, op de mat verwachen. Nog geen abonnee: meldt u zich snel hier aan.

De Nederlandse Vereniging Duurzame Energie (NVDE) en het Platform Bio-Energie hebben het initiatief genomen om als kennismakelaar obstakels te overwinnen die energiegebruikers op hun pad vinden wanneer ze hun warmtebehoefte willen vergroenen, bijvoorbeeld door toepassing van biomassa en geothermie.

Ook de industrie zal moeten bijdragen aan een reductie van de broeikasgasemissies van de energievoorziening. Dat vergt investeringen, brengt extra operationele kosten met zich mee, én biedt kansen. Kansen voor een nieuwe waardeontwikkeling, gebruik makend van concurrerend geprijsde hernieuwbare elektriciteit, warmte en grondstoffen waaronder biomassa. Wie nu verduurzaamt heeft straks een competitief voordeel. Maar helaas: de praktijk blijkt vele valkuilen te kennen. Bijvoorbeeld om realistische en onafhankelijke informatie te krijgen, onzekerheid ten aanzien van kosten(ontwikkelingen), de (on)mogelijkheden in de uitvoering en de toekenning van subsidie en vergunning. Dit doet de uitvoering van projecten gericht op verduurzaming van de energievoorziening nogal eens stagneren of zelfs tegenhouden.

Kennismakelaar

De Nederlandse Vereniging Duurzame Energie (NVDE) en het Platform Bio-energie hebben het initiatief genomen om als kennismakelaar de vastgestelde obstakels te overwinnen en de realisatie van hernieuwbare warmte en het gebruik van biomassa en geothermie daarbij te versnellen. Voor bedrijven die bereid zijn hun verduurzamingsplannen en de obstakels daarin om te komen tot realisatie, te delen met de NVDE, het Platform Bio-energie en andere bedrijven, hebben de initiatiefnemers een heel arsenaal aan kennis, tips, voorbeelden en verbetersuggesties beschikbaar. De initiatiefnemers willen met hun kosteloze dienstverlening komen tot het opstellen van een realistische business case, met een goede kans van slagen. De NVDE en het Platform Bio-energie zijn erop uit dat de energietransitie gerealiseerd wordt. Het belang van de energieverbruiker is de verduurzaming van zijn energiegebruik. Als u hierin geïnteresseerd bent, kunt u contact opnemen met VEMW.

Lees hier het bericht op de site van VEMW

VEMW stuurde een brief aan het Europees Parlement waarin zij haar zorgen uit over de plannen van de Europese Commissie (EC) inzake garanties van oorsprong. De EC stelt via het Clean Energy Package voor om spelregels voor Garanties van Oorsprong fors te wijzigen. De Wijzigingen hebben grote gevolgen voor bedrijven die duurzame energie inkopen of zelf opwekken. VEMW heeft het Europees Parlement van de problemen op de hoogste gesteld en concrete suggesties gedaan voor een oplossing.

Het Clean Energy Package (CEP) moet Europa’s brede energiestrategie worden, die richting geeft aan het Europese Energie- en klimaatbeleid tot 2030. Het CEP is een omvangrijk pakket is een verzameling van gewijzigde richtlijnen en verordeningen inzake energie. De bestaande Richtlijnen en verordeningen voor elektriciteit, hernieuwbare energie (RES), energie-efficiëntie (EED) en toezicht (ACER) worden ingrijpend aangepast.

Garanties van oorsprong

Een energiegebruiker heeft twee mogelijkheden om zijn energievraag te verduurzamen: zelf hernieuwbare energie opwekken of de behoefte vergroenen door de inkoop van gecertificeerde hernieuwbare elektriciteit of groen gas. De certificering gebeurt met zogenaamde ‘Garanties van Oorsprong’ (GVO), waarin de duurzame herkomst ondubbelzinnig, controleerbaar en rapporteerbaar is vastgelegd. De Commissie stelt met een wijziging van de richtlijn voor hernieuwbare energie voor om de koppeling van energie en GvO’s los te laten. Projecten waarvoor subsidie is verleend door een lidstaat krijgen niet langer zelf de GvO’s toegekend. Die GvO’s gaan naar de lidstaat. Door de lidstaten te verplichten om die GvO’s vervolgens te laten veilen moet er volgens de Commissie een transparante marktprijs voor GvO’s ontstaan. Daarmee wordt teven voorkomen dat producenten dubbel gecompenseerd worden.

