Wiebes Archieven - Utilities

De subsidieloze aanbesteding van offshore windparken is een meevaller waar minister Wiebes van Economische Zaken en Klimaat eerder geen rekening had gehouden. En dat is goed nieuws voor de industrie, die waarschijnlijk maar 7,2 megaton in plaats van 18 megaton CO2 zou moeten afvangen en opslaan (CCS). In een kamerbrief licht de minister de voorgenomen wijzigingen toe.

In het regeerakkoord is een verdeling gemaakt van de bijdrage die vanuit de sectoren elektriciteit, industrie, gebouwde omgeving, mobiliteit en landgebruik & landbouw moet worden geleverd om 49 procent CO2-reductie te bereiken. De in het regeerakkoord geformuleerde opgave was echter gebaseerd op cijfers uit de Nationale Energieverkenning (NEV) 2016 en hield geen rekening met beleid dat na mei 2016 tot stand is gekomen. Sindsdien heeft het klimaat- en energiebeleid zich binnen en buiten Nederland verder ontwikkeld en zijn verschillende technieken aanzienlijk goedkoper geworden. Daarom besloot Wiebes de indicatieve tabel op basis van deze nieuwe inzichten te bestuderen.

Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) bracht aan de hand van de meest recente inzichten in beeld wat de kosteneffectiviteit (euro per ton vermeden CO2) van verschillende CO2-reducerende maatregelen zijn en het reductiepotentieel in 2030. Ten opzichte van het regeerakkoord komt het PBL nu op een bijgestelde indicatieve tabel.

Minder reductie

Het kabinet kiest onverminderd voor een ambitieuze doelstelling voor CO2-reductie van 49 procent. Het PBL concludeert dat deze doelstelling kan worden gerealiseerd met een minder grote reductieopgave in megatonnen en tegen aanzienlijk lagere kosten. In het Regeerakkoord wordt ervan uitgegaan dat een aanvullende daling van de CO2-emissies met 56 megaton nodig was om te komen tot 49 procent CO2-reductie ten opzichte van 1990. Uit de nadere analyse van het PBL blijkt echter dat als gevolg van recent ingezet en voorgenomen beleid de benodigde, aanvullende daling van emissies naar verwachting 45 megatonton bedraagt. Daarmee is de aanvullende opgave, die door de vijf sectortafels van het Klimaatakkoord moet worden gerealiseerd, wat kleiner geworden.

Subsidieloze aanbesteding

Het verschil van elf megaton wordt verklaard door een daling van vijftien megaton door de subsidieloze aanbesteding van wind op zee. Mede hierdoor blijken de kosten van een aantal zon- en wind-opties op basis van nieuwe inzichten onder de kosten van een aantal CCS-opties te duiken. De analyse geeft aan dat wanneer de inzet van CCS wordt beperkt tot de industrie, het totale potentieel van CCS minder groot is. De nu voorgestelde inzet van CCS in de industrie (7,2 Mton) is daarom lager dan die uit het regeerakkoord (18 Mton). In plaats daarvan wordt in sterkere mate ingezet op duurzame zon- en windopties, zo’n twintig Gigawatt.

Kolencentrales

Ook het lagere aantal draaiuren van de bestaande kolencentrales in Nederland draagt bij aan de verlichting van de CCS-opgave. Door meer hernieuwbare elektriciteitsproductie in Nederland en omringende landen en een lagere elektriciteitsvraag zullen kolencentrales de komende jaren minder produceren.

SDE+

Het kabinet blijft voornemens om na 2019 de SDE+ voort te zetten en te verbreden. Echter, door uit te gaan van het scenario waarin de SDE+ niet meer wordt opengesteld na 2019, ontstaat de mogelijkheid om de beschikbare middelen op een andere wijze in te zetten en kan het kabinet de besteding van de SDE+-middelen integraal afwegen ten behoeve van een kostenefficiënte invulling van de doelstelling van 49 procent broeikasgasreductie in 2030.

 

Minister Wiebes stuurde de industriële grootverbruikers van Groningengas twee brieven. Of de bedrijven maar binnen vier jaar hun G-gas consumptie wilden afbouwen. Of dit technisch en organisatorisch haalbaar is, is nog maar zeer de vraag. In ieder geval vraagt de afbouw van laagcalorisch gas om een strakke regie.

De brief die Minister Eric Wiebes van Economische Zaken en Klimaat begin dit jaar stuurde, is een logisch vervolg van de ontwikkelingen rondom het Groningen gasveld. Een uitdaging voor zowel de Rijksoverheid als voor de industrie is het feit dat veel partijen afhankelijk zijn van het laagcalorisch of G-gas. Vandaar dat Wiebes de tweehonderd grootste verbruikers van dit G-gas de in het kader gepubliceerde brief stuurde. Nu weet ook de industrie al langer dat er een einde komt aan de productie van het Groningenveld, maar een tijdsbestek van vier jaar om een systeem volledig om te gooien vindt een aantal partijen wel heel kort.

Gezamenlijke aanpak

Belangenvereniging VEMW is een van de partijen die zijn vraagtekens zet bij de koers die de minister is ingeslagen. Met name de eerste benadering kwam volgens algemeen directeur Hans Grünfeld van VEMW intimiderend over. ‘De tweede brief was al wat zorgvuldiger opgesteld, maar de boodschap bleef wel staan: de minister wil dat de individuele bedrijven zelf maatregelen nemen om hun G-gas consumptie in vier jaar tijd af te bouwen naar nul. Die vraag is natuurlijk redelijk eenvoudig geformuleerd en ook de VEMW-leden zijn bereid gezamenlijk naar een oplossing te zoeken. Het beantwoorden van de vraag is echter een stuk complexer.

Bovendien gaat de individuele benadering voorbij aan een aantal kwesties die de industrie beter gezamenlijk kan aanpakken. We hebben dan ook niet zozeer moeite met het feit dat de industriële afnemers op het GTS-net op termijn geen G-gas meer gaan gebruiken, maar we moeten nu wel de juiste keuzes maken om de overgang ook haalbaar en betaalbaar te houden.’

Revisies

De implicaties van de overgang van een G-gasinstallatie naar een H-gas zijn technisch te overzien, vindt Bert Kiewiet, Principal consultant Gas System Management van DNV GL. ‘Maar er zijn wel degelijk verschillen tussen H-gas en G-gas waar je rekening mee moet houden. Zo heeft G-gas een heel nauwe bandbreedte, wat doorgaans gunstig is voor het afstellen van branders. H-gas staat er om bekend dat het meer variatie kent in de Wobbe-index.

Toekomstbestendig

Desondanks denkt Kiewiet dat de industriële gebruikers er toch niet aan ontkomen hun installaties om te bouwen. ‘Nederland heeft een redelijk geïsoleerde positie waar het Groningengas betreft. De rest van de wereld is ingesteld op H-gas en zelfs België gaat massaal over op het hoogcalorische gas. We kunnen ons dan ook niet in lengte van dagen vasthouden aan laagcalorisch gas. Natuurlijk kan de calorische waarde van H-gas worden verlaagd met stikstofbijmenging, maar dat is altijd duurder dan puur H-gas inzetten in daarop afgestemde installaties.

Dit bericht is een fragment van een artikel uit de komende editie van Utilities. Begin mei kunt u Utilities 3, met het thema: schoon gas en biomasse, op de mat verwachen. Nog geen abonnee: meldt u zich snel hier aan.

De gaswinning uit het Groningenveld wordt volledig beëindigd. Alleen door het wegnemen van de oorzaak van het aardbevingsrisico kunnen de veiligheid en de veiligheidsbeleving in Groningen op afzienbare termijn worden gegarandeerd. Het kabinet neemt daarom maatregelen om de gaswinning zo snel mogelijk geheel af te bouwen.

Uiterlijk per oktober 2022, maar mogelijk al een jaar eerder, daalt de gaswinning tot onder het niveau van twaalf miljard kubieke meter. Afhankelijk van het effect van de maatregelen wordt vanaf oktober 2022 een daling voorzien naar 7,5 miljard kuub en mogelijk fors minder. In de jaren daarna wordt de gaswinning helemaal afgebouwd tot nul.

Dat staat in een brief van minister Wiebes van Economische Zaken en Klimaat over de gaswinning in Groningen waarmee de ministerraad heeft ingestemd. De gevolgen van de gaswinning zijn volgens het kabinet maatschappelijk niet langer aanvaardbaar. De aardbevingen veroorzaken schade aan huizen en gebouwen en zorgen voor onzekerheid bij bewoners. Bovendien heeft de versterkingsoperatie grote gevolgen voor het aangezicht van de provincie. Een voortdurende gaswinning, geflankeerd door een massale schadevergoedings-, herstel- en versterkingsoperatie, is volgens het kabinet dan ook geen houdbare situatie.