Probleem

Algemeen directeur Hans Grünfeld van VEMW: ‘Het voorstel van de Commissie is onnodig en belemmert de groei van duurzame energie in Nederland. De tendersystematiek zoals die wordt gehanteerd in de SDE+ zorgt namelijk voor concurrentie en voorkomt daarmee al dubbele compensatie. Het voorstel leidt er toe dat de opbrengsten van de veiling niet direct in de markt komen en neerslaan op de verduurzamingsprojecten zelf , maar bij de lidstaat. Die lidstaat kan er voor kiezen om subsidies mee te financieren. Echter, ook de GvO komt niet langer terecht bij het project. Daarmee ontstaat een belemmering voor de realisatie van projecten zoals het windturbinepark Krammer (Zeeland), waarin een consortium van bedrijven (AkzoNobel, DSM, Philips en Google) elektriciteit en de GvO’s te kopen met een afname garantie van vijftien jaar. Ook een langjarig contract voor de inkoop van groene stroom, zoals de NS gebruikt, en projecten van bedrijven om op hun bedrijfslocatie zelf duurzame energie willen produceren zijn niet langer mogelijk wanneer de EC haar zin krijgt’

Oplossing

Grünfeld: ‘VEMW erkent dat de marktwaarde van GvO’s de kosten voor de overheid om duurzame energie te subsidiëren laag kan houden. Ook onderschrijft VEMW het idee dat een overstimulering van duurzame energie moet worden voorkomen. Het huidige voorstel van de commissie heeft echter negatieve implicaties voor duurzame energie projecten en verlaagt in Nederland de transparantie. VEMW roept daarom het Europees Parlement op om het voorstel van de Europese Commissie te amenderen door de verplichte veiling te schrappen, bestaande contracten en projecten buiten schot te laten en lidstaten te verplichten om de waarde van GvO’s mee te nemen wanneer subsidie wordt verleend.’

 

Op de site van VEWM is de brief te lezen

Dat de energietransitie zich over de gehele maatschappij uitstrekt, blijkt wel uit de diverse belangengroepen die zich allemaal over dezelfde vraagstelling bogen: Hoe kunnen we zo snel mogelijk de uitstoot van broeikasgassen terugdringen. Hoever dat terugdringen gaat, daar zijn de meningen nog over verdeeld maar ratificatie van de COP21-afspraken is in ieder geval gewenst.

Het regende de afgelopen maand rapporten. PBL kwam al in maart met zijn rapport over energieneutrale warmtenetten in Nederland terwijl het niet veel later de kosten doorberekende van de energietransitie. Als een ding duidelijk is uit deze rapporten, dan is het dat een centrale regie vanuit een sterke overheid gewenst is. Het doel is in ieder geval duidelijk: de CO2-emissies met 95 tot honderd procent verlagen.

Alle rapporten naast elkaar gelegd, laten zien dat de partijen het eens zijn over een aantal thema’s: terugdringing van fossiele brandstoffen, een hogere bijdrage van warmte, een hoge integratie van  de energiesystemen en een sterkere regie op de energiemarkt. Energiebesparing levert in de plannen nog steeds de grootste bijdrage, terwijl flexibilisering en de grotere marktdynamiek de grootste uitdagingen zijn. Uit de doorberekeningen van PBL blijkt dat de CO2-besparingsmogelijkheden in de industrie zoals de inzet van biomassa, CCS, recycling en efficiencyverbetering de hoogste opbrengsten genereren tegen de laagste kosten.