Het kabinet gaat hiermee verder dan het advies van Staatstoezicht op de Mijnen (SodM) om de gaswinning uit het Groningenveld terug te brengen tot twaalf miljard kuub per jaar. Ook bij een jaarlijkse gaswinning op het niveau van twaalf miljard kuub blijft het risico op een zware aardbeving bestaan. Voor het kabinet staat veiligheid voorop en daarom wordt de gaswinning uit het Groningenveld volledig beëindigd. Door het wegnemen van de oorzaak van de aardbevingen wordt de veiligheid in het gebied sterk verbeterd. Dit heeft ook een positief effect op de versterkingsopgave: Groningen kan Groningen blijven. Het kabinet geeft opdracht aan KNMI, SodM, TNO en NEN om op korte termijn het precieze effect op het veiligheidsrisico in kaart te brengen. De evident onveilige gebouwen moeten zonder vertraging worden versterkt. Daarna wordt samen met de regio bekeken wat het gevolg is voor de versterkingsoperatie en welke maatregelen nodig zijn voor de veiligheid. Het kabinet wil geen andere onomkeerbare stappen nemen totdat er meer helderheid is over het veiligheidsperspectief in de regio.

Het einde van de gaswinning in Groningen betekent een keerpunt voor de veiligheid in de regio. Daarmee zijn de overige maatschappelijke uitdagingen, zoals duurzaamheid, krimp en werkgelegenheid, nog niet van tafel. Het kabinet werkt samen met de regio aan een toekomstvisie voor het gebied. In het regeerakkoord waren daarvoor middelen gereserveerd ter waarde van 2,5% van de aardgasbaten. Het succes van die aanpak mag volgens het kabinet niet afhangen van het niveau van de gaswinning in Groningen. Daarom kijkt het kabinet naar een substantiële, meerjarige bijdrage aan Groningen die onafhankelijk is van de gasbaten en de omvang van de versterkingsoperatie.

Maatregelen afbouw gaswinning

Het beëindigen van de gaswinning in Groningen vraagt om een reeks ingrijpende maatregelen aan zowel de vraag- als aanbodzijde. Zo wordt voor 500 miljoen euro een nieuwe stikstofinstallatie in Zuidbroek gebouwd waarmee hoogcalorisch gas kan worden omgezet in laagcalorisch gas. Vanaf oktober 2022 levert deze installatie jaarlijks een besparing op van 7 miljard Nm3 gas uit het Groningenveld. Daarnaast wordt gekeken naar de mogelijkheid om meer stikstof in te kopen voor bestaande installaties.

Uiterlijk in 2022 moeten alle industriële grootverbruikers van Gronings gas zijn overgeschakeld op hoogcalorisch gas of op andere, duurzame bronnen. In totaal gaat het om 170 bedrijven die jaarlijks gezamenlijk circa 4,4 miljard kubieke meter laagcalorisch gas afnemen. Sinds december zijn alle bedrijven aangeschreven en met 45 grootverbruikers worden inmiddels constructieve gesprekken gevoerd. De omschakeling van de acht grootste verbruikers kan al een daling van de vraag naar Groningengas met 2,4 miljard kuub opleveren. Als ook de 45 andere bedrijven die rechtstreeks zijn aangesloten op het landelijke transportnet voor laagcalorisch gas omschakelen, daalt de vraag met in totaal 3,4 miljard kubieke meter per jaar.

De vraag naar laagcalorisch gas uit Duitsland, Frankrijk en België neemt de komende jaren met 2 miljard Nm3 per jaar af. Een verdere versnelling van de omschakeling van buitenlandse verbruikers is op dit moment niet mogelijk. Wel wordt nog gekeken naar de mogelijke omschakeling van een Duitse elektriciteitscentrale op hoogcalorisch gas. Daarnaast wil het Noord-Duitse energiebedrijf EWE de vraag naar Gronings gas met circa 1,7 miljard kubieke meter verlagen door onder andere de bouw van een stikstofinstallatie.