VEMW

Misschien de meest praktische bijdrage komt van de industriële grootverbruikers die een onderzoek lieten uitvoeren door onderzoeksbureau McKinsey. Geen conceptuele vergezichten, maar een achttal tastbarre maatregelen die de koolstofemissies van de zware industrie met 95 procent kunnen terugdringen. De industrie is verantwoordelijk voor veertig procent van de totale emissies in Nederland en de genoemde percentages kunnen dan ook een belangrijke stap zijn in de terugdringing van CO2-emissies in Nederland. Energiebesparing staat daarbij op nummer één. Met warmtepompen, netwerken voor restwarmte en mechanische damprecompressie kan de industrie nog veel van de warmte die verloren gaat nuttig inzetten.

De industrie kan volgens onderzoeksbureau McKinsey ook een rol spelen in loadbalancing door gebruik te maken van hybride boilers die zowel op elektriciteit als gas kunnen draaien. In processen waar CO2-uitstoot onvermijdelijk lijkt, pleit men voor afvang van CO2 om dit ondergronds op te slaan of eventueel nuttig in te zetten als grondstof.

Een meer circulaire benadering van industriële productieprocessen, kan de industrie helpen bij het terugdringen van de CO2-emissies. Praktische voorbeelden zijn een hub in Rotterdam voor het recyclen van plastic en het inzetten van meer staalschroot voor de productie van staal. Maar ook de inzet van biogas of syngas helpt de industrie zijn uitstoot te beperken. Een stap verder dan biomassa inzetten voor de opwekking van warmte, is het gebruik ervan als grondstof voor chemicaliën zoals azijnzuur of etheen.

McKinsey ziet ook mogelijkheden voor een aantal technieken voor de verdere toekomst. Die projecten kunnen echter pas rendabel worden na een aantal technische doorbraken. Zo heeft industrie op zich interesse in power to gas, waar overtollige elektriciteit via elektrolyse kan worden ingezet om water te splitsen in waterstof en zuurstof. Om dit rendabel te maken, is wel onderzoek nodig naar efficiencyverbetering.

Hetzelfde geldt voor de inzet van warmtepompen voor middelhoge temperaturen, elektrische fornuizen voor hoge temperaturen en a chemische processen met een lagere warmtevraag. De bijdrage in CO2-besparing kan groot zijn, maar de technieken vragen om meer onderzoek.

De staalindustrie, in Nederland met name Tata Steel, kan ook elektrische processen inzetten om staal te smelten. Dit zogenaamde Electric Arc Furnace proces kan echter alleen worden ingezet om schroot om te smelten in staal. Tata is inmiddels bezig met proefprojecten om de CO2-uitstoot van de staalproductie terug te dringen, maar nog wel op basis van cokes. Als dit wordt gecombineerd met CO2 afvang en opslag, zijn hier toch behoorlijke emissieverlagingen te bereiken.

Energie Nederland

Ook Energie Nederland ziet de terugdringing van CO2-emissies als uitgangspunt voor zijn kompas. Energie Nederland kijkt daarbij tot 2030, waar het zich richt op een halvering van de uitstoot. Met dit uitgangspunt wordt niet de inzet van renewables leidend, waardoor ook schoon fossiel nog een plek kan krijgen in de overgang naar volledig duurzame energieproductie. Dit uitgangspunt is met name ingegeven vanuit de leverings- en voorzieningszekerheid en de betaalbaarheid van energie. Met name de onvoorspelbaarheid van wind- en zonne-energie baart de energieproducten zorgen en de opslag van elektriciteit is nog te duur. Energie Nederland pleit dan ook om vooral het instrument emissiehandel (ETS) te blijven gebruiken, maar wel met een aangescherpt plafond en hogere CO2-prijzen.

De energieproducenten geven in hun kompas aan graag in gesprek te gaan met de energie-intensieve industrie om een verhoogde klimaatambitie samen te laten gaan met internationale concurrentiekracht. Hoe ze dat gaan doen, wordt nog niet uitgediept, maar inmiddels zijn er wel voorbeelden van succesvolle samenwerking tussen industrie en energiebedrijven.