Ook Nederlandse huishoudens zullen moeten bijdragen aan het terugdringen van de gaswinning. Zo worden de investeringen in onder andere de stikstofinstallatie in Zuidbroek doorberekend in de transportkosten. Ook de ombouw van bestaande woningen naar aardgasvrij, zoals aangekondigd in het regeerakkoord, zal de komende jaren leiden tot een lagere vraag naar Groningengas. Verder heeft het kabinet de deelnemers aan het klimaatakkoord gevraagd om voorstellen voor een snelle uitfasering van de CV-ketel. Ook wil het kabinet samen met de witgoedbranche de omschakeling door particulieren van gaskookplaten en gasovens op elektrische toestellen stimuleren.

nieuwsbericht-afbouw-gaswinning-groningen

Veel maatregelen kunnen direct in gang worden gezet. Daarnaast wordt een deel van de maatregelen de komende tijd verder uitgewerkt. Op dit moment bedraagt de gaswinning uit het Groningenveld maximaal 21,6 miljard Nm3 in een gemiddeld jaar en maximaal 27 miljard Nm3 in een koud jaar. Gasunie Transport Services, de beheerder van het landelijke gasnet, heeft op basis van de maatregelen een tijdpad opgesteld voor de minimale winning die in de komende jaren nodig is bij een koud, een gemiddeld en een warm jaar. In dit tijdpad zijn de maatregelen opgenomen die het kabinet voldoende zeker acht, zoals de bouw van een nieuwe stikstofinstallatie, de afnemende vraag uit het buitenland en de ombouw van de 53 grootste industriële verbruikers van Groningengas. Afhankelijk van de weersomstandigheden en het succes van het aanvullende pakket aan besparingsmaatregelen, zoals extra inkoop van stikstof en een groter aantal bedrijven dat omschakelt op andere energiebronnen, kan de gaswinning sneller worden teruggebracht dan het tijdpad van het kabinet.

Het kabinet Rutte III wil de vraag naar laagcalorisch gas versneld verminderen. Minister Wiebes van Economische Zaken en Klimaat roept industriële gebruikers van laagcalorisch gas dan ook op snel over te schakelen op hoogcalorisch gas of andere alternatieven te zoeken voor Groningengas.

Het verminderen van de vraag naar laagcalorisch gas is volgens Wiebes essentieel voor de vermindering van de gaswinning in Groningen. ‘Een belangrijke manier om de gaswinning te kunnen verminderen is het verlagen van de vraag naar laagcalorisch gas uit het Groningenveld. Nederlandse huishoudens zijn in hoge mate afhankelijk van laagcalorisch gas voor hun warmtevoorziening. Een brede transitieaanpak is nodig om de warmtevoorziening te verduurzamen en zodoende de behoefte aan gas te verminderen. Het kabinet zet hier actief en versneld op in, maar onderkent dat dit een traject is met een lange tijdshorizon. In aanvulling hierop zal het kabinet in gesprek treden met partners in het buitenland om mogelijkheden te verkennen om de omschakeling van het gebruik van laagcalorisch naar hoogcalorisch gas, die in deze landen reeds ingezet wordt, te versnellen.’

Brief

Wiebes stuurde een brief naar de industriële partijen die laagcalorisch gas in hun processen gebruiken. Wiebes in de brief: ‘In Nederland wordt laagcalorisch gas behalve door huishoudens ook gebruikt door een beperkt aantal industriële grootverbruikers, waaronder uw bedrijf. Dit verbruik wil het kabinet in de komende periode versneld uitfaseren, zodat er uiterlijk in 2022 in principe geen industriële grootverbruikers meer zijn die nog Groningengas gebruiken. Voor mij is hierbij het uitgangspunt dat deze uitfasering onontkoombaar is, maar dat de wijze waarop dit het beste vormgegeven kan worden per bedrijf kan verschillen. Hiervoor bestaan in mijn optiek grofweg twee routes, ofwel verduurzaming van de energievoorziening dan wel omschakeling van het gebruik van laag- naar hoogcalorisch gas. Idealiter zou direct ingezet worden op verduurzaming in het kader van de klimaat- en energietransitie, maar indien dit op korte termijn om wat voor reden niet mogelijk is, zal er ombouw plaats moeten vinden.