Wat ook duidelijk is, is dat de energiebedrijven de overheid nog hard nodig hebben om hun ambities gestand te kunnen doen. De SDE+ subsidie blijft nodig, zolang ETS nog niet als volwaardig instrument kan worden ingezet. Maar ook een stabiel investeringsklimaat, wat nauw samenhangt met subsidies, maar ook ondersteunende wet- en regelgeving. De energiebedrijven spreken daarbij af meer te investeren in energiebesparing bij hun klanten.

Het faciliteren van capaciteit, of zoals Energie Nederland het noemt: de dienst leveringszekerheid, kost geld. De energiebedrijven zouden dan ook het liefste een capaciteitsmarkt zien waarin het leveren van flexibele capaciteit wordt beloond. Voorwaarde voor een dergelijke markt is een flexibele infrastructuur met navenante prijsstructuren. De overheid moet in deze turbulente en dynamische markt meer regie voeren en keuzes maken die de leveringszekerheid, maar ook betaalbaarheid van de energievoorziening veilig stellen.

KVGN

Inmiddels heeft ook de gassector, verenigd in de Nederlandse gasassociatie KVGN, zich verbonden aan het SER Energieakkoord voor duurzame groei. De belangenvereniging presenteerde onlangs zijn strategische agenda met als doe het CO2-neutraal maken van de energievoorziening in 2050. De plannen richten zich op verschillende gebieden, zoals de gebouwde omgeving, de industrie, mobiliteit/transport, het aanbod van hernieuwbaar gas en systeemintegratie op de Noordzee.

Hoewel ook de gasproducenten een grote rol zien voor stadswarmte, ziet men dat voor één à twee miljoen woningen in Nederland  warmtelevering via warmtenetten niet weggelegd is en een volledig elektrische verwarming economisch niet haalbaar is. Hier zouden hybride warmtepompen een goede tussenoplossing kunnen bieden.

Uitgangpunt voor de KVGN-leden is het begrip ‘gas-op-maat’, waarbij de energiebron met de minste CO2-uitstoot voorrang krijgt. Dit betekent dat aardgas vooral daar bijspringt waar nog geen duurzame alternatieven voorhanden zijn. Of waar die nu niet haalbaar zijn vanuit technisch of economisch oogpunt. Waar mogelijk wil men groen gas inzetten. De gasproducenten hopen natuurlijk ook een schoner alternatief te bieden voor steenkool, stookolie en diesel.

Isolatie

De rol van isolatie is opvallend afwezig in de rapporten van de belangenpartijen. En dit terwijl het besparingspotentieel op een slordige 31 Petajoule wordt geschat. Bij de meeste bedrijven  liggen nog kansen voor het thermisch isoleren van leidingen, flenzen, kleppen, kranen enzovoorts. Angst voor corrosie onder isolatie of andere procesverstoringen houdt de industrie tot nog toe tegen. Wellicht helpt het nieuwe akkoord dat de energie-intensieve industrie sloot met minister Kamp om 9 petajoule energie te besparen ook dit struikelblok te overbruggen.

Een achttal tastbare maatregelen in de energie-intensieve industrie waarmee de CO2-emissie in de periode tot 2050 radicaal – met meer dan 90 procent – reduceert. Dat is het voorstel van de energie-intensieve industrie aan de overheid waarmee – met actieve betrokkenheid van die overheid – concrete beslissingen kunnen worden genomen in de transitie van de industrie naar een innovatieve, moderne en koolstofarme bedrijvigheid. VEMW baseert deze zienswijze op onderzoek van consultancybureau McKinsey & Company.

De Nederlandse industrie levert gezamenlijk met 21 procent van het BBP een substantiële bijdrage aan de Nederlandse economie en produceert noodzakelijke bouwstenen voor een duurzame samenleving. Tegelijk stoot de energie-intensieve industrie zo’n veertig procent van de totale CO2-uitstoot in Nederland uit. De sector is doordrongen van de noodzaak om deze uitstoot drastisch te beperken én tegelijkertijd de mogelijkheid om door investeringen, innovatie en vernieuwing haar positie in de Nederlandse economie te versterken.

Onderzoek

Er zijn geen kant-en-klare oplossingen beschikbaar. VEMW vroeg consultancybureau McKinsey & Company om reële mogelijkheden te onderzoeken die een versnelling van de transitie van de industrie mogelijk maken. Dat leidde tot een achttal tastbare maatregelen die het potentieel hebben om de industriële CO2-uitstoot met meer dan negentig procent te reduceren in 2050. Met een aantal maatregelen kan in de komende kabinetsperiode al direct een start worden gemaakt, zoals de inzet van warmtepompen en het vervangen van gasgestookte boilers door hybride of elektrische systemen. Er zijn ook maatregelen die door de noodzakelijke drastische kostenreductie en/of innovatie pas na 2025 kunnen worden gerealiseerd, zoals CCS, CCU, inzet van biomassa en biobrandstoffen, productie van waterstof door elektrolyse, elektrische fornuizen voor hoge temperaturen en het ontwikkelen van waardeketens rond reststromen en een circulaire economie.

Volgens VEMW leiden de additionele investeringen van de acht genoemde opties, met  een totale

ordegrootte van twaalf miljard euro,  tot de creatie van enkele duizenden nieuwe banen – van installatie van elektrische systemen tot CO2-netwerken. Banen die er anders niet zouden zijn.

 

Hand in hand

Algemeen directeur Hans Grünfeld van VEMW: ‘In ons voorstel vragen wij een actieve betrokkenheid en faciliterend beleid van de overheid, waarmee de energietransitie en industrietransitie hand in hand gaan. Dat vergt een geheel ander overheidsbeleid voor de komende vier jaar. Waarbij de overheid een regie- en investeringsrol neemt in de ontwikkeling van netwerken, vergelijkbaar met de succesvolle aanpak van wind-op-zee.  Zonder wettelijke belemmeringen voor het leveren van flexibiliteitsdiensten voor de steeds duurzamer wordende stroommarkt en de inzet van reststromen voor de circulaire economie. Met een financiële ondersteuning voor onrendabele investeringen in CO2-reductie, nieuwe financieringsinstrumenten en budget voor innovatie en ontwikkeling. Om van de transitie een succes te maken is een cruciale voorwaarde dat industrie en overheid een langetermijnvisie delen op concurrerend geprijsde CO2-vrije elektriciteit.’

 

Meer informatie over het onderzoek vindt u hier

VEMW heeft met deskundige gebruikers van noodstroominstallaties bij ziekenhuizen een instrument ontwikkeld waarmee de continuïteit van de noodstroomvoorziening in een ziekenhuis kan worden geborgd. Met de ‘Leidraad Noodstroomvoorziening’ kunnen organisaties controleren hoe adequaat hun noodstroomvoorziening is en waar verbeteringen mogelijk of noodzakelijk zijn. Het biedt organisaties een communicatiemiddel tussen de technici, verantwoordelijk bestuur en de zorgafdelingen, waarmee de gehele procedure van tests en controles wordt gestructureerd.

Voor organisaties als ziekenhuizen en andere zorginstellingen, datacenters en banken vormt de noodstroominstallatie een vitaal onderdeel van de bedrijfsvoering. Om de continuïteit van de noodstroomvoorziening te waarborgen, is een degelijke procedure van testen en controles noodzakelijk. Dat bleek nog tijdens de omvangrijke stroomstoring in januari in Amsterdam en omstreken, toen onder meer het Medisch Centrum Slotervaart niet op haar noodstroomvoorziening bleek te kunnen vertrouwen. Ook het datacenter van TransIP kreeg met de gevolgen van de stroomstoring te maken, onder meer door weigering van een back-upgenerator. Met de Leidraad Noodstroomvoorziening kunnen organisaties, mensen, zich beter voorbereiden op dergelijke situaties wanneer de noodstroomvoorziening in werking moet treden.