Mijn ministerie zal op korte termijn contact met u opnemen om hierover in gesprek te gaan. Ik vertrouw op uw constructieve houding om te komen tot gezamenlijke afspraken over de stappen die u kunt zetten om uw gebruik van Groningengas op korte termijn uit te faseren.’

 

 

Groen Links kamerlid Tom van der Lee wilde van Minister Eric Wiebes van Economische Zaken en Klimaat weten of het stoken van hout inderdaad vervuilender was dan kolen. Wiebes zette voor de kamer uiteen waarom biomassa volgens hem bijdraagt aan de verduurzaming van de energievoorziening.

Minister Eric Wiebes van Economische Zaken en Klimaat stuurde de Tweede Kamer een brief naar aanleiding van het verzoek van Tom van der Lee (GroenLinks) over het bericht dat het stoken van hout vervuilender is dan kolen. Wiebes: ‘Het kabinet streeft naar 49 procent emissiereductie van broeikasgassen in 2030. De doelstellingen van het Energieakkoord, 14 procent hernieuwbare energie in 2020 en 16 procent in 2023, zijn belangrijke mijlpalen op weg daarnaartoe. De maximaal 25 PJ van het bij- en meestoken van biomassa in kolencentrales levert hier een bijdrage van circa 1,2 procent aan en is een kosteneffectieve maatregel om de uitstoot van CO2 te reduceren.’

In 2018 wordt bij- en meestook van biomassa in kolencentrales niet opengesteld in de SDE+. De sluiting van kolencentrales en de werking van het systeem van emissiehandel staat volgens Wiebes in belangrijke mate los van de stimulering van hernieuwbare energie. Hiermee wordt invulling gegeven aan het Energieakkoord en het regeerakkoord, wat past in het streven naar een meerjarig, consistent en betrouwbaar overheidsbeleid voor de energietransitie.

Hoge duurzaamheidscriteria

In het Energieakkoord is afgesproken dat er duurzaamheidseisen worden gekoppeld aan de stimulering van bij- en meestook van biomassa in kolencentrales. In nauw overleg met de energiebedrijven en milieuorganisaties zijn vervolgens duurzaamheidscriteria opgesteld. De overeengekomen duurzaamheidscriteria behoren tot de meest vooruitstrevende en verregaande criteria in de wereld. Momenteel is er zelfs nog geen privaat certificaat dat aan alle Nederlandse duurzaamheidseisen voldoet. De eisen bevatten criteria voor duurzaam bosbeheer, klimaatcriteria en criteria voor koolstofschuld en indirecte verandering van landgebruik (Indirect Land Use Change, ILUC). Daarbij worden strenge eisen gesteld aan de handelsketen zodat bekend is waar de biomassa vandaan komt.

Koolstofschuld

In het door Van der Lee aangehaalde bericht worden zorgen rondom de inzet van biomassa genoemd. De inzet van biomassa voor energie zou kunnen leiden tot ontbossing en bedreiging van al dan niet beschermde dier- en plantensoorten. Tevens wordt er zorg uitgesproken over de klimaatneutraliteit van het toepassen van biomassa voor energie.

Wiebes: ‘De CO2 die vrijkomt bij het verbranden van biomassa moet ook weer worden vastgelegd bij de aanleg en groei van de biomassa. De tijdsduur die  het vergt om de CO2 vast te leggen wordt ook wel koolstofschuld genoemd. Voorkomen moet worden dat deze koolstofschuld ontstaat. Om deze zorgen te adresseren heeft Nederland strikte en vergaande duurzaamheidcriteria opgesteld en vastgelegd. Ik noem hieronder enkele voorbeelden, met name ten aanzien van de koolstofschuld. Doordat het een bepaalde periode vergt voordat het bos weer in oude staat is aangegroeid kan een koolstofschuld optreden. De teelt en kap van vaste biomassa voor energie leidt in dat geval tot een (tijdelijke) vermindering van de totale hoeveelheid vastgelegde koolstof. Dit betekent dat het gebruik van vaste biomassa kan leiden tot een netto uitstoot van CO2, hetgeen vanuit klimaatperspectief onwenselijk is. Daarom is ervoor gekozen om vast te leggen dat de aangroei en het behoud van het bos waaruit vaste biomassa wordt verkregen groter is dan het verlies aan koolstof. Op die manier treedt geen netto schuld op maar heeft het toepassen van vaste biomassa voor energietoepassingen daadwerkelijk een vermindering van de CO2-uitstoot tot gevolg.

Tevens is het onwenselijk dat het kappen van het bos leidt tot een wijziging in het landgebruik elders (ILUC). De omzetting van veengrond en wetlands in overige landbouwgrond of bos resulteert in een uitstoot van broeikasgassen en is derhalve ongewenst. Daarom mag er geen biomassa worden toegepast afkomstig uit bos dat na 1 januari 2008 is omgezet vanuit veengronden of wetlands. De omzetting van natuurlijke bossen naar houtplantages kan ook leiden tot een verlies aan koolstofvoorraden en biodiversiteit. Om die reden mag biomassa niet afkomstig zijn uit houtplantages die na 31 december 1997 zijn omgezet.

Resthout

Een inefficiënte verbranding van biomassa verhoogt ook de CO2-uitstoot. Daarom moet de omzetting van biomassa in elektriciteit of warmte ten opzichte van een fossiele referentie leiden tot een daadwerkelijke vermindering van CO2-uitstoot. Op basis van Europese rekenregels moet deze reductie in broeikasgasemissies ten minste 70 procent bedragen.

Ten slotte mag een bos niet volledig worden gekapt waarbij al het hout bestemd is voor energieopwekking (maximaal de helft). Zo wordt voorkomen dat bomen alleen worden gekapt voor de productie van biomassa voor energie. Bij de productie van biomassa voor energie wordt hierdoor voornamelijk gebruik gemaakt van resthout.

Tot slot

Uit het bovenstaande blijkt dat de Nederlandse duurzaamheidseisen tot de strengste en meest vergaande eisen behoren. Deze eisen zijn ontwikkeld met het oog op de zorgen die er zijn over de inzet van biomassa, welke ook in het bericht worden genoemd. Dat betekent niet dat alle biomassa die wordt geproduceerd voldoet aan de hoge Nederlandse standaard voor duurzaamheid. Veel bosgebieden voldoen momenteel niet aan deze duurzaamheidseisen en het hout afkomstig hiervan kan dus niet worden toegepast voor het bij- en meestoken in kolencentrales. Dit betekent dat er een aanzienlijke bewijslast bij de bedrijven ligt  om aan te tonen dat zij de duurzaamheid op orde hebben en dat deze hoge DGETM-E2020 / 17196003 standaard in de bosbouw worden toegepast. Onder deze voorwaarden vind ik de bij- en meestook van biomassa verantwoord.

Minister van Economische Zaken en Klimaat Eric Wiebes stuurde een brief naar de Tweede Kamer over de aanpak van de aangekondigde Klimaatwet en het Klimaat en energieakkoord. De minister hoopt in de zomer van 2018 de hoofdlijnen van een Klimaat- en energieakkoord te kunnen presenteren. Over de klimaatwet informeert Wiebes de kamer in het eerste kwartaal van volgend jaar.

Minister Eric Wiebes probeert de ambitieuze klimaat- en energieagenda uit het regeerakkoord vorm te geven. Zowel nationaal als internationaal zet het kabinet in op versnelde actie om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen. In Europa neemt het kabinet het voortouw om de reductiedoelstelling voor 2030 te verhogen van ten minste veertig procent ten opzichte van 1990 naar 55 procent. Nederland zal zelf maatregelen nemen voor een CO2-emissiereductie van 49 procent ten opzichte van 1990.

Twee belangrijke pijlers onder de nationale ambitie zijn de Klimaatwet, waarin het kabinet de hoofdlijnen van het klimaat- en energiebeleid wil vastleggen, en het Klimaat- en Energieakkoord, die burgers en bedrijven moet aanzetten tot maatregelen die de ambities van het kabinet ondersteunen.

Klimaatwet

In het Regeerakkoord is aangegeven dat de hoofdlijnen van de afspraken op het terrein van klimaat en energie worden verankerd in een Klimaatwet. Zoals bekend ligt er een initiatiefvoorstel voor een Klimaatwet van GroenLinks, PvdA, SP, D66 en ChristenUnie voor behandeling in de Tweede Kamer. De minister is de mogelijkheden hiertoe aan het verkennen en verwacht de Tweede Kamer in het eerste kwartaal van 2018 te kunnen informeren over de resultaten daarvan.