Stroomlijnen processen

Vanuit de behoefte om de processen te stroomlijnen heeft VEMW de kennis en expertise van deskundigen van dertien ziekenhuizen gebundeld in de Leidraad Noodstroomvoorziening. In de Leidraad komen alle relevante elementen aan bod, zoals het testen, toetsen, beheer en onderhoud van een installatie, maar nadrukkelijk ook het risicobeleid van de organisatie en de noodzakelijke interne en externe communicatie in noodsituaties.

De Nederlandse overheid heeft een sterke partner gevonden in zijn ambitie de uitstoot van kooldioxide in 2050 80 tot 95 procent terug de dringen: de industrie. Belangenvereniging van de energiegrootverbruikers VEMW overhandigde tijdens de viering van zijn honderdjarig jubileum een propositie aan directeur Generaal Mark Dierickx van Economische Zaken. Het voorstel van de achterban van VEMW is duidelijk: De industrie wil investeren als de overheid wil faciliteren.

‘Een ambitieus plan’, dat geeft algemeen directeur van VEMW Hans Grünfeld direct toe. ‘Maar het is geen luchtfietserij. Het is bijzonder dat industriële grootverbruikers van energie zich zo eensgezind uitspreken over emissiereductie en ik ken geen land met een industrie met vergelijkbare plannen. Wat ook duidelijk moet zijn: we zitten niet op geld van de overheid te wachten. We willen vooraleerst  dat de overheid een visie en strategie voor de lange termijn  vastlegt en zich daar ook aan houdt. De Nederlandse industrie heeft echt zijn nek uitgestoken met deze propositie en we hopen natuurlijk dat de overheid evenveel lef toont. Zo’n lange termijnvisie is namelijk een voorwaarde voor het investeringsklimaat voor verduurzaming van de industrie. Veel bedrijven zijn nu eenmaal afhankelijk van private investeerders en veel kapitaal komt vanuit het buitenland. Die investeerders krijg je alleen maar mee als ze zeker zijn van een consistent beleid en gegarandeerde rendementen over de lange termijn.’

Hoe die emissiebesparing tot stand komt, is voor een deel wel te voorspellen. Grünfeld: ‘De industrie investeerde de afgelopen jaren al in energiebesparende maatregelen, in de opwaardering of nuttige inzet van restwarmte en zet steeds vaker duurzame grondstoffen en energie in. Die investeringen leidden tot incrementele verbeteringen en ik verwacht dat die de komende jaren nog wel door zullen gaan. Als je deze trend doortrekt naar 2050 kom je nog niet tot de helft van de ambitie van een vrijwel emissie loze industrie. Om echt grote sprongen te maken, is een trendbreuk nodig en om dat te bereiken, is op diverse vlakken innovatie nodig. Niet alleen op het gebied van energietechniek en duurzame grondstoffen, maar bijvoorbeeld ook op het gebied van grensoverschrijdende samenwerking en financiering. Met alleen maar optimaliseren wat we al hebben, komen we er niet.’

Twee gedachten

Dat de overheid een leidende rol heeft genomen in de verduurzaming van de energievoorziening, ziet Grünfeld als een goed teken. ‘De ondertekening van het SER Energieakkoord door industrie, bedrijfsleven, overheid én maatschappelijke organisaties laat zien dat het mogelijk is de agenda’s gelijk te krijgen. Die afspraken gaan echter tot 2023 terwijl wij juist naar de langere termijndoelstellingen kijken. Daar komt bij dat de afspraken in dit akkoord op twee gedachten hinken: de inzet van duurzame energie en energiebesparing. Het hoofddoel waar de industrie voor gaat, is het vermijden van de uitstoot van kooldioxide. Daarmee voorkom je discussies over de mate van duurzaamheid van oplossingen. Het aantal ton vermeden CO2 is namelijk gemakkelijk te meten. En waar dat niet mogelijk is, houden we ook nog end of pipe-oplossingen open zoals CO2-afvang en -opslag. Die optie hebben we tijdens de transitiefase nog steeds nodig.’

De energiegrootverbruikers merken dat het enthousiasme bij de overheden toeneemt en dat men steeds meer oog krijgt voor de behoefte van de industrie. Een aantal jaren geleden leek het er nog op dat een aantal politieke partijen de industrie liever uit Nederland zag verdwijnen, maar dat tij lijkt gekeerd. ‘We hopen natuurlijk dat men de daad bij het woord voegt en zorgdraagt voor een betaalbare en betrouwbare energievoorziening. Politieke keuzes bepalen uiteindelijk of de energiemix toereikend is, of er voldoende netwerkcapaciteit beschikbaar is en of de energie-infrastructuur ook betrouwbaar is. In de tarifering van zowel energie als transport zal men daarbij rekening moeten houden met de concurrentieverhoudingen in een mondialiserende economie. CO2-beprijzing kan een instrument zijn om energiebesparende maatregelen te realiseren, maar te hoge prijzen kunnen ook carbon leakage in de hand werken. We vragen dan ook vooral om de markt zijn werk te laten doen.’

Integratie

De zo gewenste trendbreuk is lastig te sturen, maar desondanks denkt Grünfeld dat het wel mogelijk is. ‘Innovatie kan je niet forceren, maar je kunt wel voor optimale omstandigheden zorgen om innovatie mogelijk te maken. We horen wel vaker de geluiden dat Nederland klein is en weinig volume heeft om verschil te maken op de mondiale CO2-uitstoot. Maar juist die kleine schaal in combinatie van een zeer geïntegreerde industrie kan ons voorop plaatsen in de wereldranglijst van duurzame industrielanden. De grote Nederlandse industrieclusters in Rotterdam, Geleen, Delfzijl en Terneuzen leveren een gigantisch voordeel op wat betreft uitwisseling van reststromen en bijvoorbeeld cascadering van warmte. De volgende stap is volgens ons dan ook om die integratie zo ver mogelijk door te voeren. Naar de gebouwde omgeving of naar andere sectoren. Wat dat aangaat denk ik dat het huidige topsectorenbeleid remmend is voor die gewenste trendbreuk. Momenteel kijkt men teveel naar uitbreiding van kennis en innovatie binnen de zuilen van bijvoorbeeld agri en food, de energiesector of de chemie, terwijl de grootste kansen op echte doorbraaktechnologie op het snijvlak ligt van die sectoren. Een aantal cross sectorale thema’s moet heel snel worden opgepakt. De komende jaren wordt bijvoorbeeld fors ingezet op de inzet van biomassa wat als vervanger van nafta kan dienen voor de chemische industrie, maar ook als grondstof voor de voedingsmiddelenindustrie. Als laatste kijkt ook de energiesector naar de mogelijkheden van biomassa voor de productie van stoom en elektriciteit. Samenwerking tussen deze partijen levert uiteindelijk meer op dan de som der delen.’

Natuurlijk zijn er nog wel wat knelpunten weg te werken, maar Grünfeld denkt dat ook daar wel oplossingen voor kunnen worden gevonden. ‘Grote uitdaging blijft de financiering van energiebesparende maatregelen. Dit soort projecten kennen vaak een langere terugverdientijd en concurreren met andere, meer rendabele projecten. Ook op dat vlak is innovatie nodig, met nieuwe financiële structuren of fondsen die de risico’s kunnen beperken.’

gelijke kansen

Ook de SDE+ projecten zouden beter kunnen worden afgestemd op de wensen van de industrie. ‘De overheid zou in zijn stimuleringsbeleid meer moeten kijken wat de nettobijdrage is aan de CO2-besparing. We snappen dat men terughoudend is in overheidsbemoeienis met commerciële bedrijven. Maar bio-wkk of bijvoorbeeld restwarmtebenutting uit afvalverbrandingsinstallaties hebben een groot CO2-besparingspotentieel. De industrie wil minstens dezelfde kansen krijgen als de energiesector momenteel krijgt. Zeker omdat we denken dat de bijdrage op het gebied van CO2-besparing van deze projecten hoger kan zijn dan bijvoorbeeld windenergie.’