Klimaat- en Energieakkoord

Wiebes wil de daadkracht, investeringen en kennis en kunde van alle partijen in de maatschappij benutten: ‘Bedrijven, energiecoöperaties, netbeheerders, woningcorporaties, boeren, burgers, vakbonden, natuur- en milieuorganisaties: ze hebben allemaal een uitgesproken ambitie om bij te dragen aan de klimaat- en energietransitie vanuit hun eigen expertise’, aldus de minister. Die positieve energie wil het kabinet benutten door met al deze partijen afspraken te maken over ieders eigen inzet en gezamenlijke acties.

Tegelijkertijd houdt de minister wel de hand op de knip. Hij verwacht dan ook dat niet alleen de overheid in CO2-besparende maatregelen investeert, maar dat alle partijen investeringen doen en hun huidige werkwijzen in meer of mindere mate aanpassen. De minister stelt kwaliteit vóór snelheid: ‘Een sterk Klimaat- en Energieakkoord staat voor mij voorop. Het streven van het kabinet is erop gericht om in de zomer van 2018, op basis van de afspraken uit het Regeerakkoord, te komen tot een Klimaat- en Energieakkoord op hoofdlijnen voor de periode tot 2030.’

Het ambitieuze tijdpad vraagt van alle betrokken partijen grote inspanningen. Wiebes: ‘In de elektriciteitssector, de industrie, de gebouwde omgeving, de transsportsector en op het gebied van landbouw en landgebruik zullen de komende jaren stappen moeten worden gezet om, met het oog op de afspraken uit het Akkoord van Parijs, de broeikasgasuitstoot sterk te reduceren. Bij voorkeur is in de zomer van 2018 duidelijkheid over het Klimaat- en Energieakkoord om eventuele maatregelen met budgettaire consequenties binnen het financieel kader uit het Regeerakkoord zorgvuldig in de Ontwerpbegroting 2019 te verwerken. Ook biedt dit tijdpad het kabinet de mogelijkheid om de afspraken, aangevuld met andere maatregelen op het gebied van klimaat- en energiebeleid, op te nemen in het concept Integraal Nationaal Energie- en Klimaatplan (INEK) dat Nederland als onderdeel van de Europese Energie Unie eind 2018 moet indienen.’

 

Regie

Wiebes zal zelf de regie nemen bij de totstandkoming van het Klimaat- en Energieakkoord. Voor de SER past volgens de minister nu veel meer een faciliterende rol. Het akkoord gaat over alle vijf sectoren. Voor de onderhandelingen wordt gekozen voor een structuur met vijf sectorale tafels en één coördinatieoverleg. Aan de sectortafels zitten in ieder geval de partijen die daadwerkelijk zelf een bijdrage leveren aan de transitie.

In het Klimaat- en Energieakkoord wil het kabinet inzetten op drie sporen: Ten eerste een Kostenefficiënte uitrol van maatregelen die al op korte termijn tot kostenefficiënte CO2 reductie leiden. Ten tweede pilotprojecten voor maatregelen waarvan de kosten op dit moment nog hoog zijn, maar die naar verwachting een grote rol zullen spelen richting 2050. En als derde spoor innovatietrajecten voor innovatieve maatregelen, die van belang zijn om de transitie richting 2050 verder vorm te kunnen geven.

De stimuleringsregeling voor hernieuwbare energieproductie (SDE+ regeling) is opnieuw opengesteld. Er komt in het voorjaar van 2018 zes miljard euro beschikbaar voor nieuwe projecten voor opwekking van energie uit duurzame bronnen zoals wind, zon, biomassa, geothermie en water. Voor het najaar van 2018 komt naar verwachting opnieuw een bedrag van zes miljard euro beschikbaar.

Duurzame energieopwekking wordt door schaalvergroting en technische ontwikkelingen steeds goedkoper, waardoor er steeds minder subsidie nodig is. De SDE+ versnelt die ontwikkeling, wat past in de lijn van het regeerakkoord, waar wordt ingezet op de meest kostenefficiënte oplossingen. Deelnemers aan de SDE+ worden geprikkeld zoveel mogelijk hernieuwbare energie op te wekken tegen zo laag mogelijke kosten. De regeling werkt als een veiling en stimuleert aanvragers om projecten voor een zo laag mogelijke subsidie in te dienen, waarbij alle projecten en technologieën met elkaar concurreren. Dat lokt innovatie en kostenreductie uit; positief voor het klimaat én voor de energierekening van burgers en bedrijven. Met name wind- en zonne-energie is de afgelopen jaren fors goedkoper geworden.

Windenergie op zee zonder subsidie

Energieopwekking door wind op zee is niet opgenomen in de reguliere SDE+ openstelling. Hiervoor worden aparte tenders uitgezet. Ook gaf minister Wiebes van Economische Zaken en Klimaat eerder aan dat de afvang en opslag van kooldioxide ook buiten de SDE+-regeling valt.

Na de tenders van de afgelopen jaren is wind op zee steeds goedkoper geworden. Mogelijk is er bij de komende tender zelfs helemaal geen subsidie meer nodig is. De eerstvolgende tender loopt van 15  tot en met 21 december. Marktpartijen kunnen een bod uitbrengen voor de realisatie van een windpark (zonder subsidie) in het windenergiegebied Hollandse Kust (zuid) kavels I en II. Van 2 tot en met 18 januari loopt een tender voor de ontwikkeling van Kavel V van het windenergiegebied Borssele. Dit is een kavel waar innovatie en het testen van nieuwe technologie centraal staat.

De opslag duurzame energie (ODE) stijgt door afspraken in het regeerakkoord. Minister Wiebes (Economische Zaken en Klimaat) wil zo extra geld ophalen voor verduurzaming van de energievoorziening. Voor CCS wil de minister een nieuwe regeling, buiten de SDE+ om, in het leven roepen.

De ODE is een heffing op het verbruik van aardgas en elektriciteit. Met de opbrengsten wordt de Stimulering Duurzame Energieproductie (SDE+) gefinancierd. Deze subsidieregeling moet ervoor zorgen dat de energievoorziening duurzamer wordt. Afgesproken is dat huishoudens en bedrijven ieder voor vijftig procent bijdragen aan de regeling.

Nederland bungelde jarenlang onderaan bij de verduurzaming van de energievoorziening, stelt Jetten (D66) vast. De ODE kan volgens hem helpen om koploper te worden in Europa. Ook Yesilgöz (VVD) steunt een ambitieus klimaatbeleid, maar ze wil tegelijkertijd zuinig omgaan met belastinggeld.

De helft van de energierekening bestaat ondertussen uit belastingen, stelt Kops (PVV) vast. De burgers zijn volgens hem de klos. Ze worden uitgeknepen en mogen via de ODE en de energiebelasting betalen voor peperdure hobby’s van de linkse elite. Het gevolg is volgens de PVV’er dat steeds meer mensen in de schulden terechtkomen. De kosten van verduurzaming van de energievoorziening zijn hoog, erkent Van der Lee (GroenLinks). Maar de kosten van niets doen tegen klimaatverandering zijn volgens hem nog vele malen hoger.

Grootverbruikers

Grootverbruikers betalen per kuub gas of per kWh (veel) minder ODE dan huishoudens. Dit is niet alleen onrechtvaardig, betoogt Beckerman (SP), maar ook ineffectief. Heffingen op productie werken namelijk veel beter dan het belasten van de eindgebruiker. Is het verstandig om de ODE te verschuiven van huishoudens naar bedrijven? De grote vervuilers betalen te weinig, vindt Moorlag (PvdA). Van der Lee wil dat grootverbruikers zestig procent gaan betalen, Beckerman pleit voor tachtig procent.

Het zwaarder belasten van bedrijven tast de Nederlandse concurrentiepositie aan, vrezen de minister, Yesilgöz en Mulder (CDA), en jaagt bedrijven het land uit. Bovendien betalen de huishoudens uiteindelijk toch wel, denkt Kops, want bedrijven belasten hun kosten gewoon door.

CCS

Het kabinet wil in de toekomst de energiesubsidies niet alleen gebruiken voor wind- en zonne-energie, maar ook voor de afvang en opslag van CO2, ook wel CCS genoemd. Onterecht, vinden Beckerman, Van der Lee en Moorlag, want CCS draagt niet bij aan hernieuwbare energie. CCS past niet in de SDE+, erkent Wiebes. Daarom zal er een nieuwe regeling komen, naast of ter vervanging van de bestaande regeling.