In dat kader is het ook vreemd dat bedrijven die hun productie kunnen afstemmen op het elektriciteitsaanbod momenteel gestraft worden met een veel hoger transporttarief. ‘Dit zijn typische belemmeringen in wet- en regelgeving die vraagt om duidelijke keuzes van de overheid. Hetzelfde geldt voor de allocatie van CO2-rechten. De manier waarop dat nu is geregeld, ontmoedigt bedrijven om te investeren in CO2-beperkende maatregelen in de keten.’

Knut Schwalenberg, CEO AkzoNobel Nederland, overhandigde de propositie officieel aan, toen nog, Directeur Generaal Mark Dierikx van Economische Zaken. ‘De overheid vroeg om input voor de energiedialoog die ze in het najaar zal voeren om daarmee de energieagenda te kunnen samenstellen. Ik denk dat deze propositie een goed uitgangspunt is voor die dialoog. Wat we in ieder geval laten zien, is dat de industrie zijn defensieve houding heeft verlaten en proactief meedenkt om op verantwoorde wijze tot een nagenoeg emissieloze Nederlandse industrie te komen in 2050.’

 

 

 

 

 

 

Verduurzaming van de warmte- en stoomvraag via voorzieningen die betrouwbaar en betaalbaar zijn. Dat is niet alleen een grote maar ook een ingewikkelde uitdaging om de uitstoot van CO2 met 80-95 procent terug te dringen in 2050. Een radicale verlaging van de CO2-voetafdruk van het energiegebruik en de energieproductie van de bedrijven kan niet gerealiseerd worden zonder transitie van de warmtevraag. Aanleiding voor VEMW om een Taakgroep Warmte op te richten om kennis en expertise van leden te delen voor het initiëren, ondersteunen en faciliteren van de belangenbehartiging gericht op die transitie.

Warmte is de belangrijkste energiedrager in de industrie (hoge druk stoom) en de gebouwde omgeving (lage temperatuur warmte). Van het totale Nederlandse energiegebruik van 2670 petajoule (PJ) in 2012 werd 1200 PJ verbruikt door de industrie. Ruim de helft (670 PJ) daarvan is ingezet voor de industriële hoge temperatuurwarmte, grotendeels gedekt door de inzet van aardgas (9,9 miljard m3). In de gebouwde omgeving (huishoudens, zakelijke gebouwde omgeving) wordt zo’n 740 PJ ingezet met een aardgasverbruik van meer dan 10 mrd m3. In 2013 is slechts 3,6 procent van de warmtevraag duurzaam geproduceerd en daarnaast is circa 5 procent van de totale warmtevraag gedekt door restwarmtebenutting. In het position paper “Samen op weg naar minder” (juni 2016) heeft VEMW aangegeven dat voor de realisatie van een koolstofarme energievoorziening een trendbreuk nodig is: een radicale verlaging van de CO2-voetafdruk van energiegebruik en energieproductie van (energie-intensieve) bedrijven in Nederland.

Taakgroep Warmte

Algemeen directeur Hans Grünfeld van VEMW: ‘in ons position paper hebben we geconcludeerd dat er geen sprake is van een ‘one size fits all’ oplossing. Voor een succesvolle aanpak van de gigantische uitdaging moet het vertrekpunt de behoefte aan warmte zijn. Vanuit dat vertrekpunt kan gerichter gekeken worden hoe die behoefte op een duurzame, betrouwbare en betaalbare manier ingevuld kan worden en wat daarvoor nodig is. Daarvoor is een nieuwe, eigenstandige taakgroep nodig. Wij zijn verheugd dat Remko Ybema (AkzoNobel) beschikbaar is om de nieuwe taakgroep voor te zitten.’

Meer informatie op: www.vemw.nl